U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Rabies
LCI/Gr december 2004, laatst gewijzigd september 2011
Over rabies is al in 2300 voor Christus geschreven. Celsus
beschreef in 100 na Christus hydrofobie na hondenbeten. In 1885
ontwikkelde Pasteur een vaccin. Nog steeds is deze zoönose in
ontwikkelingslanden een volksgezondheidsprobleem vanwege grote
aantallen sterfgevallen na beten door geïnfecteerde honden en
andere geïnfecteerde zoogdieren. Volgens de WHO sterven jaarlijks
naar schatting 50.000 mensen aan rabies (waarvan het merendeel in
India) en krijgen wereldwijd circa 10 miljoen mensen
postexpositieprofylaxe. In Nederland vormen hoofdzakelijk
vleermuizen het reservoir. Blootstelling in Nederland is
theoretisch ook mogelijk via geïmporteerde (huis)dieren, insleep
door vossen en eventueel andere in het wild levende dieren.
naar boven
2.1 Pathogenese
Na een beet van een (geïnfecteerd) dier of de
verzorging van een rabide persoon kan het rabiesvirus met het
speeksel terechtkomen in het onderhuidse weefsel of in de spieren.
Men neemt aan dat het virus zich in de spiercellen vermeerdert en
als de concentratie hoog genoeg is, het zenuwstelsel binnendringt.
Ook zou het virus wellicht in macrofagen overleven. Het is nog
steeds niet opgehelderd waar het virus zich dagen tot weken ophoudt
alvorens het de tastlichaampjes of motorische eindplaatjes bereikt.
Van daaruit verplaatst het zich via de zenuwbanen naar het centrale
zenuwstelsel. In de neuronen (cellichamen) vermeerdert het virus
zich, waarna verdere verspreiding plaatsvindt via de zenuwbanen. Er
vindt geen verspreiding van het virus plaats via de bloedbaan.
2.2 Incubatieperiode
De incubatieperiode bij de mens is meestal 20 tot
60 dagen, met een spreiding van 5 dagen tot 1 jaar of langer. De
incubatietijd is sterk afhankelijk van de locatie van de beet. Dat
wil zeggen: hoe dichter de beet bij het centrale zenuwstelsel zit,
des te korter is de incubatietijd. Ook de aard van de beet, de
diersoort die de beet heeft toegebracht en de hoeveelheid virus
(het inoculum) zijn medebepalend voor de incubatietijd.
2.3 Ziekteverschijnselen
Rabies kan op basis van de klinische symptomen in 2
typen worden ingedeeld: rabies furiosa (80%) en rabies paralytica
(20%). Patiënten met de eerste vorm vertonen symptomen van
hyperactiviteit en krampen, terwijl bij paralytische rabies een
progressieve slappe verlamming optreedt, die soms ten onrechte als
het syndroom van Guillain-Barré wordt geduid. In het ziekteverloop
kunnen verschillende stadia worden onderscheiden: incubatieperiode,
prodromale fase, neurologische fase, coma en overlijden.
In de prodromale fase kunnen niet-specifieke symptomen optreden,
zoals rillingen, koorts, malaise, anorexie, misselijkheid, braken
en hoofdpijn. De plaats van de wond kan jeuken en pijnlijk zijn,
mogelijk ten gevolge van proliferatie van het virus in sensorische
zenuwen. Als er inderdaad sprake van rabies is, dan is de prognose
zeer slecht.
In de neurologische fase doen zich symptomen voor, zoals
hyperactiviteit, nekstijfheid, priapisme, convulsies en paralyse.
Soms is paralyse vooral duidelijk in de extremiteit waar de patiënt
is gebeten. Deze kan echter ook diffuus en symmetrisch zijn of
opstijgend verlopen. Bij ongeveer de helft van de patiënten treedt
aërofobie of hydrofobie op. Hierbij lokt verplaatsing van lucht,
het zien van vloeistof of een poging te drinken spierspasmen uit
van de slik-, nek- en/of ademhalingsspieren. Door een combinatie
van speekselvloed en angst om te slikken en vanwege het spierspasme
dat hiermee wordt uitgelokt, kan schuim om de mond worden gevormd.
