U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Echinokokkose
LCI december 2000, laatst gewijzigd november 2008. laatst gewijzigd juli 2009
Synoniemen: hydatidosus, vossenlintworminfestatie, blaasworminfestatie, hondenlintworminfestatie
Echinokokkose is een ziekte die wordt veroorzaakt door een
parasiet: Echinococcus granulosus of Echinococcus multilocularis.
Dit zijn kleine lintwormen van honden en vossen waarvan de eitjes
zich bij de mens tot een blaasworm kunnen ontwikkelen.
Al sinds de oudheid zijn hydatide cysten (‘blazen’) bij de mens
bekend. Hippocrates beschreef het beeld als een lever vol water.
Pas sinds de zeventiende eeuw was bekend dat deze cysten een
dierlijke oorsprong hadden. Het verband tussen de kop van de
lintworm en de kopjes in de blaasworm werd pas in de tweede helft
van de zeventiende eeuw opgemerkt. In de negentiende eeuw lukte het
Von Siebold om de cyclus rond te krijgen door honden cystevloeistof
van schapen te voeren.
Er zijn inmiddels in Midden- en Zuid-Amerika ook vijftien gevallen
beschreven van ziekte bij de mens door Echinococcus vogeli, een
derde lintworm van de (wilde) hond.
Als de echinococcuseieren door mensen (of andere tussengastheren
zoals schapen, runderen, kamelen of paarden) worden opgegeten,
worden de oncosferen (larven) geactiveerd en migreren door de
darmwand. Uiteindelijk komen zij via de mesenteriale vaten in de
lever terecht, waar ze veelal vastlopen. In de longen wordt 20-30%
van de cysten gevonden. Ook in de buikholte en in andere organen
als hersenen, hart, milt, nieren, mammae, pancreas, skelet en
organen in het hoofd-halsgebied worden cysten gevonden (<10%).
De larven ontwikkelen zich tot ‘blaasworm’ (hydatide,
echinococcuscyste, een met vocht gevulde ruimte met een laag
kiemepitheel). Na ongeveer drie weken heeft de cyste, waarin de
larve zich ontwikkelt, een diameter van 250 micrometer en heeft de
gastheer een fibrinelaag om de cyste gevormd. Vanuit het
kiemepitheel ontstaan meerdere broedblaasjes. Binnen de
verschillende broedblaasjes zijn talloze scolices in aanleg
(protoscolices) aanwezig. De vrijliggende uitgezakte protoscolices
in een cyste noemt men ook wel ‘hydatide zand’. De protoscolices
zijn nieuwe lintwormen met een kop die naar binnen is gestulpt. Bij
de eindgastheer (hond) stulpt dit kopje naar buiten en hecht zich
met een hakenkrans vast in de darmwand. Bij sommige cysten
ontwikkelen zich geen protoscolices. Deze blijven steriel en niet
infectieus.
De schade van een hydatide cyste is vooral mechanisch van aard. Het
kan door het langzame groeien van een cyste lang duren voordat er
klachten optreden, en een deel van de cysten zal nooit klachten
geven. De cysten kunnen door hun omvang of ligging druk uitoefenen
op bijvoorbeeld galgangen of leverkapsel waardoor klachten
ontstaan. Een ruptuur van de cyste kan een ernstige allergische of
anafylactische reactie geven. Door secundaire infectie kan
abcesvorming optreden. Soms is er sprake van arteriële embolie en
systemische verspreiding van de echinococcuscysten naar vitale
organen.
De incubatieperiode varieert van maanden tot jaren en hangt af
van het aantal en de lokalisatie van de cysten en tevens van hun
groeisnelheid. Het verloop tussen infectie en begin van de
symptomen wordt meestal op 15 jaar geschat.
De meeste infecties worden gediagnosticeerd bij patiënten tussen de
10 en 50 jaar oud. Bij jonge kinderen kunnen ook al symptomatische
cysten aanwezig zijn.
De meeste cysten geven geen klachten en zullen niet worden
ontdekt. Een deel zal spontaan verkalken. Bij de patiënten die wel
klachten krijgen, is het beloop afhankelijk van de lokalisatie van
de cyste, de groeisnelheid en het aantal cysten.
