U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › Calicivirusinfectie
LCI/Gr augustus 2002, laatst gewijzigd mei 2009
In 1972 werd in fecesmonsters, verzameld tijdens een epidemie
van gastro-enteritis op een basisschool in Norwalk, voor het eerst
het ‘Norwalkagens’ door middel van elektronenmicroscopie
aangetoond. In de jaren daarna zijn ook andere virussen met
vergelijkbare morfologie geïdentificeerd en genoemd naar de plaats
waar ze gevonden waren (bijvoorbeeld Hawaii, Sapporo, Snow
Mountain, Tounton). Begin jaren 90 zijn moleculaire technieken
ontwikkeld waarmee nadere typering van de virussen en indeling in
genera kon plaatsvinden.
De Norwalk-achtige virussen, vaak afgekort als NLV: Norwalk-like
virussen, behoren samen met de Sapporo-like virussen (SLV) tot de
humane enterale calicivirussen (familieCaliciviridae). De
twee groepen verschillen in epidemiologie: NLV veroorzaken klachten
bij personen van alle leeftijden, terwijl de SLV vooral
ziekteverschijnselen veroorzaken bij kinderen. Voor overdracht van
virus via voedsel zijn vooral de NLV van belang.
Deze richtlijn is gebaseerd op het “Advies voedselinfecties door
Norwalkachtige calicivirussen” opgesteld door dr. M. Koopmans,
januari 2000.
2.1 Pathogenese
Acute infectie met calicivirus veroorzaakt reversibele afwijkingen in de dunne darm. Het exacte mechanisme waardoor diarree en braken ontstaan is niet opgehelderd (het lijkt niet te berusten op enterotoxineproductie).
2.2 Incubatieperiode
Meestal 1 tot 3 dagen.
2.3 Symptomen en verschijnselen
Misselijkheid, braken, hoofdpijn, buikpijn, diarree en milde koorts zijn de meest voorkomende klinische symptomen. Er is geen bloed- of slijmbijmenging in de feces. De infectie duurt gemiddeld 2 dagen bij personen met een goede gezondheid, maar soms aanzienlijk langer bij ouderen. Uit het Sensoronderzoek van 2001 blijkt dat de mediane duur van de NLVI-infectie eigenlijk langer is, namelijk 5 dagen over alle patiënten bekeken. Maar de duur neemt af met de leeftijd, te weten: van 6 dagen voor nuljarigen, tot 4 à 5 dagen voor jonge kinderen en 2 dagen voor (jong)volwassenen. Voor SLV is de mediane ziekteduur 6 dagen. Sterfte in associatie met calicivirusinfectie is beschreven, maar de causaliteit is formeel niet bewezen.
In de
acute fase kan men arbeidsongeschikt zijn vanwege de ernst van de
ziekteverschijnselen.
2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop
Het risico van uitdroging door braken en/of diarree is hoger bij ouderen en kleine kinderen. Een norovirusinfectie bij een zwangere vormt geen uitgesproken risico voor het ongeboren kind. Wel moet de aanstaande moeder haar vochtinname op peil houden en de koorts in de gaten houden. Hoge koorts kan weeën opwekken en is slecht voor het ongeboren kind. Bij koorts hoger dan 38,5°C dient de aanstaande moeder contact op te nemen met de verloskundige, gynaecoloog of huisarts.
2.5 Immuniteit
Geïnfecteerde personen ontwikkelen weliswaar immuniteit, maar deze is kortdurend en voornamelijk typespecifiek. Praktisch gezien kan een persoon dus achtereenvolgens door verschillende typen calicivirussen geïnfecteerd worden, wat deels de hoge incidentie van infecties verklaart.
3.1 Verwekker
Calicivirussen zijn kleine RNA-virussen (27-32 nm). Calicivirussen zijn de verwekkers van het merendeel van de niet-bacteriële gastro-enteritiden (zowel wat betreft epidemieën als sporadische gevallen). Binnen de calicivirussen wordt een grote verscheidenheid aan virustypes gevonden (tot nu toe zijn bijvoorbeeld 15 types NLV beschreven), die onderling sterk verschillen wat betreft de samenstelling van de viruseiwitten.
