U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Groep A-streptokokkeninfectie
LCI april 2011, laatst gewijzigd juli 2011
Roodvonk, krentenbaard, acuut reuma, invasieve infectie
Reeds in de Epidemicus (toegeschreven aan Hippocrates)
staat erysipelas herkenbaar beschreven. Roodvonk was in de
Middeleeuwen een gevreesde ziekte die in ernst en omvang op één
lijn stond met pest en cholera. Semmelweis heeft in 1861 de
maatregelen beschreven die de kraamvrouwenkoorts hebben
teruggedrongen. Wij weten nu dat groep A-streptokokken (GAS;
Streptococcus pyogenes) al deze en vele andere
ziektebeelden kunnen veroorzaken. GAS-infecties behoren tot de
meest voorkomende infecties bij de mens, met name bij kinderen. Ze
zijn over het algemeen van korte duur en mild van aard, maar soms
verloopt de infectie fulminant en levensbedreigend.
Afhankelijk van verschillende factoren kan een breed spectrum aan
ziektebeelden ontstaan, waarbij men onderscheid maakt tussen
invasieve en niet-invasieve infecties. Specifiek voor GAS zijn de
niet-etterige complicaties op lange termijn: acute reumatische
koorts en acute glomerulonefritis. In de volksmond worden de groep
A-streptokokken als verwekker bij invasieve infecties met etterige
complicaties ook wel ’vleesetende bacteriën’ genoemd.
naar boven
Streptokokken zijn grampositieve bacteriën die in ketens groeien
(streptos = ketting/keten). Vele streptokokken produceren
een hemolysine dat erytrocyten geheel of gedeeltelijk oplost. Op de
bloedplaat is de kolonie dan door een heldere hof (ß-hemolyse) of
een groene hof (α-hemolyse) omgeven. Men spreekt dan van α- of
ß-hemolytische streptokokken. In 1928 beschreef Rebecca Lancefield
dat ß-hemolytische streptokokken ook onderverdeeld kunnen worden in
groep A-E op basis van een groepspecifiek polysacharide, of, in
geval van groep D-streptokokken, op basis van hun
lipoteichoïnezuur. Op het laboratorium wordt voor de identificatie
van de streptokokkensoort een combinatie gebruikt van
hemolysineproductie, groepsspecifieke polysacchariden en
biochemsiche eigenschappen.
De stammen van groep A zijn altijd ß-hemolytisch. Men heeft aan
deze groep een soortnaam gegeven: Streptococcus pyogenes.
GAS (groep A-streptokokken)-stammen kunnen op basis van hun M-eiwit
verder worden onderverdeeld. Immuniteit tegen het M-eiwit beschermt
tegen reïnfectie met dat M-type. Serologische M-typering is
gebaseerd op antigene variatie van het uiteinde van het M-eiwit. De
moleculair-biologische equivalent van serotypering gaat uit van het
emm-gen (dat voor het M-eiwit codeert). Er zijn meer dan
120 emm-typen bij GAS.
In de westerse wereld domineren emm/M-types 1 en 3 bij
ernstige invasieve infecties en toxische-shocksyndroom (TSS). In de
pathogenese van TSS spelen streptokokkenpyrogene exotoxinen (Spe’s)
een cruciale rol. Spe’s, ook wel superantigenen genoemd, kunnen
aanzetten tot een massale vrijmaking van pro-inflammatoire
cytokinen, omdat ze een aspecifieke binding tussen de
antigeen-presenterende cel en de T-lymfocyt bewerkstelligen. Het
DNA coderend voor Spe’s is vaak gelegen op bacteriofagen waarmee de
streptokok geïnfecteerd kan zijn.
De veelvormigheid van streptokokkeninfecties berust op factoren
bij de bacterie (serogroep, serotype, het al dan niet bezitten van
diverse virulentiefactoren), factoren van transmissie (de porte
d’entrée, de grootte van het inoculum) en factoren van de gastheer
(algemene en specifieke afweer, HLA-fenotype, specifieke
risicofactoren).
Gastheerfactoren
Een voorbeeld van algemene weerstand is de intacte
huid die beschermt tegen impetigo, terwijl bijvoorbeeld na
waterpokken juist vaker impetigo wordt gezien. Een voorbeeld van
specifieke afweer zijn antitoxines zonder welke roodvonk kan
ontstaan, terwijl bij het bestaan van antitoxines de infectie zich
zal beperken tot een angina (keelontsteking). Door het grote aantal
typen bacteriën zijn telkens nieuwe streptokokkeninfecties
mogelijk. Onder invloed van voorafgaande infecties verandert het
beeld van de streptokokkeninfecties in de loop van een
mensenleven:
Zuigelingen tot ongeveer 6 maanden, die meestal nog gebrekkig antistoffen vormen, krijgen vooral mucopurulente nasofaryngitiden zonder verdere verbreiding van de infectie. Het is onduidelijk waardoor de streptokok bij hen zo weinig invasiviteit bezit. Misschien is er sprake van passieve immuniteit door antibacteriële (opsoniserende) antistoffen van de moeder.
Tussen 6 maanden en 3 jaar treden telkens opnieuw streptokokkeninfecties op, soms met complicaties (sepsis, osteomyelitis). Er ontwikkelen zich nu antistoffen tegen bacterieproducten en het kind raakt gesensibiliseerd voor het erytrogene toxine. Roodvonk is op deze leeftijd nog betrekkelijk zeldzaam; klaarblijkelijk zijn kleine kinderen nog niet gevoelig voor het erytrogene toxine.
