U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Legionellose
LCI herzien december 2007, laatst gewijzigd januari 2011
In 1976 overleden 34 veteranen aan een ernstige longontsteking
nadat zij de jaarlijkse conventie van het Amerikaanse Legioen in
Philadelphia (VS) hadden bijgewoond. (Fra77) Vanwege de achtergrond
van de patiënten sprak men van 'de veteranenziekte'. Ruim
een half jaar na de epidemie werd de verwekker geïsoleerd, een
kleine staafvormige bacterie die de naam Legionellakreeg.
De ziektebeelden die veroorzaakt worden door de legionellabacterie
worden samengevat onder de term legionellose. Het meest bekende
beeld is dat van de legionellapneumonie (veteranenziekte).
Daarnaast komt een acute griepachtige ziekte voor, zonder dat er
sprake is van een longontsteking, die Pontiac fever wordt genoemd.
Pontiac fever werd voor het eerst beschreven bij een uitbraak onder
medewerkers van een gezondheidsdienst te Pontiac, Michigan (VS) in
1968. (Kau81)
Naar boven
2.1 Pathogenese
Legionellapneumonie
In de bovenste luchtwegen worden ingeademde of door
micro-aspiratie in de luchtwegen terechtgekomen
Legionellaceaewaarschijnlijk in het merendeel van de
gevallen door het trilhaarepitheel verwijderd. Als zij in de
alveoli terechtkomen, worden zij gefagocyteerd door macrofagen.
Indien de Legionellaecaena fagocytose in staat zijn om
zich intracellulair te vermenigvuldigen is de basis gelegd voor het
ontwikkelen van een pneumonie: de macrofagen barsten open en er
ontstaat een nieuwe cyclus, waardoor weer andere macrofagen en
neutrofielen worden aangetrokken. Capillaire lekkage leidt tot
oedeem. Vrijkomende cytokinen dragen bij tot een ernstige
inflammatoire reactie.
Virulentiefactoren en gastheerfactoren spelen een rol bij de
pathogenese. De factoren die de virulentie van de bacterie bepalen
zijn nog niet geheel opgehelderd.
Pontiac fever
De pathogenese is nog niet geheel bekend. Er is wel
een epidemiologische relatie aangetoond met verschillende
Legionella-species. Er is gesuggereerd dat de
verschijnselen van Pontiac fever berusten op een immunologische
reactie tegen endotoxinen en niet berusten op een infectie door
ingeademde, levende legionellabacteriën.
(Fie01)
2.2 Incubatieperiode
De incubatieperiode duurt 2 tot 19 dagen (meestal 5
tot 6 dagen). (Let02, Boe02, Yu00) In 85% van de gevallen beginnen
de ziekteverschijnselen binnen 10 dagen na blootstelling en in 95%
van de gevallen binnen 14 dagen. (Let02, Boe02)
2.3 Ziekteverschijnselen
Legionellapneumonie
Een legionellapneumonie kan klinisch niet
onderscheiden worden van een longontsteking veroorzaakt door andere
verwekkers. De diagnose kan alleen bevestigd worden door middel van
microbiologisch onderzoek. De ziekte gaat vaak gepaard met een
niet-productieve hoest met pijn op de borst. Bij 60% van de
gevallen zijn er ook neuropsychologische stoornissen (hoofdpijn,
lethargie, verwardheid), 25% gaat gepaard met diarree, 20% met
misselijkheid en/of braken.
Een legionellapneumonie leidt relatief vaak tot ziekenhuisopname en
verblijf op IC. (Sto97)
De prognose is afhankelijk van gastheerfactoren en van de
snelheid van instellen van de juiste antibiotische therapie. Bij
uitbraken van community-acquired legionellapneumonie varieert de
case fatality tussen de 0 en 25%. In de Nederlandse surveillance
bedraagt de gerapporteerde sterfte (2000-2007) 5-10% van de
legionellosemeldingen, waarbij waarschijnlijk sprake is van enige
onderrapportage van sterfte. Herstel kan maanden tot jaren in
beslag nemen. (Jo04).
Attack rates bij explosies van legionellapneumonie zijn meestal
laag: 0,1%-5%. (Sop99, Gar03, Ben02).
Pontiac fever
Na een korte incubatieperiode van 36-48 uur krijgen
patiënten acute griepachtige verschijnselen (koude rillingen,
hoofdpijn, spierpijn, algehele malaise). (Yu00) Er zijn geen
tekenen van longontsteking (ook niet radiologisch). Spontaan
herstel treedt op na 2-7 dagen. De attack rate bij Pontiac fever is
50-100% (Jon04, Pan03); om te voldoen aan de CDC-criteria is een
attack rate van minimaal 95% vereist.
