U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Bof (parotitis epidemica)
LCI/Gr februari 2009, laatst gewijzigd augustus 2010
Bof is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door het
bofvirus. Voor de introductie vande
BMR-vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in 1987 kwamen
regelmatig bofepidemieën voor, waarbij voornamelijk
kinderen tussen het eerste en negende levensjaar werden aangedaan.
Na 1987 daalde het aantal aangegeven gevallen naar minder dan 50
per jaar. (Con01) In 1999 is de meldingsplicht voor bof afgeschaft,
echter in 2008 is deze weer geïntroduceerd, met name ter
surveillance van vaccinfalen.
naar boven
Bofvirus is een RNA-virus behorend tot de groep
paramyxovirussen.
Het bofvirus infecteert de bovenste luchtwegen, waarna
vermenigvuldiging van het virus plaatsvindt in het plaatselijke
luchtwegepitheel en regionale lymfeklieren. De daarop
volgende viremie verplaatst het virus naar de targetorganen:
speekselklieren, pancreas, testis, ovarium en centraal
zenuwstelsel. In de parotis ontstaat een interstitiële ontsteking
met een serofibrineus en leukocytair exsudaat en een degeneratie
van de cellen van de parotisgangen. In de testis ontstaan
hemorragieën, interstitieel oedeem en een degeneratie van de
tubuli. De pancreas laat een interstitieel oedeem en een beperkte
degeneratie van de eilandjes van Langerhans zien. Histologisch is
bij bofmeningo-encefalitis een perivasculaire demyelinisatie te
zien, die karakteristiek is voor een postinfectieuze
encefalitis.
De incubatieperiode varieert van 12 tot 25 dagen (de meeste gevallen van bof ontstaan tussen de16 en 18 dagen). (AAP03)
Naar schatting verloopt ongeveer een derde
van de bofinfecties asymptomatisch, bij kinderen jonger dan 2 jaar
zelfs meer dan de helft. De ziekte begint met koorts
en wordt begeleid door andere prodromalesymptomen,
zoals spierpijn, hoofdpijn en malaise. In veel
gevallen is slechts sprake van een bovensteluchtweginfectie.
(Con01) Een van de kenmerkendesymptomen van bof is de
ontsteking van de speekselklieren (parotitis). Meestal
verloopt de parotitis eenzijdig en de zwelling van het omliggende
weefsel kan het oorlelletje doen oplichten. Bij een gelijktijdige
infectie van de andere speekselkieren in de mondbodem kan een forse
confluerende zwelling ontstaan.De vergrote speekselklier
veroorzaakt pijn, vooral bij het openen van de mond. Ook oorpijn is
een frequent voorkomend verschijnsel. De zwelling van de parotis is
maximaal na 2 à 3 dagen, en is binnen een week weer verdwenen,
evenals de overige symptomen.
Als complicatie van bof kunnen aseptische meningitis, encefalitis,
epididymo-orchitis, oöforitis, gehoorverlies, pancreatitis,
thyroïditis, artritis, mastitis, glomerulonefritis,
trombocytopenie, cerebellaire ataxie en myocarditis voorkomen.
(AAP03, Bea99, Con01)Aseptische
meningitis, de meest voorkomende complicatie op de kinderleeftijd
(1 tot 10%), treedt vooral tussen de leeftijd van 3 en 7 jaar op en
heeft een gunstige prognose.(Bea99)Bij
een klein percentage gaat het klinisch beeld gepaard met een
encefalitis (0.02 tot 0.3% van alle bofgevallen). Deze kan
ernstiger verlopen, maar heeft slechts zelden een fatale afloop
(1.4%).(AAP03)
Epididymo-orchitis (ontsteking van de epididymis en de testis) komt
voornamelijk voor na de puberteit. Bij 25% van de mannen met een
postpuberale infectie doet zich een, meestal eenzijdige, orchitis
voor. Een op de 6 patiënten heeft een bilaterale
epididymo-orchitis. (Con01) Steriliteit bij
mannen als complicatie van het doormaken van een bilaterale
bof-epididymo-orchitis wordt zelden waargenomen.