Vanaf de leeftijd van 3 jaar kan bij een eerste infectie met GAS roodvonk ontstaan.
In de leeftijd van 3 tot 10 jaar ontstaat toenemende immuniteit voor streptokokkenproducten, hetgeen leidt tot lokalisatie van de infectie (minder verbreiding, meer lokale etterige processen). Vanaf het 10e levensjaar vertonen streptokokkeninfecties in toenemende mate het karakter van opportunistische infecties.
Invasiviteit
Een ongunstige combinatie van bacterie- en
gastheerfactoren kan een invasieve infectie in de hand werken.
Helaas geeft de literatuur geen breedgedragen omschrijving van
invasieve GAS-infectie. In de meeste studies worden fasciitis
necroticans (zie 2.4.2) en Streptococcal Toxic Shock Syndrome
(STSS; zie 2.4.4) tot de invasieve infecties gerekend, maar ook
andere infecties (bijvoorbeeld meningitis, pneumonie en septische
artritis) worden regelmatig als invasief bestempeld. Uit evidence
based analyse blijkt dat invasieve GAS-infectie daarom het beste
als volgt kan worden gedefiniëerd:
isolatie van groep A-streptokokken (S. pyogenes) uit een normaal steriel gebied en een klinisch passend beeld
of
isolatie van groep A-streptokokken (S. pyogenes) uit een normaal nonsteriel gebied bij STSS of fasciitis necroticans.
Dientengevolge wordt puerperale sepsis (kraamvrouwenkoorts) gezien als invasieve infectie. Dit wil echter niet zeggen dat dezelfde maatregelen moeten worden getroffen als bij STSS of fasciitis necroticans (zie paragraaf 9).
Voor evidence-based uitwerking, zie bijlage I, vraag 1.
Roodvonk: 2 tot 7 dagen.
Streptokokkenfaryngitis: meestal 2 tot 4 dagen.
Kraamvrouwenkoorts: dag 1 tot en met 10 postpartum. [WHO07]
Acute glomerulonefritis: kan 10 dagen na faryngitis en 3 weken of langer na pyoderma ontstaan.
Acuut reuma: treedt meestal 2 tot 3 weken (range: 1 tot 5 weken) na een streptokokkenkeelinfectie op. De incubatieperiode is hetzelfde bij de initiële ziekte als bij een recidief.
Nasofaryngitis, faryngotonsillitis (‘angina’), al dan niet met
roodvonk. Lokale complicaties: sinusitis, otitis media,
mastoïditis, peritonsillair en retrofaryngeaal abces, lymfadenitis
colli.
Invasieve complicaties: pneumonie en/of empyeem,
meningitis, aangezichtserysipelas, fasciitis necroticans van het
gelaat (al dan niet met sepsis of STSS).
Angina (keelonsteking)
Een breed spectrum van milde tot zeer hevige
acute keelpijn, met algehele malaise, koorts en hoofdpijn. Kinderen
kunnen nogal eens braken, klagen over misselijkheid en buikpijn. De
farynx is rood en gezwollen met lymfoïde hyperplasie. De tonsillen
zijn vergroot en bevatten een grijswit exsudaat. In de kaakhoek
kunnen vergrote lymfeklieren gevonden worden. Er is geen heesheid,
hoesten, conjunctivitis of verkoudheid. In het algemeen gaat de
ziekte vanzelf over, daalt de koorts binnen 3 tot 5 dagen en zijn
alle symptomen binnen een week verdwenen.
Scarlatina (roodvonk)
Een overwegend milde exanthemateuze kinderziekte,
optredend als reactie op toxinevorming door S. pyogenes
bij bijvoorbeeld faryngitis. Het exantheem verschijnt meestal op de
tweede dag van de ziekte en wordt vooral gezien in de nek, op de
borst, onder de oksels, bij de ellebogen, in de liezen en aan de
binnenkant van de dijbenen. Het exantheem is kleinvlekkig en
puntvormig (rood kippenvel). Bij druk op de huid wordt deze wit met
kleine rode puntjes en voelt aan als schuurpapier. Het narcosekapje
(het perinaso-orale gebied) blijft vrij. Daarnaast wordt vaak een
frambozen- of aardbeientong (gezwollen tong met rode papillen, soms
witte aanslag) gezien. Tegenwoordig wordt de schuurpapierachtige
huid nogal eens zonder exantheem (of alleen in de elleboogplooien
en liezen) gezien. Ook bij een ernstiger verlopende ziekte treedt
herstel na maximaal 10 dagen op als het exantheem aan het verbleken
is. Men ziet dan dat de huid gaat vervellen, vooral aan de top van
de vingers en de tenen.
Impetigo (krentenbaard)
De infectie begint, veelal in het gelaat, met
bultjes. De bultjes worden blaasjes, gevuld met vocht. Dit vocht
bevat bacteriën waardoor de kinderen besmettelijk zijn voor
anderen. Vaak wordt impetigo veroorzaakt door
Staphylococcus aureus, het kan echter
ook door GASof een menginfectie
ontstaan.
Pyoderma
Oppervlakkige wondinfectie (trauma of iatrogeen).