De eventuele symptomen hangen af van grootte en lokalisatie van de
cyste(n). De geringe groeisnelheid (circa 1 cm in diameter per
jaar) verklaart waarom klachten vaak pas na vele jaren ontstaan.
Bij levercysten kan er sprake zijn van drukgevoeligheid of pijn in
de leverstreek ten gevolge van hepatomegalie. Misselijkheid en
braken komen voor evenals icterus en portale hypertensie. Door
lekkage of barsten van hydatide cysten in de longen ontstaat pijn
op de borst, hoesten, dyspnoe en hemoptoë. Lokalisaties in het bot
gaan gepaard met botbreuken, de differentiële diagnostiek met
tuberculose kan moeilijk zijn in geval van botechinokokkose. Een
cyste in het centraal zenuwstelsel kan gepaard gaan met verhoogde
intracraniële druk, focale epilepsie en uitvalverschijnselen.
Niercysten kunnen pijnklachten en hematurie geven. Eosinofilie
treedt op bij 20-25% van de patiënten.
Ernstige complicaties van lever- en longechinokokkose (minder
dan 10% van de patiënten) treden in het algemeen pas op wanneer de
cyste barst. Als een cyste in de galgangen barst, leidt dit tot
koorts en icterus ten gevolge van cholangitis.
De cyste kan infecteren en abcederen of de inhoud van de cyste kan
vrijkomen in het lichaam. Het vrijkomen van gal in de thorax of
buikholte kan leiden tot galfistels. Na een voorafgaande
sensibilisatie door langzame lekkage kan een plotseling vrijkomende
grote hoeveelheid hydatidevocht acuut tot ernstige allergische
reacties leiden (anafylactische shock, dyspnoe, cyanose).
Vrijkomende protoscolices kunnen zich ook ontwikkelen tot nieuwe
hydatiden, zodat er sprake is van ‘uitzaaiing’ van de parasiet
binnen de gastheer.
De mortaliteit voor niet geopereerde symptomatische patiënten varieert van 22-60%. De levensverwachting van met succes geopereerde patiënten lijkt normaal te zijn en patiënten met een extrahepatische lokalisatie van de cyste lijken dezelfde prognose te hebben.
Onbekend.
Het is onvoldoende bekend of mensen opnieuw geïnfecteerd kunnen
worden. Er zijn wel aanwijzingen dat herhaalde blootstelling aan
echinococcuseieren bij schapen de immuniteit tegen een herhaalde
infectie stimuleert. Een eventueel aanwezige immuniteit geldt niet
voor de al aanwezige cysten.
Er zou een beschermende immuniteit kunnen bestaan waardoor cysten
zich niet bij alle mensen in endemische gebieden volledig
ontwikkelen. Sera van mensen uit endemische gebieden blijken in
vitro een hogere cystendodende capaciteit te hebben dan mensen uit
niet-endemische gebieden. Het mechanisme van deze werking blijkt
van antistof- en complementfunctie afhankelijk te zijn en verbetert
in aanwezigheid van neutrofielen.
E. granulosus is een kleine lintworm van de hond. De volwassen
lintworm is 3-11 mm lang en leeft in de dunne darm van honden en
hondachtigen. De worm bestaat uit een kop met vier zuignappen en
een dubbele hakenkrans, een korte nek en een paar proglottiden
waarvan er slechts één een uterus vol met eieren bevat. De eieren
komen via de ontlasting in het milieu terecht. Morfologisch zijn de
eieren niet te onderscheiden van Taenia-eieren.
Voor het volbrengen van de levenscyclus is behalve de eindgastheer
(hond) ook een tussengastheer noodzakelijk. Bij deze tussengastheer
is de echinococcus in het larvale stadium en dit presenteert zich
als een blaasworm. Als honden met cysten geïnfecteerd vlees eten,
ontwikkelt zich in de hondendarm uit deze cysten weer een lintworm
en is de cyclus rond.
Bij het vermoeden van een infectie met Echinococcus sp. zijn de volgende klinische diagnostische middelen van belang:
Bij een combinatie van bijvoorbeeld CT-scan en serologie is de kans op een correcte diagnose groot.
