U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Mazelen (morbilli)
LCI oktober 2010
Mazelen is een zeer besmettelijke infectieziekte, die gepaard
gaat met hoge koorts en een grofvlekkig exantheem. Er kunnen
ernstige complicaties optreden zoals pneumonie en encefalitis. Voor
invoering van vaccinatie maakten vrijwel alle kinderen in Nederland
mazelen door. In ontwikkelingslanden is mazelen nog steeds een
belangrijke doodsoorzaak voor kinderen onder de 5 jaar.
Het mazelenvirus werd in 1954 geïsoleerd door Enders en Peebles,
waarna er in het begin van de jaren zestig een effectief levend
verzwakt vaccin beschikbaar is gekomen. Sinds het opnemen van de
mazelenvaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in 1976 is
de incidentie van mazelen in ons land sterk afgenomen.
Naar boven
Mazelenvirus behoort tot de familie van de
Paramyxoviridae, genus Morbillivirus. Andere aan
mazelen verwante virussen uit dit genus zijn runderpestvirus en
canine distemper virus (hondenziekte). Ook zijn verschillende
morbillivirussen beschreven bij zeezoogdieren als zeehonden en
dolfijnen. Het mazelenvirus bestaat uit een enkelstrengs RNA-genoom
dat wordt beschermd door virale eiwitten en omhuld door een
lipidemembraan. Het virus is antigeen stabiel, waardoor het
vaccinvirus een goede bescherming geeft tegen alle thans
circulerende wildtype stammen (er zijn nu 20 genotypen bekend). [1]
Mazelen kent een bifasisch verloop dat zich weerspiegelt in de
klinische symptomen.
In de eerste fase infecteert het mazelenvirus de mens via het
respiratoire epitheel. Lokale vermeerdering van het virus
vindt plaats in de lymfoïde weefsels in de luchtwegen.
De tweede fase kenmerkt zich door een viremie als gevolg van het
circuleren van virusgeïnfecteerde lymfocyten in het bloed. Vrij
virus is bij mazelen vrijwel nooit aanwezig. De viremie resulteert
in een gegeneraliseerde infectie die overlapt met de prodromale
fase. Het virus repliceert nu in lymfocyten van alle lymfoïde
weefsels en organen en verspreidt zich naar endotheelcellen,
epitheelcellen, dendritische cellen en keratinocyten.
Histopathologisch onderzoek van longen en lymfoïde weefsels laat
kenmerkende multinucleaire reuscellen zien, die ontstaan door
celfusie.
Het exantheem ontstaat waarschijnlijk door infectie van het
vasculaire endotheel, waarbij vasodilatatie en permeabilisatie
optreedt. Beschadiging van de respiratoire mucosa heeft hoesten en
verkoudheid (coryza) tot gevolg. Bovendien kan het mazelenvirus
laryngitis, tracheïtis, bronchiolitis en pneumonie veroorzaken. Een
belangrijk kenmerk van mazelen is dat de infectie leidt tot een
tijdelijke immuunsuppressie vanwege de betrokkenheid van lymfocyten
in het replicatieproces van het virus. Complicaties zijn dan ook
vaak het gevolg van secundaire infecties.
De incubatieperiode van expositie tot begin van de prodromale
fase duurt gemiddeld 10 dagen (range 7-14 dagen). De
incubatieperiode van expositie tot begin van het exantheem bedraagt
gemiddeld 14 dagen (range 7-18 dagen). [2]
Complicaties: De complicaties die bij mazelen
optreden hangen samen met het effect van het mazelenvirus op de
luchtwegen en op het immuunsysteem.
De meest voorkomende complicaties zijn otitis media,
laryngotracheobronchitis en bronchiolitis. Deze treden op bij 5 tot
10% van de mazelenpatiënten. Ook pneumonieën komen frequent voor,
bij 1 tot 5% van de mazelenpatiënten. Pneumonie kan veroorzaakt
worden door het mazelenvirus zelf of door een bacteriële
superinfectie.
Encefalitis is een ernstige complicatie, maar komt minder vaak
voor, bij circa 0,1% van de mazelenpatiënten. Hiervan zijn
verschillende vormen bekend: mazelenencefalitis, acute
postinfectieuze encefalitis en subacute scleroserende
panencefalitis (SSPE). De meest ingrijpende hiervan is SSPE, een
progressieve, fatale hersenontsteking waarbij de neuronen worden
geïnfecteerd met het virus. De klinische symptomen van SSPE
manifesteren zich meestal pas een aantal jaren na de infectie. SSPE
ontwikkelt zich bij circa 0,01% van de mazelenpatiënten [4]
De sterfte ten gevolge van mazelen is sterk afhankelijk van de
leeftijd. Zij is het hoogst bij jonge kinderen (onder de leeftijd
van één jaar 0,1%) en meestal het gevolg van een fulminant
verlopende pneumonie.