Lokale complicaties: lymfangitis, lymfadenitis. Invasieve
complicaties: erysipelas, cellulitis, fasciitis necroticans,
myositis, diepe wondinfectie, bursitis, septische artritis,
osteomyelitis (al dan niet met sepsis of STSS). De prevalentie van
impetigo en pyoderma wordt beïnvloed door diverse factoren, waarvan
de meest belangrijke klimaat en hygiëne zijn (impetigo komt vaker
voor tijdens warm en vochtig weer, met name in de (sub)tropen).
Erysipelas (wondroos, belroos)
Een acute, scherp begrensde ontsteking van de huid,
die zich onderhuids kan uitbreiden, waarbij vooral de lymfevaten
aangedaan zijn. De huid is licht verheven. Erysipelas komt met name
voor op de onderbenen, in het gezicht (vanuit een
faryngotonsillitis), armen of romp. De huidinfectie is pijnlijk en
gaat vergezeld van koorts en koude rillingen, waardoor het beeld
septisch aandoet.
Bij erysipelas berust de roodheid op een door toxines opgeroepen
reactie, de porte d’entrée is vaak klein (zoals een interdigitale
mycose) en niet te vinden.
Zonder antibiotische therapie heeft erysipelas vooral bij kleine
kinderen en bejaarden een hoge letaliteit. Complicaties die bij
erysipelas kunnen worden gezien, zijn sepsis en orgaancomplicaties.
Bij recidiverende erysipelas ontstaat obliteratie van lymfevaten
met als mogelijk gevolg elefantiasis.
Streptokokkencellulitis
Een acute, zich snel verspreidende ontsteking van
huid en subcutane weefsels, meestal als gevolg van geïnfecteerde
brandwonden of wondinfecties na chirurgie of trauma. Cellulitis
onderscheidt zich van erysipelas, doordat de laesie niet verheven
en onscherp begrensd is. Complicaties van cellulitis, die meestal
gepaard gaat met bacteriëmie, zijn tromboflebitis, artritis,
osteomyelitis en soms endocarditis. Via lymfogene verspreiding bij
ontstoken wonden aan de duim zijn subpectorale abcessen en
pleuraeffusie beschreven.
Fasciitis
necroticans
Een infectie van het subcutane weefsel en de
fascie, gekarakteriseerd door extreme, zich snel verspreidende
necrose en gangreen van de huid. Karakteristiek voor het gangreen
is dat het vaak begint op een plaats met een onaanzienlijk of klein
trauma met heftige pijn ter plaatse. De initiële laesie kan lijken
op kleinvlekkig erytheem, maar verspreidt zich binnen 24-72 uur in
en onder de huid. Bacteriëmie en metastatische abcessen komen
hierbij veel voor. Op de vierde tot vijfde dag ontwikkelt zich het
gangreen. Het proces verloopt foudroyant, de patiënt is ernstig
ziek, heeft hoge koorts en de letaliteit is hoog, zelfs met de
juiste antibiotische en agressief chirurgische therapie.
Vaginitis, cervicitis, perianale dermatitis, met name bij kinderen. Lokale complicatie: lymfadenitis. Invasieve complicaties: puerperale sepsis (kraamvrouwenkoorts, zie onder 2.4.4), salpingitis, peritonitis, scrotale fasciitis necroticans (gangreen van Fournier; al dan niet met STSS).
(Met of zonder lokale oppervlakkige infectie en/of focus van
invasieve infectie.)
GAS (in het bijzonder subtypen M1 en M3) produceren exotoxinen met
pathogene werking op diverse orgaansystemen, waardoor
ontstekingsmediatoren vrijkomen die bijdragen aan het ontstaan van
shock. Meestal is het syndroom een complicatie van een
wekedeleninfectie (fasciitis, myositis, cellulitis, diepe
wondinfectie) maar ook andere foci van invasieve GAS-infectie
(meningitis, salpingitis, puerperale endometritis, pneumonie)
kunnen gepaard gaan met een shock. Soms is het shocksyndroom
primair, dat wil zeggen dat er geen oppervlakkig of diep
infectiefocus wordt gevonden. Patiënten voelen zich ernstig ziek en
klagen initieel over algemene malaise, hoge koorts, rillingen,
spierpijnen, sufheid of lichte verwardheid en (vaak) diarree en/of
braakneiging (‘influenza-achtig ziektebeeld’). Een klein deel van
de patiënten heeft als vroeg symptoom bovendien een roodvonkachtige
rash (die na circa 10 dagen vervelt). Een porte d’entrée
(bijvoorbeeld ontstoken huidlaesie) is lang niet altijd
aanwijsbaar. De symptomen van een diepe c.q. invasieve
infectiefocus kunnen aanvankelijk verborgen blijven. In geval van
een wekedeleninfectie (fasciitis, myositis) staat initieel sterk
lokale pijn op de voorgrond, voordat ter plaatse cutane of
subcutane afwijkingen zichtbaar worden. Het influenza-achtige
ziektebeeld dat het begin van STSS kan zijn, kan binnen uren tot
dagen in ernst toenemen naar ernstige hypotensie (shock) en
multi-orgaanfalen (nierinsufficiëntie, verwardheid/coma,
respiratoire insufficiëntie, toxische cardiomyopathie,
leverfalen).
De letaliteit van STSS is circa 50%. Deze ziektebeelden kunnen in clusters voorkomen (op neonatologie-afdelingen, in verpleeghuizen, instellingen voor gehandicapten, kazernes, geassocieerd met waterpokken).