(Bea99, Con01)
Oöphoritis (ontsteking van de eierstokken) komt
voor bij ongeveer 5% van de postpuberale vrouwen met klinische bof
en veroorzaakt buikpijn. Deze complicatie beïnvloedt de fertiliteit
zeer zelden.(Bea99)
In de differentiaaldiagnose van een (solitaire) parotitismoet gedacht worden aan andere oorzaken: infectieuze (para-influenzavirus, influenza A, coxsackie A-virus, echovirus, hiv et cetera) en niet-infectieuze oorzaken (medicamenten, maligniteiten, immunologische ziekten en obstructie van de speekselbuis). (MMWR06-3)
De kans op chronische,
dubbelzijdige parotitis is groter bij hivgeïnfecteerde
kinderen.
Op basis van beschikbare data bestaan tot
dusver geen aanwijzingen dat het krijgen van bof
tijdens de zwangerschap tot een verhoogd risico op aangeboren
afwijkingen leidt.Er zijn vermeldingen in de
literatuur dat parotitis door het bofvirus in de eerste 12 weken
van de zwangerschap is geassocieerd met een verhoogd risico op
spontane abortus. (AAP03)Ook zijn er enkele
casussen gepubliceerd waarbij een mogelijke associatie
tussen bofvirusinfectie in het eerste trimester en spontane abortus
werd beschreven (Gar80,
Kur82), maar in eenstudie bij 79
zwangere Duitse vrouwen met serologisch bewezen acute bofinfectie
kon een toename van spontane abortus of premature bevalling niet
worden bewezen. (End05) Het is dus onduidelijk of het doormaken van
bof tijdens de zwangerschap een risico voor het ongeboren kind
geeft.
Na infectie met het bofvirus ontstaat waarschijnlijk een levenslange immuniteit. De prevalentie van beschermende antistoffen tegen het bofvirus bij 25 tot 79-jarige Nederlanders met overwegend natuurlijke immuniteit, verworven vóór de introductie van het BMR-vaccin, is >96%. (Hof03, Nar03) De verworven immuniteit na vaccinatie en natuurlijke infectie is mogelijk niet levenslang. In de literatuur zijn meerdere uitbraken van bof onder gevaccineerden beschreven. (Bro05, MMWR06-1,2,3, Sav05)
Risicofactoren voor een uitbraak onder gevaccineerden zijn:
aanwezigheid van niet of niet-volledig gevaccineerden, afnemende
immuniteit na vaccinatie, primair vaccinfalen en crowding.
(Coh07, Par07)Er zijn vermoedens dat de introductie
van nieuwe en/of variante bofvirusstammen een rol kan
spelenbij het ontstaan van deze uitbraken.
(San08)
naar boven
De diagnose bof is klinisch eenvoudig(er) te stellen wanneer deze zich presenteert in de klassieke vorm tijdens een epidemie: parotitis epidemica. Echter, bij een solitaire parotitisof atypische bofleunt de diagnose op laboratoriumonderzoek.
Laboratoriumdiagnostiek
Direct
Indirect
Bofvirus en antistoffen kunnen soms ook in het cerebrospinale vocht worden aangetoond. (Kra06)
Geen
Naar boven
De mens is de enige bekende gastheer van
het bofvirus.
Druppelinfectie uit neus- en keelholte (hoesten, niezen).
Bof is het meest besmettelijk vanaf één tot 2 dagen vóór het optreden van de parotiszwelling tot 5 dagen daarna. (AAP03) Er zijn gevallen beschreven waar het virus in het speeksel geïsoleerd is vanaf 5 dagen vóór tot 9 dagen na het ontstaan van de parotitis. (AAP03) In de urine is tot 5 dagen na het begin van de parotitis bij 80% van de patiënten het virus aantoonbaar.
Bof is een erg besmettelijke infectieziekte,
ooksubklinische infecties zijn besmettelijk.
Naar boven
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken: |
niet van toepassing |
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend: |
niet van toepassing |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend): |
niet van toepassing |
|
Textiel: |
niet van toepassing |
|
Intacte huid: |
niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond): |
niet van toepassing |
|
Handen: |
standaardmethode 2.4.3 |
Iedereen die niet gevaccineerd is of op natuurlijke wijze
immuniteit heeft verworven, vooral als er sprake is
van clustering van niet-immune personen in bepaalde woon- of
verblijfplaatsen:
Voor de introductie van BMR in 1987 raakte vrijwel iedereen geïmmuniseerd door het wilde virus. Het aantal vatbaren in deze groep is laag(<4%).
