U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Influenza
Februari 2012
Influenza is een infectieuze aandoening van de luchtwegen,
veroorzaakt door één van de drie typen influenzavirussen A, B en C.
[Nich03] Hoewel type C-influenzavirussen bij mensen ziekte kunnen
veroorzaken, komt dit dusdanig weinig voor en is dit dusdanig mild
dat dit type in deze richtlijn verder buiten beschouwing gelaten
wordt. Type A-influenzavirussen zijn van oorsprong
(water)vogelinfluenzavirussen (bekend onder de naam ‘aviaire
influenzavirussen’), die een belangrijke bron zijn voor
influenzavirussen die een influenzapandemie kunnen veroorzaken.
Overdracht van influenzavirussen verloopt bij de mens via de
respiratoire route en indirect contact. De infectie kan
asymptomatisch tot dodelijk verlopen. Geschat wordt dat epidemieën
van seizoensinfluenza wereldwijd jaarlijks in 3 tot 5 miljoen
gevallen tot ernstige ziekte leiden en dat ongeveer 250.000 tot
500.000 mensen overlijden. [WHO09a]
Influenza treedt epidemisch op in de wintermaanden; buiten deze
periode wordt het influenzavirus zelden aangetoond. Als het toch
aangetoond wordt dan is het vaak als gevolg van oplopen van een
infectie tijdens verblijf in de wintermaanden van het zuidelijk
halfrond of Zuidoost-Azië (mei - oktober). Epidemieën worden
dikwijls veroorzaakt door nieuwe virusvarianten die ontstaan door
antigene drift, waartegen de immuniteit die opgewekt is door
infectie of vaccinatie in een eerder seizoen, onvoldoende
bescherming geeft. Dit is ook de reden dat bijna elk jaar één of
meer componenten van het influenzavaccin aan de huidige
circulerende influenzavirussen aangepast moeten worden. Op
onvoorspelbare momenten kunnen aviaire influenzavirussen of
varkensinfluenzavirussen met een sterk afwijkende antigeenstructuur
de menselijke populatie binnendringen (antigene shift), het oude
subtype verdringen en een pandemie veroorzaken. De afgelopen eeuw
heeft zich dit verschijnsel driemaal voorgedaan, namelijk in 1918
(50-100 miljoen dodelijke slachtoffers), 1957 (1-2 miljoen
dodelijke slachtoffers) en 1968 (1 miljoen dodelijke slachtoffers).
In 2009 heeft zich een pandemie voorgedaan veroorzaakt door een
varkensinfluenzavirus, waarvan de wereldwijde balans aan dodelijke
slachtoffers nog opgemaakt moet worden. [Hahn09, Koop09, WHO09b]
In de afgelopen 15 jaren heeft zich enkele malen een gelegenheid
voorgedaan voor het ontstaan van een potentieel-pandemisch
influenzavirus uit aviaire influenzavirussen. Sinds 1997 is er
circulatie van hoogpathogeen A(H5N1)-aviair influenzavirus onder
wilde vogels, met uitbraken in pluimveebedrijven in vooral
Zuidoost-Azië. [Neum10] Sindsdien worden daar ook regelmatig mensen
– die vaak in de directe nabijheid van pluimvee leven en werken –
geïnfecteerd met het A(H5N1)-influenzavirus, met in circa 60% van
laboratoriumbevestigde gevallen een dodelijke afloop. Het
A(H5N1)-virus wordt echter nog niet efficiënt van mens op mens
overgedragen, waardoor het nog niet tot epidemische of pandemische
verspreiding is gekomen. Een andere gelegenheid deed zich voor in
Nederland in 2003 tijdens de uitbraak van A(H7N7)-aviaire influenza
in de Gelderse Vallei waarbij 89 mensen met zekerheid werden
geïnfecteerd, in één geval met dodelijk afloop, en waarbij beperkte
transmissie naar familieleden werd gevonden. [DuRy05, Fouc04,
Koop04] Dit resulteerde door effectief ingrijpen niet in verdere
verspreiding. [Bosm04]
Naar boven
Influenza wordt veroorzaakt door type A-, B- of
C-influenzavirussen. Aviaire influenzavirussen worden beschouwd als
de bron van de type A-influenzavirussen die bij bepaalde zoogdieren
(mens, paard, varken) regelmatig worden geïsoleerd. In deze
zoogdieren handhaven zij zich om na kortere of langere tijd te
worden vervangen door de introductie uit de vogelwereld van een
type A-influenzavirus dat behoort tot een ander subtype. Directe
transmissie van varken naar mens is ook mogelijk. [Koop09] Type
B-influenzavirussen komen, uitzonderingen daargelaten, alleen bij
de mens voor. De type A- en B-influenzavirussen behoren tot de
RNA-virusfamilie Orthomyxoviridae. Het virus-RNA is aanwezig in de
vorm van 8 gensegmenten die coderen voor minstens 11 eiwitten. Het
meest belangrijk voor de volksgezondheid zijn het hemagglutinine
(H), het neuraminidase (N) en het M2-ionkanaaleiwit. Er zijn 16
H-subtypen en 9 N-subtypen van het type A-influenzavirus. Het
subtype H1N1 circuleerde van 1918 t/m 1956 en van 1977 tot 2009,
H2N2 van 1957 t/m 1968 en H3N2 van 1968 tot heden. In 2009
verscheen een nieuwe H1N1-variant die de eerste influenzapandemie
in de 21 eeuw veroorzaakte, maar die wel overeenkomsten vertoont
met het H1N1-virus van vóór 1957. [Koop09] Door zoönotische
overdracht kunnen aviaire influenzavirussen waaronder A(H5N1) en
A(H7N7) infecties veroorzaken bij de mens. [Neum10, Fouc04, Koop04]
Van het influenza B-virus bestaan er twee zogenaamde ‘lineages’ die
antigeen verschillend zijn: de Victoria/2/87-lineage en de
Yamagata/16/88-lineage. [Lin04] Vervanging van het ene door het
andere subtype van het type A-influenzavirus vanuit de vogelwereld,
waarbij het H en soms ook het N sprongsgewijze verandert, heet
antigene shift en gaat per definitie gepaard met een
influenzapandemie. Tussen de pandemieën in ondergaan H en N
frequent kleine cumulatieve antigene veranderingen. Binnen één tot
vijf jaar ontstaat daardoor telkens weer een nieuwe antigene
virusvariant. Dit verschijnsel van de zogenaamde antigene drift is,
evenals de antigene shift, typisch voor het influenzavirus en komt
ook bij het type B-influenzavirus voor.