Puerperale sepsis (kraamvrouwenkoorts)
Een vorm van sepsis is die ten gevolge van acute
endometritis volgend op bevalling. Het klinisch beeld van
puerperale sepsis bestaat uit piekende koorts tot boven 40C,
gecombineerd met één of meer van de bovengenoemde symptomen. Het
beloop kan zeer fulminant zijn en zal zonder adequaat ingrijpen
leiden tot orgaanhypoxie, metabole acidose, hypotensie, shock en
uiteindelijk overlijden. Mogelijke complicaties zijn fasciitis
necroticans van buikwand of extremiteiten, infiltraatvorming en
salpingitis. [Hei04]
Acuut reuma
Acuut reuma of acute reumatische koorts (carditis
en/of artritis en/of chorea) is een niet-infectieuze complicatie
van een voorafgaande streptokokkeninfectie, waarvan het
pathogenetisch mechanisme deels berust op verwantschap tussen
menselijke antigenen en antigenen van de bacterie, waardoor
antistoffen tegen de bacterie kruisreageren met weefselantigenen
van de mens. Hierdoor hechten bijvoorbeeld antistoffen tegen
onderdelen van de bacterie zich aan hartweefsel en leiden daar tot
beschadiging.
Ongeveer eenderde van de gevallen treedt op na een asymptomatische
streptokokkeninfectie; het komt met name voor na ernstige
streptokokkeninfecties (op basis van klinische, bacteriologische en
immunologische criteria) en het kan na een streptokokkenfaryngitis
voorkomen.
De klinische verschijnselen kunnen sterk variëren van aard en
intensiteit. Een typisch geval van acuut reuma gaat gepaard met
koorts en afwijkingen aan de gewrichten, het hart, de huid of de
zenuwen.
De gewrichtsafwijkingen doen zich met name voor bij adolescenten, maar treden bij kleine kinderen minder op de voorgrond.
Voor wat betreft het hart kan sprake zijn van een myocarditis, pericarditis en endocarditis. Endocarditis leidt met name bij recidieven tot blijvende beschadiging van het endocard en klepafwijkingen.
De huidafwijkingen zijn erythema marginatum (polycyclisch erytheem dat na enkele weken weer vervaagt [Mek04]) en subcutane knobbeltjes.
De neurologische verschijnselen (chorea van Sydenham = St. Vitusdans) duren 2 tot 4 maanden en berusten hoogstwaarschijnlijk op een auto-immuunreactie.
Voor het stellen van de diagnose wordt onderscheid gemaakt in hoofdsymptomen en nevensymptomen (criteria van Jones). In de derde wereld recidiveert de aandoening na hernieuwde streptokokkeninfectie gemakkelijk ten gevolge van omgevingsfactoren, ‘crowding’ en het veelal ontbreken van profylaxe, dit in tegenstelling tot de westerse wereld waar recidieven nauwelijks meer voorkomen of door antibioticaprofylaxe voorkomen worden.
Acute poststreptokokkenglomerulonefritis
Acute glomerulonefritis is een niet-infectieuze
complicatie van een voorafgaande streptokokkeninfectie. De oorzaak
is het neerslaan van immuuncomplexen van bacteriële antigenen en
specifieke antistoffen in de glomeruli, met complementactivatie en
lokale schade als gevolg.
Glomerulonefritis kan zowel na een streptokokkenfaryngitis als na
een streptokokkenimpetigo optreden. De attack rate van
glomerulonefritis is afhankelijk van de prevalentie van nefritogene
GAS-stammen in de populatie. Wanneer de keel- of huidinfectie
veroorzaakt wordt door een nefritogene GAS-stam kan de attack rate
10-15% bedragen. Klinische verschijnselen zijn algemene malaise,
anorexie, lethargie, bleekheid en soms hoofdpijn en rugpijn.
Oligurie, uremie, hypertensie en oedeem kunnen optreden. De urine
bevat eiwit (< 3 gram per dag), het sediment erytrocyten en
cylinders. Het serumalbumine is verlaagd. Mortaliteit in de acute
fase van de ziekte is zeer laag, 1% of minder van de patiënten
ontwikkelt een ernstige en irreversibele nierinsufficiëntie.
Recidieven zijn zeldzaam. De aandoening kan (tot 50% van de
gevallen) subklinisch verlopen.
Acute poststreptokokkenglomerulonefritis komt de afgelopen
tientallen jaren niet meer voor in Nederland.
Acuut reuma en acute glomerulonefritis komen zelden bij dezelfde
patiënt voor.
Kinderen van 2 tot 6 jaar hebben een verhoogde kans op glomerulonefritis na een GAS-infectie.
Kinderen van 6 tot 10 jaar hebben een verhoogde kans op acuut reuma na een GAS-infectie.
HLA-studies wijzen op een verhoogde kans op acuut reuma voor negroïden met het fenotype DR2 en voor blanken met het fenotype DR4.
Vrouwen in het kraambed met een ruptuur, episiotomie of na een keizersnede, hebben een verhoogde kans op kraamvrouwenkoorts.
Personen met sikkelcelziekte, een maligniteit, immunodeficiënties (aangeboren of verworven), diabetes, alcoholabusus, waterpokken of een functionele asplenie, hebben een verhoogde kans op de invasieve infecties. Daarnaast geven het gebruik van steroïden of intraveneuze drugs een verhoogde kans. [Prev02]
Aangezien de antibacteriële immuniteit typespecifiek is, kan men
successievelijk met verschillende streptokokkentypen geïnfecteerd
worden. Hierbij wordt wel een toenemende immuniteit tegen één of
meerdere erytrogene toxines gevormd, waardoor roodvonk na het zesde
levensjaar minder voorkomt. De kans op keelontsteking blijft
bestaan. De toenemende immuniteit tegen streptokokken leidt tot
inperking van de infectie (minder verbreiding, meer etterige
processen).
