U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Cytomegalie
LCI/Gr juni 2001, laatst gewijzigd november 2008
CMV-infectie
De naam cytomegalovirus (CMV) is afgeleid van het gezwollen
aspect dat de door dit virus aangetaste cellen vertonen. Al in 1881
werden zogenaamde uilenoogcellen beschreven in de nier van een
doodgeboren kind, maar pas halverwege de twintigste eeuw werd de
virale oorsprong van de infectie ontdekt. CMV behoort tot de groep
van de herpesvirussen. Evenals andere herpesvirussen blijft CMV na
een primo-infectie latent in het lichaam aanwezig en kunnen er
reactivaties optreden.
Infecties met CMV komen wereldwijd voor. Vrijwel iedereen komt in
zijn leven in contact met het virus. Over het algemeen gaat het om
een subklinische infectie. Congenitale infectie kan echter in een
kleine groep intrauterien besmette kinderen tot ernstige
afwijkingen leiden. Hierbij staan neurologische problemen op de
voorgrond. Bij immuno-incompetente patiënten kan CMV een
gegeneraliseerde ernstige infectie veroorzaken.
2.1 Pathogenese
Cytomegalovirus veroorzaakt kenmerkende afwijkingen in de
geïnfecteerde cellen. Deze cellen zijn sterk gezwollen, ze zijn
twee tot vier keer groter dan niet-geïnfecteerde cellen. Daarnaast
zijn er intranucleaire insluitsels aantoonbaar, die worden omgeven
door een halo. Dit geeft een uilenoogaspect. Het vinden van
uilenoogcellen in een P.A.-preparaat wordt beschouwd als een teken
van actieve infectie.
Na infectie verspreidt het virus zich traag over tal van weefsels.
Zowel bij symptomatische als asymptomatische infectie kan CMV
worden aangetoond in witte bloedcellen, speekselklieren en nieren.
Bij symptomatische ziekte zijn vaak ook de lever, longen en het
centrale zenuwstelsel geïnfecteerd. Bij een gegeneraliseerde
infectie, die met name bij immuno-incompetente personen voorkomt,
kunnen vrijwel alle organen zijn aangedaan.
Een adequaat functionerende cellulaire immuniteit lijkt
noodzakelijk om de infectie onder controle te houden. Het virus
blijft na primoinfectie latent in het lichaam aanwezig. Reactivatie
van de infectie met hernieuwde virusexcretie komt veelvuldig voor.
Bij andere herpesvirussen zijn er verbanden gelegd met
maligniteiten. Bij CMV is dit niet het geval.
2.2 Incubatieperiode
Drie tot twaalf weken.
Na besmetting door bloedtransfusie of transplantatie duurt het drie
tot acht weken tot er ziekteverschijnselen optreden. Na andere
vormen van besmetting vier tot twaalf weken.
2.3 Ziekteverschijnselen
Verreweg de meeste (postnatale) infecties verlopen
asymptomatisch.
Soms is er sprake van een mononucleosis infectiosa-achtig beeld met
koorts, lymfekliervergroting, malaise, lymfocytose en
leverfunctiestoornissen. Complicaties in de vorm van een
interstitiële pneumonie, hepatitis en het Syndroom van
Guillain-Barré zijn beschreven, maar zeldzaam.
Congenitale infectie geeft een zeer divers klinisch beeld,
variërend van een asymptomatische infectie tot een meervoudig
gehandicapt kind. Bij de pasgeborene kunnen onder andere een laag
geboortegewicht, lever- en miltvergroting, geelzucht, petechiën,
purpura, pneumonie, oogproblemen (cataract en chorioretinitis) en
neurologische problemen (zoals encefalitis, microcefalie en
cerebrale calcificaties) optreden. Daarnaast kunnen in de loop van
de eerste levensjaren doofheid en mentale of motorische retardatie
aan het licht komen.
Van de kinderen die al bij de geboorte neurologische problemen
hebben overlijdt ongeveer 20% binnen een jaar.