Een nadeel van de serologie is dat door de afkapseling van de cyste-inhoud de antistofproductie onder het detectieniveau kan liggen. Dit is vaker bij longcysten dan bij levercysten het geval. Een negatieve serologie sluit een infectie dan ook niet uit.
In Nederland wordt op twee plaatsen immunodiagnostiek van echinokokkose uitgevoerd, namelijk in Bilthoven door het RIVM en in Leiden bij de afdeling parasitologie van het Leids Universitair Medisch Centrum.
Het betreft de volgende testen:
De directe diagnostiek: de diagnose kan worden gesteld door
middel van microscopisch materiaal uit het cystevocht. Hierbij
wordt gekeken naar haken of protoscolices. Het cystevocht kan
verkregen worden door fijne naald bioptie, chirurgie, postmortem of
uit sputum na ruptuur van een longcyste. Aspiratie van
cystemateriaal pro diagnosi wordt ontraden in verband met het
gevaar van lekkage van de inhoud, met metastasering of allergische
reactie en shock als gevolg.
Het RIVM heeft een typeringsmethode ontwikkeld op het DNA van Echinococcus spp.uit cystevloeistof. Deze methode is zowel voor humaan als voor dierlijk materiaal bruikbaar (niet als routine).
De lintworm E. granulosus lijkt morfologisch slechts één variant te kennen bij de eindgastheer. In de tussengastheer blijken er echter meerder varianten te bestaan die op DNA-niveau te onderscheiden zijn. Deze varianten schijnen een levenscyclus met één tussengastheer te prefereren: hond-schaap, hond-paard, hond-varken, hond-rund, hond-hert. Een beperkt aantal van deze varianten komt bij de mens voor.
De hond-schaapstam kwam in het verleden in Nederland voor en is pathogeen voor de mens. De cyclus loopt via het schaap als de belangrijkste tussengastheer, maar ook andere tussengastheren zoals runderen of geiten kunnen met deze stam worden besmet. Deze stam komt met name voor in het Middellandse Zeegebied.
De rund-hondstam komt voor in Nederland, Zwitserland, Duitsland, België en Luxemburg. Deze stam wordt als minder pathogeen beschouwd. Er is goede documentatie over een patiënt uit Nederland die een echinococcuscyste bleek te hebben van een rund-hond stam.
De paard-hondstam zou niet of nauwelijks infectieus zijn voor de mens. Deze komt voor in Groot-Brittannië, Ierland, België, Zwitserland en Italië.
De hert-hondstam speelt vooral in Noord-Frankrijk, voormalige
Sovjet Unie en Canada een rol. Daarbij kunnen ook wolven de
eindgastheer zijn en herten en rendieren tussengastheren. In
Noordoost-Siberië werden zeer hoge incidentie gezien onder
risicogroepen: jagers, herders en bontwerkers: 50 tot 70 per 1000.
De mens wordt besmet door het eten van echinococcuseieren,
bijvoorbeeld via hondenfeces gecontamineerde grond, voedsel of
water, en niet door het eten van geïnfecteerd vlees. De eieren
kunnen langdurig overleven. De mens is voor de cyclus in Nederland
niet van belang. De hond loopt de besmetting op via het eten van
geïnfecteerd vlees, meestal slachtafval van schapen, geiten,
runderen etc.
De mens is voor zijn omgeving niet besmettelijk. Honden scheiden
eieren uit vanaf ongeveer 7 weken na het begin van de infectie. De
meeste infecties van honden zijn spontaan verdwenen na 6 maanden,
maar volwassen wormen kunnen 2 tot 3 jaar overleven. Herinfecties
treden op na het eten van ongekookt slachtafval.
Er is geen directe overdracht van persoon op persoon. Honden
kunnen herhaaldelijk gereïnfecteerd raken.
Kritische temperaturen voor echinococcuseieren zijn -70ºC en +60ºC.