3.2 Diagnostiek
De diagnose kan worden gesteld door het aantonen van virus met behulp van elektronenmicroscopie en met behulp van moleculair-biologische methoden (RT-PCR, revers-transcriptase-PCR). Deze zijn echter niet voor routinematige diagnostiek beschikbaar. Virussen uit feces kunnen getypeerd worden door middel van sequentie-analyse. Daarmee is het mogelijk om aanwijzingen te krijgen voor een gezamenlijke infectiebron. Door middel van deze technieken zijn in de Verenigde Staten en Europa voedselgerelateerde explosies van gastro-enteritis uit verschillende geografische gebieden aan elkaar gekoppeld. Inmiddels zijn onder andere bij het RIVM snellere typeringstechnieken ontwikkeld (op basis van probehybridisatie door middel van een reverseline blotting assay), die meer algemeen gebruikt zouden kunnen worden. Oesters en andere schelpdieren kunnen worden getest op aanwezigheid van NLV. In Europees verband worden testen voor verse vruchten en salades ontwikkeld.
Virusdetectie in voedsel en water
Moleculaire methoden zijn beschreven en gebruikt voor het aantonen van calicivirus in voedsel of water. Ook deze zijn echter in Nederland niet beschikbaar voor routinematige bepalingen. Het aantonen van indicatororganismen voor fecale verontreiniging op verdacht voedsel of in water is ongeschikt gebleken voor deze virussen. Bovendien is volstrekt onbekend wat de gevoeligheid is van de beschikbare detectiemethoden, met name bij ongelijkmatig besmette partijen voedsel. Als calicivirus in voedsel wordt aangetroffen, is het mogelijk om door middel van typering een nauwkeurigere beschrijving van het virus te krijgen. Dit kan gebruikt worden om transmissiewegen in kaart te brengen. Deze technieken zijn in diagnostische laboratoria niet operationeel.
4.1 Reservoir
De mens is tot nu toe het enige bewezen reservoir. Bij varkens en kalveren werden calicivirussen gevonden die niet van de humane enterale calicivirussen te onderscheiden waren. Het is onbekend of dieren een reservoir kunnen vormen.
4.2 Besmettingsweg
Transmissie van NLV en SLV vindt voornamelijk plaats van mens op
mens (60%) of via een besmette omgeving, voedsel of water. De
besmetting is meestal fecaal-oraal, maar aerogene transmissie via
braaksel speelt ook een belangrijke rol. Ook via water kunnen
calicivirussen gemakkelijk worden overgedragen, zowel direct
(bijvoorbeeld recreatie) of indirect (wassen van voedsel). Vooral
voor NLV is een besmette omgeving, voedsel (circa 10-20%) en water
van belang.
Calicivirussen zijn zeer goed in staat om buiten de gastheer te
overleven. Zij zijn resistent tegen vele desinfectiemiddelen in de
gebruikelijke dosering en tegen sterke schommelingen in de pH.
Virusoverdracht kan ook plaatsvinden via met feces besmette
deurknoppen, speelgoed en dergelijke. Vaak worden infecties vanuit
kinderdagverblijven en basisscholen geïntroduceerd in een
gezin.
Risicovoedsel
Schelp- en schaaldieren vormen een bekend risico door de concentratie van virussen die daarna voor lange tijd (4 tot 6 weken) in infectieuze vorm aanwezig blijven. De organoleptische kwaliteit van de schelp- en schaaldieren wordt niet aangetast: door proeven en ruiken kan geen onderscheid worden gemaakt tussen besmette en niet besmette schelp- of schaaldieren. Besmettingen zijn niet altijd te herleiden tot fecaal verontreinigd water. De besmettingspercentages worden slechts langzaam lager door het verwateren van de schelpdieren. Naast schelpdieren kunnen ook andere voedingsmiddelen calicivirus verspreiden. In de literatuur worden enkele voedingswaren met name genoemd, maar de achterliggende boodschap is dat al het voedsel dat is bereid of behandeld door een uitscheider van calicivirus en daarna niet grondig wordt verhit een mogelijke infectiebron is. Diverse, soms internationale, explosies ten gevolge van besmette bosvruchten zijn beschreven.
Zoönotische transmissie
Van enkele groepen virussen in de familie Caliciviridae is aangetoond dat ze een zeer breed gastheerspectrum hebben. Het is nog onbewezen of calicivirussen overdraagbaar zijn tussen dier en mens.