Bij immuno-incompetente personen kan CMV een ernstige
gedissemineerde infectie veroorzaken. Bij transplantatiepatiënten
staan hierbij pneumonie en hepatitis op de voorgrond, terwijl bij
aidspatiënten het beeld meer bepaald lijkt te worden door colitis,
retinitis en encefalitis.
2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop
Intra-uteriene infectie
CMV kan transplacentair worden overgedragen van moeder op kind.
Uit recent onderzoek blijkt dat in Nederland (buiten de grote
steden) 0,09% van de pasgeborenen congenitaal geïnfecteerd is met
CMV. Elders in Europa is dit tussen de 0,15 en 0,5%.
Transplacentaire transmissie van CMV kan zowel bij een
primo-infectie van de moeder als bij een reactivatie van een latent
aanwezige infectie optreden.
Bij een primo-infectie met CMV in de zwangerschap is de kans dat de
zwangere het virus via de placenta overdraagt op het kind ongeveer
50%. Van deze geïnfecteerde kinderen heeft 5 tot 10% al bij de
geboorte meer of minder ernstige symptomen. Bij 10 tot 15% van de
ogenschijnlijk gezond geboren geïnfecteerde kinderen ontstaan er in
de loop van de eerste levensjaren alsnog symptomen in de vorm van
motorische of mentale retardatie of doofheid. Er is geen duidelijke
relatie aangetoond tussen het tijdstip van infectie in de
zwangerschap en de aard van de afwijkingen. Wel lijkt infectie in
de eerste helft van de zwangerschap tot ernstigere schade te
leiden. Voor de zwangere zelf is er bij een infectie met CMV geen
extra risico op ernstige ziekte.
Indien er tijdens de zwangerschap bij een reeds tevoren
geïnfecteerde zwangere reactivatie van een latente CMV-infectie
optreedt, kan het virus in principe eveneens transplacentair worden
overgedragen op het kind. De kans daarop is echter uiterst gering.
Intra-uteriene infectie kan eventueel worden aangetoond via
amnionpunctie gevolgd door kweek of PCR op CMV. Bij de pasgeborene
kan een congenitale CMV-infectie worden aangetoond door middel van
een positieve viruskweek van een in de eerste drie weken na de
geboorte afgenomen urinemonster. Bij een perinatale CMV-infectie
wordt de urinekweek pas na de derde levensweek positief. Een
CMV-infectie opgelopen tijdens of kort na de geboorte geeft zelden
verschijnselen.
Immuno-incompetente personen
Personen met een deficiënte cellulaire immuniteit hebben bij een primo-infectie met CMV een verhoogd risico op symptomen en complicaties. Ook bij een reactivatie van een oude infectie − die door een vermindering van de cellulaire immuniteit wordt uitgelokt − is er een verhoogde kans op symptomen en complicaties. Na transplantatie komen zowel host-versus-graft als graft-versus-host reacties voor.
2.5 Immuniteit
Na infectie zijn IgM-antistoffen aantoonbaar gedurende enkele
maanden. IgG-antistoffen verschijnen kort na de IgM-antistoffen en
zijn levenslang aantoonbaar.
Seroconversie of een significante titerstijging bewijst een recente
infectie.
CMV blijft latent in het lichaam aanwezig en men neemt aan dat er
regelmatig reactivatie plaatsvindt. De in het verleden gevormde
antistoffen beschermen hier niet tegen.
3.1 Verwekker
Het CMV is een dubbelstrengs DNA-virus met een groot en complex genoom en een langzame reproductiecyclus. Het behoort tot de groep van de herpesvirussen, subfamilie beta-herpesvirussen.
3.2 Diagnostiek
Direct
• Kweek
Infectieus CMV kan gedetecteerd worden op basis van het cytopathologisch effect dat het veroorzaakt op fibroblasten. Het kan echter tot vier weken duren voor de uitslag van de kweek bekend is.
• Versnelde kweek
Enkele uren na infectie ontstaan in de met CMV geïnfecteerde cel IE-eiwitten (= Immediate Early eiwitten). Deze IE-eiwitten kunnen door middel van monoklonale antistoffen zichtbaar worden gemaakt. Bij deze versnelde kweekmethode is de uitslag binnen 48 uur bekend.