E. granulosus-eieren worden geïnactiveerd door invriezen bij -70ºC
of lager voor 48 uur. De eieren worden snel geïnactiveerd door
warmte (twee uur bij 50º-60ºC of koken voor enkele minuten). Er is
zelfs beschreven dat temperaturen hoger dan 43ºC de eieren in korte
tijd afdoodt.
Daar waar mensen hun omgeving delen met honden is het risico van
infectie afhankelijk van persoonlijke hygiëne en schoonhouden van
die omgeving. Kinderen lopen een groter risico besmet te raken dan
volwassenen omdat ze meer direct contact hebben met honden en
minder hygiënisch zijn.
E. granulosus komt wereldwijd streekgebonden voor daar waar
honden gebruikt worden om het vee te hoeden en ook in nauw contact
staan tot mensen: Azië, het zuiden van Zuid-Amerika, West-Canada en
Alaska, het zuiden van Australië en in delen van Afrika. In Europa
komt echinokokkose in bijna alle landen voor, met name in het
Middellandse Zeegebied: Spanje, Portugal, Italië, Griekenland,
Turkije en Bulgarije. Alleen IJsland en Cyprus zijn
echinococcusvrij.
In Turkije zijn 16-80% van de schapen geïnfecteerd. Deze schatting
over het aantal nieuwe humane gevallen per jaar loopt van 1000 tot
2000. Dit komt overeen met 2,1-4,2 gevallen per 100.000 inwoners.
In West-Europa komt deze hond-schaapstam nog voor in
Groot-Brittannië, met name in Wales en grensgebieden daarvan, en in
Zuidoost-Frankrijk. In Wales was het jaarlijkse incidentiecijfer in
de periode 1974-1983 0,4 per 100.000 inwoners, maar dit loopt terug
door bestrijdingscampagnes. In Zuidoost-Frankrijk was de jaarlijkse
incidentie van humane gevallen in de periode 1966-1971 4,5 per
100.000, in Corsica 13 per 100.000. In Spanje varieert het aantal
geïnfecteerde oudere schapen van 56% (Navarra) tot 69% (La Rioja)
in 1991. In Zaragoza waren 13,5% van de honden geïnfecteerd met E.
granulosus. De gemiddelde jaarlijkse incidentie bij mensen in
Spanje was in de periode 1986-1990 1,9 nieuwe gevallen per 100.000
inwoners. In 1990 zouden er 0,01-11 gevallen van E. granulosusper
100.000 ziekenhuisopnames zijn. In Griekenland is de prevalentie
10-17 per 100.000 inwoners. In Frankrijk, Oostenrijk en
Groot-Brittannië komen nog infecties voor via een endemische stam.
In West-Europese landen komen infecties voor als importziekte van
personen uit endemische gebieden.
Voor 1945 kwam E. granulosus in Nederland endemisch voor, met
name in Friesland. De intensieve veehouderij en slachthuiscontrole
zullen bijgedragen hebben aan het verdwijnen van deze ziekte.
Tegenwoordig wordt het vooral gezien als importziekte, meestal bij
patiënten uit met name het Middellandse Zeegebied en Turkije. Er
zijn geen exacte gegevens over hoeveel patiënten er in Nederland
worden gediagnosticeerd. Bij een deel van de patiënten is het een
toevalsbevinding bij een operatie; bij een deel vindt er
serodiagnostiek plaats; bij een deel niet. In de periode 1987-1991
werden serologisch 191 nieuwe patiënten gediagnosticeerd. Hoeveel
nieuwe patiënten er in totaal in deze periode waren is niet bekend.
Sinds korte tijd is echinokokkose een veterinair meldingsplichtige
ziekte. Tot 1985 werden de slachthuisgegevens geregistreerd. Vooral
bij runderen werd echinokokkose gevonden (0,5-1%), bij andere
dieren zelden.
Bij een patiënt met solitaire cysten is chirurgische behandeling
in de vorm van extirpatie in toto van de hydatide cyste(n) de meest
effectieve behandeling. Technisch niet (volledig) te verwijderen
cysten dient men te behandelen met albendazol. De effectiviteit van
de albendazoltherapie is slecht voorspelbaar en vertoont een grote
spreiding (30-88% succes, 9,1-31% recidief).