In ontwikkelingslanden heeft mazelen vaak een ernstig verloop. De
ziekte kan hier, naast de gebruikelijke complicaties leiden tot
hemorragisch exantheem, huidinfecties, diarree, dehydratie,
keratitis en blindheid. De mortaliteit bedraagt tussen de 5 en 10%,
in sommige gebieden nog hoger.
Vanaf het moment dat het exantheem verschijnt zijn er veelal
virusspecifieke IgG- en IgM-antistoffen aantoonbaar. De IgM-titer
stijgt tot een maximum op de tiende dag en daalt vervolgens tot
niet te detecteren waarden na 6 tot 12 weken. De IgG-titer stijgt
tot de dertigste dag, en blijft dan levenslang aantoonbaar.
De concentratie mazelenvirusspecifieke virusneutraliserende
antilichamen in serum is een goede graadmeter voor bescherming
tegen mazelenvirusinfectie: concentraties van meer dan 120 mIU/ml
zijn voldoende voor bescherming. [10,11] Dit verklaart ook waarom
kinderen van moeders die mazelen hebben doorgemaakt voor een groot
deel van het eerste levensjaar beschermd zijn tegen mazelen door
middel van transplacentair verkregen antistoffen. Bij kinderen van
tegen mazelen gevaccineerde moeders is de bescherming door
maternale antistoffen waarschijnlijk korter.
Waar virusneutraliserende antistoffen voldoen voor bescherming
tegen infectie, worden voor het klaren van een mazelenvirusinfectie
cytotoxische T-lymfocyten van cruciaal belang geacht. Dit wordt
mede geïllustreerd door het feit dat patiënten met een
gecompromitteerde cellulaire immuunrespons ernstige complicaties
ontwikkelen na mazelenvirusinfectie, terwijl patiënten met
agammaglobulinemie normaal kunnen herstellen van mazelen. [12]
Het doormaken van mazelen geeft doorgaans levenslange immuniteit.
Herinfectie met mazelenvirus is zeldzaam in mensen met natuurlijke
immuniteit, maar kan voorkomen in mensen met vaccingeïnduceerde
immuniteit. Deze herinfecties verlopen in de regel asymptomatisch
en geven een booster van de mazelenvirusspecifieke antistoftiter.
Naar boven
Een klassiek mazelelenbeeld met hoge koorts, hoesten,
conjunctivitis, Koplikse vlekjes en een grofvlekkig exantheem
beginnend achter de oren en in het gezicht, is ten tijde van een
epidemie door een arts die ervaring heeft met mazelen goed te
herkennen. Voor de huidige generatie artsen is mazelen echter een
zeldzame ziekte geworden, die bovendien niet altijd volgens het
klassieke patroon verloopt en daardoor klinisch gemakkelijk verward
kan worden met andere exantheemziekten. Bij negroïde patiënten is
het exantheem vooral voelbaar. Derhalve is bij het vermoeden van
mazelen laboratoriumbevestiging geïndiceerd, tenzij er een
epidemiologische relatie met een reeds bevestigd geval van mazelen
is en de patiënt niet ernstig ziek is.
Zie ook bijlage II Aanvullende richtlijn gedurende een
mazelenepidemie.
Serologie
Aantonen van mazelenvirusspecifieke IgM-antistoffen uit serum,
vingerprikbloed of speeksel kan tot 6 weken na het ontstaan van het
exantheem. IgM is direct na het optreden van het exantheem al te
bepalen (sensitiviteit > 60-70%). Vier dagen na optreden van het
exantheem is de sensitiviteit hoger dan 90%. De meest voorkomende
oorzaak van een foutnegatieve uitslag is een te vroeg afgenomen
monster, de meest voorkomende oorzaak van een foutpositieve uitslag
is de aanwezigheid van reumafactor.
Ook het aantonen van een ten minste viervoudige titerstijging van
mazelenspecifieke IgG-antistoffen in serum is bewijzend voor een
recente mazeleninfectie.