Bof komt wereldwijd
voor.Tussen 2004 en 2005 werden bofepidemieën in het
Verenigd Koninkrijk gemeld. (MMWR06-1) Hier betrof het mensen in de
leeftijdscategorie van 15 tot 24 jaar. Van hen had 3.3% 2 doses
BMR-vaccin ontvangen en 30% één dosis. (MMWR06-1) In juli 2005
ontstond een bofuitbraak in een zomerkamp in de staat New York.
(MMWR06-2) De index was een twintigjarige ongevaccineerde man uit
het Verenigd Koninkrijk en alle gevallen waren tussen de 10 en 15
jaar. Vanaf december 2005 tot april 2006 werden verschillende grote
bofuitbraken (met 515 vermoedelijke bofgevallen) gemeld in de staat
Iowa in de Verenigde Staten. (MMWR06-3) Tussen mei 2005 en januari
2006 zijn 2 uitbraken van bofparotitis in Nova Scotia (Canada)
gemeld. (Wat06) Bij de eerste uitbraak betrof het in 69% van de
gevallen patiënten die 2 doses BMR-vaccin hadden gehad, bij de
tweede uitbraak betrof het in 95% van de gevallen patiënten die
maar één dosis BMR-vaccin hadden gehad.
In 1999 werd de
wettelijke meldingsplicht voor bof afgeschaft en berustte de
surveillance van bof op informatie van de ziekenhuisregistratie
door PRISMANT, van de virologische weekstaten en de
sterftestatistieken door het CBS. Dit bood in beperkte mate zicht
op de daadwerkelijke incidentie van bof in Nederland. Met de ingang
van de nieuwe Wet publieke gezondheid in 2008 is de meldingplicht
voor bof opnieuw ingevoerd.
Nadat in 1987 gestart werd met vaccinatie is het aantal
ziekenhuisopnamen wegens bof in Nederland drastisch gedaald.
Het aantal ziekenhuisopnamen in verband met bof daalde
van 390 naar nul in 1994.(Bea99,
Con01) In de periode tussen 1997 en 2003 werden 2
sterftegevallen door bof geregistreerd. (Abb04) In 2004 werd in een
populatie van 843 studenten en medewerkers van de Hotelschool in
Den Haag en Amsterdam bij 105 personen (12%) parotitis of orchitis
of laboratoriumbevestigde bof (n=34) aangetoond. 34% van de
studenten en medewerkers (287/843) had typische klachten of 2 of
meer atypische klachten.
In 2007/2008 verspreidde een ander genotype bofvirus (type D) zich
sterk onder de ongevaccineerden in Nederland. Omdat bof niet
meldingsplichtig was, is niet duidelijk geworden hoeveel gevallen
van bof er daadwerkelijk zijn geweest. Ten tijde van deze uitbraak
zijn frequent parotitismeldingen onderzocht van onvolledig (1x) en
volledig (2x) gevaccineerde personen. De meeste van deze personen
bleken bij laboratoriumonderzoek door hetzelfde virus (type D) te
zijn geïnfecteerd geweest als de ongevaccineerden (CIb/LIS-
onderzoek).
Naar boven
Alleen symptomatische behandeling is hier aangewezen.
Naar boven
A. Samenstelling
Het bofvaccin is een levend
verzwakt virus en maakt deel uit van de BMR-vaccinatie tegen
bof, mazelen en rodehond. (Monovalent bofvaccin is in Nederland
niet verkrijgbaar).
B. Risicogroepen, (contra-)indicaties, bijwerkingen en
interacties
Risicogroepen: zie ook paragraaf
2.5 en 6.1.
In ongevaccineerde populaties komt bofvirusinfectie voornamelijk
tussen het eerste en negende levensjaar voor. In gevaccineerde
populaties worden ongevaccineerden gemiddeld later besmet.
Niet-geïmmuniseerde en
immuno-incompetentepersonen zijn de
belangrijkste risicogroepen.
Contra-indicaties voor het BMR-vaccin zijn:
• Cytostaticagebruik of hoge dosis
corticosteroïden. Voor mensen met langdurig (14 dagen of langer)
gebruik van een prednisondosis equivalent aan ≥2 mg/kg/dag
(kinderen) en ≥20 mg/dag (volwassenen), is BMR gecontra-indiceerd.