De vele streptokokkentoxinen zijn goede immunogenen. De meeste
mensen maken gemakkelijk antistoffen tegen de diverse pyrogene
exotoxinen en andere bacteriële producten die bijdragen aan de
virulentie, zoals proteasen, DNase en streptolysine.
De immuunstatus van de gastheer op het moment van besmetting is één
van de determinanten voor het al dan niet ontwikkelen van een
invasieve en toxische infectie bij contact met een toxinevormende
stam. Patiënten die een invasieve GAS-infectie doormaken, genereren
over het algemeen een goede immuunrespons. De kans op recidief op
korte termijn wordt dan ook als laag ingeschat.
Indien GAS gekweekt wordt uit normaliter steriele
lichaamscompartimenten (zoals bloed, hersenvloeistof, diepe
punctaten etc.) is per definitie sprake van invasieve GAS-infectie.
Positieve kweken van keel en huid kunnen ook een uiting zijn van
dragerschap.
Voor nader onderzoek naar de epidemiologische verwantschap van
subtypen kan een emm/M-typering worden verricht
(LIS/RIVM). Dit typeringssysteem is internationaal uitwisselbaar.
Er bestaan ook andere typeringstechnieken zoals DNA-typering (PFGE,
MLST, RAPD).
Bij invasieve GAS-infecties wordt aangeraden om voor identificatie
van GAS als Streptococcus pyogenes naast de ß-hemolyse en
reactiviteit met Lancefield groep A, biochemische reacties te
gebruiken; sommige andere streptokokken dan S. pyogenes
bezitten het Lancefield groep A en produceren ook ß-hemolysine.
Serologisch kan een stijging van de antistreptolysine O-titer (AST)/anti-DNase B worden aangetoond. Een verhoogde titer, en met name een titerstijging, duidt op een recente infectie. De AST-titer stijgt tussen de 1een 4eweek na infectie en daalt na een periode van 3-6 maanden. Met name bij huidinfecties met GAS kan de AST negatief blijven. Bepaling van anti-DNAseB heeft dan een aanvullende waarde. Aanvullend bloedonderzoek, zoals naar leukocytose en verhoogde bezinking of verhoogd C-Reactive Protein (CRP), kan de diagnose ondersteunen.
De neus, keelholte en huid van de mens (ook perianaal/vaginaal)
zijn reservoir is. Dieren zijn geen reservoir, maar kunnen de
bacterie wel verspreiden.
Via druppelinfectie (vanuit de keel) en via (in)direct contact,
met name vanuit wonden van de handen.
Hulpverleners kunnen de bacterie verspreiden door tussen
onderzoeks- en behandelingscontacten hun handen onvoldoende te
wassen of te desinfecteren.
In ongecompliceerde onbehandelde gevallen 10-21 dagen. Bij pusvorming zolang er afscheiding is (tot vele maanden). Bij keeldragerschap langdurig (voornamelijk bij intensieve contacten). Na aanvang van antibiotische behandeling is de patiënt nog 2 tot 3 dagen besmettelijk, in de praktijk wordt 24 uur na aanvang van de antibiotische behandeling aangehouden (bij 15% van de gevallen blijft de streptokok na behandeling wel aantoonbaar in de neus).
[A] Werknemers die werken met kwetsbare
groepen, moeten het contact met de kwetsbare groepen gedurende de
besmettelijke periode vermijden.
Er is geen verschil in besmettelijkheid tussen invasieve en niet-invasieve streptokokken. Voor infectie kan een tamelijk groot inoculum nodig zijn, afhankelijk van type, adherentie-eigenschappen en gastheerfactoren. Directe besmetting van de tonsillen en farynx van volwassen vrijwilligers met een keelwat veroorzaakt pas infectie bij een meerderheid van de proefpersonen als het inoculum meer dan 105 bacteriën bevat. De besmettelijkheid is het grootst tijdens de acute respiratoire infectie, een chronische drager is niet erg besmettelijk. Ook patiënten met erysipelas kunnen de bacterie overbrengen, met name in ziekenhuizen dient men hierop bedacht te zijn. Bij erysipelas, zowel in het gelaat als elders, is er sprake van kolonisatie van de huid met in principe uit de keel afkomstige groep A-streptokokken. Het minst besmettelijk is de erysipelas aan de onderste extremiteiten als gevolg van huidlaesies bij veneuze stuwing van de benen of andere vormen van circulatiestoornissen aldaar (vaak bij diabetici); maar ook in die situatie is kolonisatie van de huid(laesie) en daarmee kans op overdracht zeker niet uitgesloten.