PCR
Mazelenvirus is met PCR aantoonbaar in bloed, speeksel,
keeluitstrijk of urine. De sensitiviteit van de PCR is bij
materiaal verkregen binnen 3 dagen na het optreden van het
exantheem, hoger dan 80%. Bij later verkregen materiaal daalt de
sensitiviteit snel (50% na 2 weken en lager dan 20% na 3 weken).
Kweek
Kweek van urine of keeluitstrijk. De sensitiviteit van de detectie
van virus middels een kweek is lager dan die via de PCR-methode en
alleen zinvol voor monsters afgenomen binnen 5 dagen na optreden
van het exantheem (www.who.int).
Routinediagnostiek maakt tot nu toe meestal gebruik van het
aantonen van IgM-antistoffen in serum. De meeste laboratoria kunnen
deze bepaling uitvoeren en de uitslag is binnen een week bekend.
Als er alléén een indicatie is vanuit de openbare gezondheidszorg
heeft het de voorkeur minder invasieve diagnostiek aan te bieden.
In een aantal laboratoria is het mogelijk om speeksel, urine en/of
vingerprikbloed te laten onderzoeken, waaronder. RIVM-LIS en
ErasmusMC.
In het kader van de surveillance van mazelenvirussen is het van
belang om het mazelenvirus te typeren. Hoewel mazelenvirus in de
loop van de tijd antigeen zeer stabiel blijkt te zijn, bevat het
virale genoom een aantal regio’s waarin beperkte variatie voorkomt.
Deze variatie kan gebruikt worden voor moleculair epidemiologische
surveillance. [13]
Bij alle solitaire gevallen, en voor tenminste 2 gevallen in ieder
epidemiologisch cluster, wordt daarom gevraagd aan de GGD om er
voor te zorgen dat materialen voor PCR of kweek (urine, speeksel en
een keeluitstrijk) worden ingestuurd naar het
mazelen-rubellareferentielaboratorium (RIVM-LIS of Erasmus MC), ook
als de diagnose reeds bevestigd is door serologisch onderzoek.
Niet van toepassing
Naar boven
De mens is de enige natuurlijke gastheer van het mazelenvirus,
maar apen kunnen ook met het virus besmet worden.
Transmissie van mazelenvirus vindt meestal plaats via
druppelinfectie vanuit de neus- en keelholte van de patiënt. Andere
besmettingswegen zijn direct contact, indirect contact (handen,
deurknoppen) en verspreiding via de lucht over grotere afstanden
door middel van druppelkernen.
4 dagen vóór tot 4 dagen na het van het begin van het exantheem.
Mazelen is één van de meest besmettelijke infectieziekten. Het
aantal secundaire ziektegevallen dat een patiënt met mazelen in een
volledig vatbare populatie veroorzaakt (basale reproductiegetal
R0) is 12 tot 18. [2]
Besmetting tijdens kortdurende expositie (bijvoorbeeld in de
wachtruimte van een huisartsenpraktijk) is beschreven. Het
mazelenvirus kan enkele uren in druppeltjes in de lucht overleven.
De immuniteitsgraad van de bevolking die nodig is om epidemische
verspreiding te voorkomen is erg hoog, minimaal 95%.
Naar boven
Oppervlakken: niet van toepassing
Instrumenten (niet huid- of
slijmvliesdoorborend): niet van toepassing
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):
niet van toepassing
Textiel: niet van toepassing
Intacte huid: niet van toepassing
Niet-intacte huid (wond): niet van toepassing
Handen: standaardmethode 2.4.3
Het virus is labiel en gevoelig voor alcohol 70%, zeep, zuur,
proteolytische enzymen, sterk zonlicht (UV-straling), hitte en
uitdroging. Het overleeft enkele uren in druppeltjes in de lucht,
maar kan lang bewaard worden bij een temperatuur van
-700C graden. [1]
Naar boven
Iedereen die niet gevaccineerd is of op natuurlijke wijze
immuniteit heeft verworven, vooral als er sprake is van clustering
van niet-immune personen in bepaalde woon- of verblijfplaatsen:
Mazelen komt over de gehele wereld voor. Ook in endemische
landen treedt de ziekte meestal op in epidemieën. De omvang en
frequentie van deze epidemieën is afhankelijk van het aantal voor
de ziekte vatbare personen in de bevolking. In gebieden met een
hoog geboortecijfer en een lage vaccinatiegraad treden jaarlijkse
grote epidemieën op onder jonge kinderen. Daarentegen worden er in
een vrijwel volledig gevaccineerde populatie slechts incidenteel
kleine uitbraken gezien, meestal onder wat oudere schoolkinderen.