Legionellapneumonie en Pontiac fever komen zelden tegelijk in één
epidemie voor. (Ben02)
[A] Of een patiënt kan werken zal volledig
afhangen van de ernst van het beeld. Het beloop, de ziekteduur en
de restklachten variëren per persoon. De bedrijfsarts zal de
functionele mogelijkheden en daarmee de inzetbaarheid dienen vast
te stellen. Er is geen risico op overdracht van persoon tot
persoon.
Uit onderzoek is gebleken (LET03) dat veel mensen na 18 maanden nog
met gezondheidsklachten kampen en dat de kwaliteit van leven
significant minder is in vergelijking met een gezonde
controlegroep. De klachten betreffen: vermoeidheid, spier- en
gewrichtspijnen, neurologische symptomen (hoofdpijn,
geheugenverlies en concentratieproblemen), neuromusculaire klachten
(krachtsverlies en tintelingen aan handen en voeten) en
respiratoire klachten (hoesten en kortademigheid).
Het is aannemelijk dat deze restklachten beperkingen kunnen
opleveren bij het (fysiek of mentaal belastend) werk. Dit kan
gevolgen hebben ten aanzien van de volgende punten van de
functiemogelijkhedenlijst (FML): het persoonlijk functioneren, het
dynamisch handelen, statische houding en werktijden.
2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop
In Nederland werden op basis van de data verzameld
ten tijde van de uitbraak in Bovenkarspel (1999) de volgende
onafhankelijke prognostische risicofactoren voor opname op
intensivecareafdeling of sterfte gevonden: roken, temperatuur
>38.5°C en bilaterale infiltraten zichtbaar op X-thorax. (Let02)
In de overige literatuur worden mannelijk geslacht, oudere
leeftijd, onderliggend lijden zoals chronische longziekte, diabetes
mellitus en immunosuppressieve medicatie genoemd voor het
ontwikkelen van een pneumonie. (Mar96)
[A] Gezien het geringe risico op het ontstaan van de ziekte bij adequate beheersmaatregelen is er geen reden om risicogroepen te weren.
2.5 Immuniteit
Cellulaire immuniteit lijkt het voornaamste
afweermechanisme tegen eenlegionella-infectie. Er is geen langdurig
asymptomatisch dragerschap beschreven. Het is onduidelijk of er
specifieke immuniteit (humorale afweer) na legionellapneumonie
optreedt. Mogelijk is er sprake van speciesspecifieke immuniteit.
Naar boven
3.1 Verwekker
Legionellae zijn zwak gramnegatief
aankleurende, aerobe, niet-sporevormende ongekapselde staafjes, die
slechts op speciale selectieve (cysteïne bevattende) media gekweekt
kunnen worden. De familie der Legionellaceae wordt
onderverdeeld in meer dan 48 species.
Het species L. pneumophila wordt onderverdeeld in
15 serogroepen (1-15). (Fie02)
De overige species tezamen noemt men ook wel non-pneumophila.
In Nederland worden meer dan 90% van de legionellapneumonieën veroorzaakt door Legionella pneumophila. Binnen deze species is serogroep 1 de meest frequente verwekker (>80%). Legionella pneumophilaserogroep 1 kan op basis van genotypering verder onderverdeeld worden. Het European Legionnaires’ Disease Surveillance Network (ELDSNet) adviseert een AFLP (Amplified Fragment Length Polymorphism) genotypering, en meer recentelijk een SBT (Sequenced Based Typing) om onderscheid te maken in de verschillende typen, waardoor vergelijking van isolaten tussen laboratoria mogelijk wordt.
3.2 Diagnostiek
Kweek
Het materiaal voor kweek kan bestaan uit sputum,
bronchiaal secreet, lavagevloeistof, pleuravocht, longweefsel of
weefsels van andere organen. De sensitiviteit van de kweek varieert
afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld en de ervaring van het
laboratorium en loopt uiteen van 20-90%. Het voordeel van de kweek
is dat de opbrengst niet afhankelijk is van het L.
