U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › Bartonella henselae-infectie
LCI februari 1999, laatst gewijzigd april 2009
Kattenkrabziekte, een zoönose die via een krab van een
besmette kat op mensen wordt overgebracht, heeft als belangrijkste
kenmerk een lymfklierzwelling en leidt meestal tot spontaan
herstel.
In 1889 beschreef Parinaud een aantal patiënten met conjunctivitis,
lymfklierzwelling en koorts gedurende een aantal weken.
Retrospectief geldt dit als de eerste beschrijving van
kattenkrabziekte. De relatie met de kat werd pas in 1950
beschreven; een bacterie of virus werd niet gevonden.
In 1983 werden voor het eerst kleine polymorfe bacteriën in en rond
de wand van capillairen en in macrofagen van klierweefsel gezien.
Deze vermelding kan de ontdekking genoemd worden van de verwekker
van kattenkrabziekte. In 1990 kwam de doorbraak door een nieuwe
techniek, de PCR, waarmee men
concludeerde dat het een tot dusver onbekend micro-organisme betrof
dat het meest verwant was aan Rochalimaea
quintana, een
Rickettsia. Op hetzelfde moment
verscheen onafhankelijk hiervan een publicatie over voorheen
onbekende uit bloed gekweekte gramnegatieve bacteriën bij negen
immuno-incompetente patiënten. Later bleken dit dezelfde
Rochalimaea te zijn. Het nieuwe
organisme kreeg binnen het genus
Rochalimaeade naamR.
henselae. In 1992 en 1993 werd uit fylogenetisch
onderzoek duidelijk dat het genus
Rochalimaeahet meest verwant was aan
het genus Bartonella. Zo
werd Rochalimaea henselae
hernoemd tot Bartonella
henselae.
Er zijn andere bartonellaspecies bekend, die ook voor de mens pathogeen zijn, die in dit protocol verder niet worden besproken. Het betreft B. quintana, B. bacilliformis en B. elizabethae.
• B. quintana is de veroorzaker van de loopgravenkoorts die met name bekend werd als de oorzaak van een syndroom van langdurig recidiverende koorts, huidafwijkingen en botpijnen dat in de eerste wereldoorlog epidemische vormen aannam onder soldaten. Het kan worden overgebracht door de kleerluis en is niet geassocieerd met katten.
• B. bacilliformis veroorzaakt de ziekte van Carrión of Oroya koorts en wordt overgebracht door een zandvliegje dat alleen in het Andesgebergte in Zuid-Amerika voorkomt.
• Van B. elizabethae is slechts één geval van endocarditis beschreven.
Het mechanisme dat voor de verschillende vormen van kattenkrabziekte verantwoordelijk is, is nog niet geheel duidelijk. Bij immunocompetenten is de pathologische response granulomateus, inflammatoir en etterend (pussend). Bij immuno-incompetenten is de pathologische response vasculoproliferatief. Uit onderzoek in vitro met menselijke aders blijkt dat de bacterie celproliferatie bevordert, morfologische veranderingen in de endotheelcellen teweegbrengt en veranderingen in de ruimtelijke organisatie van de endotheelcellen veroorzaakt.
Papel: drie tot zes dagen na een krab of beet van een kat. Vesikels: enkele dagen na papel. Regionale lymfadenopathie: zeven tot vijftig dagen na de papel, meestal twee weken.
Kattenkrabziekte is bij immunocompetenten over het
algemeen een onschuldige, soms met koorts gepaard gaande ziekte,
die meestal vanzelf overgaat. Het begint drie tot vijf dagen nadat
de patiënt door een kat gekrabd of gebeten is, met een of meerdere
rode papels
(2-3 mm) op de huid ter plaatse van het inoculum. De papels worden
vesikels, na enkele dagen crusteus, waarna de laesie snel
verdwijnt. Niet zelden blijft de primaire laesie onopgemerkt. Na
ongeveer twee weken, wanneer van de primaire laesie meestal alleen
nog een klein litteken zichtbaar is, kan een (druk)pijnlijke, grote
lymfklierzwelling ontstaan, soms meer dan één. De zwelling ontstaat
in een lymfklierstation proximaal van de inoculatieplaats, meestal
aan het hoofd, in de hals, in de oksel of de elleboogplooi, minder
vaak in de lies of lager. Lymfangitis ontbreekt.
