U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Pertussis
LCI/Gr maart 2005, laatst gewijzigd december 2010
Kinkhoest is een acute besmettelijke ziekte van de tractus respiratorius. Zij wordt veroorzaakt door de bacterie Bordetella pertussis en minder frequent door Bordetella parapertussis. Het langdurige hoesten wordt veroorzaakt door toxines. Sterfte ten gevolge van kinkhoest komt weinig voor en dan voornamelijk bij kinderen jonger dan een half jaar. Zuigelingen worden niet of nauwelijks beschermd door maternale antistoffen. Vaccinatie biedt wel bescherming tegen de ziekte. Die bescherming neemt echter in de loop der tijd af. Kinkhoest bij gevaccineerde personen verloopt in het algemeen licht.
2.1 Verwekker
Bordetella pertussis is een aërobe,
gramnegatieve bacterie die diverse toxines produceert.
Ook Bordetella parapertussis, nauw verwant aan B.
pertussis kan een kinkhoestachtig ziektebeeld veroorzaken.
2.2 Pathogenese
B. pertussis en B. parapertussis
hechten zich aan het trilhaarepitheel in de luchtwegen en
produceren daar meerdere lokaal werkende toxinen. B.
pertussis produceert in tegenstelling totB.
parapertussis bovendien pertussistoxine. (Omdat
pertussistoxine lymfocytose veroorzaakt wordt het ook wel
‘lymfocytosis promoting factor’ of ‘LPF’ genoemd). Lokale
necrotiserende weefselschade, ontstaan door de inwerking van
toxine, leidt tot de typische hoest en vormt mogelijk ook de
uitlokkende factor voor apneus bij zuigelingen.
B. pertussis is niet invasief.
2.3 Incubatieperiode
7 tot 10 dagen, nooit langer dan 21 dagen.
2.4 Ziekteverschijnselen
Kinkhoest begint met een catarraal stadium: een
gewone (neus)verkoudheid en algeheel malaisegevoel. Vooral ‘s
nachts is er een harde droge prikkelhoest. Later treedt deze hoest
ook overdag op. Na één tot twee weken gaat het catarrale stadium
over in een paroxysmaal stadium: verscheidene expiratoire
hoeststoten, die elkaar snel opvolgen, waarna een lange piepende
inhalatie volgt. De patiënt kan vijf tot vijftien hoeststoten
hebben, voordat hij ademhaalt en dit kan wel vijftig keer per
etmaal optreden. Het hoesten gaat gepaard met het opgeven van
helder, taai sputum. Soms braakt de patiënt. Dit paroxysmale
stadium kan ruim twee weken duren. In het derde stadium, het
reconvalescentie stadium gaan de typische hoeststoten over in een
losse hoest die nog enkele weken duurt.
Bij zuigelingen kunnen in het catarrale stadium niet-specifieke
symptomen zoals voedingsstoornissen en niet goed groeien op de
voorgrond staan. Bij pasgeborenen en prematuren kan kinkhoest zelfs
geheel atypisch verlopen met apneus en cyanose terwijl het hoesten
ontbreekt.
Bij personen die gedeeltelijk immuun zijn (gevaccineerde kinderen,
volwassenen) kan een milder beeld optreden met langdurig hoesten
als enige symptoom.
2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop
Niet of gedeeltelijk gevaccineerde zuigelingen
jonger dan een jaar hebben een verhoogd risico op complicaties. Bij
hen kan cerebrale schade ontstaan door hypoxie tijdens hoestbuien
of door apneu. Ook kinderen met ernstige hart- of longafwijkingen
hebben bij kinkhoest een verhoogd risico op complicaties door
hypoxie.
Ten gevolge van de verhoogde druk door het hoesten kunnen
subconjunctivaal, in de alveoli of intracerebraal, bloedingen
ontstaan.
De meest voorkomende complicatie van kinkhoest is een secundaire
pneumonie.
Sterfte ten gevolge van kinkhoest komt in Westerse landen weinig
voor, en dan voornamelijk bij ongevaccineerde kinderen jonger dan
een half jaar. In ontwikkelingslanden zonder vaccinatieprogramma
maar met ondervoeding en vele onderliggende infecties verloopt
kinkhoest vaker fataal, ook bij peuters.