Het advies is om niet eerder dan 4 weken na het stoppen van
corticosteroïdtherapie te vaccineren. (AAP03) Bij tijdelijke
toediening van immunosuppressiva en cytostatica worden regulaire
vaccinaties (inclusief BMR) bij voorkeur uitgesteld tot ten minste
één maand na het staken van de therapie.
• Bij aandoeningen met een immunologische
component (zoals bij een reumatische aandoening of
(auto)immuunstoornis) moet de beslissing over vaccinatie
individueel worden genomen, in overleg met behandelend arts en een
in immunologie en infectieziekten gespecialiseerde kinderarts en
GGD.
• Verminderde immunologische afweer
(immunodeficiëntie, bestraling, stamceltransplantatie et cetera).
Bij hivgeïnfecteerden wordt vaccinatie echter toch aanbevolen
vanwege het ernstige beloop van een mazeleninfectie, mits de
immunologische toestand van de patiënt dat toelaat. Deze wordt
bepaald aan de hand van het aantal CD4+- en CD8+-cellen.
• Recent gebruik van
immunoglobuline-substitutietherapie: BMR-vaccinatie moet ten minste
2 weken voor of 3 maanden na immunoglobulinetherapie plaatsvinden.
Theoretisch gezien kunnen antilichamen het verzwakte bofvirus
neutraliseren en daarmee de effectiviteit van de vaccinatie
beïnvloeden.
• BMR-vaccinatie is gecontra-indiceerd voor
zwangeren.
Op theoretische gronden mag het vaccin niet worden gegeven aan
zwangeren. Omdat een risico voor de foetus ten gevolge van
toediening van deze levende virusvaccins in theorie niet kan worden
uitgesloten, dient de gevaccineerde gedurende 4 weken na vaccinatie
zwangerschap te vermijden. Dit geldt voor alle mazelen-, bof-, BMR-
of andere vaccins die een verzwakt levend virus bevatten. [CDC01]
Dit is in tegenspraak met de bijsluiters van deze vaccins waarin
een termijn van 3 maanden wordt geadviseerd.
• Anafylactische shock na eerdere BMR-vaccinatie.
Het voorkomen van anafylactische reactie na vaccinatie is niet
bekend: in Nederland is er alleen een passieve registratie van
bijwerkingen, zowel bij het RIVM als bij Lareb (Nederlands
Bijwerkingen Centrum). De incidentie van anafylactische reactie na
vaccinatie is erg laag, maar het kan wel voorkomen. (LCR06). De
Inspectie voor de Gezondheidszorg vindt de aanwezigheid van
noodsets voor reanimatie op het CB tijdens toediening van
BMR-vaccin niet nodig.
Voor kinderen bekend met een allergie voor kippenei-eiwit is de BMR-vaccinatie niet gecontra-indiceerd. Zij lopen geen groter risico dan kinderen die niet allergisch zijn voor kippenei-eiwit.
Bijwerkingen en interacties:
C. Doseringsschema
0.5 ml BMR-vaccin wordt subcutaan geïnjecteerd. In
het kader van het RVP worden 2 BMR-vaccinaties
uitgevoerd: de eerste op de leeftijd van 14 maanden en de tweede op
de leeftijd van 9 jaarEen volledige serie
bevat twee vaccinaties. Ongevaccineerde
personen die hun vaccinatiestatus op peil willen
brengen tijdens een uitbraak, krijgen 2
bofvaccinaties met een minimaal interval van 1 maand.
D. Bescherming, beschermingsduur, revaccinatie
Tweemaal bofvaccinatie biedt
aanzienlijke maar geen 100% bescherming tegen infectie
met het bofvirus. Na de eerste dosis BMR is het percentage
beschermende antistoffen 90-96% en na de tweede dosis tot 98%.
(Oka05)De prevalentie van beschermende
antistoffen (cut-off 40 RU/ml) tegen het bofvirus bij 1 tot
14-jarigen met overwegend vaccingeïnduceerde immuniteit, was 91%,
en daarmee significant lager dan de prevalentie van beschermende
antistoffen bij personen met een overwegend natuurlijke immuniteit
(97.5% bij 25 tot 79-jarigen). (Bea99)De
vaccingeïnduceerde immuniteit is ruim voldoende om epidemieën te
voorkomen. Onbekend is de individuele mate van waning imunity en
het moment waarop dit begint.
E. Vaccinatieprogramma’s
Als onderdeel van het RVP, als het BMR-vaccin.