pneumophila-serotype. Bovendien is het met de kweek mogelijk
om ook andere legionellasoorten aan te tonen. Als de patiënt geen
sputum opgeeft is bronchoalveolaire lavage (BAL) of tracheaspoeling
te overwegen vóór men met antimicrobiële therapie begint. Kweken is
van belang voor bronopsporing omdat dan klinische en
omgevingsisolaten vergeleken kunnen worden. Legionellagroeit niet
op de gebruikelijke voedingsbodems en moet daarom altijd expliciet
aangevraagd worden. Legionellagroeit langzaam. Het duurt tenminste
24 uur (meestal 3-5 dagen) voordat enige groei op media zichtbaar
wordt. Na biochemische determinatie kan met behulp van specifieke
antisera de serogroep van de geïdentificeerde kolonies worden
bepaald, wat vooral van epidemiologisch belang is. In dat kader
kunnen isolaten nog nader onderscheiden worden door gebruik te
maken van DNA-fingerprinttechnieken.
Urineantigeentest
Het aantonen van legionella-antigeen in de urine is
de laatste jaren veruit de meest aangevraagde laboratoriumtest
geworden voor de diagnostiek van legionellapneumonie.
Antigeen in urine kan worden aangetoond door middel van
immunochromatografische assays (ICT) en Enzyme-Linked ImmunoSorbent
Assays (ELISA’s). De urineantigeentesten zijn eenvoudig (met name
de ICT), snel uit te voeren en specifiek. Aangezien het antigeen
vroeg in het ziektebeloop in de urine aanwezig is, vaak al vanaf de
derde dag dat de klinische verschijnselen zich voordoen, is vroege
diagnostiek mogelijk. De testen zijn met name gericht op het
aantonen van antigenen van L. pneumophila serogroep 1. De
sensitiviteit van de testen is afhankelijk van de ernst van het
ziektebeeld en loopt uiteen van 50 tot meer dan 90%. (Sto97) De
sensitiviteit kan nog verhoogd worden door de urine te
concentreren. De specificiteit is bijna100%. Bij ernstige gevallen
van legionellapneumonie is de urineantigeentest meestal positief.
Een negatieve ICT-test kan men vinden bij minder ernstige gevallen
of bij een legionella-infectie uit een serogroep anders
dan serogroep 1.
NB. Sommige ELISA-testen kunnen ook antigenen aantonen van andere
serogroepen dan L. pneumophilaserogroep 1, zij het vaak
minder sensitief.
Serologie
Bij het doormaken van een legionella-infectie
worden antistoffen gevormd die na enkele weken aantoonbaar worden.
Seroconversie of (significante) viervoudige titerstijging zijn vaak
pas na 3 weken aantoonbaar met een uitloop tot 3 maanden. Het
tweede monster van de gepaarde sera wordt dan ook na 21 dagen
afgenomen. 80% van de patiënten heeft binnen 10 weken na de eerste
-ziektedag seroconversie doorgemaakt.
Er zijn tegenwoordig drie serologische technieken beschikbaar. Bij
de micro agglutinatie test (MAT) en bij de indirect fluorescent
antibody test (IFAT) is de uitkomstmaat een titerstijging, bij de
ELISA is de uitkomstmaat wel of geen seroconversie. Een
enkelvoudige hoge titer (MAT 1:32, IFAT 1:128, ELISA afhankelijk
van de leeftijd) kan de diagnose waarschijnlijk maken bij patiënten
met een passende medische voorgeschiedenis. (Bos06) Inde MAT wordt
geen onderscheid gemaakt tussen IgG- en IgM-antistoffen, met de
IFAT kunnen IgG- en IgM-antistoffen wel apart worden aangetoond
evenals met ELISA.IgM-titers kunnen echter relatief lang
persisteren en wijzen daarom niet altijd op een recente infectie.
De sensitiviteit van de huidige serologische bepalingen is 70-80%.
Kruisreacties met Mycoplasma sppen Chlamydia
sppzijn bekend bij MAT-bepalingen. Serologie is vooral waardevol
voor epidemiologische studies en diagnostiek achteraf, maar is niet
bruikbaar voor acute diagnostiek. Serologie is tevens niet geschikt
voor monitoring van behandeling.
PCR
Het is mogelijk om via een polymerasekettingreactie
(PCR)Legionellae aan te tonen. De PCR is gebaseerd op de
amplificatie van delen van genen die specifiek zijn voor
legionella. Deze test wordt door een beperkt aantal
medisch-diagnostische laboratoria uitgevoerd. De test lijkt een
hoge sensitiviteit te kunnen bereiken. Over de specificiteit
bestaan nog onvoldoende gegevens. Voor klinische toepassing is een
goede validatie van de PCR-techniek noodzakelijk.