Vaccinfalen en clustering van niet-gevaccineerden speelt daarbij
een belangrijke rol.
Ondanks het feit dat wereldwijd 80% van de kinderen tegen mazelen
wordt gevaccineerd, is mazelen in ontwikkelingslanden (Azië,
Afrika) en in onveilige regio’s (Afghanistan) een van de
belangrijkste doodsoorzaken voor kinderen onder de 5 jaar.
Intensieve vaccinatiecampagnes door de WHO, VN en andere
organisaties hebben ertoe geleid dat het aantal overledenen aan
mazelen in 2007 wereldwijd gedaald is tot onder de 200.000.
In Europa komt mazelen vooral voor in ongevaccineerde
subpopulaties. In enkele Europese landen ligt de vaccinatiegraad
echter nog ver onder de 95% die nodig is voor een effectieve
populatie immuniteit. Er zijn de laatste jaren in meerdere Europese
landen mazelenuitbraken gerapporteerd. (Data Eurostat/ WHO;
ProMED-mail) [14]
Voor de invoering van mazelenvaccinatie maakte vrijwel iedereen
in Nederland voor de basisschoolleeftijd al mazelen door. Om het
jaar was er een grote, landelijke epidemie. Na de Tweede
Wereldoorlog bedroeg de letaliteit tijdens de epidemieën gemiddeld
zestien per 100.000 gevallen. Bij 5% van de mazelenpatiënten deden
zich complicaties voor in de vorm van pneumonie en andere ernstige
respiratoire aandoeningen. Encefalitis kwam minder vaak voor. De
encefalitisincidentie nam toe met de leeftijd van 1 per 14.000
gevallen bij nul- tot vierjarigen tot 1 per 2500 gevallen bij
personen van tien jaar en ouder. SSPE (subacute scleroserende
panencefalitis) kwam tien à vijftien keer per jaar voor. Na
invoering van vaccinatie tegen mazelen in 1976 nam de incidentie
snel af. In dat jaar werden 2500 gevallen van mazelen bij de IGZ
gemeld, drie jaar later nog 56. In 1983, 1987/88 en 1992/93 waren
er epidemieën onder ongevaccineerden. Daarbij viel op dat een
verschuiving plaatsvond naar oudere leeftijdscategorieën. In
1999/2000 was er een landelijke epidemie die bijna een jaar duurde.
Er werden 3300 patiënten met mazelen gemeld waarvan 95% niet
gevaccineerd was. De belangrijkste complicaties waren otitis media
(7%) en pneumonie (5%). Drie personen overleden ten gevolge van de
ziekte. [15] In 2008 was er een uitbraak in de regio Den Haag, met
circa 100 ziektegevallen zonder sterfgevallen, rond indexpatiënten
die om antroposofische redenen niet gevaccineerd waren. De leeftijd
van deze patiënten was 10-48 jaar. [16]
Naar boven
Specifieke behandeling van mazelen is niet mogelijk.
Symptomatische behandeling bestaat uit bestrijding van koorts en
dehydratie. Bacteriële superinfecties moeten onmiddellijk behandeld
worden, maar het profylactisch voorschrijven van antibiotica om
superinfectie te voorkomen is niet geïndiceerd. In
ontwikkelingslanden wordt, gezien de vaak aanwezige pre-existente
deficiëntie, vitamine A toegediend aan kinderen om de ernst van de
ziekte te verminderen. Het exacte werkingsmechanisme van vitamine A
op het verloop van mazelen is niet bekend. (Zie ook bijlage III
Evidence-based literatuuronderzoek)
Naar boven
Zie voor het beleid in het kader van het RVP ook de jaarlijks
geactualiseerde Richtlijn RVP en de bijbehorende Uitvoeringsregels
RVP, beide van het RIVM, www.rivm.nl/cib/themas/rvp.
A. Samenstelling vaccins
Vaccinatie vindt plaats met levend verzwakt vaccin. Mazelenvaccin
maakt deel uit van de BMR-vaccinatie tegen bof, mazelen en
rodehond. Vaccin dat alleen de mazelencomponent bevat is in
Nederland niet meer verkrijgbaar. Op de Nederlandse markt zijn
momenteel twee mazelenvaccins verkrijgbaar voor zowel het RVP als
voor de algemene bevolking: Priorix® (GSK) en MMR-Vax® (Sanofi
Pasteur MSD NV). Deze zijn onderling uitwisselbaar.