Sinds 1997 wordt er in Nederland door een aantal ziekenhuizen
samengewerkt in de Nederlandse Echinokokken Werkgroep (NEW). Deze
werkgroep heeft een studie opgezet naar het effect van percutane
drainage van cysten (PAIR: puncture - aspiration - injection -
reaspiration) met albendazol profylaxe versus albendazol
monotherapie bij ongecompliceerde levercysten. De levercysten
worden daarbij aangeprikt onder echogeleiding en de cyste-inhoud
wordt verwijderd. Daarna wordt de cyste ingespoten met hypertoon
zout of met 95% ethanol. Elders zijn met deze therapie bij
ongecompliceerde cysten goede resultaten bereikt.
Geen.
Personen die contact hebben met bewezen besmette honden of op een andere manier als risicogroep aangemerkt kunnen worden, kunnen bij verdenking op een mogelijke besmetting en na overleg met een arts bloed laten onderzoeken, waarbij gekeken wordt naar antistoffen tegen echinokokken. Dit kan worden gedaan bij het RIVM en bij het LUMC (parasitologie). Het doel van dit onderzoek is om vroegtijdig een besmetting met eieren van de lintworm te herkennen en te behandelen. Een negatieve serologie sluit een infectie niet uit (zie paragraaf 3).
Behandeling, voorts: geen.
Geen.
Echinokokkose is niet van mens op mens overdraagbaar. Wering is niet van toepassing.
Echinokokkose wordt niet gemeld in het kader van de Wet publieke gezondheid. Het is wel een veterinair meldingsplichtige ziekte, opgenomen in de ‘Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten’, een onderdeel van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.
Nedederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)
—
Folders:
De mens raakt geïnfecteerd met de vossenlintworm (E.
multilocularis) na ingestie van parasieteneieren. De ontwikkeling
tot een blaasworm (hydatide) verloopt als bij E. granulosis.
E. multilocularis vormt geen duidelijke cysten maar lijkt uit
onregelmatige holtes zonder vloeistof te bestaan. Er zijn geen
vrije scolices. Er is sprake van centrale necrose met holtevorming,
sterk lijkend op een invasieve tumor. De cystenwand om de
alveolaire hydatide ontbreekt.
Anders dan bij E. granulosis ontstaan door deling steeds kleine
nieuwe blaaswormpjes (hydatiden) die zich, na hematogene
verspreiding, in vele organen ontwikkelen (multiloculair). Omdat de
blaaswormen (hydatiden) langzaam progressief weefsel in de
aangedane organen vernietigen, heeft een infectie met E.
multiloculariseen uitgesproken kwaadaardig beloop.
In 92-100% van de gevallen is de lever aangedaan. De groei zet zich
voortdurend voort door nieuwvorming buiten de bestaande blaasjes
(exogeen). De parasiet groeit destructief in het leverparenchym
(92-100% van de gevallen).
Hematogene metastasering naar longen, skelet, ogen en hersenen kan
optreden (10% van de patiënten).
Maanden tot jaren, afhankelijk van het aantal, de lokalisatie en
groeisnelheid van de cysten. EenE. multilocularis-infectie wordt
gewoonlijk op middelbare leeftijd manifest.
Afhankelijk van de lokalisatie van de steeds nieuwe kleine
blaaswormpjes.
De mortaliteit van onbehandelde infectie met E. multilocularisis
63-93% na verloop van tien jaar.
Onbekend.
Er is tot nu toe geen bewijs dat intermediaire gastheren in staat zijn een reïnfectie met oncosferen te weerstaan. Er zijn wel aanwijzingen dat herhaalde blootstelling aan echinococcuseieren de immuniteit tegen een herhaalde infectie stimuleert. Deze immuniteit geldt niet voor de al aanwezige metacestoden.
E. multilocularis is een lintworm van de vos, die incidenteel ook bij honden of katten het volwassen stadium kan bereiken. In de ontlasting van de vos komen eitjes voor die door kleine knaagdieren worden opgenomen. In deze tussengastheren manifesteert E. multiloculariszich als blaasworm in de inwendige organen. Vossen worden besmet door geïnfecteerde knaagdieren op te eten. In de vossendarm ontwikkelt zich dan weer een lintworm.