DFA
Legionellais aan te tonen in klinische materialen
via de Directe Immunofluorescentie Antilichaammethode (DFA). Deze
test wordt in Nederland nauwelijks meer toegepast.
Nadeel van deze test is de matige gevoeligheid en de grote
spreiding van de gevoeligheidspercentages (20-50%). Dit komt onder
meer doordat er een hoge ondergrens voor detectie geldt, en doordat
een juiste beoordeling van de fluorescentie een grote mate van
expertise vereist.
Naar boven
4.1 Reservoir
Legionellaceae komen algemeen voor in
waterige milieus en vochtige bodem. Legionella kan onder andere
worden aangetroffen in zoet oppervlaktewater en (pot)aarde. L.
pneumophila is in de natuur een obligaat intracellulair levend
micro-organisme en is in staat zich in diverse eencelligen te
vermenigvuldigen. Verder blijkt legionellabestand tegen zeer lage
pH-omgevingswaarden.
In een kunstmatige omgeving, zoals een waterleidingssysteem, kan de
bacterie zich onder de juiste omstandigheden vermeerderen.
Vermeerdering treedt met name op in slijmlaagjes (‘biofilms’) op
oppervlakken die in contact met water staan en in sediment, waar
ook zijn eencellige gastheren worden aangetroffen.
Legionellabacteriën stellen hoge eisen aan hun voeding. Naast
organische verbindingen, die dienen als bron voor energie en/of
koolstof, zijn ijzerverbindingen en een tiental verschillende
aminozuren nodig. Het temperatuurtraject voor groei ligt tussen
20-50°C, met een optimum rond de 37°C.
Onder de 20°C overleeft de legionellabacterie, maar vermenigvuldigt zich niet. Boven de 50°C sterven de bacteriën af. Om die reden moet conform de regelgeving omtrent preventie een koudwatersysteem een temperatuur van minder dan 20°C hebben en een warmwatersysteem een temperatuur boven de 60°C (veiligheidshalve 10°C boven de afsterftemperatuur).
In het distributienet van het leidingwater liggen de aantallen kolonievormende eenheden per liter (KVE)vrijwel altijd beneden de detectiegrens (minder dan 50 KVE/l). Toch kunnen in de leidingwatersystemen van de eindgebruikers hoge aantallen aanwezig zijn (tot meer dan 105 KVE/l). Groei van Legionellacae in een leidingwatersysteem wordt bevorderd door biofilmvorming, een temperatuur van 20-50°C, stilstand van water en accumulatie van sediment.
Aarde en potgrond kunnen een bron van legionella zijn. (Red90)
Een uitbraak van longontstekingen veroorzaakt door Legionella pneumophila op het platteland van Maryland (USA) in 1986 kon aantoonbaar worden herleid naar ingeademd stof van een afgraving (Red90), zodat vast kwam te staan dat het opwaaiende stof van droge aarde een bron van infecties met legionella kan zijn. Na deze eerste melding zijn er verscheidene andere onderzoeken gerapporteerd waarin verschillende soorten legionellabacteriën uit aarde en potgrond zijn geïsoleerd die als bron van legionellabesmettingen zijn geïdentificeerd. (Ste90, Hug94, Ste96, Duc00, Koi01)
4.2 Besmettingsweg
Diverse watersystemen zijn als bron van
legionellapneumonie beschreven, zoals douches, koeltorens,
whirlpools, luchtbevochtigers, individuele beademingsapparatuur.
(Bar06, Ben05, CDC05, Che03, Dui93, Fio98, Gar03, Hoe99, Hoe06,
Ish01, Koo00, Mee83, Sab06, She94, Yu00)
Eerste stap in de besmettingroute is over het algemeen de entree
van Legionellae in wateraerosolen. Vervolgens verdampen de
aerosolen (hoe lager de relatieve luchtvochtigheid hoe sneller)
waardoor ook de vrije bacteriën ingeademd kunnen worden. Andere
transmissieroutes zijn mogelijk, bijvoorbeeld aspiratie van
drinkwater. (Sab02) Onduidelijk blijft de infectiedosis die nodig
is om ziekteverschijnselen te veroorzaken.
Er is geen dosiseffectrelatie aangetoond tussen de concentratie
legionellabacteriën in een waterbron en de kans op ziek worden na
blootstelling.