Wanneer de porte d’entrée het oog is, ontwikkelt zich een
granulomateuze conjunctivitis met preauriculaire lymfadenitis, welk
symptomencomplex bekend staat als Parinauds oculogladulair
syndroom.
De ernst van de lymfadenitis is zeer variabel, maar de aandoening
kan in uitgesproken gevallen gepaard gaan met sterke vergroting van
de klier, warmte en roodheid van de onderliggende huid en
aanzienlijke pusvorming (abcedering treedt op bij circa 15% van de
patiënten).
Bij ongeveer eenderde van de patiënten gaat de ziekte in de eerste
dagen tot weken gepaard met koorts (meestal <39°C), hoofdpijn en
algemene malaise. Bij circa 2% van de patiënten zijn er laat in het
ziektebeloop verschijnselen van (reversibele) encefalitis, zich
uitend in verlaagd bewustzijn of zelfs coma en convulsies. De
lymfadenitis kan weken tot maanden aanhouden (gemiddeld zes weken),
maar verdwijnt uiteindelijk spontaan en zonder restverschijnselen.
Bij een klein deel van de patiënten (1-3%) manifesteert
kattenkrabziekte zich als een gedissemineerde infectie met
ontstekingshaarden in bot, lever, milt of long. Ook huidafwijkingen
als morbilliforme ‘rash’, erythema nodosum en erythema multiforme
zijn beschreven.
De infectie verloopt ernstiger bij immunoincompetenten (met name
aids en mensen met een niertransplantatie). Typerend voor het beeld
zijn papulaire en nodulaire huidlaesies (bacillaire angiomatose).
Bacillaire angiomatose en peliosis (vasculoproliferatieve laesies
in de lever of milt) bij hivgeïnfecteerden zijn subacute tot
chronische infecties, die gepaard gaan met hoge koorts en algemene
malaise, met soms een fulminant en fataal beloop. Histologisch
onderzoek van peliosis laat neovascularisatie en crypten zien in
milt of lever. Angiomen van interne organen en slijmvliezen kunnen
tot lokale complicaties (bijvoorbeeld obstructie) leiden en oorzaak
van sterfte zijn. Manifestaties met alleen angiomen van de huid,
van enkele tot honderden in aantal, verlopen over het algemeen
milder. Peliosis van de lever (en/of milt) kan een separate
manifestatie zijn, maar wordt ook met angiomatose
waargenomen.
Immuno-incompetenten, in het bijzonder hivpositieven.
Waarschijnlijk bestaat er levenslange immuniteit bij de kat na doormaken van de infectie. Hierover zijn weinig gegevens bekend. Er zijn ook geen berichten dat bij de mens iemand voor de tweede keer kattenkrabziekte heeft gehad. Ook katten die na klaring opnieuw blootgesteld werden, ontwikkelden geen bacteriëmie.
B. henselae is een klein (0,6-1 µm) gramnegatief licht gebogen staafje dat obligaat intracellulair leeft. Er zijn elf beschreven bartonellaspecies, waarvan vijf pathogeen voor de mens: B. henselae, B. quintana, B. bacilliformis en B. elizabethae. Recent is B. clarridgeiaontdekt, welke ook verschijnselen van kattenkrabziekte veroorzaakt.
Alleen cutane bacillaire angiomatose is op basis van het klinisch beeld herkenbaar als een infectie door B. henselae, hoewel de huidlaesies macroscopisch soms moeilijk te onderscheiden zijn van Karposi sarcoom. De overige klinische manifestaties, ook die van regionale lymfadenitis, zijn aspecifiek en kennen een brede differentiaaldiagnose. De anamnese (kattenkrab/-beet?) kan de behandelaar op het juiste spoor brengen.