F. Bijzonderheden
Geen.
G. Toekomstige ontwikkelingen
Niet bekend.
8.1.2 Passieve immunisatie
Passieve immunisatie met immunoglobuline is niet
effectief in het beschermen tegen infectie met bofvirus.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Aangezien bof zeer besmettelijk is zijn
algemene maatregelen zoals handenwassen en
hoesthygiëne niet voldoende om transmissie te voorkomen.
In de klinische setting wordt druppelisolatie
toegepast.
Naar boven
Een solitaire bof is uitzonderlijk, maar kom wel voor. Het
belang van bronopsporing is gelegen in het traceren van mogelijke
import van nieuwe bofstammen waartegen het vaccin in het
Rijksvaccinatieprogramma geen bescherming biedt. Kweek en
moleculaire typering zijn aangewezen om de herkomst door typering
van het virus te achterhalen.
Als er sprake is van een bestaand cluster of een landelijke
epidemie dan heeft bronopsporing geen meerwaarde en is dus niet
nodig.
Naar aanleiding van een melding van bof (in het laboratorium bevestigd) moet de vaccinatiestatus van de personen in de omgeving van de patiënt worden nagegaan, evenals de aanwezigheid van personen met verhoogd risico op gecompliceerd beloop zoals niet-immune zwangeren en immuno-incompetentepersonen. Met name zal de vaccinatiestatus in het gezin, de schoolklas of kinderdagverblijfgroep moeten worden gecontroleerd.
Bij een solitair geval van bof en afwezigheid van contacten met verhoogd risico op gecompliceerd beloop, zijn extra maatregelen in het algemeen niet zinvol. Indien deze contacten wel aanwezig zijn, dan dient de patiënt tot het einde van de besmettelijke periode (één tot 2 dagen vóór het optreden van de parotiszwelling tot 9 dagen daarna)contact met deze personen te mijden. Indien er sprake is van een solitair geval dat niet met andere door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen in verband gebracht kan worden, is het natuurlijk van belang dat de diagnose wordt bevestigd door laboratoriumdiagnostiek alvorens tot maatregelen wordt overgegaan.
In een instelling (bijvoorbeeld een school
(met name een kinderdagverblijf) of gezondheidsinstelling) is
het aan te raden bij een solitair (verdacht of bevestigd) geval of
een uitbraak van bofvaccinatie aan te bieden (of serie af te
ronden) aan contacten (groepsgenoten, leerkrachten, begeleiders)
die nooit eerder (een volledige serie) BMR-vaccinatie hebben gehad,
noch klinisch bof hebben doorgemaakt. Vervroegd vaccineren van
kinderen onder de 14 maanden is niet nodig. Bof wordt bij deze
leeftijd zelden gezien, waarschijnlijk omdat zij nog over maternale
antistoffen beschikken.
Geen
Wering van bofpatiënten van school of kinderdagverblijf is niet zinvol en niet nodig. Niet alleen is de bofpatiënt tijdens de prodromale fase al besmettelijk, maar ook heeft ongeveer de helft van de bofpatiënten geen typische symptomen. Besmetting van klasgenoten heeft dus meestal al plaatsgevonden voordat de diagnose is gesteld. Ook het weren van niet-gevaccineerde kinderen ten tijde van een bofepidemie wordt niet zinvol geacht.
Echter, in de situatie van een afgrensbare
uitbraak van bof kan wering van niet-immune zwangere vrouwen
in het eerste trimester of van immuno-incompetente personen
overwogen worden, bijvoorbeeld wering van een zwangere leidster in
een kinderdagverblijf waar bof heerst. Zij zou tijdelijk
vervangende werkzaamheden kunnen uitvoeren (zie bijlage I.
Evidence-based literatuuronderzoek).
Naar boven
Parotitis epidemica is een meldingsplichtige ziekte groep C. De arts meldt een geval van parotitis binnen een werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.
Melding bij:
een persoon met ten minste één van de volgende 3
verschijnselen:
in combinatie met ten minste één van de
volgende 2 criteria:
Laboratoriumbevestiging van bofvirusinfectie:
en/of
- detectie van bof-RNA,
en/of
- isolatie van bofvirus (kweek).
Geen.
Geen
Geen
LCI februari 2009, laatst gewijzigd augustus 2010
Pdf document - 207KB
Word document - 167KB