• PCR
Viraal DNA is aantoonbaar met behulp van een PCR (=Polymerase Chain Reaction). Interpretatie van de PCR-uitslag kan moeilijk zijn omdat, gezien de gevoeligheid van de methode, ook latent virus kan worden aangetoond. In specifieke gevallen is het mogelijk om met gebruikmaking van een kwantitatieve PCR het verloop van de infectie en de eventuele antivirale therapie te volgen.
• NASBA
Recent is het ook mogelijk om viraal messenger-RNA aan te tonen met behulp van NASBA (Nucleic Acid Sequence Based Amplification). Deze techniek is vergelijkbaar met PCR en maakt het mogelijk om snel een actieve CMV-infectie te detecteren in het bloed.
• Antigenemietest
Hierbij worden door middel van monoclonale antistoffen virale
eiwitten aangetoond in de geïnfecteerde cellen. Deze test kan ook
gebruikt worden om het verloop van de infectie te volgen.
Viruskweek gebeurt meestal uit bloed of urine, voor PCR en antigenemietesten wordt in principe gebruik gemaakt van bloedcellen. Afhankelijk van het ziektebeeld kunnen ook andere lichaamsmaterialen worden gebruikt zoals weefselbiopten of in geval van intra-uteriene infectie amnionvocht.
Indirect
IgG- en IgM-bepalingen.
De sensitiviteit en specificiteit van commerciële serologische test
zijn niet altijd optimaal.
Bovendien kan de interpretatie van serologische uitslagen moeilijk
zijn. Het ontbreken van IgM of een significante titerstijging van
IgG bij de moeder sluit een congenitale cytomegalovirusinfectie bij
de foetus niet per definitie uit. Derhalve is het met name bij
risicopatiënten van belang om te overleggen met een
arts-microbioloog en de diagnostiek te baseren op een combinatie
van klinische gegevens en diverse laboratoriumtests.
4.1 Reservoir
De mens.
4.2 Besmettingsweg
In de algemene bevolking vindt transmissie plaats via direct en
indirect contact met besmette lichaamsvloeistoffen zoals speeksel,
urine, sperma, cervixslijm, moedermelk en bloed.
In speeksel of urine is CMV aantoonbaar bij 0,2 tot 2% van alle
zuigelingen, bij 10 tot 30% van de peuters en kleuters, bij 2 tot
15% van de schoolkinderen en bij 0 tot 2% van de volwassenen. In
moedermelk wordt het in 13 tot 17% gevonden, in sperma in 5 tot
40%.
Daarnaast is transplacentaire en perinatale transmissie mogelijk.
Tijdens het eerste trimester van de zwangerschap is het virus
aantoonbaar bij 0 tot 2% van de zwangeren, tijdens het tweede
trimester bij 6 tot 10% en tijdens het derde trimester bij 11 tot
28% van de zwangeren. Zoals vermeld in paragraaf 2.4 vormt
transplacentaire transmissie met name een probleem als het een
primo-infectie van de moeder betreft.
In de medische setting moet rekening worden gehouden met de
mogelijkheid van transmissie via bloedtransfusie en
orgaantransplantatie.
4.3 Besmettelijke periode
Tijdens de primaire infectie maar ook in perioden van
asymptomatische reactivatie.
Met het toenemen van de leeftijd neemt de uitscheiding af.
4.4 Besmettelijkheid
Cytomegalovirus is evenals andere herpesvirussen vrij gevoelig voor inactivering buiten het lichaam en wordt alleen via nauw contact overgebracht.
Oppervlakken (bloed en excreta): standaardmethode 2.1.2
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, bloed en
excreta): standaardmethode 2.2.2
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend): standaardmethode
3.1
Textiel: standaardmethode 2.3.2
Intacte huid: niet van toepassing
Niet-intacte huid: niet van toepassing
Handen: standaardmethode 2.4.3
6.1 Risicogroepen
Overdracht van CMV vindt plaats door vrij intensief lichamelijk contact. Primaire infecties treden vooral op in ‘knuffelperiodes’ zoals in de neonatale periode, op zuigelingen- en peuterleeftijd en later in de adolescentie. Ook niet-geïnfecteerde volwassenen die intensief contact hebben met jonge kinderen lopen een verhoogd risico alsnog geïnfecteerd te raken. Personen met veel wisselende seksuele contacten hebben eveneens een verhoogd risico op CMV.