Wanneer potgrond droog wordt verwerkt, is er een bijzonder kleine, maar niet verwaarloosbare kans aanwezig op een besmetting van de verwerker met legionella, zeker als er in de potgrond houtresten zijn verwerkt. Andere risicohandelingen zijn: eten zonder de handen te wassen na verwerking van potgrond en het inademen van een aerosol van sproeiwater dat met potgrond in aanraking is geweest. (Ste90, Hug94, Ste96, Duc00, Koi01)
4.3 Besmettelijke periode
Niet van toepassing
4.4 Besmettelijkheid
Legionellais niet van persoon tot persoon
overdraagbaar.
Naar boven
Alleen van toepassing bij:
Zwemwater: 0,4 mg/l vrij chloor
Water dat verneveld wordt: ≥ 1 mg/l chloor of thermische
desinfectie boven de 60°C
6.1 Risicogroepen
Epidemiologische risicofactoren voor het oplopen
van legionellapneumonie kunnen worden verdeeld in twee categorieën:
persoonsgebonden risicofactoren en omgevingsfactoren. De
persoonsgebonden risicofactoren verschillen niet van de
risicofactoren voor het oplopen van een pneumonie veroorzaakt door
een andere verwekker. (Mar96)
De omgevingsfactoren zijn:
Er bestaat een verband tussen legionellapneumonie en reizen in binnen- en buitenland. In de meeste landen, waaronder Nederland, blijkt in 20-50% van de gemelde legionellosegevallen sprake te zijn van een associatie met reizen. (Let02, Boe06, Bra04, Mar96, Mar97, Tor91, Yu00)
[A] Tuinders, kwekers en andere beroepsmatige
gebruikers van potgrond lopen een bijzonder kleine, maar niet
verwaarloosbare kans op een besmetting met legionella, zeker als er
in de potgrond houtresten zijn verwerkt.
Het risico oplegionellabesmetting is het grootst als besmet water
wordt verneveld en de aerosolen worden ingeademd. Daarbij kan
gedacht worden aanrisico voor medewerkers in de tuinbouw,
tandartsen, technici van koeltorens, technici in de industrie
(vernevelingsprocessen), schoonmakers (gebruik hogedrukreinigers),
werknemers in de thuiszorg (weinig gebruikte douches), werk in de
nabijheid van whirlpools en personen die beroepshalve reizen.
Voor een uitgebreide lijst van beroepen met een risico op
blootstelling, zie: www.kiza.nl.
6.2 Verspreiding in de wereld
Legionella-infecties komen wereldwijd
voor. Internationaal worden percentages uiteenlopend van 1-16%
beschreven van CAP (community-acquired pneumonia)leidend tot
hospitalisatie veroorzaakt door Legionella-species.(Bar95,
Sto97, Bra04, Sop99) Voor Nederland wordt dit op 5% geschat.
(Gez03)
Seroprevalentie van antistoffen tegen L. pneumophila in de
volwassen bevolking varieert van 1-20% in verschillende
onderzoeken. (Bos06, Mar97, Nag03) Niet opgehelderd is of dit duidt
op contact in het verleden of op kruisreacties tegen andere
micro-organismen.
Via passieve surveillance (meldingsplicht) vindt men in de
Verenigde Staten jaarlijks een incidentie van 0,7 per 100.000
personen. Door de CDC wordt geschat dat het werkelijke incidentie
van gehospitaliseerde patiënten ligt tussen de 3,2 en 7,2 per
100.000 inwoners.
Voor Europa wordt op basis van de cijfers van Denemarken, een land
met een kwalitatief goed en stabiel surveillancesysteem, de
jaarlijkse incidentie geschat op 2 per 100.000 inwoners.
6.3 Voorkomen in Nederland
Jaarlijks worden 200-300 gevallen (1,2-1,8 per
100.000 inwoners) van legionellapneumonie gemeld bij de GGD’en.
Geschat wordt dat 5% van de CAP leidend tot hospitalisatie wordt
veroorzaakt door Legionella-species.(Bar95, Sto97, Bra04,
Sop99) Ongeveer de helft hiervan is zeer waarschijnlijk buiten
Nederland opgelopen. (Gez03, Boe02) In 2006 was er een toename tot
440 meldingen, waarvan ongeveer twee derde met bron in Nederland.