De porte d’entrée van humane influenzavirussen wordt gevormd
door slijmvliezen van de luchtwegen en incidenteel de conjunctiva.
[Kuik08, Koop04] Het virus hecht zich via speciale receptoren aan
de cellen van het respiratoire epitheel van neus, farynx, larynx,
trachea en bronchiën, penetreert deze en repliceert zich in deze
cellen. De besmette cellen kunnen veel virusdeeltjes produceren,
maar zullen uiteindelijk sterven. Dit leidt tot beschadiging van
(delen van) het respiratoir epitheel, vooral het trilhaarepitheel.
Aspecifieke lichaamsafweer treedt onmiddellijk op door onder andere
geïnfecteerde cellen te vernietigen. Enkele dagen na besmetting
komt ook de specifieke afweer op gang. Zowel de aspecifieke als
specifieke afweer dragen niet alleen bij aan de bestrijding van de
infectie, maar ook substantieel aan het klinisch beeld influenza.
Asymptomatische infectie kan voorkomen. In het algemeen is het
virus, afhankelijk van het type en subtype, ongeveer 5 tot 9 dagen
na het begin van symptomen uit het lichaam geëlimineerd. [Bacc06,
Liao09] Soms kunnen ook de cellen van de pulmonaire alveoli besmet
raken, met primaire virale pneumonie als gevolg. [Kuik08] Bepaalde
commensale bacteriën (Haemophilus influenzae, pneumokokken,
Staphylococcus aureus) kunnen van de celbeschadigingen, vooral van
het verlies van de trilhaarfunctie, gebruikmaken en een secundaire
bacteriële infectie veroorzaken, bijvoorbeeld otitis media,
sinusitis en bacteriële pneumonie. [Brun06] Dergelijke secundaire
bacteriële infecties zijn een belangrijke oorzaak van mortaliteit
na een influenzavirusinfectie. [Brun06]
De incubatieperiode is 1 tot 5 dagen (meestal 3-4 dagen). [Liao09]
Afhankelijk van het type virus kunnen de ziekteverschijnselen verschillen. De presentatie van patiënten geïnfecteerd met het A(H5N1)-virus verschilt van dat van de seizoensinfluenzavirussen, met name door minder bovensteluchtwegsymptomen en vaker gastro-intestinale symptomen, terwijl het A(H1N1)pdm09-virus een vergelijkbare klinische presentatie heeft als seizoensinfluenzavirussen. [Eccl05, Hui08, Mont00, Ong09] Bij seizoensinfluenza verloopt de infectie subklinisch in ongeveer één derde van de gevallen, vooral bij volwassenen met (partiële) immuniteit. [Carr08] Wordt de ziekte symptomatisch, dan ontwikkelt zich meestal het zogenaamde influenza-achtige ziektebeeld [Euro08]: de trias van (i.) acuut begin, (ii.) hoesten, neusverkoudheid, niezen, pijn achter het borstbeen, zere keel en (iii.) koorts tot 39oC of hoger, artralgie, hoofdpijn, koude rillingen, malaise, moeheid en myalgie. Bij kwetsbare ouderen kunnen de verschijnselen aanzienlijk minder ‘kenmerkend’ zijn. Bij voorheen gezonde kinderen en jonge volwassenen is ongecompliceerde influenza vrijwel altijd zelfbeperkend en treedt, na daling van de lichaamstemperatuur gedurende 2 tot 6 dagen, binnen 1 tot 3 weken volledig herstel op. De belangrijkste en meest voorkomende complicaties zijn secundaire bacteriële infecties, vooral otitis media en pneumonie, acute bronchitis, myocarditis en primaire virale pneumonie. [Kuik08] In een analyse van morbiditeit en mortaliteit door influenza onder personen ouder dan 65 jaar in Frankrijk over de periode 1984-2004, werd de case fatality rate geschat op 0.53 tot 3.10%, gemiddeld 1.43% voor A(H3N2), 1.36% voor A(H1N1)pdm09 en 1.38% voor influenzavirus type B. [Deno07]
[A] Na het verdwijnen van de klinische klachten kan het werk over het algemeen geleidelijk worden opgepakt. Het kan echter nog enige tijd duren voordat iemand weer helemaal fit is. Daarbij kan gedacht worden aan beperkingen ten aanzien van geheugen, concentratie en energie. In geval van comorbiditeit, bijvoorbeeld bij hart- en longziekten, kan er sprake zijn van een langere herstelperiode en een hogere gevoeligheid voor complicaties.
Volgens CBS-gegevens over de jaren 1998-2007 overlijden in
Nederland tijdens een gemiddelde winterepidemie gemiddeld 189
(range 68 – 369) personen direct of indirect aan influenza. Dit is
echter een onderschatting van de sterfte waarbij influenza een rol
speelt, omdat de doodsoorzakenstatistiek van het CBS en ook die van
andere landen vaak de onderliggende doodsoorzaak (bijvoorbeeld een
chronische hartaandoening) registreert en niet de directe
doodsoorzaak (bijvoorbeeld influenza). Sterfte vindt bijna
uitsluitend plaats binnen de zogenaamde influenzarisicogroep:
ouderen (circa 90% van de sterfgevallen is 65 jaar of ouder) en
personen met een chronisch lijden (bijvoorbeeld diabetes mellitus,
hart- en longaandoeningen) waar de influenzavirusinfectie een
exacerbatie van de onderliggende aandoening kan veroorzaken
(bijvoorbeeld astma-aanval, cystic fibrosis, decompensatio cordis,
diabetisch coma en exacerbatie van COPD). Ook zuigelingen hebben
een grotere kans op een ernstig beloop.