2.6 Immuniteit
Het doormaken van kinkhoest geeft
geen levenslange immuniteit.
Vier tot twintig jaar na doorgemaakte kinkhoestinfectie neemt de
immuniteit af. Ook vaccinatie beschermt niet levenslang maar circa
vier tot twaalf jaar. Zowel doorgemaakte infectie als vaccinatie
beschermen langer tegen klinische verschijnselen van kinkhoest dan
tegen infectie. Na hernieuwd contact met B. pertussis
treedt een boostereffect op en is men weer tijdelijk immuun.
Hoewel er wel transplacentaire overdracht van antistoffen tegen
pertussis mogelijk is, bieden maternale antistoffen in de praktijk
nauwelijks bescherming aan de pasgeborene. De antistoftiter bij de
moeder is over het algemeen laag en de overgedragen antistoffen
worden door het kind snel afgebroken. (Hea04)
3.1 Microbiologische diagnostiek
Kweek
Kweek van nasofaryngeaal materiaal wordt in de
praktijk bij individuele diagnostiek weinig meer toegepast, maar is
wel van belang in het kader van surveillance van circulerende
stammen. Kweek heeft een hoge specificiteit maar een lage
sensitiviteit. Ongeveer vier weken na het begin van de ziekte is de
kweek vrijwel altijd negatief, behalve bij kinderen < 1 jaar bij
wie de bacterie zich langer kan handhaven.
Nota bene: Voor de kweek van B. pertussis is specifiek
afnamemateriaal (dacronwattenstok) en transportmedium
noodzakelijk.
PCR
PCR op nasofaryngeaal materiaal heeft een hogere
sensitiviteit dan kweek, maar ook hier geldt dat het materiaal bij
voorkeur zo vroeg mogelijk in de ziekte wordt afgenomen (eveneens
met dacronwattenstok).
Serologie
Na infectie met B. pertussis worden
antistoffen gevormd tegen de verschillende antigenen van de
bacterie. De antistofrespons wordt beïnvloed door leeftijd,
vaccinatiestatus, reeds eerder doorgemaakte infectie en
tijdsverloop sinds de eerste ziektedag.
Het RIVM dat een groot deel van de kinkhoestdiagnostiek in
Nederland verzorgt bepaalt IgA tegen B. pertussis en IgG
tegen pertussistoxine en interpreteert de uitslag aan de hand van
de leeftijd en klinische gegevens. Vaak volstaat eenpuntsserologie.
Als echter in het eerste serum de antistoftiters onder het niveau
zijn dat specifiek is voor een actuele of zeer recente infectie dan
dient enkele weken later een tweede serum onderzocht te worden. De
immuunrespons kan namelijk traag verlopen. Ook bij personen die
recent (korter dan één jaar geleden) gevaccineerd zijn met
acellulair kinkhoestvaccin is tweepuntsserologie noodzakelijk om
door middel van titerstijging een recente infectie aan te tonen.
Vaccinatie met aK kan namelijk een sterke antistofrespons
veroorzaken waardoor eenpuntsserologie niet meer betrouwbaar is.
De interpretatie van kinkhoestuitslagen van andere laboratoria is
afhankelijk van de gebruikte testen. Niet alle in omloop zijnde
testen zijn gevalideerd en gestandaardiseerd.
De keuze voor PCR of serologie is afhankelijk van de ziekteduur.
Bij een ziekteduur minder dan drie weken is B. pertussis
vaak nog aanwezig in de nasofarynx en heeft PCR de voorkeur. Indien
de PCR negatief is wordt alsnog serologie ingezet.
Als het hoesten langer dan drie weken duurt heeft serologie de
voorkeur, behalve bij kinderen <1 jaar bij wie PCR en/of kweek
zinvol is ongeacht de ziekteduur.
3.2 Overige diagnostiek
Bij patiënten met kinkhoest veroorzaakt door
B.pertussis wordt vaak een lymfocytose gezien, met name
bij zuigelingen en ongevaccineerden. Een infectie met
B.parapertussis veroorzaakt geen lymfocytose omdat deze
bacterie geen pertussistoxine produceert.