(Swa07) Het werkelijke aantal legionellapneumonieën is moeilijk
vast te stellen. De Gezondheidsraad schat dat er jaarlijks 800
patiënten (4,8 per 100.000 inwoners) in het ziekenhuis behandeld
worden voor een longontsteking door Legionellaevan wie 10%
overlijdt. (Gez03)
In 1999 overleden 17 van 188 legionellapneumoniepatiënten die allen
bezoekers waren van een consumentenbeurs bij de Westfriese Flora in
Bovenkarspel. (Boe02) Een tentoongestelde whirlpool was de bron van
de besmetting. (Boe99) Enkele maanden later deed zich een
vergelijkbare cluster voor in het Vlaamse Kapelle. (Sch00) In de
zomer van 2006 was er een uitbraak in Amsterdam met 31
legionellapneumoniepatiënten. Met behulp van DNA-fingerprinting
werd een overeenkomst gevonden tussen patiëntenisolaten en isolaten
gekweekt uit een tijdelijk geplaatste koeltoren. (Hoe06)
In Nederland waren er in 2006 twee sterfgevallen ten gevolge van
Legionella longbeachaedie in verband gebracht werden met
de verwerking van potgrond door de getroffenen. (Boe07)
[A] Er zijn weinig gegevens over arbeidsgerelateerde gevallen van legionellose bekend.
In de periode 2002-2004 werden bij het Nederlands Centrum voor
Beroepsziekten 7 arbeidsgerelateerde gevallen van
legionellosegemeld. Dit waren in alle gevallen mannen, in leeftijd
variërend van 43 tot 57 jaar. In hun werk kwamen zij waarschijnlijk
met aerosolen in contact. Het betrof een balkman bij een
asfalteermachine, een servicemonteur bij waterpompinstallaties, een
technicus bij staalproductie, een procesoperator in de chemische
industrie, een ambtenaar na een dienstreis in India, een loodgieter
en een medewerker groenvoorziening bij een gemeente.
In de periode 2001-2007 werden 52 arbeidsgerelateerde
ziektegevallen gemeld in Osiris (RIVM), waarbij het merendeel van
de werknemers (onder andere chauffeurs) de ziekte in het buitenland
had opgelopen.
Naar boven
De prognose van een legionellapneumonie wordt sterk beïnvloed
door de snelheid van instellen van de juiste therapie.
Fluorochinolonen (ciprofloxacine, levofloxacine, moxifloxacine)
worden als antibiotica van de eerste keuze beschouwd. Macroliden
(azitromycine, claritromycine of erytromycine) zijn tweede
keus.
|
Oraal
|
Intraveneus
|
|---|---|
|
1. fluorochinolonen
|
1. fluorochinolonen
|
|
2. azitromycine of claritromycine
|
2. erytromycine
|
|
3. doxycycline
|
|
|
|
|
(Sch05)
Bij CAP met (nog) onbekende verwekker, waarbij
Legionella spp.niet uitgesloten is, is de therapiekeuze
afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld (zie SWAB-richtlijn).
Naar boven
8.1 Immunisatie
Er is geen vaccin verkrijgbaar.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Bij algemene preventieve maatregelen kan men de
volgende processen onderscheiden: risicoanalyse, beheersmaatregelen
en correctieve maatregelen (zie LCHV-draaiboek ‘Melding van
legionellabacteriën in water’).
[A] Het is van belang dat medewerkers goed door
de werkgever worden voorgelicht over mogelijke blootstelling in het
werk. De werkgever dient de werknemer te beschermen tegen
legionellarisico’s, dit is uitgewerkt in Arbobesluit 4.87a en
4.87b. Aan deze verplichting kan invulling worden gegeven volgens
beleidsregel 4.87a. Het opstellen en uitvoeren van een
legionellabeheersplan vormt de kern van de maatregelen en komt aan
bod bij de uitvoering van de RI&E. Hoe de legionellarisico’s
beheerst kunnen worden staat onder andere beschreven in het
arbeidsinformatieblad 32 (AI 32) en in ISSO-publicaties 55.1 en
55.2 (met betrekking tot leidingwater).
De preventieve maatregelen hebben tot doel om de groei van
legionella in luchtbevochtigingssystemen en de verspreiding van
legionella uit deze systemen te voorkomen. Dit betekent dat onder
normale omstandigheden het gebruik van persoonlijke
beschermingsmiddelen niet noodzakelijk is.
In risicovolle situaties, waarbij onvoldoende preventieve
maatregelen zijn getroffen, is het dragen van een mond-neusmasker
(minstens FFP2) noodzakelijk.