Laboratoriumdiagnostiek
• Kweek
Kweken van pus uit lymfklieren of van weefsel uit ontstekingshaarden, blijven – als de normale procedures worden toegepast – negatief. Wanneer het bestaan van een infectie met B. henselae overwogen wordt, kan dat vermoeden met gericht laboratoriumonderzoek bevestigd worden. Het is mogelijk de bartonellabacteriën te kweken op bloedverrijkte agarplaten na langdurige incubatie, hoewel primaire isolatie uit aangedaan weefsel bijna nooit lukt.
Er is een PCR voor het direct aantonen van de DNA van de bacterie in materiaal van de ontstekingshaarden. Deze PCR is wel sensitief.
• Histopathologisch onderzoek
De diagnose kan gesteld worden door geëxideerd of gebiopteerd weefsel van granulomateuze (of vasculoproliferatieve) laesies te kleuren met zilver volgens de methode van Warthin-Starry: het zichtbaar worden van clusters van zeer kleine polymorfe bacillen is typisch voor infectie met B. henselae, maar bacillen zijn alleen te zien in de vroege fase van het ontstaan van afwijkingen.
• Serologie
De infectie kan vastgesteld worden door middel van indirecte immunofluorescentietest of ELISA voor het van IgM- en IgG-antistofconcentraties.
Vroeger werd actuele infectie vastgesteld door detectie van cellulaire immuniteit met de (inmiddels niet meer beschikbare) huidtest1.
Zowel het aantonen van een specifieke humorale immunorespons (IgM, zeer hoge titers IgG of IgG/IgM-stijging in gepaard serum), als detectie van het agens met PCR zijn gevoeliger diagnostische methoden.
De kat is het reservoir. In studies wordt bij 14-53% van
de onderzochte katten B.
henselaein het bloed aangetroffen. Er zijn
aanwijzingen dat katten cyclisch bacteriëmisch zijn en dat niet
alle katten serologisch reageren op de bacteriëmie.
B. henselae lijkt in de kat een perfecte
gastheer-parasiet relatie te hebben, doordat katten vrijwel niet
ziek worden. Het feit dat er géén aanwijzingen zijn gevonden voor
directe kat-kat transmissie maakt de aanwezigheid van geleedpotige
vectoren in de transmissiecyclus waarschijnlijk. Bij 24% tot 34%
van de vlooien van katten is de bacterie aangetoond in het bloed.
Uit experimenten met B. henselae-vrije
katten die blootgesteld werden aan besmette vlooien bleek dat
transmissie plaatsvond.
Porte d’entree voor de mens is een krab of beet van een besmette kat. De rol van vlooien als overbrengers van de bacterie naar de mens is nog onduidelijk. Overdracht tussen katten onderling vindt wel via vlooien plaats. Directe overdracht van mens naar mens is niet beschreven.
Katten kunnen twee tot twaalf
maanden bacteriëmisch blijven en de bacterie
verspreiden.
Onbekend. Contact met een kat met vlooien gaat samen met een verhoogde kans op verwerving van de ziekte. De hoogste prevalentie bacteriëmie onder katten werd gevonden onder jonge (<24 maanden) vrouwtjeskatten.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken (bloed) |
2.1.2 |
|
Instrumenten (niet huid-of slijmvliesdoorborend, wel bloed) |
2.2.2 |
|
Instrumenten (wel huid-of slijmvliesdoorborend) |
3.1 |
|
Textiel met bloed |
2.3.2 |
|
Intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond) |
2.4.2 |
|
Handen |
2.4.3 |
De ziekte kan op elke leeftijd
optreden, maar de meeste patiënten zijn kinderen en jongvolwassenen
(mannen vaker dan vrouwen). De meeste gevallen worden gemeld in
herfst en winter. Dit hangt waarschijnlijk samen met expositie aan
jonge katten.