4.1 Reservoir
De mens.
4.2 Besmettingsweg
Transmissie vindt plaats door het aanhoesten van
druppeltjes vanuit de keelholte van de patiënt.
4.3 Besmettelijke periode
Besmettelijkheid is het grootst in het begin van
het catarrale stadium, voordat de typische hoestbuien beginnen en
duurt tot vier weken nadat deze hoestbuien begonnen zijn. Door
antibioticatherapie wordt de besmettelijkheid teruggebracht tot
vijf à zeven dagen na de start van de therapie.
4.4 Besmettelijkheid
Kinkhoest is zeer besmettelijk. Bij blootstelling
aan een symptomatische kinkhoestpatiënt binnen het gezin raakt 90%
van de onbeschermde contacten geïnfecteerd.
Kinkhoest wordt overgebracht door patiënten met een symptomatische
infectie. Met name in landen met een hoge vaccinatiegraad spelen
adolescenten en volwassenen een steeds belangrijkere rol in de
transmissie van kinkhoest.
Oppervlakken: niet van toepassing
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend): niet van
toepassing
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend): niet van
toepassing
Textiel: niet van toepassing
Intacte huid: niet van toepassing
Niet-intacte huid: niet van toepassing
Handen:standaardmethode 2.4.3.
6.1 Risicogroepen
Iedereen die niet (meer) beschermd is door
vaccinatie of een doorgemaakte infectie kan (opnieuw) kinkhoest
krijgen.
6.2 Verspreiding in de wereld
Kinkhoest komt wereldwijd voor. Naar schatting van
de WHO zijn er jaarlijks 45 miljoen ziektegevallen en 400.000
sterfgevallen door kinkhoest. Er zijn grote verschillen in de
gerapporteerde incidentie, deels reëel door verschillen in de
preventie- en bestrijdingsstrategie, deels ook door verschillen in
diagnose en rapportagecriteria.
6.3 Voorkomen in Nederland
Sinds 1996 is het aantal gevallen van kinkhoest in
Nederland toegenomen. Jaarlijks worden er nu 4000 tot 8000 gevallen
van kinkhoest gemeld. In 250 tot 500 gevallen is ziekenhuisopname
noodzakelijk. Sterfte ten gevolge van kinkhoest komt weinig voor
(in de orde van één geval per jaar) en treedt met name op bij
ongevaccineerde zuigelingen.
De hoestbuien bij kinkhoest zijn het gevolg van de schade aan
het epitheel van de luchtwegen. B. (para)pertussis is
alleen in het catarrale en vroeg-paroxismale stadium in de
luchtwegen aantoonbaar. Door behandeling met macroliden wordt de
bacterie geëlimineerd en secundaire ziektegevallen voorkomen. Het
is onduidelijk of behandeling in het catarrale stadium tot een
klinisch relevante verkorting van de ziekteduur of vermindering van
de ernst van de symptomen leidt.
In het verleden werd bij kinkhoest erytromycine gedurende veertien
dagen voorgeschreven. Uit recent onderzoek blijken echter een
kortere behandelduur met erytromycine en behandeling met
azitromycine of claritromycine ook effectief. (Zie voor behandeling
en profylaxe 9.4)
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling de
richtlijn van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid:
http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=317
8.1 Immunisatie
Passief
Niet van toepassing.
Actief
Er zijn zowel cellulaire als acellulaire vaccins
beschikbaar. Beide vaccins moeten intramusculair worden toegediend.
De dosis voor DKTP is 1 ml per injectie, voor aK-vaccin 0,5 ml. De
voorkeursplaats voor injectie bij kinderen tot twee jaar is de
Musculus vastus lateralis. Bij oudere kinderen komt de Musculus
deltoideus het eerst in aanmerking; de Musculus triceps is een
alternatief.