Naast de voor E. granulosus beschikbare diagnostiek is voor E. multilocularis op het RIVM een specifieke PCR(polymerase kettingreactie) op feces en darminhoud beschikbaar.
Overdracht van E. multilocularisvindt plaats door wilde hondachtigen (vossen, wolven, honden) maar ook door katten. Knaagdieren kunnen fungeren als tussengastheren. De infectie wordt in de natuur onderhouden door de vos-knaagdiercyclus, maar komt veel minder voor dan E. granulosus.
De mens wordt besmet door het eten van echinococcuseieren,
bijvoorbeeld via met vossenfeces gecontamineerde grond, voedsel of
water, en niet door het eten van geïnfecteerd vlees. De mens is
voor de cyclus in Nederland niet van belang.
Voor Nederlanders is een zeer kleine kans op blootstelling mogelijk
door het consumeren van ongewassen (bos)bessen en bramen in streken
in Frankrijk, België of Duitsland (zie ook paragraaf 4.4).
Geen overdracht van mens op mens. Vossen scheiden eieren uit vanaf ongeveer 7 weken na het begin van de infectie. De meeste infecties van vossen zijn spontaan verdwenen na 6 maanden, maar volwassen wormen kunnen 2 tot 3 jaar overleven.
Zelfs in hyperendemische gebieden met hoge prevalenties bij vossen (>30%) worden weinig patiënten gezien.
E. multilocularis-eieren worden geïnactiveerd door invriezen bij -70ºC of lager voor 48 uur. De eieren worden snel geïnactiveerd door warmte (twee uur bij 50º-60ºC of koken voor enkele minuten).
In endemische gebieden blijkt er een relatie te zijn met landbouwers. Verder is er een relatie met direct contact met vossen en het eten van ongewassen bosvruchten.
E. multilocularis beperkt zich over het algemeen tot ‘wilde‘
gastheren en is aldus ecologisch gescheiden van mensen. Slechts
jagers, stropers en personen die beroepshalve in intensiever
contact met besmet materiaal kunnen komen zoals dierenartsen,
bosarbeiders, boswachters en veldbiologen worden regelmatig
blootgesteld aan besmetting. Ook personen die regelmatig
bosvruchten verzamelen en consumeren in endemische gebieden lopen
een theoretisch risico besmet te raken.
In Europa ligt het centrum van het verspreidingsgebied van E.
multilocularis in midden-Europa: vanaf Zuidoost-België (de
provincie Luxemburg) naar het zuiden, Zuidwest-Duitsland (het
Zwarte Woud, de Schwäbische Alb, Boven-Beieren),
Noordoost-Frankrijk (de Jura), Zwitserland, Oostenrijk (Tirol) en
het voormalige Noord-Joegoslavië (Slovenië, Kroatië, Servië) tot in
Noord-Italië.
Er zijn grote regionale verschillen. In Zwitserland bestaat tussen
de kantons een variatie van nieuwe diagnosen van 0,06 tot 0,74 per
100.000 inwoners per jaar. Tussen 1970 en 1983 werden daar 136
zieken geregistreerd, waarvan 75% uit gebieden waar meer dan 20%
van de vossen besmet is met E. multilocularis. In Duitsland neemt
het besmettingspercentage van de vossen toe van noord naar zuid. In
Baden-Württemberg zijn jaarlijkse 0,81 per 100.000 inwoners ziek.
In België werd slechts één patiënt gemeld, in Nederland is een
eerste geval van import E. multilocularisgemeld bij een patiënt uit
Zwitserland (NTvG 1997).
In Noord-Amerika zijn er twee verschillende geografische gebieden:
de noordelijke toendra’s (Alaska en Canada) en in centraal
Noord-Amerika (Manitoba en Noord-Dakota).
In de voormalige Sovjet Unie worden besmette vossen in bijna alle
gebieden gevonden, met name in de vallei van de Wolga, in het
Oeralgebergte en in Siberië. Ook in nieuwe onafhankelijke
republieken zijn er meldingen: Oekraïne, Moldavië, Georgië,
Armenië, Azerbeidzjaan, Kazachstan, Oezbekistan etc. In Azië komt
E. multilocularis voor in Japan en China (waar de hond de
belangrijkste eindgastheer is).