Naar boven
9.1 Bronopsporing
Inventarisatie van mogelijke bronnen en
opsporing van epidemiologische clusters
Na melding van een patiënt met legionellose
inventariseert de GGD door middel van het invullen van de
‘Vragenlijst legionellapneumonie’ (bijlage I) met welke risicovolle
installaties contact is geweest tijdens de incubatieperiode. De GGD
meldt de vermoedelijke bron(nen) aan het Centrum
Infectieziektebestrijding (CIb). Indien de vermoedelijke bron zich
buiten de eigen GGD-regio maar wel in Nederland bevindt, wordt
tevens de betreffende GGD geïnformeerd.
Vermoedelijke bronnen in Nederland
Het CIb beheert in samenwerking met de
Bemonsterings Eenheid Legionellapneumonie (BEL) van
Streeklaboratorium Haarlem een landelijk registratiesysteem waarin
postcodegegevens van legionellosepatiënten en de aan hen
gerelateerde vermoedelijke bronnen zijn opgenomen. Met behulp van
deze registratie worden epidemiologische clusters opgespoord. Uit
de evaluatie van de resultaten van het vergelijkbare BEL-project
(2002-2006) blijkt 19% van de legionellosepatiënten deel uit te
maken van een cluster gerelateerd aan een gemeenschappelijke bron.
Bij 3% van de patiënten was er een genotypische match met een de
vermoedelijke bron. (Boe06)
Vermoedelijke bronnen in het buitenland
Het CIb meldt legionellosepatiënten die
vermoedelijk besmet zijn in een verblijfsaccommodatie aan ELDSNet
(European Legionnaires’ Disease Surveillance Network, voorheen
EWLGI). ELDSNet beheert een internationaal registratiesysteem
waarin verblijfsaccommodaties (in alle landen) zijn opgenomen die
geassocieerd zijn met één of meer legionellosepatiënten. Met behulp
van dit registratiesysteem worden epidemiologische clusters
opgespoord waarbij patiënten uit verschillende landen betrokken
kunnen zijn. Na melding van een patiënt door het CIb worden de
gegevens in de database opgenomen en coördineert ELDSNet het
verdere brononderzoek en de eventueel daaruit voortvloeiende
maatregelen in samenwerking met de autoriteiten van het betreffende
land. Indien een verblijfsaccommodatie die geassocieerd is met twee
of meer legionellosepatiënten niet meewerkt aan het onderzoek of de
legionellabesmetting niet onder controle krijgt, wordt dit door
ELDSNet gemeld aan de reisbranche. De reisorganisaties dragen zorg
voor het informeren en evacueren van de gasten van de accommodatie
(zie voor verdere informatie:
http://ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/ELDSNet/Pages/Index.aspx).
Buitenlandse patiënten die geassocieerd zijn met een Nederlandse
verblijfsaccommodatie worden door ELDSNet aan het CIb gemeld.
Nader onderzoek bij vermoedelijke bronnen in Nederland
De GGD van de regio waar een vermoedelijke bron
zich bevindt beoordeelt in samenwerking met de toezichthoudende
instantie welke vorm van brononderzoek uitgevoerd wordt. Dit
brononderzoek kan onder andere bestaan uit inspectie en
risicobeoordeling van de installatie, controle van het
legionellabeheersplan en microbiologisch onderzoek van
watermonsters. De uitgebreidheid van het onderzoek is afhankelijk
van de ernst van de verdenking, de aard van de vermoedelijke bron
en het aantal en de aard van de aan de bron blootgestelde personen.
In onderstaande situaties acht het CIb het van belang om de vermoedelijke bron(nen) te bemonsteren en microbiologisch te onderzoeken:
Bemonstering van potentiële bronnen bij locatie- en geografische
clusters en bij patiënten in zorginstellingen is direct in het
belang van de volksgezondheid.
Bij solitaire patiënten met een positieve sputumkweek is het doel
van de bemonstering vooral wetenschappelijk van aard. Door het
aantonen van een match tussen patiëntenmonster en omgevingsmonster
kan meer inzicht worden verkregen in de bronnen van legionellose.
Omdat in de thuissituatie zelden matches worden gevonden, is bij
patiënten met een positieve sputumkweek bemonstering alleen
geïndiceerd als er (ook) andere potentiële bronnen zijn, zoals
zwembaden, sauna’s of koeltorens.
In bovenstaande situaties kan de GGD bemonstering en
microbiologisch onderzoek van de vermoedelijke bron laten uitvoeren
door BEL. De GGD kan deze kosten declareren ten laste van het
OGZ-diagnostiekbudget. BEL is bereikbaar via het Streeklaboratorium
Haarlem, tel. 023-5307839, e-mail: legionella@streeklabhaarlem.nl.
In overige gevallen zijn de kosten van bemonstering en
microbiologisch onderzoek van een vermoedelijke bron niet
declarabel.