Cellulaire vaccins
Cellulaire vaccins zijn gemaakt van gedode, hele
bacteriën. Zij bevatten veel antigenen en veroorzaken soms milde
bijwerkingen. In het Nederlandse Rijksvaccinatieprogramma werd tot
2005 cellulair kinkoestvaccin gebruikt in de DKTP-inenting. De
bescherming van de verschillende cellulaire kinkhoestvaccins is
wisselend. De K-component van de Nederlandse DKTP-inenting leek
sinds 1994 minder effectief te zijn geworden, mogelijk door
verandering in de circulerende B. pertussisbacteriën. Er
kunnen lokale en systemische reacties optreden die vrijwel altijd
na vaccinaties worden gezien, zoals roodheid, pijn en zwelling op
de plaats van injectie alsmede huilen en wat hangerigheid. Heftige
bijwerkingen van het DKTP-vaccin zijn vrijwel altijd toe te
schrijven aan de K-component daarin. Er blijkt geen oorzakelijk
verband te bestaan tussen kinkhoestvaccinatie en epilepsie. Wel is
het zo dat er bij het syndroom van West (een vorm van epilepsie)
een relatie bestaat tussen het manifest worden van de ziekte en
vaccinatie. De eerste verschijnselen treden vaker dan gemiddeld
kort na vaccinatie op. Later na vaccinatie is de kans juist kleiner
dan gemiddeld, er is dus geen sprake van een toename van de ziekte,
maar van een verschuiving van het manifest worden ervan.
(Re-)vaccinatie met cellulaire vaccins na de leeftijd van vier tot
zes jaar wordt onwenselijk geacht vanwege de bijwerkingen.
Acellulaire vaccins
Acellulaire vaccins bevatten in verschillende
combinaties de eiwitcomponenten pertussistoxine, pertactine,
filamenteus hemagglutinine en fimbriae. De effectiviteit van het
vaccin hangt af van het aantal componenten. Er kunnen lokale en
systemische reacties optreden die vrijwel altijd na vaccinaties
worden gezien, zoals roodheid, pijn en zwelling op de plaats van
injectie alsmede huilen en wat hangerigheid. Acellulaire vaccins
kunnen wel gebruikt worden voor (re-)vaccinatie op latere leeftijd,
het is echter nog niet duidelijk hoe vaak men vaccinatie mag
herhalen.
Vaccinatie tegen kinkhoest is sinds 1953 opgenomen in het
Rijksvaccinatieprogramma.
Tot 2005 werd op de leeftijd van twee, drie, vier en elf maanden
een DKTP-injectie gegeven met een cellulaire K-component en op de
leeftijd van vier jaar een vaccinatie met acellulair
kinkhoestvaccin. Vanaf begin 2005 wordt ook in het eerste
levensjaar een acellulair kinkhoestvaccin gebruikt.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Hoesthygiëne.
Contact van nog ongevaccineerde zuigelingen met
hoestende en niezende personen dient men te vermijden.
9.1 Bronopsporing
Bronopsporing is niet nodig.
Er worden geen maatregelen geadviseerd ten aanzien van de bron.
9.2 Contactonderzoek
Ga altijd na of er in de directe omgeving van een
kinkhoestpatiënt personen zijn met een verhoogd risico op een
ernstig beloop van kinkhoest.
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten
Het doel van de maatregelen naar aanleiding van een
geval van kinkhoest is uitsluitend de preventie van ernstige
complicaties van kinkhoest bij contacten. Gezien het veelvuldig
voorkomen van niet als zodanig herkende kinkhoestinfecties bij
volwassenen hebben maatregelen naar aanleiding van het relatief
kleine aantal gemelde gevallen geen effect op de circulatie van
B. pertussis.
Voordat er tot maatregelen wordt overgegaan dient de diagnose
kinkhoest bij de indexpatiënt door laboratoriumonderzoek bevestigd
te zijn. Echter als er in het gezin een niet- of onvolledig
gevaccineerde zuigeling aanwezig is dient, bij verdenking van
kinkhoest bij een van de gezinsleden, in afwachting van de
laboratoriumdiagnostiek reeds gestart te worden met behandeling en
profylaxe. Maatregelen buiten het gezin worden alleen ingesteld na
overleg met de GGD en als de diagnose bij de indexpatiënt bevestigd
is door laboratoriumonderzoek.