Vooral bij pandemieën, maar ook tijdens epidemieën, is er bovendien
een hoge mortaliteit onder zwangere vrouwen, terwijl bij de Spaanse
griepepidemie van 1918 om onbekende redenen vooral veel
jongvolwassenen en relatief weinig ouderen stierven. [Laib05,
More07] Ook tijdens de A(H1N1)pdm09-pandemie was de mortaliteit
hoog onder zwangeren, jonge kinderen en jongvolwassenen met een
onderliggend lijden [Loui09], terwijl er relatief weinig ouderen
stierven. [Hewa10 Loui09] [A] Zwangeren in het derde trimester
lopen een verhoogd risico, zeker als er sprake is van
comorbiditeit.1,2
De infectie wordt direct bestreden door aspecifieke
afweermechanismen, later ondersteund door de specifieke (cellulaire
en humorale) afweer. [Cox04, Tamu04] Neutraliserende antistoffen
bereiken bij primaire infectie gewoonlijk in 4 weken een maximale
titer, na herinfectie eerder. De gevormde immuniteit kan gedurende
circa 5 jaar herbesmetting met hetzelfde virus voorkomen, maar
nieuwe virusvarianten – ontstaan door antigene drift – omzeilen
binnen 1 tot 5 jaar de eerder opgebouwde specifieke afweer. Het is
echter wel zo dat de dan bestaande partiële kruisimmuniteit de
ziekteverschijnselen aanzienlijk vermindert. Pasgeborenen zijn door
maternale antistoffen (ook in de moedermelk) beschermd indien nog
geen of beperkte antigene drift of shift is opgetreden. [Puck80,
Reum87, Zama08]
Naar boven
Diverse technieken worden toegepast voor de microbiologisch
diagnostiek van een influenzavirusinfectie. [Dwye06]
Directe detectie van viruscomponenten, met name door middel van
polymerase-chain-reaction (PCR), maar ook door detectie van
antigeen, is superieur ten opzichte van normale viruskweek en
serologie vanwege de snelheid en de gevoeligheiddie nodig is voor
adequaat instellen van therapie en mogelijk isolatie van de patiënt
om transmissie te voorkomen, of voor adequate evaluatie van genomen
maatregelen op grond van klinische diagnose. [Allw02, Dwye06]
Detectie van het virus (met afnemende gevoeligheid) kan gedaan
worden met (real-time) reverse-transcriptie (RT)-PCR voor detectie
van viraal RNA, snelkweek gecombineerd met antigeendetectie of
detectie van antigeen in een uitstrijk met immunofluorescentie,
normale kweek en sneltesten voor detectie van antigeen. [Dwye06]
Uiteraard dient voor een optimale detectie van het virus
onafhankelijk van de techniek de monsterafname – een neuswat en/of
keelwat en/of een neus-keelspoelsel – op de juiste wijze plaats te
vinden en binnen 4 dagen na begin van symptomen. [Dwye06, Foo09]
De antigeensneltesten zijn zeer variabel in gevoeligheid: 70%
(59–93%), afhankelijk van testkit, leeftijd van de patiënt,
oorzakelijk type en subtype van het virus en training van de
uitvoerder, zodat deze eigenlijk niet geschikt zijn voor
individuele diagnostiek van een patiënt zonder aanvullende
laboratoriumdiagnostiek. [Foo09, Ganz10, Gino09, Hurt09, Tayl09,
WHO05] Dit type test is wel geschikt voor bijvoorbeeld een snelle
triage en analyse van een uitbraak op locatie. Afhankelijk van de
gevoeligheid van een dergelijke test wordt dan bijvoorbeeld
aangenomen dat bij een positieve uitslag bij 3 van een groep van 10
zieke personen met dezelfde symptomen, de gehele groep geïnfecteerd
is. Het aantal monsters dat bij een uitbraak getest moet worden om
één positief resultaat te krijgen is sterk afhankelijk van de
specificiteit en de gevoeligheid van de gebruikte test en de
prevalentie van influenzavirusinfecties in de algemene bevolking.
De antigeensneltest heeft bij kinderen een hogere sensitiviteit
doordat virustiters hoger zijn en langer aanhouden dan bij
volwassenen. Hier kan gebruik van gemaakt worden bij triage en
implementatie van isolatiemaatregelen.
Detectie van antistoffen voor de laboratoriumdiagnose van influenza
is van weinig betekenis voor de individuele patiëntenzorg, omdat
een gepaard serum met 2-3 weken tussentijd nodig is voor een
betrouwbare diagnose, terwijl bij een natuurlijk beloop van de
infectie op het tijdstip van afname van het tweede monster de
patiënt doorgaans al genezen is. [Allw02, Dwye06] Een behandeling
met antivirale middelen moet binnen 48 uur gestart zijn om
effectief te kunnen zijn. Serologie is met name geschikt voor
populatiestudies waar het belang van diagnostiek voor de
individuele patiënt niet voorop staat, bijvoorbeeld
sero-epidemiologische analyse van uitbraken en onderzoek naar de
immunogeniciteit van een influenzavaccin. De methoden die het meest
gebruikt worden zijn de klassieke hemagglutinatieremmingsreactie en
de (micro)neutralisatietest, waarvan de resultaten ook iets zeggen
over beschermende immuniteit. [Jong03] Enzyme-linked immunosorbent
assays (ELISA) worden ook wel gebruikt, maar deze kunnen geen
onderscheid maken tussen bindende (waarmee blootstelling is vast te
stellen) en neutraliserende antistoffen (waarmee ook beschermende
immuniteit is vast te stellen). Voor evidence-based uitwerking zie
bijlage I, vraag 7 en 8.
Naast detectie is subtypering belangrijk geworden om onder
andere in te kunnen schatten welke neuraminidaseremmer gebruikt kan
worden indien het gewenst is om antivirale
(postexpositie-)profylaxe of therapie te starten.
Seizoens-A(H1N1)pdm09-virussen zijn vanaf 2007 van nature resistent
tegen oseltamivir geworden, maar gevoelig gebleven voor zanamivir,
terwijl de A(H3N2)-, pandemisch A(H1N1)pdm09- en type
B-influenzavirussen vooralsnog van nature gevoelig zijn voor zowel
oseltamivir als zanamivir. [Meij09] Incidenteel treedt tijdens
behandeling resistentievorming op bij deze virussen, met name bij
immuno-incompetenten. Omdat snelheid van diagnose belangrijk is in
verband met het starten van therapie binnen 48 uur na begin van de
symptomen, komt eigenlijk alleen subtypering middels PCR in
aanmerking om in te schatten welk middel gegeven kan worden.