Uiteindelijk raakt de patiënt in coma. De ademhalingsspieren raken
betrokken in de paralyse, de ademhaling wordt irregulair en apnoe
kan optreden. Over het algemeen leiden neurologische, respiratoire
of cardiovasculaire complicaties tot de dood. Er zijn 7 personen
met symptomen van mogelijke rabies beschreven die de ziekte
overleefd hebben. Allen zijn voor en/of na de beet onvolledig
gevaccineerd.
Werknemers die besmet zijn en ziek worden
zullen gezien de ernstig beperkende klachten niet belastbaar zijn
met arbeid. Arbeidsongeschiktheid is hierbij evident.
In de Nederlandse situatie is de kans op besmetting bijzonder
klein. Werknemers die beroepsmatig werken met het virus dienen te
worden gevaccineerd (zie hiervoor paragraaf 8.1). Voor reizende
werknemers die in aanraking kunnen komen met dieren ligt het risico
op een beet door een besmet dier hoger, maar vaccinatie zal per
situatie beoordeeld moeten worden.
2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop
Alle onbehandelde rabiesinfecties zijn dodelijk,
maar de snelheid van het verloop van de infectie is afhankelijk van
de aard, het aantal, de omvang en de plaats van de verwondingen
(zie paragraaf 2.2).
2.5 Immuniteit
Bij een natuurlijke infectie treedt stimulatie van
de antistofproductie pas op nadat het virus het centrale
zenuwstelsel heeft bereikt.
Na actieve immunisatie met een modern celkweekrabiesvaccin (pre-
en/of postexpositie) ontstaan beschermende antistoffen. De
productie van neutraliserende antistoffen begint na 7 tot 10 dagen.
Op basis van dertig onderzoeken concludeert Plotkin dat bij 100%
van de immunocompetente individuen antistofreacties optreden na 3
doses vaccin. In Iran, Duitsland en de Verenigde Staten zijn bij
honderden personen postexpositie-effectstudies gedaan. Alle
gevaccineerden ontwikkelden antistoffen en niemand kreeg rabies. Er
hoeft dus bij immuuncompetenten geen postvaccinatietiter bepaald te
worden. Beschermende antistoftiters houden bij 80% van de
gevaccineerden meer dan 2 jaar na basisimmunisatie aan. (Plo04)
Wanneer 1 jaar na basisimmunisatie een boostervaccinatie wordt
gegeven, heeft 96% van deze gevaccineerden 5 jaar na revaccinatie
een antistoftiter >0,5 IU/ml (zie ook paragraaf 8.1).
Na vaccinatie ontstaat, naast antistoffen, een immunologisch
geheugen dat goed aanspreekbaar blijft, ongeacht het tijdstip van
basisimmunisatie. Dit heeft als gevolg dat bij post-expositie
behandeling van een gevaccineerde persoon het aantal dosis
rabiesvaccin beperkt is en de noodzaak tot het geven van menselijk
anti-rabies immunoglobuline (MARIG) vervalt.
Pre-expositievaccinatie (of een revaccinatie) geeft een
beperkte bescherming tegen rabies.
Na pre-expositievaccinatie is− bij mogelijke blootstelling − in
alle gevallen postexpositiebehandeling geïndiceerd.Dit geldt ook
voor personen met een antistoftiter >0,5 IU/ml.
naar boven
3.1 Verwekker
Rabiesvirus is een kogelvormig RNA-virus uit de
familie Rhabdoviridae, genus Lyssavirus.
Van dit virus zijn inmiddels 7 genotypen bekend. Type 1 is het
klassieke rabiesvirus; type 2 is het Lagos-bat-virus; type 3 is het
Mokola-virus; type 4 is het Duvenhage-virus; type 5 is het
European-bat-lyssavirus 1 (binnen genotype 5 bestaan er 2
verschillende clusters EBL1a en EBL1b) (EBLV-1); type 6 is het
European-bat-lyssavirus 2 (EBLV-2); type 7 is het
Australian-bata-lyssavirus (ABL). Alleen genotype 2 is nooit
vastgesteld bij de mens.
Voor Nederland zijn 2 genotypen van belang: het klassieke
rabiesvirus (genotype 1) dat bij vele zoogdieren voor kan komen
(zie paragraaf 4.1) en het European-bat-lyssa (EBL)-virus bij
vleermuizen. Hierbinnen kan onderscheid gemaakt worden tussen
EBLV-1, EBL1a en EBL1b.