Onderbouwing
Klinische diagnose van kinkhoest is niet
betrouwbaar. Met bevestiging door laboratoriumonderzoek wordt
voorkomen dat er ten onrechte profylaxe wordt ingesteld.
Gezinssituatie
Maatregel
Indien een kinkhoestpatiënt deel uitmaakt van een
gezin met niet of onvolledig gevaccineerde kinderen < 1 jaar of
kinderen die op het punt staan om geboren te worden (zwangerschap
> 34 weken) is chemoprofylaxe voor alle gezinsleden geïndiceerd.
Elke vaccinatie draagt bij aan bescherming en na 3 vaccinaties
(gegeven tussen 2 tot 4 maanden) zijn kinderen beschermd tegen
kinkhoest. De vervolgvaccinaties (11 maanden en 4 jaar) zorgen voor
een langere bescherming.
Onderbouwing
Profylaxe voor de zuigeling zelf
beschermt deze tegen ernstige symptomen van de
ziekte. (Gra87) (Buy95-7) Profylaxe voor de overige gezinsleden
wordt ingesteld om verdere transmissie binnen het gezin te stoppen.
(Ser95) (Hal99)
Maatregel
Profylaxe moet ingesteld worden binnen drie weken
na de aanvang van de hoestbuien bij de indexpatiënt.
Onderbouwing
De attack-rate in gezinnen die na drie weken met
profylaxe starten is gelijk aan attack-rate in gezinnen zonder
profylaxe. (Ser95)
Maatregel
Overweeg bij nog ongevaccineerde zuigelingen in het
gezin van een kinkhoestpatiënt om tevens vervroegd te starten met
vaccinatie, vanaf de leeftijd van vier weken.
Onderbouwing
Vaccinatie geeft langdurigere bescherming dan
profylaxe.
Maatregel
Indien een kinkhoestpatiënt deel uitmaakt van een
gezin waar een van de kinderen een verhoogd risico heeft op
complicaties van kinkhoest door ernstig onderliggend hart- of
longlijden kan profylaxe voor alle gezinsleden overwogen worden.
Overleg hierover met de behandelend specialist.
Onderbouwing
Profylaxe voor het kind zelf beschermt het tegen
ernstige symptomen van de ziekte. Profylaxe voor de overige
gezinsleden wordt ingesteld om verdere transmissie binnen het gezin
te stoppen.
Maatregel
Indien er in het gezin van een kinkhoestpatiënt een
kind is met verhoogd risico wordt bij alle kinderen de
vaccinatiestatus gecontroleerd en zo nodig op peil gebracht.
Onderbouwing
Ter preventie van reïntroductie van kinkhoest in
het gezin. Vaccinatie geeft langdurigere bescherming tegen
kinkhoest dan profylaxe.
Verblijfsinstelling
Maatregel
Indien in een verblijfsinstelling zoals een
verpleeghuis of een instelling voor mensen met een beperking één of
meer gevallen van kinkhoest worden vastgesteld en er zijn tevens
personen aanwezig met een verhoogd risico op ernstig beloop van
kinkhoest kan profylaxe overwogen te worden.
Onderbouwing
De omvang van de outbreak, de intensiteit van de
onderlinge contacten, de vaccinatietoestand van de bewoners en het
risico op complicaties van kinkhoest zijn bepalend voor het
vaststellen van de doelgroep voor profylaxe.
In de literatuur zijn enkele outbreaks beschreven waar profylaxe effectief is gebleken om de transmissie te doorbreken. (Ste88) ( Fis89)
Maatregel
In plaats van profylaxe kan ook overwogen worden om
verscherpte surveillance in te stellen.
Onderbouwing
Door verscherpte surveillance worden vroegtijdig
nieuwe gevallen opgespoord. Behandeling in een vroeg stadium
vermindert de besmettelijkheid en zodoende de kans op verspreiding
binnen de instelling. Het is onduidelijk of vroegbehandeling, in
het catarrale stadium, tot een klinisch relevante verkorting van de
ziekteduur of vermindering van de symptomen leidt. (Ber87) (Wir98)
Echter na bekende blootstelling is bij personen met klachten die
een verhoogd risico hebben op ernstig beloop vroegbehandeling
liefst na afname van materiaal voor diagnostiek toch aan te
raden.