Kattenbezitters: met name eigenaren van jonge vrouwelijke katten
(<24 maanden).
Mogelijk dierenartsen: uit onderzoek onder 350 dierenartsen in de
Verenigde Staten bleek 7% seropositief te zijn voor
B. henselae.
B. henselae
komt wereldwijd voor. In de Verenigde Staten wordt de
jaarlijkse incidentie op 9 per 100.000 inwoners geschat (22.000
gevallen per jaar) en bij circa 2.000 patiënten per jaar is
kattenkrabziekte de ontslagdiagnose na ziekenhuisopname.
Denemarken: 2,6 per 100.000 gevallen per jaar.
Katten: bij 44-50% van de Nederlandse katten is positieve
serologie aangetoond voor B.-henselae.
Bacteriëmie werd bij 20% van de katten in Nederland
aangetoond.
Mensen: de incidentie van kattenkrabziekte in Nederland is niet
goed bekend. Op basis van laboratoriumdiagnostische gegevens van
het RIVM zijn er naar schatting minstens 300 tot 1.000 gevallen per
jaar in Nederland. Dit is meer dan 2 per 100.000 inwoners per jaar.
Het werkelijk aantal infecties kan mogelijk tienmaal zoveel zijn.
Slechts zeer sporadisch treedt ernstige invasieve infectie op bij
immunocompetenten. Het gaat dan vanzelf over. Bacillaire
angiomatose is éénmaal vastgesteld in Nederland.
- B. henselae (kattenkrabziekte, bacillaire angiomatose, peliosis hepatis, bacteriëmie + koorts): geen therapie of eventueel: azitromycine 500 mg 1 dd op dag 1; 250 mg 1 dd op dag 2-5, erytromycine: 10 mg/kg 4 dd, doxycycline: 2 mg/kg 2 dd (niet < 8 jaar).
Bij abcedering is aspiratie of drainage van pus aangewezen, hetgeen leidt tot verlichting en verkorting van de klachten.
Atypische vormen reageren over het algemeen zeer goed op antibiotica.
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling de richtlijn van de Stichting Werkgroep AntibioticaBeleid:http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=214
Immunisatie van mensen is niet beschikbaar. Immunisatie van katten zou mogelijk zijn. Onderzoek gericht op de ontwikkeling van een vaccin is gaande maar nog niet beschikbaar. Immunisatie zou in de toekomst kunnen worden overwogen, met name voor katten van risicopersonen.
• Thuissituatie
Preventie is gericht op het voorkomen van transmissie. Effectief zijn hygiënemaatregelen na een krab of beet (wassen van de huid, wonddesinfectie en -verzorging), bestrijding van vlooien bij katten, behandeling of in de toekomst wellicht immunisatie van katten. Behandeling van katten met doxycycline gedurende één week bleek effectief in suppressie van de bacteriëmie in alle onderzochte katten, maar klaarde de infectie in slechts de helft van de gevallen definitief. Vervolgens werd amoxicilline gegeven, wat de meeste katten tot klaring bracht.
• Immuno-incompetente patiënten worden geadviseerd niet met katten om te gaan.
• In kinderdagverblijven, scholen en instellingen katten vlovrij houden en traumatisch contact met katten vermijden.
Geen bronopsporing. Er zijn clusters beschreven, vooral binnen gezinnen door gezamenlijke expositie aan één of meer krabgrage katten. Bij een cluster of epidemie kan bronopsporing zinvol zijn.
Geen contactonderzoek. Bij een cluster of epidemie kan contactopsporing door de GGDzinvol zijn.
Patiënten wondverzorging; contacten geen maatregelen nodig.
Geen profylaxe bekend.
Bartonella henselae is niet van mens op mens overdraagbaar. Wering is niet van toepassing.
Geen.
Het RIVM en het Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid in Tilburg kunnen serologie en PCRverzorgen.
LCI februari 1999, laatst gewijzigd april 2009