U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Hantavirusinfectie
LCI/Gr juli 2006, laatst gewijzigd oktober 2009
Hantavirose, Nefritis (NE),
Hemorrhagische koorts (HFRS), Longsyndroom (HPS)
Hantavirusinfectie is een zoönose die wereldwijd onder
knaagdieren voorkomt en, afhankelijk van het virustype, kan lijden
tot ernstige pathologie van de nieren of de longen.
Begin van de 20eeeuw werden in Azië reeds ziekten die
gepaard gaan met koorts, bloedingen en nierfunctiestoornissen
beschreven. In de jaren ‘40 is in Azië een relatie gelegd tussen
dit soort klachten en brandmuizen (Apodemus agrarius). Tijdens de
Tweede Wereldoorlog zijn in Scandinavië soldaten met een mild
HFRS-achtig beeld beschreven.
Tijdens de Koreaanse oorlog in de jaren ’50 werden duizenden
gevallen van Korean hemorrhagic fever beschreven onder soldaten en
burgers. In 1976 zijn antigenen aangetoond bij brand- en grote
bosmuizen (Apodemus flavicollis) die bij de Hantaanrivier werden
gevangen. In 1981 werd het mogelijk dit hantaanvirus te kweken in
celcultuur.
Het Dobravavirus, iets afwijkend van het hantaanvirus, werd later
als veroorzaker van een ernstig verlopende HFRS in delen van de
Balkan herkend.
In 1980 is in Scandinavië de veroorzaker van NE, het puumalavirus
ontdekt, een milder verlopende vorm van HFRS. Eveneens in 1980 is
in Seoul de veroorzaker van HFRS in steden ontdekt, het Seoulvirus.
In 1993 was er in het zuidwesten van Amerika een uitbraak van
ernstig verlopende luchtweginfecties onder jongvolwassenen, HPS
genoemd. Het veroorzakende virus kreeg de naam Sin Nombre-virus.
HPS komt inmiddels veelvuldig in Canada, Noord- en Zuid-Amerika
voor.
2.1 Verwekker
Hantavirus, een RNA-virus, behoort tot de familie Bunyaviridae. Er zijn meer dan 40 antigene serotypen bekend, verdeeld over drie subfamilies, waarbij elke subfamilie gerelateerd is aan een bepaalde fylogenetisch verwante groep knaagdieren. Voor elk serotype zijn één of meerdere specifieke soorten knaagdieren als gastheer bekend. Niet alle serotypen zijn pathogeen voor de mens (zie tabel hieronder voor de meest relevante, voor de mens pathogene hantavirussen).
Tabel: Overzicht van enkele voor de mens meest relevante hantavirustypen
|
Subfamilie
|
Bekende gastheer
|
Ziektebeeld
|
Geografische verspreiding gastheer
|
|---|---|---|---|
|
Hantaan-achtigen
Dobrova
Saarema
Seoul
|
brandmuis (oostelijke variant) (Apodemus agrarius)
|
HFRS
HFRS
HFRS
HFRS |
Azië, Oostelijk Rusland
Balkan, Zuidoostelijk Europa
Balkan, Zuidoostelijk Europa
Wereldwijd |
|
Puumala-achtigen
|
rosse woelmuis (Myodes glareolus)
|
NE/HFRS
|
(Noordelijk) Europa
|
|
Sin Nombre-achtigen
|
hertmuis (Peromyscus maniculatus), ‘cotton rat’ (Sigmodon
hispidus), ‘rijstrat’ (Oryzomys palustris)
|
HPS
HPS |
Noord-Amerika, Canada
Zuid-Amerika |
2.2 Pathogenese
Na besmetting via aerosolen dringt het virus via waarschijnlijk specifieke receptoren de endotheelcel binnen en vermenigvuldigt zich daar. Via de bloedbaan verspreidt het virus zich. Virus-antigeen is aan te tonen in endotheelcellen door het gehele lichaam waarbij de hoogste concentratie virus zich voordoet in long- en nierweefsel. Specifieke antilichamen zijn aantoonbaar zodra de eerste symptomen ontstaan. Het ernstige ziektebeeld wordt veroorzaakt doordat vaatwanden beschadigd raken door enerzijds de invasie van virus in endotheelcellen en anderzijds door immunopathologische mechanismen. Waarschijnlijk draagt een hoge activiteit van cytokineproducerende cellen bij tot de schade aan nieren en longen. (Hey99, Zuck99) Bij overleden patiënten is het virus met name aan te tonen in longendotheelcellen (HPS) of in nierendotheel (HFRS).