Ziekenhuis
Maatregel
Indien in een ziekenhuis kinkhoest wordt
vastgesteld bij een medewerker of patiënt dient te worden nagegaan
of deze intensief contact heeft gehad met patiënten met een
verhoogd risico op ernstig beloop van kinkhoest. Vanwege de
dynamiek in deze setting (opnameduur, overplaatsingen,
dienstroosters) is het van belang goed in kaart te brengen wie,
wanneer in welke mate contact heeft gehad met de kinkhoestpatiënt.
Overleg met de arts-microbioloog en de afdeling ziekenhuishygiëne
van het betreffende ziekenhuis en met de LCI.
Overweeg om profylaxe in te stellen.
Onderbouwing
De omvang van de outbreak, de intensiteit van de
contacten, de vaccinatietoestand van de betrokken patiënten en het
risico op complicaties van kinkhoest zijn bepalend voor het beleid.
In de literatuur zijn enkele outbreaks beschreven waar profylaxe
werd toegepast. (Lin75) (Chri95)
Maatregel
In plaats van profylaxe kan ook overwogen worden om
verscherpte surveillance in te stellen.
Onderbouwing
Door verscherpte surveillance worden vroegtijdig
nieuwe gevallen opgespoord. Behandeling in een vroeg stadium
vermindert de besmettelijkheid en zodoende de kans op verspreiding
binnen de instelling. Het is onduidelijk of vroegbehandeling tot
een klinisch relevante verkorting van de ziekteduur of vermindering
van de symptomen leidt. (Ber87) (Wir98) Echter na bekende
blootstelling is bij personen met een verhoogd risico op ernstig
beloop vroegbehandeling, liefst na afname van materiaal voor
diagnostiek toch aan te raden.
Kinderdagverblijf
Maatregel
Indien er bij een kind of leidster van een
kinderdagverblijf kinkhoest wordt vastgesteld dienen de ouders
hierover geïnformeerd te worden. De ouders van onvolledig
gevaccineerde kinderen jonger dan één jaar dienen gericht
geïnformeerd te worden, waarbij hen geadviseerd wordt om de
vaccinatie op peil te brengen en in de tussentijd alert te zijn op
symptomen.
Onderbouwing
Gezien de hoge vaccinatiegraad in Nederland en het
in het Rijksvaccinatieprogramma gehanteerde vaccinatieschema zullen
de meeste kinderen die een kindercentrum bezoeken tenminste al
gedeeltelijk beschermd zijn tegen kinkhoest. De circulatie van
B. pertussis lijkt beperkt. (Fij00) (Sru00) Er zijn in de
literatuur geen onderzoeken beschreven naar de effectiviteit van
profylaxe in kindercentra. Een belangrijke voorwaarde voor een
effectieve profylaxe te weten het volgens voorschrift innemen van
de medicatie door alle personen van de doelgroep blijkt echter al
moeilijk te vervullen. (Bos04)
Kortdurende contacten
Maatregel
Indien een kinkhoestpatiënt in de besmettelijke
periode incidenteel contact heeft gehad met een niet-gevaccineerde
zuigeling (bijvoorbeeld tijdens een kraamvisite) is waarschuwing
van de ouders/verzorgers geïndiceerd, opdat zij alert zijn op
eventuele symptomen van kinkhoest en tijdig diagnostiek en
behandeling kunnen laten instellen.
Onderbouwing
Er is geen onderzoek bekend naar de noodzaak en
effectiviteit van profylaxe na kortdurende contacten. Het is
onduidelijk of vroegbehandeling, in het catarrale stadium, tot een
klinisch relevante verkorting van de ziekteduur of vermindering van
de symptomen leidt. (Ber87) (Wir98) Echter na bekende blootstelling
is bij kinderen met een verhoogd risico op ernstig beloop
vroegbehandeling liefst na afname van materiaal voor diagnostiek
toch aan te raden.