Het is opvallend dat in gebieden waar veel vossen geïnfecteerd zijn
het aantal humane gevallen nog steeds laag is.
Nederland ligt aan de noordrand van het Midden-Europese verspreidingsgebied. De infectiedruk van vossen met E.multilocularisvanuit de grensgebieden varieert van 17 tot 60% (Nedersaksen 17%, Franse Ardennen 50-60%). In ons land is de parasiet aangetoond bij vossen in Oost-Groningen en Zuid-Limburg. Tot op heden is deze infectie bij mensen die in Nederland zouden zijn blootgesteld nog niet vastgesteld.
Chirurgische behandeling in de vorm van radicale resectie van de
aangedane leverkwab is de enige mogelijkheid tot genezing. Bij
slechts 20-40% van de patiënten is een partiële leverresectie of
een hemihepatectomie mogelijk. Bij de overigen is de conditie te
slecht of het ziekteproces te uitgebreid. Patiënten die niet
curatief kunnen worden behandeld, kunnen een palliatieve resectie
of een drainage ondergaan.
Medicamenteuze behandeling met albendazol (mebendazol wordt
nauwelijks meer gebruikt) beperkt de morbiditeit en mortaliteit.
Inoperabele patiënten die jarenlang met mebendazol of albendazol
werden behandeld, hadden een grotere 5- en 10-jaars overlevingskans
(respectievelijk 90-96% en 75-84%) dan patiënten zonder deze
therapie (respectievelijk 56% en <10-31%).
Geen.
(Alleen van toepassing op gebieden waar E. multilocularis endemisch voorkomt.)
De Voedsel en Waren Autoriteit houdt de epidemiologische situatie bij vossen goed in de gaten om tijdig maatregelen in te kunnen stellen.
Personen die contact hebben met besmette vossen of katten, of vaak met vossen omgaan, of op een andere manier als risicogroep aangemerkt kunnen worden, kunnen bij verdenking op een mogelijke besmetting en na overleg met een arts bloed laten onderzoeken, waarbij gekeken wordt naar antistoffen tegen echinokokken. Dit kan worden gedaan bij het RIVM en het LUMC (parasitologie). Het doel van dit onderzoek is om vroegtijdig een besmetting met eieren van de lintworm te herkennen en te behandelen. Serologisch onderzoek wordt alleen gedaan:
Risicogedrag: veel blootstelling aan vossen of vossenfeces; er zijn tot nu toe geen duidelijke risicofactoren bekend. Mogelijk zou het beroep van landbouwer met veel contact met aarde (met name kleine boeren) een risico zijn. Er is tot nu toe geen relatie gevonden met het eten van bosvruchten of met werken in bossen.
Aantal te onderzoeken monsters:
Beleid bij positieve serologie:
N.B.Het is belangrijk om betrokkenen van tevoren duidelijk te maken dat een positieve serologie lang niet altijd duidt op een actieve infectie. Nadere diagnostiek met beeldvormende technieken is vereist.
Behandeling, voorts: geen.
Geen.
Echinokokkose is niet van mens op mens overdraagbaar. Wering is niet van toepassing.
Geen.
De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).
—
10.5 Literatuur
Infectie met E. vogeli komt eveneens met name in de lever en aangrenzende structuren voor. De infectie is polycysteus van karakter en is een combinatie van cysteus en alveolair.
De vijftien gerapporteerde personen met een E. vogeli-infectiewerden gediagnosticeerd op de leeftijd van van 10 tot 74 jaar oud.
De belangrijkste gastheer is de (wilde) hond, intermediaire gastheren zijn knaagdieren. Geïnfecteerde jachthonden zijn waarschijnlijk de bron van infectie voor de mens.
De 15 gevallen van E. vogeli waren afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika: Costa Rica, Panama, Colombia, Ecuador en Venezuela.
LCI december 2000
November 2008: paragraaf 10 is aangepast conform de Wet publieke gezondheid.