6.2 Verspreiding in de wereld
CMV-infecties komen over de gehele wereld voor. De seropositiviteit onder de bevolking varieert van 40 tot 90%. De leeftijd waarop de primaire infectie plaatsheeft, is afhankelijk van de sociaal-economische omstandigheden. Naarmate men onder slechtere hygiënische omstandigheden dichter op elkaar leeft, raakt men op jongere leeftijd geïnfecteerd.
6.3 Voorkomen in Nederland
In Nederland wordt buiten de grote steden bij ongeveer één op de duizend levendgeboren kinderen een al dan niet symptomatische congenitale cytomegalovirusinfectie gevonden. In de grote steden is het aantal congenitale infecties vermoedelijk wat hoger. Bij personen oorspronkelijk afkomstig uit het Caraïbisch gebied en het Middellandse Zeegebied worden vaker serologische markers van cytomegalovirusinfectie gevonden dan bij autochtone Nederlanders.
In de algemene bevolking wordt bij een infectie met CMV geen
causale behandeling ingesteld. Eventueel worden bij een
symptomatische infectie ondersteunende maatregelen geadviseerd.
Bij een primaire CMV-infectie in de zwangerschap is voor nadere
diagnostiek verwijzing naar een gynaecoloog geïndiceerd. Indien er
sprake is van een congenitale infectie met ernstige afwijkingen bij
het kind kan het afbreken van de zwangerschap worden overwogen.
Therapeutische mogelijkheden in de zwangerschap zijn er niet. Voor
zuigelingen met een congenitale infectie is de behandeling
voornamelijk symptomatisch. Behandeling met chemotherapeutica is in
onderzoek maar geen routine.
Bij risicogroepen zoals personen die een transplantatie moeten
ondergaan is profylactische behandeling mogelijk met ganciclovir
met of zonder hyperimmuunglobuline. Infecties met CMV bij
immuun-incompetenten kunnen afhankelijk van de orgaanlokalisatie
behandeld worden met ganciclovir of foscarnet.
8.1 Immunisatie
Nog niet beschikbaar. Er is een experimenteel vaccin ontwikkeld, maar ook na vaccinatie blijft het vaccinvirus latent aanwezig. Er zijn vragen omtrent de mogelijke carcinogeniteit van het vaccin.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Thuissituatie
Om transmissie tegen te gaan, is een goede handhygiëne
noodzakelijk.
In een thuissituatie met jonge kinderen is overdracht van CMV
moeilijk te vermijden.
Intramurale gezondheidszorg
Voor de ziekenhuissetting wordt geadviseerd om na elk contact met mogelijk besmettelijke materialen de handen te wassen of te desinfecteren met alcohol 70%. Dit geldt ook na het hanteren van mogelijk met bloed, urine of speeksel besmette voorwerpen.
Bijzondere situaties
Donororganen worden gescreend op CMV. Bij transplantatie kan
rekening gehouden worden met het feit dat de ontvanger seronegatief
is. Vooral bij longtransplantaties is dit van belang. Bij
niertransplantaties worden ook wel seropositieve nieren gebruikt
voor seronegatieve ontvangers.
Donorbloed wordt niet op alle bloedbanken gescreend op CMV. Op
verzoek kan dit wel altijd gebeuren. Een aantal laboratoria
volstaat met het filtreren van het bloed. De leucocyten zijn er dan
goeddeels uit verwijderd en daarmee ook het CMV. Er is op dit punt
geen consensus onder de bloedbanken.
8.3 Screening
• Algemene preconceptionele screening op aanwezigheid van IgG-antistoffen wordt niet toegepast. In de bevolking is het risico op het doormaken van een primaire CMV-infectie in de zwangerschap beperkt, minder dan 1%. Bovendien is het toepassen van een goede handhygiëne de enige mogelijkheid om dit risico verder te reduceren.