4.3 Besmettelijke periode
Infectieuze virusdeeltjes kunnen in de ontlasting worden aangetoond tijdens de periode van klachten en ook enkele dagen vóór en mogelijk tot ongeveer 10 dagen na de ziekteverschijnselen. Het is vooralsnog onduidelijk hoe lang na klinisch herstel het virus nog overgedragen kan worden. Een explosie door overdracht van het virus langer dan 48 uur na klinisch herstel is slechts één keer beschreven. Het RIVM kan bij 26% van de mensen met NLV-infectie tot 3 weken na ontstaan van de klachten nog virus-RNA in de ontlasting aantonen. Uitscheiding van SLV duurt minder lang: virus-RNA was niet meer aantoonbaar na 22 dagen; bij 14% werd wel na 14 dagen nog RNA aangetoond.
4.4 Besmettelijkheid
De calicivirussen zijn zeer besmettelijk. Een belangrijke
beperking in het onderzoek is dat de virussen niet in
vitro te kweken zijn. Daardoor is het bijvoorbeeld niet
mogelijk om infectiviteit van virusbevattende preparaten te
bepalen, behalve door experimenten met vrijwilligers. In de
literatuur wordt gesproken van een zeer kleine infectieuze dosis
(10-100 virusdeeltjes).
Circa 45% van de personen die zijn blootgesteld aan calicivirussen
wordt daadwerkelijk ziek. Virusuitscheiding vindt plaats via de
feces, begint vóórdat de klinische verschijnselen ontstaan, en kan
tot 10 dagen na infectie aanhouden. De calicivirussen zijn zeer
besmettelijk en secundaire infecties komen dan ook vaak voor. De
kans op transmissie bij braken is mogelijk groter dan bij
diarree.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken (bloed, excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen): |
standaardmethode 2.1.2b voor zowel kleine als grote oppervlakken |
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, bloed, excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen): |
standaardmethode 2.2.2 |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend): |
standaardmethode 3.1 |
|
Textiel: |
standaardmethode 2.3.2, maar een wastemperatuur van 90°C aanhouden |
|
Intacte huid: |
niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond): |
niet van toepassing |
|
Handen: |
standaardmethode 2.4.3, alleen handreiniging, niet handdesinfectie |
Zie verder bijlagen.
6.1 Risicogroepen
Explosies van NLV-gastro-enteritis (niet alleen voedselgerelateerd) worden vooral gezien daar waar grote groepen personen met elkaar in contact komen, zoals bij verzorgings- en verpleeghuizen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, restaurants en dergelijke. Naar schatting doen zich jaarlijks 500.000 gevallen van NLV-infectie voor en ruim 100.000 SLV-infecties (Sensoronderzoeksresultaten). Problemen ontstaan door de hoge attack rate onder zowel patiënten of bezoekers als personeelsleden, waardoor de verzorging/verpleging door minder personen gedaan moet worden. Daarnaast komt een nog onbekend, maar waarschijnlijk groot aantal sporadische gevallen voor. In het patiënt-controleonderzoek (Sensor) werden als risicofactoren voor NLV-gastro-enetritis gevonden: contact met iemand met soortgelijke klachten binnen en buiten het huishouden en een lage algemene keuken/voedselhygiëne. Voor SLV werd contact met iemand met dergelijke klachten buiten het huishouden als risicofactor gevonden.
Iedere
werknemer kan op het werk NLV oplopen via directe of indirecte
contacten of door voedselopname. Ook door matige hygiënische
situaties zoals in kinderdagverblijven, instellingen voor daklozen
et cetera, is er mogelijk een verhoogd risico. Het oplopen van NLV
wordt in die situaties beschouwd als een beroepsziekte.
NLV kan
ook in rioolwater en oppervlaktewater worden aangetoond. Of het ook
een risico voor rioolwerkers, waterwerkers of bijvoorbeeld
WC-schoonmakers en andere schoonmakers vormt, is onbekend.
Hetzelfde geldt voor medewerkers van (bedden-) wasserijen en
reparateurs van sanitaire installaties tijdens een uitbraak. Ook
voor hen is een werkgever of opdrachtgever verantwoordelijk.
6.2 Verspreiding in de wereld
Epidemieën, maar ook sporadische gevallen van gastro-enteritis veroorzaakt door NLV en SLV, komen wereldwijd voor en bij alle leeftijdscategorieën.