Antigeensneltesten voor subtypering zijn niet beschikbaar. Is de
mutatie in circulerende influenzavirussen bekend die natuurlijke
resistentie veroorzaakt, dan kan ook een PCR die deze mutatie
selectief vaststelt gebruikt worden. [Meij09, Vrie10] Als er geen
absoluut verband tussen een mutatie en ongevoeligheid voor het
antivirale middel bestaat, dan zijn fenotypische testen nodig voor
de bepaling van de gevoeligheid van een virus voor antivirale
middelen. [Meij09] Voor dit type testen is in de regel wel kweek
van het virus nodig.
Naar boven
Van de humane influenzavirussen de mens. [Nich03] Overdracht
vanuit dierlijke virusreservoirs (paarden, varkens, vogels) naar de
mens komt sporadisch voor, in Nederland bijvoorbeeld bij boeren en
dierenartsen. Een voorbeeld is de A(H7N7)-vogelpestuitbraak in 2003
onder kippen in Nederland. [Fouc04, Koop04] Bij gelijktijdige
besmetting met een veterinair en een humaan influenzavirus bestaat
de kans op uitwisseling van erfelijk materiaal tussen deze virussen
(een zogenoemde reassortant) en de ontwikkeling van een pandemisch
influenzavirus. Deze kans is erg klein, maar vereist wel een
continue surveillance van influenza in de bevolking. In Nederland
wordt deze op doorlopende basis verricht door het Nationaal
Influenza Centrum (NIC; locaties Erasmus Medisch Centrum te
Rotterdam en het Centrum voor Infectieziektebestrijding/RIVM), in
samenwerking met het NIVEL, Nederlands instituut voor onderzoek van
de gezondheidszorg, te Utrecht. [Dijk08, Dijk09, Dijk10]
De belangrijkste transmissie is aerogeen via druppelkernen <
10 μm die lange tijd en over een grote afstand (kilometers) kunnen
blijven zweven. Aerogene transmissie via druppels ≥ 10 μm over
korte afstand (face-to-face) en transmissie door direct contact,
door onder andere kussen en handen geven, spelen ook een
rol.[Tell06, Tell09, Webe08] De geïnfecteerde persoon verspreidt
door hoesten of niezen virusbevattende druppels en aerosolen in de
omgevende lucht, die door een contact worden ingeademd. [Chen09] De
lagere luchtwegen zijn het meest gevoelig voor infectie, terwijl
per subtype influenza A-virus de voorkeur voor hogere of lagere
luchtwegen verschillend kan zijn. De minimale besmettingsdosis via
aerosolen die in de lagere luchtwegen terecht kunnen komen, is zeer
gering, in de orde van één of enkele virusdeeltjes. [Tell06] Voor
experimentele infectie door indruppelen van virus in de neus is
honderdmaal meer virus nodig, zodat we aannemen dat infectie door
druppels en besmette handen of voorwerpen (deurknoppen,
telefoonhoorns, toetsenborden) een kleinere rol speelt.
Luchtvochtigheid en temperatuur spelen een rol in de overleving van
influenzavirussen en daarmee in de manier van overdraagbaarheid.
[Lowe07, Lowe08, Sham09] Onder koude droge omstandigheden, zoals
tijdens de winter, blijkt transmissie via druppelkernen het meest
efficiënt. Bij hogere temperatuur (30°C), zoals in de tropen en
subtropen, wordt aerogene transmissie via druppelkernen
uitgeschakeld door een direct temperatuur- en
luchtvochtigheideffect op het virus, terwijl aerogene transmissie
door druppels bij nauw contact even efficiënt is als bij 20°C.
[Lowe08] Humane influenzavirussen in aerosolen overleven 9-15 uur
bij 15% luchtvochtigheid en 21°C. [Mitc72] Onder invloed van
zonlicht (ultraviolet licht) worden virusdeeltjes snel
geïnactiveerd. Temperatuur, luchtvochtigheid en zonlicht spelen
mogelijk ook een rol in de seizoensvariatie van
influenza-epidemieën op het noordelijk en zuidelijk halfrond en de
afwezigheid van seizoensvariatie in tropische en subtropische
regio’s. [Lowe07, Lowe08, Sham09] Seizoensvariatie is echter
multifactorieel bepaald en veel is nog onbekend. [Lips09] Andere
factoren dragen er aan bij dat in subtropische gebieden nieuwe
influenzavirusvarianten ontstaan die tot een pandemie kunnen
leiden. Die factoren betreffen onder andere het vaak nauw
samenleven van mens, varken, watervogels en/of pluimvee in deze
gebieden. Hoewel influenzavirussen gedurende 24-48 uur infectieus
kunnen blijven op niet-poreuze oppervlakken en tot 12 uur op
poreuze oppervlakken, zoals tissues, is de algemene opinie dat
indirecte transmissie geen grote rol speelt omdat influenzavirussen
op handen binnen enkele minuten niet meer infectieus zijn. [Bean82,
Tell06, Tell09, Webe08] Echter, door accumulatie van infectieus
virus op oppervlakken in frequent gebruikte ruimten is indirecte
transmissie door handcontact een belangrijke risicofactor voor
infectie, en in die omstandigheden is handhygiëne een belangrijk
middel tot preventie van transmissie. [Gray09, Tell06, Tell09,
Webe08] [A] Een technische maatregel om de transmissie in de
werkomgeving te verminderen is het klimaatbeheersingssysteem
zodanig in te stellen dat er sprake is van een luchtvochtigheid van
rond de 50%. [Fran09] Recirculeren van lucht moet voorkomen worden.
Naast het ventileren van ruimtes aan het begin van de werkdag,
dient de mechanische ventilatie zoveel mogelijk frisse lucht van
buiten aan te zuigen.3
De besmettelijke periode komt overeen met de duur van de
virusreplicatie. [Bacc06, Leek2007, Carra08, CDC08, Liao09] Virus
wordt uitgescheiden van de dag voordat symptomen optreden tot
meestal 5 tot 7 dagen na begin van de symptomen. Een piek in
virusuitscheiding wordt, afhankelijk van type en subtype virus,
meestal binnen 3 dagen na begin van symptomen bereikt, waarna de
hoeveelheid uitgescheiden virus snel afneemt. Jonge kinderen kunnen
virus tot enkele dagen voor begin van symptomen tot meer dan 10
dagen na begin van symptomen uitscheiden, terwijl
immuno-incompetente patiënten influenzavirus weken tot maanden
kunnen uitscheiden. Daarom neemt bij gezonde volwassenen de
besmettelijkheid na circa 3 dagen na begin van de symptomen sterk
af en loopt over een periode van 4 tot 8 dagen na begin van de
klachten de kans op besmetting van derden terug naar zeer klein.