9.4 Profylaxe
Profylaxe en therapieadvies:
Azitromycine
volwassenen: 500 mg 1 dd; gedurende 3 dagen.
kinderen : 10 mg/kg 1 dd, maximaal 500 mg; gedurende 3 dagen
bij zwangerschap: erytromycine 500 mg 4 dd; gedurende 7 dagen
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling en de profylaxe de richtlijn van de Stichting Werkgroep Antibiotica: http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=317
Toelichting
Wat betreft profylaxe van kinkhoest zijn er alleen
studies bekend met erytromycine. Het is echter aannemelijk dat
andere macroliden, die bij de behandeling van kinkhoest even
effectief zijn gebleken als erytromycine, deze werkzaamheid ook als
profylaxe hebben. (Aoy96) (Leb01) Op grond van een gunstiger
bijwerkingenprofiel en een kortere behandelduur gaat de voorkeur
uit naar azitromycine. (Lan04) Bij zwangerschap en lactatie blijft
erytromycine de eerste keus. In het verleden werd bij kinkhoest
erytromycine gedurende veertien dagen voorgeschreven, een kortere
kuur van zeven dagen is echter even effectief. (Hal97)
Bij zuigelingen jonger dan twee weken blijkt het gebruik van
erytromycine geassocieerd te zijn met een verhoogd risico op
pylorusstenose. (Hon99) Azitromycine is geregistreerd voor gebruik
vanaf één jaar.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Wering van school of kinderdagverblijf is niet
nodig. Wel verdient het aanbeveling om het vóórkomen van kinkhoest
bijvoorbeeld op een school te melden aan de ouders van klasgenoten
van de patiënt. Zij kunnen dan in hun eigen gezin alert zijn op
verschijnselen van kinkhoest en tijdig contact opnemen met hun
huisarts. Dit is met name van belang als er ongevaccineerde
zuigelingen in het gezin zijn of andere personen met een verhoogd
risico op ernstig verloop van kinkhoest.
Onderbouwing
Als de diagnose kinkhoest wordt gesteld, is de
meest besmettelijke periode meestal verstreken of heeft mogelijke
besmetting reeds plaatsgevonden.
Voor iedereen waarbij kinkhoest voorkomt in het gezin en die professioneel contact heeft met kinderen waarbij een verhoogde kans is op ernstig beloop, wordt geadviseerd diagnostiek in te zetten en te onderzoeken of de werknemer kinkhoest heeft. Als de medewerker kinkhoest blijkt te hebben, overleg dan met een arts-microbioloog of met de LCI. Overweeg om profylaxe in te stellen. In plaats van profylaxe kan ook overwogen worden om verscherpte surveillance in te stellen.
Het is onduidelijk of vroegbehandeling, in het catarrale
stadium, tot een klinisch relevante verkorting van de ziekteduur of
vermindering van de symptomen leidt. (Ber87) (Wir98) Echter na
bekende blootstelling is bij kinderen met een verhoogd risico op
ernstig beloop vroegbehandeling liefst na afname van materiaal voor
diagnostiek toch aan te raden.
Door verscherpte surveillance worden vroegtijdig nieuwe gevallen
opgespoord.
10.1 Meldingsplicht
Kinkhoest is een meldingsplichtige ziekte groep B2.
Het laboratorium en de arts melden aan de GGD. De GGD meldt anoniem
conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de
landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriterium:
Kinderen en volwassenen met hoestklachten gedurende tenminste 14 dagen.
Of
1 van de 3 volgende symptomen:
in combinatie met:
Tenminste 1 van de 3 laboratoriumcriteria
of
* Als er zich in een instelling meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 Wet publieke gezondheid.
10.2 Inschakelen van andere instanties
(Provinciale) entadministratie.
10.3 Andere protocollen en richtlijnen
NHG-standaard Acuut Hoesten.
LCI-Verpleegkundig Stappenplan Infectieziekten (VSI) Kinkhoest en
registratieformulier Kinkhoest, 2006
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en
informatiemateriaal
Informatiestandaard Infectieziekten (ISI)
Kinkhoest, www.rivm.nl/infectieziekten.
RVP-folder kinkhoest www.rivm.nl/rvp/informatie/folders.jsp
10.5 Literatuur
Pdf document - 169KB
Word document - 100KB
Pdf document - 121KB
Pdf document - 74KB
Word document - 43KB