Het aantal secundaire invasieve infecties in het gezin van patiënten met een invasieve infectie wordt geschat op 1/300 en is daarmee vergelijkbaar met dat bij meningokokkeninfecties. [Dav96] De kans om als gezinslid een invasieve infectie te krijgen is 19 tot 200 keer hoger dan in de algemene bevolking. [Rob03] Hoewel voorheen werd gedacht dat genetisch verwante personen een hogere gevoeligheid hebben voor invasieve infectie, blijkt hiervoor momenteel geen bewijs te bestaan [Vla07]. Er zijn clusters van invasieve infecties beschreven in gezinnen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, kindercentra en in een rugbyteam.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken (geen bloed) |
2.1.1 |
|
Oppervlakken (bloed) |
2.1.2 |
|
Instrumenten (geen bloed) |
2.2.1 |
|
Instrumenten (bloed) |
2.2.2 |
|
Textiel |
2.3.2 |
|
Intacte huid |
2.4.1 |
|
Niet-intacte huid |
2.4.2 |
|
Handen |
2.4.3 |
Huishoudcontacten van een geïnfecteerde persoon;
personen na een virale luchtweginfectie;
kinderen jonger dan 3 jaar: (met name na waterpokken) impetigo;
kinderen ouder dan 3 jaar: faryngitis en roodvonk;
opgenomen (geopereerde) en geïnstitutionaliseerde personen;
kraamvrouwen;
personen boven de 65 jaar (afnemende weerstand);
personen met een alcoholverslaving;
gebruikers van steroïden of van intraveneuze drugs;
personen met immunodeficiënties (congenitaal en verworven), kanker, diabetes, sikkelcelziekte, functionele asplenie;
personen in gebieden waar (grote) armoede heerst (‘crowding’, slechte hygiëne, geringe medische zorg).
[A] werknemers die werkzaam zijn in situaties waar crowding en verminderde hygiëne voorkomen, bijvoorbeeld militairen.
Ziekte veroorzaakt door GAS komt wereldwijd voor, zowel bij
personen in gematigde streken als in de tropen, hoewel er
verschillen zijn in de spreiding over het jaar. In sommige
tropische streken wordt faryngitis frequenter door andere
streptokokken dan groep A veroorzaakt. In de loop van de vorige
eeuw is de incidentie van acuut reuma in westerse landen
verminderd, met een laagste periode aan het einde van de jaren
zeventig. Sinds 1985 wordt er vanuit de Verenigde Staten weer
melding gemaakt van epidemieën.
Sinds halverwege de jaren 80 werd er in verschillende landen, onder
meer in de Verenigde Staten, Engeland, Noorwegen en Zweden, ook
melding gemaakt van een toename van ernstige GAS-infecties. Er zou
een terugkeer zijn van virulente typen die in de 19e en
20e eeuw frequente epidemieën veroorzaakten van ernstige
aandoeningen als acuut reuma en kraamvrouwenkoorts. De oorzaak van
deze opleving van ernstige GAS-infecties, die eind jaren 90 weer
wat inzakte, is nog niet opgehelderd.
Keelinfecties komen met name in de winter en huidinfecties vooral in de zomer voor. De diagnose ‘acuut reuma’ werd de afgelopen jaren in Nederland incidenteel nog wel gesteld, maar dan voornamelijk bij allochtone patiënten. Ook in ons land is er een toename van ernstige GAS-infecties geconstateerd, 90% is in de open bevolking ontstaan. Naar schatting worden in Nederlandse ziekenhuizen jaarlijks 2 tot 4 gevallen van invasieve GAS-infecties per 100.000 inwoners opgenomen. [Vla07].
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling van onderstaande aandoeningen de richtlijnen van de Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid.
Tonsillitis:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=327
Roodvonk:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=304
Impetigo/dermatitis:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=303
Furunkel:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=299
Erysipelas:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=300
Cellulitis:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=301
Fasciitis necroticans:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=302
Sepsis: zie Fasciitis necroticans
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=302
Reuma, Glomerulaire nephritis: zie Arthritis:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=258
naar boven
Geen.
Algemene persoonlijke hygiëne.
Puerperale sepsis
Bij een enkel geval van kraamvrouwenkoorts is geen
bronopsporing nodig. Bij meer dan één geval is het van belang een
mogelijk gezamenlijke bron te detecteren (bijvoorbeeld een
verloskundige die beide bevallingen heeft geleid).
Kraamvrouwenkoorts dient daarom gemeld te worden bij de GGD (zie
paragraaf 10).
Roodvonk
Als in een klas roodvonk ‘epidemisch’ voorkomt
(> 3 microbiologisch bevestigde gevallen in een maand) moet er
in de klas gezocht worden naar vervellende (dit zijn vrijwel altijd
niet-behandelde) kinderen die drager zijn en naar kinderen met
evidente streptokokkeninfecties zoals impetigo en faryngitis
(kweken afnemen).
Op het RIVM/LIS kan typering van de streptokok plaatsvinden. Het
materiaal dient na telefonisch overleg met en via het
streeklaboratorium te worden aangeboden. Typering kan de relatie
tussen de gevallen bevestigen (één type) of ontkennen
(verschillende typen).
Om een eind te maken aan de verspreiding is het zinvol om deze
kinderen alsnog te behandelen.
Acuut reuma en acute glomerulonefritis
Eventuele keelklachten in het gezin van de index
vroegtijdig antibiotisch behandelen (zogenaamde
‘vroegbehandeling’).
Invasieve infectie
Zoals reeds beschreven (paragraaf 2.1) kan een
combinatie van ongunstige bacterie- en gastheerfactoren leiden tot
een invasieve infectie of complicatie. Eén van die factoren is de
virulentie van de bacterie. In het geval van fasciitis necroticans
en STSS is de bacterie klaarblijkelijk extra virulent. Daarom dient
er bij deze infecties chemoprofylaxe verstrekt te worden aan
huishoudcontacten van de indexcasus (zie paragraaf 9.4).