2.3 Incubatietijd
Enkele dagen tot twee jaar, maar meestal twee tot drie weken. (Hey99, Zuck99)
2.4 Ziekteverschijnselen
De symptomen na infectie met het hantavirus in de diverse werelddelen verschillen in de eerste fase niet van elkaar. Na de incubatieperiode ontstaat acuut koorts, hoofdpijn en malaise, na drie à vier dagen gevolgd door misselijkheid, braken en pijn in buik en lage rug (toxische fase).
Naar gelang de ernst van de klachten kan in
een klinisch waarneembare acute fase vaak niet worden gewerkt.
Daarnaast kan sprake zijn van een verminderde toxische
belastbaarheid (verminderde nierfunctie).
Werknemers kunnen geen risicovormer zijn vanuit
arbeidsgezondheidskundig oogpunt.
2.4.1 Nefritis (NE)
Er zijn aanwijzingen dat 90% van de infecties met puumalavirus
asymptomatisch verlopen.
De in (Noord-) Europa voorkomende NE-vorm leidt zelden tot
bloedingen en leidt in minder dan 1% van de klinische gevallen tot
de dood; hemodialyse is zelden geïndiceerd. Het karakteristieke
klinische beeld bij presentatie bestaat uit algemene malaise en
koorts in combinatie met matige proteïnurie, oligurie, een
toenemende nierinsufficiëntie en hevige pijn in de nierloges. De
pijn wordt veroorzaakt door een zwelling van de nieren binnen hun
kapsel als gevolg van een interstitiële ontsteking met oedeem. Op
grond van deze verschijnselen kan men, in afwachting van de
resultaten van serologisch onderzoek, de diagnose vermoeden en kan
de patiënt gerustgesteld worden omdat het spontane herstel zich
binnen een paar dagen zal inzetten. Een enkele keer is
encephalomyelitis beschreven. (Krau03) De meeste patiënten
herstellen symptoomloos binnen enkele weken.
2.4.2 Hemorrhagische koorts (HFRS)
Bij de hantavirusvarianten in Europa en Azië kan ongeveer één
week na de eerste ziektedag een ernstige nierinsufficiëntie
ontstaan met oligurie (kleine urineproductie)en proteïnurie (eiwit
in de urine)en kans op pulmonaal oedeem en cerebrovasculaire
accidenten. Soms zijn er conjunctivale bloedingen en petechiae over
de romp en op palatum.
De case fatality rate varieert (in Azië groter dan in Europa) maar
is kleiner dan 10%. De overige patiënten genezen symptoomloos.
2.4.3 Longsyndroom (HPS)
Hantavirusinfecties in Amerika leiden na de eerste ziektefase (ongeveer één week na de eerste ziektedag) tot tachypneu, tachycardie en hypotensie, gevolgd door een adult respiratory distress syndrome, ARDS, met pulmonaal oedeem en hartfalen (hanta pulmonary sydrome, HPS). Als patiënten niet in dit stadium overlijden, bestaat de behandeling in het ziekenhuis uit symptoombestrijding en ondersteuning van vitale functies. De mortaliteit is circa 50%, de overige patiënten genezen meestal symptoomloos. (Hey99, Zuck99)
2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop
Er zijn geen specifieke groepen bekend die een ernstiger beloop kennen.
2.6 Immuniteit
Er zijn aanwijzingen dat immuniteit serotypespecifiek is en levenslang blijft bestaan. (Hey99)
3.1 Microbiologische diagnostiek
Isolatie van het hantavirus bij de mens is erg moeilijk en wordt dus ook niet gebruikt bij het vaststellen van een diagnose.