In een normale populatie mag verwacht worden dat meer dan 95% van
de gevaccineerden in reactie op de eerste vaccinatie antistoffen
produceert. De revaccinatie is bedoeld als tweede kans om degenen
waarbij de eerste vaccinatie niet tot immuniteit heeft geleid (=
primair vaccinfalen) alsnog te immuniseren. Hiermee wordt getracht
een optimale groepsimmuniteit voor de drie ziekten te bereiken (en
tevens een maximale individuele bescherming, met name tegen rubella
in de zwangerschap).
B. Indicatie
De volgende groepen hebben een indicatie voor mazelenvaccinatie:
Contra-indicaties
Op theoretische gronden mag het vaccin niet worden gegeven aan
zwangeren. Omdat een risico voor de foetus ten gevolge van
toediening van deze levende virusvaccins in theorie niet kan worden
uitgesloten, dient de gevaccineerde gedurende 4 weken na vaccinatie
zwangerschap te vermijden. Dit geldt voor alle mazelen-, bof-, BMR-
of andere vaccins die een verzwakt levend virus bevatten. [19] Dit
is in tegenspraak met de bijsluiters van deze vaccins waarin een
termijn van 3 maanden wordt geadviseerd.
Het doorgemaakt hebben van bof of rodehond vormt geen
contra-indicatie voor vaccinatie.
Zie voor het volledige overzicht van de contra-indicaties de
bijsluiter van de vaccins.
Bijwerkingen
Bijwerkingen zijn over het algemeen mild en kort van duur. 5 tot 12
dagen na BMR-vaccinatie kan koorts, conjunctivitis en huiduitslag
optreden van één van de vlekjesziektes uit het vaccin (vaccinitis).
Zie voor het volledige overzicht van de bijwerkingen de bijsluiters
van de vaccins.
Anafylactische reacties op het BMR-vaccin werden bij de afdeling
Veiligheidsbewaking van het RVP (vanaf 1962) nog nooit gemeld.
In 1998 werd in Engeland gesuggereerd dat BMR-vaccinatie in verband
gebracht zou kunnen worden met verhoogd risico op het ontstaan van
autisme. [20] Een causale relatie werd door aanvullend onderzoek
echter herhaaldelijk ontkend en in 2010 is het bewuste artikel door
het tijdschrift (Lancet) ingetrokken. [21, 22, 23] Ook het ontstaan
van hersenbeschadiging, ontwikkelingsachterstand, epilepsie of
verhoogd risico op wiegendood is nooit door epidemiologische
studies bevestigd, waardoor causale associatie onwaarschijnlijk
lijkt.
Interacties
Verschillende levend verzwakte vaccins dienen simultaan of met een
minimum interval van > 3 weken na elkaar toegediend te worden,
omdat levend verzwakte vaccins de productie van interferonen
induceren gedurende 1 tot 2 weken na toediening.
Tussen levend verzwakte en geïnactiveerde vaccins hoeft geen
interval in acht genomen te worden.
Bij toediening tegelijk of kort na elkaar van levend verzwakt
vaccin en immunoglobuline kan interferentie optreden indien in het
immunoglobuline specifieke antistoffen aanwezig zijn tegen in het
vaccin aanwezig(e) virus(sen). Hetzelfde geldt ook voor bloed en
bloedproducten. Levend verzwakt vaccin dient > 14 dagen voor of
> 6 weken (bij voorkeur 3 maanden) na intramusculaire toediening
van immunoglobuline te worden gegeven. Na toediening van IVIG
(intraveneus immunoglobuline) wordt aanbevolen om de vaccinatie 5-6
maanden uit te stellen.
C. Vaccinatieschema
De BMR-vaccinatie wordt als onderdeel van het RVP twee keer gegeven
op de leeftijd van 14 maanden en 9 jaar.
Niet-immune oudere kinderen en volwassenen kunnen zo nodig ook
gevaccineerd worden met BMR.
D. Bescherming, beschermingsduur en revaccinatie
De verwachting is dat mazelenvaccinatie levenslang tegen de ziekte
beschermt. [24, 25] Primair vaccinfalen treedt op
bij ca 5% van de gevaccineerden. Naast de mogelijkheid van fouten
bij de toediening kan dit te wijten zijn aan gebrek aan opbouw van
immuniteit na één dosis vaccin. Hierbij zouden genetische factoren
een rol kunnen spelen. [26.] De hoeveelheid door vaccin
geïnduceerde antistoffen kan na verloop van tijd afnemen
(secundair vaccinfalen). Wat dit voor gevolgen
heeft voor de bescherming op latere leeftijd is nog onvoldoende
bekend.