Nauwe contacten dienen daarnaast geïnformeerd te worden over de
symptomen van oppervlakkige en invasieve GAS-infecties (zoals
koorts al dan niet in combinatie met ernstige keelpijn) en
gestimuleerd te worden hun gezondheidstoestand goed in de gaten te
houden (tot 30 dagen na diagnose index). Zij moeten vroegtijdig
contact opnemen met de huisarts zodra er symptomen zijn.
Voor evidence-based uitwerking, zie bijlage I, vraag 4.
Nauwe contacten zijn personen die vanaf één week vóór het ontstaan van de ziekte bij de indexcasus:
meer dan 4 uur per dag of meer dan twintig uur per week met de indexcasus doorbrachten,
of
met hem/haar op een kamer sliepen,
of
met hem/haar direct slijmvliescontact hadden.
Bij een patiënt die een GAS-infectie heeft, dient in het ziekenhuis afhankelijk van het ziektebeeld contactisolatie (fasciitis necroticans) of druppelisolatie (roodvonk) toegepast te worden tot 24 uur na het begin van de therapie (WIP-richtlijn ‘Isolatierichtlijnen’). In de thuissituatie en daarmee vergelijkbare instellingen geldt normale wondhygiëne (geen bijzondere maatregelen voor het afvoeren van besmet materiaal). Bij roodvonk in een instelling met kwetsbare bewoners valt isolatie tot 24 uur na aanvang van de behandeling te overwegen. Contacten zonder klachten hoeven geen bijzondere voorzorgen in acht te nemen ter voorkoming van verspreiding naar anderen.
Aangezien kweekuitslagen geen gevolgen hebben voor het verstrekken van profylaxe, is het om deze reden niet nodig om kweken af te nemen.
Roodvonk
Chemoprofylaxe is niet nodig voor contacten.
Het is aan te bevelen huisartsen te informeren als roodvonk
epidemisch (> 3 microbiologisch bevestigde gevallen in één groep
en in één maand) voorkomt en het advies te geven niet alleen alle
gevallen van roodvonk, maar tijdelijk ook gevallen van acute
keelpijn als volgt te behandelen.
Feneticilline (Broxil), dosering:
minimaal 250 mg 3 dd po tot maximaal 625 mg 6 dd po;
renale eliminatie 50%; dosering onafhankelijk van nierfunctie;
kind ouder dan 4 weken: dosering per 24 uur 40 mg/kg po, aantal
doses 3,
max. dosering per 24 uur 4 gram po.
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling de richtlijn van de Stichting Werkgroep AntibioticaBeleid:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=304.
Acuut reuma en acute glomerulonefritis
Index
Na het doormaken van acuut reuma is
profylactische behandeling met benthazinebenzylpenicilline (<
30kg 2dd 125 mg po en > 30 kg 2dd 250 mg po), feneticilline
((Broxil) volwassenen: 2 dd 250 mg, kinderen: 3 dd 50mg/kg) of
erytromycine (2x250 mg) geïndiceerd om reactivatie te voorkomen. De
duur van de profylaxe moet in geval van klepgebreken ten gevolge
van de ziekte mogelijk levenslang bedragen. Indien bij het acuut
reuma artritis en niet carditis op de voorgrond stond, moet ten
minste 5 jaar en tot de leeftijd van 18-20 jaar profylaxe gegeven
worden. Stond de carditis op de voorgrond, dan moet de profylaxe in
ieder geval tot de leeftijd van 25 jaar gecontinueerd
worden.
Contacten
Eventuele keelklachten in het gezin
vroegtijdig antibiotisch behandelen (zogenaamde
vroegbehandeling).
Invasieve infectie
Er is geen studie die zekerheid geeft over de
effectiviteit van chemoprofylaxe bij contacten in het voorkomen van
secundaire gevallen.
Hoewel voorheen werd gedacht dat genetisch verwante personen een
hogere gevoeligheid hebben voor invasieve infectie, blijkt hiervoor
momenteel geen bewijs te bestaan. [Kot02] Profylaxe hangt dus niet
af van de genetische relatie met een patiënt, maar van de
intensiteit van contact voorafgaand en tijdens de ziekte van de
patiënt. Er is onvoldoende basis voor het routinematig geven van
chemoprofylaxe aan andere contacten dan huishoudcontacten.
Huishoudcontacten
Het
voorschrijven van chemoprofylaxe aan huishoudcontacten tot maximaal
7 dagen na het laatste contact is gewenst wanneer er sprake is van
fasciitis necroticans of STSS. Huishoudcontacten zijn te definiëren
als:
een persoon die meer dan 24 uur het huishouden heeft gedeeld met de index in de 7 dagen voorafgaand aan de symptomen van de index.
Er zijn drie mogelijkheden voor chemoprofylaxe:
clindamycine (volwassenen: 3 dd 600 mg, kinderen: 25 mg/kg verdeeld over 4 doses) gedurende 10 dagen;
een combinatie van penicilline V of feneticilline (volwassenen: 4 dd 500 mg, kinderen: 3 dd 30-50 mg/kg) gedurende 10 dagen met rifampicine (volwassenen: 2 dd 600 mg, kinderen: 2 dd 10 mg/kg) gedurende de eerste 4 dagen;
azitromycine (volwassenen: 1 dd 500 mg (dag 1) en 1 dd 250 mg (dag 2-5), kinderen: 1 dd 10 mg/kg) gedurende 5 dagen.