• Ook voor ziekenhuispersoneel is preconceptionele screening niet geïndiceerd. Bij goede toepassing van de in het ziekenhuis gebruikelijk hygiënemaatregelen werd onder verpleegkundigen geen verhoogd voorkomen van CMV aangetoond.
• In de kinderopvang en zwakzinnigenzorg is bij gebrek aan een op de Nederlandse situatie gerichte inschatting van het besmettingsrisico alsmede onduidelijkheid over de mogelijkheden tot risicoreductie door aanpassing van de werkzaamheden preconceptionele screening vooralsnog niet geïndiceerd.
• Screening op het doormaken van een CMV-infectie tijdens de zwangerschap is niet geïndiceerd. De interpretatie van de diverse laboratoriumonderzoeken is moeilijk en bovendien zijn er geen mogelijkheden tot secundaire preventie of vroegbehandeling.
9.1 Bronopsporing
Niet nodig.
9.2 Contactonderzoek
Niet nodig.
Iedereen kan periodiek uitscheider zijn.
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten
Uitschakelen bron: niet van toepassing.
Beschermen contacten: niet zinvol.
9.4 Profylaxe
Bij personen met een verhoogd risico op ernstig beloop eventueel
medicamenteuze profylaxe met gancyclovir en immuunglobuline.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Wering van bekende uitscheiders van CMV is niet zinvol.
Gezien het feit dat een groot deel van de bevolking geïnfecteerd is
met CMV en periodiek het virus weer uitscheidt, moet men ervan
uitgaan dat iedereen het virus kan verspreiden en alle
lichaamsvloeistoffen mogelijk besmet zijn.
Wering van seronegatieve zwangeren uit werksituaties in de
intramurale gezondheidszorg wordt door de Werkgroep
Infectiepreventie (WIP) niet geadviseerd. De in de gezondheidszorg
normale hygiënemaatregelen, zoals handen wassen na contact met
mogelijk besmet materiaal, zijn afdoende om besmetting tegen te
gaan.
Voor de kinderopvang en zwakzinnigenzorg moeten op grond van
actuele Nederlandse gegevens over besmettingsrisico en
mogelijkheden tot risicoreductie arbo-richtlijnen voor
seronegatieve zwangeren geformuleerd worden. Vooralsnog is er geen
indicatie voor wering van de werkplek en wordt een verscherpte
handhygiëne geadviseerd met name bij contact met speeksel en urine
of daarmee besmette voorwerpen.
10.1 Meldingsplicht
Geen.
Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 Wet publieke gezondheid.
10.2 Inschakelen andere instanties
Geen.
10.3 Andere richtlijnen
WIP-richtlijnen Beleid reiniging, desinfectie en sterilisatie,
Voorkoming van cytomegalovirus-infecties bij zwangeren en
Infectiepreventie op de afdeling neonatologie.
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal
NHG-Patiëntenfolder Seksueel overdraagbare aandoeningen.
10.5 Literatuur
Escher en Roord, CMV en zwangerschap; congenitale CMV-infectie, Infectieziekten bulletin 1995, nummer 10, p221-224.
L van Dijk. Screening op infectieziekten tijdens de zwangerschap. Syllabus voor gynaecologen, huisartsen en verloskundigen, GG&GD Amsterdam en AMC, 2e druk, januari 1998.
Dumas, De Groot; Infectieziekten in de zwangerschap en bij de pasgeborene. Tweede druk. Houten/Antwerpen, Bohn Stafleu Van Loghum, 1994. P:116-123.
Bruggeman C.A. CMV-diagnostiek: een complex maar boeiend onderwerp, Nederlands Tijdschrift voor Medische Microbiologie, september 1998.
Adler SP. CMV and child day care, evidence for an increased infection rate among day-care workers. N Eng J Med, 1989. 321(19):p1290-1296.
M.A. Verboon-Maciolek, L.J. Gerards, Ph. Stoutenbeek en A.M. van Loon. Congenitale infectie: serologische diagnostiek bij de moeder niet altijd afdoende. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145 (4) 153-156.
November 2008: paragraaf 10 is aangepast conform de Wet publieke gezondheid.