3.2 Overige diagnostiek
Bij 50-75% van de NE-patiënten is tien dagen na het begin van de
ziekte de IgM Elisa-serumtest positief. Een titerstijging van
IgG-antistoffen of het aantonen van (veel) IgM-antistoffen is
bewijzend voor een infectie in het acute stadium. Voor elk serotype
hantavirus bestaan specifieke testen.
Met de immunofluorescentietest kunnen virusspecifieke antilichamen
worden aangetoond, maar deze test vertoont nogal eens
vals-positieve uitslagen.
Door middel van PCR is het mogelijk om te zoeken naar specifiek
nucleïnezuur van het hantavirus. In principe is elk weefselbiopt
(met name dat van longen en nieren) geschikt voor direct onderzoek
bij zowel patiënten als het gastheer-knaagdier. (Hey99, Zuck99)
Diagnostiek kan worden verricht door het virologisch laboratorium van het Erasmus MC of het RIVM.
4.1 Reservoir
Wereldwijd zijn knaagdieren de dragers en verspreiders van
hantavirussen zonder dat ze er zelf ziek van worden. Horizontale
besmetting tussen de knaagdieren vindt plaats door krabben, bijten
en aerosolen. Via urine, feces en mogelijk speeksel wordt het virus
door de dieren uitgescheiden en kan de mens besmet raken. Besmette
knaagdieren scheiden het virus gedurende vele maanden uit. Met name
als de lokale knaagdierpopulatie groot is doen zich ziektegevallen
onder mensen voor.
Elk serotype hantavirus lijkt gebonden te zijn aan een of enkele
knaagdiersoorten. Zo is de ook in Nederland veel voorkomende rosse
woelmuis (Myodes glareolus) de drager van het
puumalavirus. De rosse woelmuis komt in beboste gebieden voor en
huist onder andere in heggen. In het najaar en de winter neemt het
aantal woelmuizen toe en komt de muis ook in tuinen en schuren van
huizen die dichtbij bossen of parken zijn gelegen. De kans op
besmetting van mensen neemt hierdoor toe. Onderzoek in de Ardennen
wees uit dat hantaviruspatiënten vaker (ongewenste) knaagdieren in
huis hadden dan een controlegroep zonder ziekte; dit suggereert dat
contact met knaagdieren op korte afstand een risicofactor is.
(Crow99)
Op de Balkan en in Oost-Europa zijn de grote bosmuis (Apodemus
flavicollis) en brandmuis (Apodemus
agrarius) dragers van respectievelijk het Dobrovavirus en
Saaremavirus.
In Azië is de op het platteland verblijvende brandmuis
(Apodemus agrarius)drager van het hantaanvirus en in
Amerika zorgt de hertmuis (Peromyscus maniculatus) in de
landelijke gebieden voor verspreiding van het Sin Nombre-Virus.
Overdracht in urbane gebieden is alleen in Azië beschreven waarbij
de (bruine en zwarte) rat (Rattus norvegicusen R.
rattus) het virus verspreiden.
Onduidelijk is nog waarom de verschillende serotypen zich niet
verspreiden over de wereld, zoals knaagdieren bijvoorbeeld via
schepen doen.
Verder zijn over de gehele wereld bij verschillende soorten knaagdieren nog hantavirussen ontdekt die voor de mens niet schadelijk zijn, zoals het Leakyvirus bij de huismuis (Mus musculus).
4.2 Besmettingsweg
Besmetting vindt plaats door inhalatie van aerosolen van feces en urine van besmette knaagdieren. Aerosolen ontstaan onder andere door schoonmaakwerkzaamheden (met stoffer en blik muizenkeutels opvegen!) of het ventileren van een voordien afgesloten ruimte (zomerhuis, schuur, zolder) waardoor virusdeeltjes in stof, opgedroogde feces of nestmateriaal opwaaien.
Mogelijk kan besmetting ook plaatsvinden na bijtaccidenten met besmette knaagdieren, aanraking van besmette producten waarna contact is met neus en/of mond, en na het eten van door knaagdieren besmet voedsel.