E. Vaccinatieprogramma’s
Mazelenvaccinatie (BMR) is in Nederland opgenomen binnen het RVP
(met 14 maanden en 9 jaar)
Een éénmalige monovalente mazelenvaccinatie werd in 1976 opgenomen
in het RVP en werd toen aangeboden aan alle kinderen die na 1975
geboren zijn. In 1987 is de BMR ingevoerd als 2-dosesschema op de
leeftijd van 14 maanden en 9 jaar. Omdat mazelen zeer besmettelijk
is, hebben de meeste volwassenen geboren voor 1965 de ziekte
doorgemaakt en als gevolg daarvan natuurlijke immuniteit verworven.
Volwassenen geboren tussen 1965 en 1975 zijn mogelijk minder goed
beschermd omdat er in hun kinderjaren ten gevolge van de vaccinatie
minder circulatie van het mazelenvirus was.
A. Samenstelling
Mazelenimmunoglobuline heeft een specifieke immuniserende werking
tegen het mazelenvirus. De antistoffen neutraliseren het virus,
waardoor het niet meer kan binden aan de targetcellen. In Nederland
is echter geen mazelenimmunoglobuline verkrijgbaar. Daarom wordt
ter voorkoming van mazelen in bijzondere gevallen binnen één week
na blootstelling aan het virus humaan gammaglobuline gegeven. Het
is echter op dit moment niet bekend of humaan gammaglobuline nog
voldoende mazelenvirusspecifiek immunoglobuline bevat om
daadwerkelijk bescherming te bieden. (Zie ook bijlage III
Evidence-based literatuuronderzoek)
B. Indicatie
Humaan gammaglobuline kan als postexpositieprofylaxe worden
overwogen liefst binnen 72 uur, en anders binnen 7 dagen na
blootstelling bij personen met een verhoogd risico op ernstig
beloop van mazelen:
C. Doseringsschema
Voor zuigelingen van niet-immune moeders is de dosering 0,6 ml per
kg, met een maximum van 5 ml, intramusculair toe te dienen.
Voor niet-immune zwangeren is de dosering 15 ml, intramusculair toe
te dienen. [27]
Bij postexpositieprofylaxe voor immuno-incompetenten dient altijd
overlegd te worden met de behandelend arts.
Aangezien mazelen zeer besmettelijk is, zijn algemene
maatregelen zoals handenwassen en hoesthygiëne niet voldoende om
transmissie te voorkomen.
Personen met een verhoogd risico op ernstig beloop van mazelen, met
name (nog) ongevaccineerde jonge kinderen, niet-immune zwangeren en
immuno-incompetente personen dienen contact met zieken te
vermijden. In de klinische setting wordt isolatie toegepast.
Hiervoor geldt de WIP-richtlijn ‘ Aerogene isolatie’.
Naar boven
Een geval van mazelen (buiten de situatie van een epidemie) is
uitzonderlijk. Bronopsporing is de verantwoordelijkheid van de GGD
nadat deze een melding van mazelen heeft ontvangen, waarbij vooral
gelet moet worden op mogelijke import van de ziekte uit het
buitenland. Bij solitaire gevallen van mazelen is moleculaire
typering met behulp van PCR aangewezen om de herkomst van het virus
te achterhalen. Duidelijkheid over de mondiale transmissieroutes is
van belang in het kader van het eliminatiestreven van de WHO.
Naar aanleiding van een melding van mazelen moet de
vaccinatiestatus van de kinderen, volwassenen en medisch/verzorgend
personeel in de omgeving van de patiënt worden nagegaan. Hierbij
zal vooral de vaccinatiestatus in de schoolklas, kindercentrumgroep
of werkomgeving van de mazelenpatiënt moeten worden nagevraagd. Aan
onbeschermde contactpersonen moet zo spoedig mogelijk
BMR-vaccinatie worden aangeboden. Indien het een solitair geval van
mazelen betreft, dat niet met andere door laboratoriumonderzoek
bevestigde gevallen in verband gebracht kan worden, is het
geïndiceerd om de diagnose te laten bevestigen (zie paragraaf 3)
alvorens tot maatregelen over te gaan. Wanneer in een cluster van
mazelengevallen de diagnose bij een aantal personen is bevestigd
met laboratoriumonderzoek, en een epidemiologische link voldoende
waarschijnlijk is bij de overige gevallen uit dit cluster, behoeven
deze niet meer te worden bevestigd met laboratoriumonderzoek.