[Bacc06, Liao09] Bij kinderen en immuno-incompetente patiënten kan
dit dus (veel) langer duren. [Bacc06]
Het aantal uitgescheiden virusdeeltjes per persoon per dag is afhankelijk van virustype en subtype en van de leeftijd van de persoon, waarbij het bij kinderen en adolescenten het hoogst is. [Bacc06] Zie ook paragraaf 4.3 Besmettelijke periode. Naar boven
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken |
Niet van toepassing |
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend) |
Niet van toepassing |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend) |
Niet van toepassing |
|
Textiel |
Niet van toepassing |
|
Intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond) |
Niet van toepassing |
|
Handen |
2.4.3 |
Iedereen loopt tijdens een epidemie risico met het
influenzavirus te worden geïnfecteerd. De kans hierop is het
grootst in besloten, drukbezochte ruimten (kantoor, openbaar
vervoer, school, kinderdagverblijven, werkplaats, militaire
kazernes, disco, bar, etc.). De hoogste incidentie wordt meestal
bij 0- tot 4-jarigen gevonden. [Dijk08, Dijk10] Daarnaast zijn er
groepen met verhoogd risico op complicaties volgend op een
influenzavirusinfectie (zie paragraaf 8.1.1). [A] Behandelend en
verplegend personeel in ziekenhuizen en verpleeg- en
verzorgingshuizen lopen een extra risico door blootstelling aan
patiënten of bewoners met influenza. Ook laboratoriumpersoneel dat
influenzadiagnostiek uitvoert, loopt een hoger risico. Personen die
op een pluimveebedrijf of varkenshouderijbedrijf werken, hebben een
hoger risico om een infectie met een dierlijk influenzavirus op te
lopen. Andere risicosituaties op de werkplek zijn situaties waarbij
mensen dicht in elkaars nabijheid verblijven (confinded places) en
waar er met kinderen wordt gewerkt. Ook begeleiders in
kinderdagverblijven, docenten op scholen, militairen en personen
werkzaam in het personenvervoer lopen dus een hoger risico.
Daarnaast kan personeel ook een risico vormen als ze met influenza
toch aan het werk gaan.
Influenza treedt epidemisch op tussen november en april op het noordelijk halfrond en tussen april en november op het zuidelijk halfrond. In tropische gebieden is influenza dikwijls endemisch gedurende het gehele jaar. Wereldwijd resulteren epidemieën van seizoensinfluenza jaarlijks in 3 tot 5miljoen gevallen van ernstige ziekte en ongeveer 250.000 tot 500.000 dodelijke slachtoffers. [WHO09a]
Het voorkomen in Nederland volgt het patroon van het noordelijk
halfrond. Volgens gegevens van het NIVEL over de periode 1970-2006
ligt het begin van de influenza-epidemie in Nederland meestal eind
december, maar dit varieert van half november tot begin maart.
[Donk07] De epidemie kan tot in mei aanhouden. De duur van de
epidemie beslaat meestal 11 weken, maar varieert van enkele weken
tot ruim 4 maanden. De piek van de epidemie valt meestal in
februari. CMR-peilstationdata over de periode 1998-2009 laten een
gemiddelde influenzaseizoensincidentie van influenza-achtig
ziektebeeld zien van 170 per 10.000 personen (range 87 – 275).
[Dijk08, Dijk10] Het aantal ziekenhuisopnames tengevolge van
influenza geregistreerd door de Landelijke Medische Registratie was
over de periode 2003-2007 gemiddeld 1.7 per 100.000 personen per
jaar (range 1,3 – 2,4). [Dijk08] Het aantal sterfgevallen per jaar
ten gevolge van griep over de periode 1998-2007 volgens CBS-cijfers
was gemiddeld 189 (range 68 – 369). Echter, uit de
CMR-peilstationdata van 1986-2007 blijkt dat de
influenzaseizoensincidentie van influenza-achtig ziektebeeld met
12.2/10.000 personen per seizoen afneemt (95% CI 8.6-15.9),
hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een toenemend aantal
gevaccineerde personen per seizoen. [Dijk09] Deze variatie en
trends zijn mede afhankelijk van het dominante virustype en subtype
– influenza veroorzaakt door A(H3N2)-virus is meestal ernstiger dan
influenza veroorzaakt door A(H1N1)pdm09- en B-virussen – en of er
een nieuwe antigene variant circuleert en hoe goed het vaccin past
bij de circulerende virussen. [Kaji03, Meij09] [A] De incidentie
van seizoensinfluenza veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling
is onbekend.
Naar boven
Ondersteunend Omdat influenza bij tevoren gezonde personen
meestal een onschuldige aandoening is die vanzelf geneest, behoeft
het in het algemeen geen behandeling. [Esse08] Een koorts- en
pijnverlagend middel kan gebruikt worden om de symptomen te
verlichten. Daarnaast kan herstelgerichte reactiverende verpleging
toegepast worden, zoals voldoende vocht- en voedselinname, bekorten
van bedlegerigheid, maar vermijden van inspanning en
decubituspreventie. Tegen niet-productieve hoest kan noscapine of
codeïne worden voorgeschreven. Ook neusdruppels kunnen de symptomen
verlichten.
Chemotherapie met antivirale middelen Therapie met antivirale
middelen kan overwogen worden bij patiënten met een zeer hoog
risico op complicaties, die bewezen of vermoedelijk influenza
hebben, zoals bewoners van verpleeghuizen en immuno-incompetenten.