In Argentinië en Chili zijn publicaties over mogelijke nosocomiale uitbraken beschreven maar een overdracht van mens op mens is nooit bewezen. (Hey99)
4.3 Besmettelijke periode
Knaagdieren kunnen maandenlang drager zijn.
4.4 Besmettelijkheid
De geïnfecteerde mens is waarschijnlijk eindgastheer en dus niet besmettelijk voor anderen. Hoe lang het virus buiten het gastheer-knaagdier infectieus blijft hangt af van de omgevingscondities. Een periode tot 15 dagen is beschreven voor muizennesten bij kamertemperatuur.
Algemeen: om aerosolvormingte voorkomen nooit starten met droog afnemen, er moet altijd nat gereinigd worden.
Desinfectie: Standaardmethoden
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken |
2.1.2 (CDC adviseert 10% bleekoplossing) |
|
Instrumenten (niet huid-of slijmvliesdoorborend) |
Niet van toepassing |
|
Instrumenten (wel huid-of slijmvliesdoorborend) |
Niet van toepassing |
|
Textiel |
2.3.2 |
|
Intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Handen |
2.4.3, handreiniging |
6.1 Risicogroepen
Mensen die beroepsmatig in bosrijke
gebieden werken zoals landbouwers en boswachters en
laboratoriummedewerkers die met knaagdieren werken, hebben kans op
blootstelling aan het hantavirus. Dit geldt eveneens voor
medewerkers van plaagdierenbestrijdingsdiensten en dierentuinen,
militairen, dierenhandelaren en veevervoerders.
Voor een uitgebreide lijst van relevante beroepen, zie:
www.kiza.nl.
Daarnaast lopen kampeerders meer risico om in contact te komen met besmette knaagdieren en/of besmette excreta.
6.2 Verspreiding in de wereld
Naar schatting worden wereldwijd jaarlijks 60.000-150.000 mensen
met hantavirusinfectie in het ziekenhuis opgenomen.
In Europa komt hantavirusinfectie (NE) vooral voor in de
noordelijke landen. In Zweden waren er in 1998 bijna 600
serologisch bevestigde nieuwe NE-patiënten, in Finland worden
jaarlijks ongeveer 1000 patiënten met NE gemeld. Joegoslavië,
Frankrijk, België en Duitsland hebben tot op heden samen enkele
duizenden gevallen van HFRS/NE geregistreerd. In verschillende
landen zijn onderzoeken gedaan naar de seroprevalentie van
hantavirussen onder de bevolking; de prevalentie varieerde van 8%
(Zweden) en 6% (Finland) tot 1,7% (Duitsland), 1,6% (België) en
<1% (Frankrijk).In België werden in 1995/96 ruim 200 humane
cases van NE gediagnosticeerd. (Hey99) Sinds 2005 is er een
verheffing van het aantal humane gevallen in delen van Duitsland,
Luxemburg, Frankrijk, Slovenië en België. Een uitbreiding van de
endemische gebieden is waargenomen in België, Frankrijk, Nederland
en Duitsland waarbij in Duitsland ook urbane gebieden endemisch
geworden zijn.
In Noord-Amerika zijn sinds de ontdekking in 1993 bijna 400
gevallen van HPS gevonden, in Canada bijna 100 en in heel Midden-
en Zuid-Amerika ongeveer 1500.
In alle landen lijkt een toename van de knaagdierpopulatie overeen
te komen met een toename van het aantal patiënten.
6.3 Voorkomen in Nederland
Uit onderzoek in 1995 bleek 0,4% van de boeren hantavirus-specifieke antistoffen in hun bloed te hebben. (Gro95b) Er is een relatie tussen bosrijke landelijke omgeving en seropositiviteit.