Maatregelen ter preventie van verdere ziektegevallen
Naar aanleiding van de resultaten van het
brononderzoek - soms reeds in afwachting van de resultaten - worden
zo nodig maatregelen genomen om (verdere) infecties door de bron te
voorkomen. De urgentie en uitgebreidheid van de maatregelen zijn
ondermeer afhankelijk van:
Maatregelen kunnen bestaan uit (tijdelijke) sluiting van de
installatie, thermische of chemische desinfectie of het door
technische aanpassingen voorkomen van verneveling van met
legionella besmet water. Daarnaast is het te overwegen om personen
die aan een bevestigde bron zijn blootgesteld en de lokale
huisartsen en specialisten hierover te informeren zodat zij alert
zijn op legionellose.
Als de verwerking van uitgedroogde potgrond als bron wordt gezien,
dan dient de verwerker de potgrond vochtig te houden want dit
vermindert de blootstelling aanzienlijk.
9.2 Contactonderzoek
Niet van toepassing.
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten
Legionella is niet van mens op mens overdraagbaar,
zodat isolatie- (of andere) maatregelen niet nodig zijn.
9.4 Profylaxe
Niet van toepassing.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Legionella is niet van mens op mens overdraagbaar.
Wering is niet van toepassing.
Naar boven
10.1 Meldingsplicht
Legionellapneumonie is een
meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium en de arts
melden een geval van legionellapneumonie aan de GGD. De GGD meldt
anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor
de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten (zie
vragenlijst, bijlage I).
Melding bij:
in combinatie met
bevestiging van de infectie in het laboratorium.
NB. Een patiënt zonder bevestigde pneumonie, maar wel met een bevestiging van de infectie in het laboratorium, dient gemeld te worden als er sprake is van een ernstig verlopend klinisch beeld of als de patiënt gerelateerd is aan een epidemie van legionellose. De positieve testuitslag dient dan middels een andere laboratoriumtechniek bevestigd te worden.
Klinische verschijnselen
Vrijwel altijd acute pneumonie met dikwijls systeemverschijnselen zoals koorts, hoofdpijn, myalgie, diarree, verwardheid.
Laboratoriumdiagnostiek
Isolatie van Legionella-species uit patiëntenmateriaal (respiratoire secreten, bloed).
of
Aantonen vanL. pneumophila-antigeen in de urine met behulp van radio-immuno-assay, enzymen-linked immunosorbent assay of immunochromatografische assay (sneltest).
of
Aantonen van Legionella-species met behulp van een PCR-reactie in klinisch materiaal.
of
Aantonen van een significante titer IgM-antistoffen tegen L. pneumophila met behulp van ELISA en/of agglutinatie-in-microtiter. Cave kruisreacties bij agglutinatie-in- microtiter.
of
Aantonen van een significante titerstijging van antistoffen tegen L. pneumophila.
NB. Een positieve laboratoriumtest dient bij voorkeur te worden bevestigd door ten minste één andere laboratoriumtest.
Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van Artikel 26 Wet publieke gezondheid.
[A] Indien de ziekte (waarschijnlijk) is
opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet de casus door een
geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld bij het Nederlands
Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), www.beroepsziekten.nl/.
Legionella valt in risicoklasse 2 van de biologische agentia.
10.2 Inschakelen van andere instanties
De GGDinformeert de betreffende toezichthouder (zie
LCHV-draaiboek ‘Melding van legionellabacteriën in water’) zodat
deze na kan gaan of de betreffende accommodatie afdoende
maatregelen conform de regelgeving heeft genomen om de kans op
besmetting met legionella te minimaliseren. Neem, indien de patiënt
in Nederland is besmet, tevens contact op met de VROM-Inspectie en
indien het (zorg)instellingen betreft met de regionale Inspectie
voor de Gezondheidszorg. Neem bij mogelijke besmetting buiten de
eigen regio contact op met de GGDdie de mogelijke broninstallatie
in haar werkgebied heeft.
10.3 Andere richtlijnen
LCHV-draaiboek ‘Melding van legionellabacteriën in water’
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en
informatiemateriaal
10.5 Literatuur
Literatuur bij de arbeidsrelevante informatie
Overige geraadpleegde literatuur
LCI herzien november 2007, laatst gewijzigd december 2010
Naar boven
Pdf document - 506KB
Word document - 404KB
Pdf document - 167KB
Pdf document - 38KB
Word document - 197KB
Word document - 55KB