Neuraminidaseremmers Neuraminidaseremmers remmen verspreiding van
influenzavirussen van cel naar cel. De eigen immuunafweer is
noodzakelijk om het virus te klaren. Geregistreerde
neuraminidaseremmers zijn oseltamivir (Tamiflu®), dat oraal
ingenomen wordt, en zanamivir (Relenza®), dat geïnhaleerd moet
worden. Neuraminidaseremmers zijn werkzaam tegen zowel
influenzavirus typen A als B en hebben relatief weinig bijwerkingen
(oseltamivir veroorzaakt bij sommige gebruikers misselijkheid en
braken) en contra-indicaties. Neuraminidaseremmers zijn effectief
in het voorkomen van influenza, en, indien binnen 48 na begin van
symptomen gestart wordt met therapie, in het verminderen van
symptomen, het voorkomen van lagere luchtweginfectie, verminderen
van de ziekteduur met circa 1 tot enkele dagen, het verminderen van
virusuitscheiding en voorkomen van complicaties en
ziekenhuisopname. [Hayd06, Jeff06] Resistentie komt natuurlijk voor
bij de seizoens-A(H1N1)pdm09-virussen na het 2007/2008-seizoen en
is zeldzaam bij profylaxe en therapie. [Meij11] Tijdens therapie
kan er resistentie ontstaan bij met name jonge kinderen (bij tot
18% van patiënten) en langdurig behandelde immuno-incompetente
patiënten. [Meij11] Het gaat hier dan voornamelijk om virussen die
tegen oseltamivir resistent zijn. Kruisresistentie kan optreden en
is afhankelijk van de aminozuursubstitutie in het neuraminidase.
Details over therapeutische en profylactische dosering en
contra-indicaties zijn in de bijsluiter van de middelen te vinden
(zie paragraaf 10.4). Voor evidence-based uitwerking zie bijlage I,
vraag 2.
M2-ionkanaalremmers Een tweede klasse stoffen voor de preventie en
behandeling van influenza zijn de M2-ionkanaalremmers die al sinds
de jaren zestig beschikbaar zijn. [Meij09] Deze middelen zijn
alleen geschikt voor influenza A. In Nederland is amantadine
(Symmetrel®) geregistreerd. Bijwerkingen zijn soms aanzienlijk. Bij
algemene preventie zijn M2-ionkanaalremmers vooral effectief in
voorkomen van influenza A-gevallen en minder in voorkomen van
influenza-achtig ziektebeeld. [Jeff06] Behandeling van een patiënt
met influenza wordt ontraden vanwege de snelle resistentievorming.
De huidige circulerende type A-influenzavirussen zijn alle van
nature resistent en dit middel is dus niet bruikbaar. Natuurlijke
resistentie komt voor bij zowel influenza A(H3N2) als
A(H1N1)pdm09-virussen en resistente virussen zijn kruisresistent
tegen beide middelen. [Meij11] Details over therapeutische en
profylactische dosering en contra-indicaties zijn in de bijsluiter
van het middel te vinden (zie paragraaf 10.4).
De richtlijnen van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en
de Nederlandse Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
(VERENSO, voorheen NVVA) sluiten aan op het advies van de
Gezondheidsraad betreffende vaccinatie en gebruik van antivirale
middelen. [Cool04, Esse08] Inmiddels hebben recente ontwikkelingen
in het patroon van resistentie van influenzavirussen voor
antivirale middelen een verfijning van de richtlijnen voor het
gebruik van antivirale middelen opgeleverd. [Meij09] Voor
evidence-based uitwerking zie bijlage I, vraag 1 en 3.
Antibiotica Antibiotica zijn bij influenza alleen geïndiceerd
wanneer zich een bacteriële complicatie voordoet. Vaak uit een
dergelijke complicatie zich als tweede koortspiek.
[A] Indien werknemers profylactisch behandeld worden met antivirale
middelen, moet de indicatiestelling altijd door een (bedrijfs)arts
worden verricht. [Nede07]4
Naar boven
De hoeksteen van de influenzapreventie is de jaarlijkse actieve
immunisatie met een geïnactiveerd influenzavaccin van groepen met
hoog risico op complicaties volgend op een influenzavirusinfectie,
zoals door de Gezondheidsraad wordt geadviseerd. [Gezo07, Gezo09a,
Gezo09b, Gezo09c] Het vaccin bevat hemagglutinine en neuraminidase
van influenza A- en B-virusstammen waarvan op basis van wereldwijde
surveillancegegevens wordt verwacht dat ze het betreffende seizoen
gaan circuleren. Vanwege de heterogeniteit in studieprotocollen en
omstandigheden waaronder studies zijn uitgevoerd, zijn geen harde
conclusies of percentages efficacy of effectiveness te geven, met
name voor ouderen. [Jeff08, Jeff10b, Jeff10c] Rekening houdend met
deze beperkingen lijkt vaccinatie bij ouderen (65+) een positief
effect te hebben op de preventie van influenza-achtig ziektebeeld,
laboratoriumbevestigde influenza, pneumonie, opname vanwege
influenza of pneumonie en overlijden tengevolge van alle oorzaken.
[Jeff10c] Deze effecten zijn het grootst tijdens circulatie van
influenzavirus en bij een goede match met het vaccinvirus. Onder
gezonde volwassenen verlaagt vaccinatie de kans op influenza-achtig
ziektebeeld en dagen werkverzuim, alhoewel effecten minimaal zijn,
zeker als het circulerende virus en het vaccinvirus niet matchen.
[Jeff10b] Er is geen bewijs van positief effect van vaccinatie op
preventie van complicaties van influenza of transmissie bij gezonde
volwassenen. Voor kinderen tussen 2 en 15 jaar blijken levende
vaccins 82% (95% confidence interval (CI) 71% - 89%) effectief in
preventie van influenza en 33% (95% CI 28% - 38%) effectief in
preventie van influenza-achtig ziektebeeld. Voor geïnactiveerde
vaccins ligt dat lager voor efficacy, 59% (95%CI 41% - 71%), maar
vergelijkbaar voor effectiveness, 36% (95% CI 24% - 46%). [Jeff08]
Gegevens over effecten van vaccinatie bij met name de andere
prioriteitsgroepen voor vaccinatie, zoals de immuno-incompetenten,
zijn schaars en bewijzen voor significante efficacy en
effectiveness zijn dun. [Kuni09, Opst09]
In het Nationaal Programma Grieppreventie, waarin in één standaard
influenzavaccinatie per seizoen is voorzien (kinderen van 6 maanden
tot 6 jaar krijgen de eerste keer 2 vaccinaties), zijn de volgende
groepen met verhoogd risico op complicaties volgend op een
influenzavirusinfectie opgenomen: [VWS07]
Voor een actueel overzicht van de risicogroepen met een verhoogd
risico op een ernstig beloop van influenza en die aanspraak maken
op een gratis griepvaccinatie zie:
www.rivm.nl/Onderwerpen/Onderwerpen/G/Griepprik. Voor
evidence-based uitwerking zie bijlage I, vraag 4 en 6. De beste
tijd voor vaccinatie is eind oktober of begin november, juist voor
de periode waarin influenza-epidemieën kunnen worden verwacht. Het
influenzavaccin dient volgens de bijsluitertekst intramusculair of
subcutaan toegediend te worden. De Stichting Nationaal Programma
Grieppreventie (SNPG) adviseert intramusculaire toediening. Volgens
de bijsluiter moet aan kinderen die niet eerder gevaccineerd zijn,
na een periode van minimaal 4 weken een tweede dosis worden
gegeven. Dit wordt ondersteund door onderzoek waaruit blijkt dat
voor een afdoende seroprotectieve respons in kinderen een booster
noodzakelijk is. [Neuz06, Walt06] De SNPG adviseert deze
revaccinatie voor kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 6 jaar.