Voor evidence-based uitwerking, zie bijlage I, vraag 3.
Patiënten of bekend geworden symptoomloze dragers werkzaam op
bijvoorbeeld operatie- of verloskamers, dienen afhankelijk van de
aard van de infectie tot 24 uur na begin van de therapie deze
ruimten te mijden.
Werknemers die een bewezen invasieve infectie hebben, moeten altijd
geweerd worden van het werk tot hun besmettelijkheid voorbij is.
NB. Vaak zijn deze patiënten ook te ziek om te werken.
Kinderen met impetigo mogen in principe school of kindercentrum bezoeken. In uitzonderingsgevallen kan de GGD adviseren om:
in een schoolklas of in een groep van een kindercentrum waar meerdere kinderen impetigo hebben,
of
wanneer een kind uitgebreide laesies heeft,
het kind/de kinderen pas toe te laten als de aandoening wordt behandeld met antibiotica of als de blaasjes zijn ingedroogd. Ingedroogde blaasjes zijn niet besmettelijk.
Kinderen met roodvonk mogen in principe school of kindercentrum bezoeken als zij zich niet te ziek voelen. In uitzonderingsgevallen kan de GGD adviseren om kinderen met roodvonk pas toe te laten na behandeling met antibiotica.
Een invasieve groep A-streptokokkeninfectie is een meldingsplichtige ziekte groep B2. Het laboratorium en de behandelend arts melden een geval van invasieve groep A-streptokokkeninfectie binnen een werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.
Melding wanneer:
een persoon één of meer van de volgende kenmerken heeft:
STSS
fasciitis necroticans
puerperale sepsis
in combinatie met één van de volgende criteria:
aantonen van groep A-streptokokken (S. pyogenes)in materiaal afkomstig uit een normaal steriele plaats,
of
aantonen van groep A-streptokokken (S. pyogenes)in materiaal afkomstig uit een normaal niet steriele plaats in combinatie met het ontbreken van een ander micro-organisme dat het klinisch beeld kan verklaren.
Hierbij dient het volgende opgemerkt te worden: het melden van
STSS en fasciitis necroticans geschiedt op basis van een te
verwachten agressieve GAS, waarbij mogelijk chemoprofylaxe moet
worden voorgeschreven (zie paragraaf 9.4). Bij puerperale sepsis is
er een andere reden om te melden: de mogelijke introductie van een
GAS-stam door een hulpverlener (bijvoorbeeld een verloskundige,
gynaecoloog) en het risico van het verspreiden van een dergelijke
GAS-stam door deze hulpverlener.
Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en
symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn
voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van
artikel 26 van de Wet publieke gezondheid.
Voor evidence-based uitwerking, zie bijlage I, vraag 2.
[A] Indien de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening, moet de casus door een geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB, http://www.beroepsziekten.nl/).
Huisartsen na signalering van een cluster. Het LIS/RIVM in verband met de typering. De bedrijfsarts voor eventuele tijdelijke vervangende werkzaamheden.
NHG-standaard Acute keelpijn M11
LCI-Verpleegkundig Stappenplan Infectieziekten (VSI) Roodvonk, 2007
NHG-standaard Bacteriële huidinfecties M68
WIP-richtlijn Algemene voorzorgsmaatregelen en Isolatierichtlijnen
LCI-Informatiestandaard Infectieziekten (ISI) Krentenbaard (impetigo), http://www.rivm.nl/infectieziekten.
NHG-patiëntenbrief Roodvonk
Heineman MJ, Bleker OP, Evers JLH, Heintz APM (eds). Obstetrie en gynaecologie: de voortplanting van de mens. Maarssen, Elsevier Gezondheidszorg, 2004.
Hertzberger ten Cate R. en Dijkmans BAC. Post streptokokkenziektebeelden, in het bijzonder bij kinderen. NTvG 1995,139 (3),116 119.
Jansen TLThA, Janssen M, Geurts MAW, en Katchaki JN. Acuut gewrichtsreuma of post streptokokken reactieve artritis; een onverwachte opleving in Nederland. NTvG 1995,139 (3),105 107.
Mekkes JR. www.huidziekten.nl, 2004. http://www.huidziekten.nl/zakboek/dermatosen/etxt/ErythemaMarginatum.htm
Prevention of Invasive Group A Streptococcal Infections Workshop Participants. Prevention of invasive group A streptococcal disease among household contacts of case-patients and among postpartum and post-surgical patients: Recommendations from the CDC. Clin Infect Dis 2002;35:950-9.
Schellekens JFP, Schouls L, van Silfhout A, Elzenaar K, ten Broek E, Top J, van Leeuwen W. The resurgence of Group A streptococcal disease: characteristics of invasive infections in the Netherlands, 1933-1995. NTMM 1995,3(4):78-83.
Verhoef Verhage EAE, van Houten A, Joore JCA, en Verbrugh HA. De terugkeer van ernstige infecties door Streptococcus pyogenes. NTVG 1993,137(12),604 606.
Vlaminckx B, Schellekens J. Invasive group A streptococcal infections and profylaxis to contacts Tijdschr Infectiez, 2007;2(5):162-7.
WHO (2007), ICD-10, http://apps.who.int/classifications/apps/icd/icd10online/
[A] Dit symbool markeert de alinea’s met arbeidsrelevante informatie over infectieziektebestrijding.
Pdf document - 347KB
Word document - 300KB
Pdf document - 184KB