In een klinische situatie verblijft de patiënt tot 7dgn na
uitbreken van exantheem in isolatie, zie de WIP-richtlijn
'Aerogene isolatie' en 'Indicaties voor isolatie'.
BMR-vaccinatie na blootstelling aan mazelen kan mogelijk enige
bescherming bieden tegen mazelen. De vaccinatie moet dan wel zo
spoedig mogelijk worden gegeven, liefst binnen 24 uur, uiterlijk
binnen 72 uur na blootstelling. Toediening binnen 72 uur geeft
echter niet altijd voldoende bescherming. (WETS 08)
Aan immuno-incompetenten, niet-immune zwangeren en kinderen onder
de 6 maanden van niet-immune moeders kan, liefst binnen 72 uur en
anders binnen 7 dagen na besmetting, immuunglobuline worden
gegeven, zie paragraaf 8.1, en bijlage I en bijlage III
Evidence-based literatuuronderzoek.
Passieve en actieve vaccinatie kunnen niet worden gecombineerd.
Mazelen is zeer besmettelijk al vanaf 4 dagen voor het ontstaan
van het exantheem. Besmetting van mensen in de nabije omgeving
heeft dus meestal al plaatsgevonden voordat de diagnose is gesteld.
Patiënten met mazelen zijn bovendien vaak te ziek om werk, school
of kindercentrum te bezoeken. Wering van mazelenpatiënten van
werk/school/kindercentrum is daarom meestal niet zinvol en niet
nodig.
Echter als de patiënt gedurende de 4 dagen voorafgaand aan het
ontstaan van het exantheem elders verbleef kan wering – zeker bij
een solitaire patiënt – wel zinvol zijn.
Het weren van niet-gevaccineerde kinderen van school of
kindercentrum ten tijde van een mazelenepidemie wordt ook niet
zinvol geacht. Dit zou een zeer ingrijpende en langdurige maatregel
zijn met een twijfelachtig effect. Transmissie van mazelenvirus
vindt ook buiten school en kindercentrum plaats, via
familiecontacten, buurtcontacten, kerken en verenigingen.
Naar boven
Mazelen is een meldingsplichtige ziekte groep B2. Artsen en
hoofden van laboratoria melden een vastgesteld geval van mazelen
binnen 1 werkdag aan de GGD in de regio. De GGD meldt anoniem
conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de
landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriterium:
Een persoon met een herkenbaar begin van symptomen:
én
én
én
Als zich in een instelling, school of kindercentrum één of meerdere
gevallen met klachten en symptomen passend bij mazelen voordoen, is
er sprake van de meldingsplicht op basis van Artikel 26 van de Wet
publieke gezondheid.
Niet van toepassing.
1. Plotkin SA, Orenstein WA. Vaccines; 5th edition,
Philadelphia: WB Saunders. 2008; ISBN9781416036111.
2. Burgmeijer R, Hoppenbrouwers K en Bolscher N.
Vaccinaties bij Kinderen, deel A en deel B. 2007. Koninklijke van
Gorcum. ISBN 9789023243380 /ISBN 9789023243397.
3. Mandell GL, Bennett JE, Dolin R. Mandell, Douglas
and Bennett’s principles and practice of infectious diseases.
6th edititon. 2004. ISBN 0443066434.
4. Bellini WJ, Rota JS, Lowe LE, Katz RS, Dyken PR,
Zaki SR, Shieh WJ, Rota PA. Subacute sclerosong panencephalitis:
More cases of this fatal disease are prevented by measles
immunization than was previously recognized. JID
2005;192:1686-1693.
5. Kaplan LJ, Daum RS, Smaron M, McCarthy CA. Severe
meales in immunocompromised patients. JAMA.1992; 267(9) 1237-1241.
6. Ornoy A, Tennenbaum A. Preganacy outcome following
infections by coxakie, echo, measles, mumps, hepatitis and
encephalitis viruses. Reproductive Toxicology. 2006; 21 446-457.
7. Morgan-Capner P, Crowcroft NS. Guidelines on the
management of, and exposure to, rash illness in pregnancy
(including consideration of relevant antibody screening programmes
in pregnancy). Communicable Disease and Public Health. 2002;
(5)59-71.