Voor Nederland en de ons omringende landen lijkt alleen het
puumalavirus van belang te zijn, waarbij ook de in Nederland
algemeen voorkomende rosse woelmuis als gastheer dient. In 1984
werd voor het eerst melding gedaan van een ziektegeval van
hantavirus in Nederland onder laboratoriumpersoneel dat met
knaagdieren werkte. Sindsdien zijn sporadische gevallen beschreven
van hantavirusinfecties bij patiënten die in de buitenlucht
werkten, en dan nog met name in Zuid- en Oost-Nederland. (Jor91)
In 2004 werd bij een jonge man in Noord-Nederland
hantavirusinfectie met het puumalatype vastgesteld, terwijl geen
relatie met rosse woelmuizen kon worden gelegd. Hoewel in de woning
van de patiënt veel (huis-)muizen voorkwamen,kon geen bron voor
deze infectie worden gevonden. In 2005 werd een hantavirusinfectie
vastgesteld bij een 11-jarig meisje uit Brabant; ook hier werd geen
bron voor de infectie gevonden.
De incidentie van hantavirusinfectie ten
gevolge van beroepsmatige blootstelling is onbekend.
De behandeling is gericht op de bestrijding van de symptomen. Dialyse is vaak nodig bij HFRS, zelden bij NE.
8.1 Immunisatie
Er bestaat geen vaccin.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
De beste manier om besmetting te voorkomen is het mijden van
contact met knaagdieren, hun nesten en uitwerpselen. Dit geldt
zowel binnenshuis als buiten (bijvoorbeeld tijdens het kamperen).
Om te voorkomen dat knaagdieren woningen binnen komen dienen gaten
gedicht te worden en voedsel in goed afgesloten ruimten bewaard te
worden. Afval dient in afgesloten containers bewaard te worden.
Om aerosolvorming te voorkomen mogen uitwerpselen, urine en
nestmateriaal van de gastheren niet worden opgeveegd maar moeten
’nat’ verwijderd worden. Bij het schoonmaken van een mogelijk
besmette ruimte en/of bij het vangen en/of verzamelen van dierlijk
materiaal voor onderzoek (door de ongediertebestrijdingdienst)
dienen rubberhandschoenen, overall, schoenhoezen en een
mond-neusmasker (<5 micron, FFP2) gedragen te worden.
(Ols03)
Werkgevers moeten hantavirusinfectie
standaard als mogelijk risico in iedere Risico-inventarisatie en
–evaluatie (RI&E) meenemen bij werkzaamheden van een
risicoloper.
Maatregelen om blootstelling in werksituaties te voorkomen zijn onder andere:
het bestrijden van muizen;
voorlichting over de mogelijkheid van optreden van dit risico (ook bij reizigers naar risicogebieden);
vermijden van stofvormende activiteiten bij alle werkzaamheden. Indien stofvorming niet is te vermijden, dient een FFP2-mondneusmasker te worden gebruikt.
hygiënisch werken;
vermijden van hand-mondcontact;
bij schoonmaken van risicoplaatsen eerst desinfecteren, bevochtigen en vegen. Opzuigen met stofzuiger zonder adequate uitblaasfiltervoorziening dient vermeden te worden.
Medewerkers van laboratoria die met materialen werken die
mogelijk hantavirus bevatten, dienen beschermende maatregelen te
nemen. Hantavirussen vallen afhankelijk van het type in
risicoklasse 2 (puumalavirus, Prospect Hillvirus en andere
hantavirussen) of 3 (hantaan (Koreaanse hemorragische koorts),
Seoulvirus) van de biologische agentia.
Laboratoriummedewerkers die kunnen worden blootgesteld, moeten
beheersmaatregelen nemen die behoren bij beheersingsniveau 2 of 3.
Deze maatregelen zijn beschreven in bijlage V van Europese
richtlijn 2000/54/EG L 262/21
(http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/oj/2000/l_262/l_26220001017nl00210045.pdf).
9.1 Bronopsporing
Bij een bewezen humaan geval is bronopsporing zinvol, met name
indien besmetting binnenshuis heeft plaatsgevonden. Reiniging van
de ruimte kan voorkomen dat anderen ziek worden.
9.2 Contactonderzoek
Niet nodig: 90% van de puumala-infecties verloopt mogelijk
asymptomatisch. Therapeutisch of profylactisch heeft vroege
opsporing geen consequenties.