Personen met een acute ziekte of bewezen ernstige allergische
reactie na eten van of injectie van kippenei-eiwit, mogen niet
worden gevaccineerd. Beschikbaarheid van op celkweek gebaseerde
vaccins kan een uitkomst zijn voor personen met
kippenei-eiwitallergie. Andere contra-indicaties kunnen allergie
voor gebruikte conserveringsmiddelen of antibiotica in het vaccin
zijn. [A] Vanwege het risico van transmissie van influenzavirus
naar bewoners komen ook medewerkers van verpleeg- en
verzorgingshuizen (medisch kwetsbare derden) in aanmerking voor
jaarlijkse vaccinatie. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van
de werkgever om deze vaccinatie aan te bieden. Voor overig
gezondheidszorgpersoneel wordt vaccinatie zeer aanbevolen om
kwetsbare patiënten te beschermen. Indien een
gezondheidszorginstelling besluit het zorgpersoneel te laten
vaccineren, dient rekening gehouden te worden met de vigerende
wetgeving, onder andere ten aanzien van de privacy en WGBO.
Geen.
De mogelijkheden voor interventie tijdens een epidemie van een
seizoensgriep zijn beperkt. Voor evidence-based uitwerking zie
bijlage I, vraag 5. Omdat influenza met name aerogeen maar ook via
handen, deurknoppen en andere voorwerpen wordt verspreid, zullen
algemene hygiënemaatregelen zoals handen wassen, hygiëne bij het
bereiden van voedsel en dranken, nies-/hoesthygiëne et cetera,
nuttig zijn. [Grea10, Jeff10] Het is gebleken dat vooral het handen
wassen, meerdere malen per dag met water en zeep, gevolgd door goed
drogen, de kans op besmetting verkleint. [Gray09, Jeff10] Deze
maatregelen zullen het krijgen van griep niet volledig kunnen
voorkomen. Het dragen van een mond-neusmasker, ten minste van
chirurgische kwaliteit (FFP2) en goed afsluitend op de huid, door
een persoon met griep, kan overdracht naar een andere persoon
beperken. [Cowl10, Jeff10] Voor de effectiviteit van het dragen van
maskers door gezonde personen om infectie met het virus te
voorkomen, zijn geen harde bewijzen. [Cowl10, Jeff10] [A]
Gezondheidszorginstellingen dienen in verband met influenza
aandacht te besteden aan het voorkomen van gezondheidsschade bij
werknemers en aan maatregelen om gezondheidsschade van cliënten en
patiënten door werknemers te reduceren. [Nede07] Maatregelen die
getroffen kunnen worden zijn te vinden in de richtlijnen van
VERENSO, de NVAB en de Werkgroep Infectiepreventie. [Cool04,
Nede07, Werk06, Werk08] Voor preventie is hygiëne van het grootste
belang. Voor personen met risico op complicaties na een
influenzavirusinfectie is vaccinatie de eerste keuze. Preventie met
antivirale middelen wordt alleen ingezet als er duidelijke
aanwijzingen zijn dat het vaccin verminderd werkzaam is en dan vaak
alleen als postexpositiepreventie in een huishoud- of
instellingsomgeving na vaststelling dat er een geval van
laboratoriumbevestigde influenza is.
Naar boven
Zie paragraaf 9.1.
Seizoensinfluenza Het is aan te raden om gehospitaliseerde
influenzapatiënten te verplegen op een éénpersoonskamer of samen
met andere influenzapatiënten, en om iedereen die deze kamer
betreedt een mond-neusmasker van ten minste chirurgische kwaliteit
te laten dragen. [Cowl10, Jeff10, Werk06, Werk08] Het laatste geldt
voor zowel verplegend personeel als familieleden/bezoekers. In de
thuissituatie is het raadzaam om zich ook zoveel als mogelijk
hieraan te houden om verspreiding van de infectie te voorkomen.
Uiteraard moeten personen die een verhoogd risico lopen op
complicaties na een influenzavirusinfectie, indien mogelijk,
contact vermijden met een patiënt met influenza. De
VERENSO-richtlijn voor verpleeg- en verzorgingshuizen adviseert
behandeling, cohortverpleging en profylaxe aan bij een bewezen
uitbraak van influenza. [Cool04] Cohortverpleging bestaat uit het
toepassen van normale hygiëne en de gereglementeerde toegang van
uitsluitend zorgverleners die profylaxe gebruiken. Incidenteel
bezoek van een noodzakelijke zorgverlener kan eventueel zonder
medicamenteuze profylaxe, maar met een mond-neusmasker van ten
minste chirurgische kwaliteit plaats vinden. [A] Ten aanzien van
gezondheidswerkers met griepklachten kan in samenspraak met de
bedrijfsarts een specifiek (kortdurend) beleid ontwikkeld worden,
waarbij tijdelijk andersoortige (niet patiëntgebonden)
werkzaamheden aangeboden worden en extra maatregelen genomen worden
in de sfeer van hygiëne en persoonlijke beschermingsmiddelen (onder
andere dragen van een mond-neusmasker van ten minste chirurgische
kwaliteit). Gezondheidswerkers kunnen nog gedurende 6-7 dagen
patiënten besmetten.
Bij resistentie Bij een influenzageval met een nieuwe resistentie
tegen een antiviraal middel dienen de algemene maatregelen zoals in
paragraaf 9.3 beschreven zijn, strikt gevolgd te worden om
verspreiding van het resistente virus te limiteren. Daarnaast kan
behandeling met een ander antiviraal middel overwogen worden. Meer
gedetailleerd wordt dit beschreven in het CIb-advies ’Klinische
behandeling met antivirale therapie van opgenomen patiënten met
nieuwe influenza’. [Cent09] Alhoewel dit advies opgesteld is voor
de pandemische A(H1N1)pdm09-influenza, kan dit in algemene zin ook
toegepast worden bij elke influenzavirusinfectie waarbij zich
resistentie voordoet.