8. Ali E, Albar HM. Measles in pregnancy: Maternal
morbidity and perinatal outcome. Int. J. Gynecology and Obstetrics.
1997; 59 109-113.
9. Eberhard-Phillip JE, Frederick PD, Baron RC, Mascola
L.Measles in pregnancy:a descriptive study of 58 cases. Obstet and
Gynocol.1993; 82(5) 797-801.
10. Chen RT, Markowitz LE, Albrecht P, Stewart JA, Mofenson LM,
Preblud SR. Measles antibody: reevaluation of prtective titers. JID
1990;162:1036-1042.
11. Samb B, Aaby P, Whittle HC, Seck AM, Rahman S, Bennett J.
Serologic status and measles attack rates among vaccinated and
unvaccinated children in rural Senegal. PIDJ 1995;14:203-209.
12. Good RA, Zak SJ. Disturbances in gamma globulin synthesis as
“experiments of nature”. Pediatrics1956;18:109-149.
13. Rota PA, Featherstone DA, Bellini WJ. Molecular epidemiolog of
measles virus. Curr Top Microbiol Immunol 2009:330:129-150.).
14. Lier EA van, Havelaar AH, Nanda, A. The burden of infectious
diseases in Europe: A Pilot study. Eruosurveillance. 2007;12(10-12)
327-333.
15. Binnendijk RS van, Van den Hof S, van den Kerkhof H et al.
(2003). Evaluation of serological and virological tests in the
diagnosis of clinical and subclinical measles virus infections
during an outbreak of measles in The Netherlands. J.Inf.Dis 188,
989-903.
16. Hahne S, te Wierik MJ, Mollema L, van Velzen E, de Coster E,
Swaan C, de Melker H, van Binnendijk R. Measles outbreak, the
Netherlands, 2008. Emerg Infect Dis 2010;16(3):567-9.
17. Swart RL de, Wertheim-van Dillen PME, van Binnendijk RS, Muller
CP, Frenkel J, Osterhaus ADME. Measles in a Dutch hospital
introduced by an immuno-compromised infant from Indonesia infected
with a new virus genotype. Lancet. 2000; 355(1) 201-202.
18. Wetsteyn JCFM, de Rond WM, Schreurder MC, de Boer HE, van
Binnendijk RS and Wolthers KC. Een Uitbraak van mazelen op de
spoedeisende hulp. NTVG. 2008;152(37) 2032-2036.
19. Centers for Disease Control and Prevention (CDC) Revised ACIP
recommendation for avoiding pregnancy after receiving a
rubella-containing vaccine . MMWR. 2001;50:1117.
20. Wakefield AJ, Murch SH, Anthony A, Linnell J, Casson DM, Malik
M et al. Ileal-lymphoid-nodular hyperplasia, non-specific colitis,
and pervasive developmental disorder in children. Lancet. 1998;
351(2) 637-641.
21. Gezondheidsraad.
www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/2007@04N.pdf.
22. Kaye JA, Del-Mar-Melero MM, Jick H. Mumps, measles, and rubella
vaccine and the incidence of autism recorded by general
practitioners: A time trend analysis. B. Med. J. 2001; 322(72840)
460-463.
23. Madsen KM, Hviid A, Vestergard M, Schendel D, Wohlfahrt J,
Thorsen P, et al. A population-based study of measles, mumps and
rubella vaccination and autism. Mew Engl J Med. 2002; 347(19)
1477-1482.
24. Amanna IJ, Carlson NE, Slifka MK. Duration of humoral immunity
to common viral and vaccine antigens. N Eng J Med. 2007;
357(19):1903-1915.
25. Anders JF Jacobson RM, Poland GA, Jacobson SJ, Wollan PC.
Secondary failiure rates of measles vaccines: A meta-analysis of
published studies. Ped Inf Dis J. 1996; (15) 62-66.
26. Jacobson RM, Poland GA. The genetic basis for measles vaccine
failiure. 2004 . Acta Pediatrica, International Journal of
Pediatrics, Supplement 93(445):43-47.
27. Health Protection Agency: Post exposure prophylaxis for measls:
revised guidance. May 2009,
www.hpa.org.uk/web/HPAwebFile/HPAweb_C/1238565307587.
Pdf document - 203KB
Pdf document - 23KB
Pdf document - 109KB
Pdf document - 27KB
Pdf document - 169KB