9.3 Maatregelen ten aanzien van de patiënt en contacten
Omdat er geen mens-op-mensoverdracht mogelijk is, hoeft de patiënt of zijn omgeving geen maatregelen te treffen om overdracht te voorkomen. Wel dient nagegaan te worden of de omgeving ook bloot kan staan aan dezelfde bron van besmetting. Zo mogelijk dient de bron bestreden te worden (zie ook 10.2).
9.4 Profylaxe
Er bestaan geen profylactische medicijnen.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Niet van toepassing.
10.1 Meldingsplicht
Hantavirose is een meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium en de arts melden een geval van hantavirose binnen een werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.
Meldingcriteria:
Een persoon met tenminste één van de volgende symptomen:
koorts
nierfunctiestoornis
trombocytopenie
In combinatie met tenminste één van de volgende laboratoriumcriteria:
aantonen van hantavirus
significante titerstijging IgG
hoge IgM-of IgA-titer
Indien de ziekte (waarschijnlijk) is
opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet de casus door een
geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld bij het Nederlands
Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). (www.beroepsziekten.nl/)
10.2 Inschakelen andere instanties
Omdat het een zoönose betreft kan contact worden opgenomen met de veterinair inspecteur van de Voedsel en Waren Autoriteit.
Om knaagdieren te kunnen bestrijden zal de hulp van de
ongediertebestrijdingdienst ingeroepen moeten worden.
Om zorgvuldig onderzoek van zowel patiëntenmateriaal als dierlijk
materiaal te kunnen verrichten zal een beroep op het serologisch
laboratorium van het Erasmus MC of het RIVM kunnen worden
gedaan.
10.3 Andere protocollen en richtlijnen
De CDC heeft uitgebreid, op HPS gericht voorlichtingsmateriaal op de website staan.
CDC “All about Hantaviruses”, http://www.cdc.gov/ncidod/diseases/hanta/hps/index.htm
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal
Geen. Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft op de website een folder ‘Hantavirose’ staan (http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/plabnl/info_hanta.htm).
Informatie over infectieziekten in de werkomgeving is te vinden via www.KIZA.nl
10.5 Literatuur
Crowcroft NS, et al. Risk factors for human hantavirus infection: Franco-Belgian collaborative case-control study during 1995-6 epidemic. BMJ 1999;318(7200):1737-8.
Gershon AA, Hotez PJ, Katz, S. Krugman’s Infectious diseases of children. 11th edition: 2003.
Groen J, Osterhaus ADME. Hantavirus infections in Europe. Ned Tijdsch Med Microb 1995;4:70-74.
Groen J, et al. Hantavirus infections in The Netherlands: epidemiology and disease. Epidemiology and Infection 1995;114(2):373-383.
Heyman P, et al. A major outbreak of hantavirus infection in Belgium in 1995 and 1996. Epidemiology and Infection 1999;122:447-453.
Jordans JGM, et al. Hantavirusinfecties in Twente. Ned Tijdschr Geneesk 1991;135:796-798.
Jordans JGM, et al. Infectie met het Hantavirus, een te weinig herkende oorzaak van acute nierinsufficientie. Ned Tijdschr Geneesk 1991;135:791-793.
Krause R, et al. Puumala Virus infection with acute disseminated encephalomyelitis and multiorgan failure. Emerg Infect Dis 2003;9(5):603-605.
Lahaije JJM, et al. Wederom een geval van Hantavirusinfectie in Nederland. Ned Tijdschr Geneesk 1989;133:1990-2.
Olsson GE, et al. Human hantavirus infections, Sweden. Emerg Infect Dis [serial online] 2003 Nov [date cited].
Available from: URL: http://www.cdc.gov/ncidod/EID/vol9no11/03-0275.htm.
Zuckerman AJ, Jangu E, Banatvala J, Pattison JR. Principles and practice of clinical Virology. 4th edition. John Wiley & Sons, 1999.
LCI/Gr juli 2006, laatst gewijzigd oktober 2009.
Dit symbool markeert de alinea’s met
arbeidsrelevante informatie over infectieziekten.