Bij nieuwe influenza Bij een nieuw influenzavirus dienen de
algemene maatregelen zoals in paragraaf 9.3 beschreven zijn, strikt
gevolgd te worden om verspreiding te limiteren.
Voor uitgebreide productinformatie van antivirale middelen, zie
paragraaf 10.4.
Pre-expositie Gezien de hoge profylactische effectiviteit van
oseltamivir en zanamivir kan profylaxe met dit middel worden
overwogen als aanvulling op de vaccinatie, bijvoorbeeld tijdens een
epidemie bij het overbruggen van de periode van 14 dagen na
vaccinatie waarin het vaccin zijn beschermende effect moet
opbouwen, bij een dreigende of bestaande epidemie in een verpleeg-
of verzorgingshuis en bij een groot antigeenverschil tussen het
vaccinvirus en de epidemische stam. In uitzonderlijke
omstandigheden kunnen neuraminidaseremmers worden overwogen voor
seizoensprofylaxe van influenza A en B tijdens een algemene
verspreiding van het virus in de bevolking (bijvoorbeeld in geval
van een groot antigeenverschil tussen de circulerende stammen en de
stam van het vaccin, en in geval van een pandemie). [A] Indien
antivirale profylaxe voor werknemers wordt overwogen door
gezondheidszorginstellingen, dient de bedrijfsarts de
indicatiestelling te verrichten en dient deze geïnformeerd en
betrokken te worden met de uitgifte, behandeling en gezondheids- en
bijwerkingenmonitoring. [Nede07] Hiervoor wordt verwezen naar de
NVAB-richtlijn ‘Influenza: preventie en outbreak control’
(www.nvab-online.nl).
Postexpositie Volgens de bijsluiters zijn zowel oseltamivir als
zanamivir geregistreerd voor de preventie van influenza A en B bij
volwassenen en kinderen (respectievelijk vanaf 1 jaar en vanaf 5
jaar) na contact met een klinisch vastgesteld geval van influenza.
Voor deze situatie is aangetoond dat zanamivir en oseltamivir de
kans op influenza bij de contactpersoon met 67-89% verminderen.
[Hayd06] Postexpositieprofylaxe kan met name overwogen worden bij
blootstelling van een persoon met een hoog risico op complicaties
na een influenzavirusinfectie, ongeacht of deze persoon
gevaccineerd is of niet, aan een persoon met een
influenzavirusinfectie in bijvoorbeeld het gezin. Dosering
oseltamivir: personen van 13 jaar en ouder éénmaal per dag 75 mg
gedurende 10 dagen, bij kinderen beneden de 13 jaar is de
dagdosering in leeftijdklassen en lichaamsgewicht ingedeeld met een
maximum van 75 mg per dag. Dosering zanamivir: éémaal daags 10 mg
gedurende 10 dagen.
9.5 Wering van werk, school, kinderdagverblijf en consultatiebureau
Door het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Nederlandse
Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde wordt geadviseerd
om bij symptomen van influenza thuis te blijven en uit te zieken.
[Esse08, Nede07] Daarmee wordt voorkomen dat het virus zich, met
name op plaatsen waar veel vatbare mensen bij elkaar zijn, snel kan
verspreiden. [Kret09] Vanuit de medisch-epidemiologische invalshoek
lijken fysieke inperkingsmaatregelen, zoals het sluiten van basis-
en middelbare scholen, een effectieve vertragende maatregel te
kunnen zijn afhankelijk van de timing van de interventie in de
ontwikkeling van de epidemie, omdat daardoor een belangrijke
schakel in de infectieketen wordt onderbroken. [Hens09, Sand09]
Deze vertraging kan de piekbelasting van medische diensten
verminderen. Echter, op het moment dat de epidemie zo omvangrijk
dreigt te worden dat een dergelijke ingreep kan worden overwogen,
zal het te laat zijn om er nog resultaat van te mogen verwachten.
Bij een dreigende pandemie kan de sluiting van scholen mogelijk wel
zinvol zijn. Wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van dit
soort maatregelen is schaars. [Jeff10a] Bovendien kan het
thuisblijven van grote groepen werknemers en scholieren ongewenste
maatschappelijke effecten hebben die ook in het beleid moeten
worden betrokken. [A] Bij terugkeer naar werk of school dient er
rekening mee gehouden te worden dat de luchtwegen nog gevoeliger
dan normaal zijn voor secundaire infecties en luchtwegprikkelende
middelen (dampen, schimmels of biologische agentia). Bij klinisch
herstel kan het werk worden hervat. Verspreiding van het virus
vindt bij een ongecompliceerde influenza na 5 dagen van het begin
van de symptomen in het algemeen niet meer plaats.
Naar boven
Er bestaat geen meldingsplicht voor seizoensinfluenza.
Laboratoria en/of behandelend arts wordt vriendelijk doch dringend
verzocht de GGD en het Nationaal Influenza Centrum (RIVM/LIS én
ErasmusMC) in te lichten bij de detectie van een influenza A-virus
met een hemagglutinine anders dan seizoens-H1 of -H3 of detectie of
vermoeden van resistentie tegen antivirale middelen bij een
voorheen gevoelig type of subtype influenzavirus. [A] Indien de
ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening
moet de casus door een geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld
bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB,
www.beroepsziekten.nl/). Dit gebeurt anoniem. In 2009 is tijdelijk
(tot november 2010) A(H1N1)pdm09-influenza meldingsplichtig
gemaakt.
Bij een uitbraak in een verpleeghuis of verzorgingshuis kan de
plaatselijke GGD ingeschakeld worden. [A] Bij een uitbraak in de
werkomgeving dient ook de bedrijfsarts geïnformeerd te worden.
[A] Dit symbool markeert de alinea’s met arbeidsrelevante
informatie over infectieziekten.
Deze richtlijn is tot stand gekomen onder leiding van dr. A.
Meijer, RIVM/CIb/LIS Februari 2012
Naar boven
Pdf document - 292KB
Word document - 248KB
Pdf document - 210KB
Pdf document - 209KB