6.3 Voorkomen in Nederland
Infecties door calicivirus worden het hele jaar door gezien, met
een piek in de wintermaanden (‘winter vomiting disease’). Bij
volwassenen zijn de NLV veruit de belangrijkste oorzaak van virale
gastro-enteritis, vaak in de vorm van explosies, al dan niet via
voedsel overgedragen. Dit kan epidemische vormen aannemen. Uit
onderzoek van het RIVM is in 1996 gebleken dat in Nederland circa
80% van de explosies van gastro-enteritis, die via GGD’en worden
gemeld, wordt veroorzaakt door NLV. Daarbij vond meer dan de helft
van de explosies plaats in verpleeg- en verzorgingshuizen, maar het
is onbekend in hoeverre dit wordt veroorzaakt door selectieve
rapportage. In totaal zijn van 1994 tot 1999 153 explosies
onderzocht. Bij 17% van deze explosies was voedsel aangewezen als
bron, met in 76% van de gevallen NLV als vermoedelijke oorzaak.
Duidelijk is dat het aantal voedselinfecties in deze studies
onderschat is. Explosies van gastro-enteritis met voedsel als bron
worden soms niet naar de GGD’en gemeld maar naar de Voedsel en
Waren Autoriteit. In Nederland wordt sinds januari 1998 in
samenwerking met het RIVM onderzocht wat de incidentie is van NLV
bij deze voedselinfecties. In de eerste helft van 1998 zijn 7
explosies van gastro-enteritis volledig onderzocht, waarvan 5
werden veroorzaakt door NLV.
De
incidentie van beroepsmatige NLV-infecties in Nederland is
onbekend, maar bij veel uitbraken zijn ook werknemers
betrokken.
Niet alle gevallen van calicivirusinfecties doen zich voor tijdens explosies: SLV zijn een belangrijke oorzaak van ‘sporadische’ gevallen van gastro-enteritis. Circa 5% van de gevallen van gastro-enteritis in Nederland waarvoor een huisarts wordt geconsulteerd, wordt veroorzaakt door SLV (ter vergelijking: 3,9% Salmonella, 10,5% Campylobacter). Bovendien werden calicivirussen aangetoond in 18% van de personen met gastro-enteritis in de eerste 4 maanden (winter) van een populatieonderzoek (Sensorstudie, RIVM, 1999).
De symptomatische behandeling is gericht op het voorkomen en/of bestrijden van uitdrogingsverschijnselen (vochttoediening).
8.1 Immunisatie
Er is geen vaccin beschikbaar.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Strikte naleving van hygiënemaatregelen is waarschijnlijk de belangrijkste vorm van preventie. Personen met klachten van virale gastro-enteritis werkzaam in de voedselbereiding of die betrokken zijn bij de patiëntenzorg in ziekenhuizen en instellingen voor bejaarden moeten tijdelijk andere werkzaamheden verrichten, gezien de grote kans op overdracht van calicivirussen via voedsel (zie paragraaf 4.2). Vanwege de lage infectieuze dosis en de kans op uitscheiding van het virus na klinisch herstel wordt hervatting van de werkzaamheden geadviseerd 48–72 uur na het verdwijnen van de klachten (dus geen braken en/of diarree meer) en onder zeer strenge hand- en toilethygiëne (dit beleid wordt in Engeland ook gehanteerd; daar zijn goede ervaringen mee). Experimenteel geïnfecteerde vrijwilligers kunnen dagen na het verdwijnen van de klachten het virus uitscheiden. Het is onbekend hoe lang virusuitscheiding plaatsvindt bij natuurlijk geïnfecteerde personen.
Voor de preventie van voedselbesmetting is het ook van belang geen (humaan) fecaal besmet water te gebruiken bij het telen van voedsel. Door de globalisering van de voedselproductie is controle hierop echter niet altijd mogelijk. In sommige landen wordt een stijging van het aantal gerelateerde voedselinfecties veroorzaakt door consumptie van voedsel (bijvoorbeeld vruchten) uit landen met een lagere hygiënestandaard. Of steekproefsgewijs voedselonderzoek hierbij van nut kan zijn is nog niet duidelijk. Wel kunnen voedselgerelateerde explosies bijvoorbeeld met behulp van het ‘rapid alert system for food’ van de Europese Unie snel gemeld worden. Een probleem hierbij is wel dat binnen de EU de diagnostiek van deze virussen slechts beperkt beschikbaar is.
Zie verder bijlagen.
Werkgevers
moeten met behulp van technisch goede sanitaire voorzieningen, een
goede voorlichting en toezicht op het hygienisch gedrag van de
werknemers,voorkomen dat werknemers risicolopen én
risicovormen.
9.1 Bronopsporing
Geen.
9.2 Contactonderzoek
Geen.
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënten en contacten
Bij een geïsoleerd geval, indien de persoon niet werkzaam is in de voedselbereiding of patiëntenzorg, zijn geen bijzondere maatregelen nodig (zie ook paragraaf 9.5). Bij een cluster moeten de hygiënemaatregelen aangescherpt worden (zie bijlagen) en moet men de bron proberen te achterhalen indien resten van verdacht voedsel bewaard zijn (zie ook paragraaf 8.2). Voor de bestrijding van een cluster in een instelling, zie LCI-draaiboek ‘Gastro-enteriden - Epidemieën van gastro-enteritiden in instellingen’.
9.4 Profylaxe
Geen.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Personen
die betrokken zijn bij de voedselbereiding of patiëntenzorg in
instellingen moeten gedurende de ziekteperiode en tot 48-72 uur na
klinisch herstel andere werkzaamheden verrichten. De hand- en
toilethygiëne dient te worden benadrukt bij hervatting van de
werkzaamheden. Het weren van kinderen van scholen en
kinderdagverblijven is vanuit volksgezondheidsperspectief niet
zinvol (zie bijlagen).
10.1 Meldingsplicht
Volgens de wet Publieke Gezondheid zijn voedselinfecties (ook indien veroorzaakt door calicivirus) meldingsplichtig indien voorkomend bij 2 of meer personen waarbij anamnestisch een verband bestaat met het gebruik van verdacht voedsel of vocht. Instellingen waar voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven, dienen meerdere gevallen van gastro-enteritis te melden bij de GGD (art. 26 wet Publieke Gezondheid).
Indien
de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de
beroepsuitoefening moet de casus door een geregistreerde
bedrijfsarts worden gemeld bij Het Nederlands Centrum voor
Beroepsziekten (NCvB, www.beroepsziekten.nl)
10.2 Inschakelen van andere instanties
In overleg met de microbioloog en het RIVM kan patiëntenmateriaal (feces) ingestuurd worden naar het RIVM voor onderzoek. Over het algemeen kan men volstaan met 5 ontlastingsmonsters per cluster. Als er pas materiaal ingestuurd kan worden na het verdwijnen van de klachten zullen van meer mensen monsters moeten worden verzameld (omstreeks tien).
Bij verdenking op overdracht via besmet voedsel de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit inschakelen.
10.3 Andere protocollen en richtlijnen
LCI-draaiboek ‘Gastro-enteriden - Epidemieën van gastro-enteritiden in instellingen’
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal
Informatiestandaard Infectieziekten (ISI) Norovirus, zie www.rivm.nl/infectieziekten.
10.5 Literatuur
Advies Gezondheidsraad; Voedselinfecties; nr. 2000/09, mei 2000.
Arness K, et al. Norwalk-like viral gastroenteritis outbreak in US Army Trainees. Emerging Infectious Diseases. 2000, 6;2:204-207.
Becker K, et al. Transmission of Norwalk virus during a football game. The New England Journal of Medicine. October 2000, 343;17:1223-7.
Koopmans M, Vinjé J. Norwalk-virus, Norwalk-achtige virussen en ‘klassieke’ humane calicivirussen. Infectieziektenbulletin 1994, 5;9:154-55.
Rockx B, Wit M de, Vennema H, Vinjé J, Bruin E de, Duynhoven Y van, Koopmans M. Natural history of human calicivirus infection. Clin Infect Dis 2002; 35: 246-252.
Wit MAS de, Koopmans MPG, Kortbeek LM, Leeuwen WJ van, Bartelds AIM, Duynhoven YTHP van. Gastroenteritis in general practices in the Netherlands. Emerg Infect Dis 2001;7:82-91.
Wit MAS de, Koopmans MPG, Kortbeek LM, Wannet WJB, Vinjé J, Leusden F van, Bartelds AIM, Duynhoven van YTHP. Sensor, a population-based cohort study on gastro-enetritis in the Netherlands: incidence and aetiology. AM J Epidemiol 2001;154:666-74.
LCI/Gr augustus 2002, laatst gewijzigd mei 2009
Dit
symbool markeert de alinea’s met arbeidsrelevante informatie over
infectieziekten.
Pdf document - 392KB
Pdf document - 163KB
Pdf document - 166KB
Pdf document - 152KB