3.2 Diagnostiek
Direct
Er is geen test voorhanden die bij de mens in een
vroeg stadium, voordat klinische symptomen ontstaan, infectie met
het rabiesvirus kan aantonen of uitsluiten. Het virus is lange tijd
onbereikbaar voor het immuunsysteem en stimulatie van
antistofproductie vindt pas plaats nadat het centrale zenuwstelsel
is bereikt. Op het moment dat klinische symptomen optreden, kan het
virus worden geïsoleerd uit onder andere speeksel, hersenweefsel,
liquor of urinesediment. Het rabiesvirus kan ook worden aangetoond
door middel van immunofluores-centie in een biopt van hersenweefsel
of huid van de nek of een afdruk van de cornea. Tevens kan een
RT-PCR gebruikt worden. Deze techniek biedt de mogelijkheid zeer
geringe hoeveelheden virus-RNA aan te tonen in diverse
monstermaterialen (speeksel, liquor). Bij vermoeden van rabies moet
altijd een cornea-afdruk en huidbiopt afgenomen worden
tijdens het leven. Cornea-afdruk in overleg met oogarts voor de
afnametechniek (cave persoonlijke beschermingsmiddelen),
laboratoriumonderzoek in overleg met de LCI in verband met
risico-inschatting.
Indirect
In bijzondere situaties kan er na vaccinatie een
indicatie zijn voor het kwantitatief bepalen van antistoffen (zie
paragraaf 8.1). Het onderzoek wordt onder andere verricht door de
afdeling virologie van het Erasmus MC en het RIVM (een directe
immunofluorescentietest op IgG). De benodigde 10 cc bloed dient in
een stolbuis afgenomen te worden en vervolgens afgedraaid, waarna
het serum met ingevuld aanvraagformulier naar het laboratorium
dient te worden opgestuurd. De bepaling wordt éénmaal per week
verricht, in noodsituaties desgewenst vaker.
Bron
Het belangrijkste materiaal voor diagnostiek is
afkomstig van de bron. Onderzoek op van rabies verdachte dieren
(levend of dood) vindt plaats bij het CVI-Lelystad. Het onderzoek
is met name afgestemd op vleermuizen. Incidenteel worden verdachte
landbouwhuisdieren, honden en katten onderzocht. Vleermuizen worden
uitsluitend in onderzoek genomen als de dieren direct contact met
andere diersoorten of de mens hebben gehad. Vossen worden altijd
onderzocht. Het aantal voor onderzoek ingezonden vossen is sinds
1994 (na afschaffing van de premie) zeer beperkt. Over andere
dieren dient vooraf overleg te worden gevoerd.
naar boven
4.1 Reservoir
Rabies is primair een infectie bij zoogdieren.
Carnivoren en vleermuizen zijn het reservoir. Bij huisdieren komt
het vooral voor bij de hond en de kat. Honden worden bijna altijd
ziek (agressief of versuft gedrag) en overlijden dan na 10 dagen
aan de gevolgen van de ziekte. Langdurig asymptomatisch dragerschap
bij honden is in Ethiopië en India aangetoond.
Bij in het wild levende dieren zijn het vooral de vos, wolf,
prairiewolf, jakhals, wasbeer, vleermuis en het stinkdier. Het
rabiesvirus is aangetoond bij ratten en vele ander (knaag)dieren
maar de overdrachtskans naar de mens is van marginaal belang.
In landen waar rabies bij honden endemisch is, is het risico van
besmetting van de mens het grootst.
De meeste humane gevallen zijn veroorzaakt door hondenbeten
(76%), gevolgd door beten van katten en vleermuizen. (Pah00)
Nederland heeft sedert 1923 een rabiesvrije status. In 1987 is de
eerste besmette vleermuis ontdekt. Met name de laatvlieger
(Eptesicus serotinus) en in mindere mate de meervleermuis
(Myotis dasycneme) vormen sindsdien het enige
rabiesreservoir. Het betreft hier dan niet het klassieke
rabiesvirus, maar de rabiesgerelateerde virussen EBLV-1 en EBLV-2.
Vleermuizen kunnen andere dieren besmetten waardoor die theoretisch
ook weer een bron kunnen zijn voor de mens. Dergelijke overdracht
heeft zich in de praktijk nog niet voorgedaan.
4.2 Besmettingsweg
Via een beet of krab van een besmettelijk dier, een
rabide persoon of via kleine wondjes of minimale huidlaesies
(kloofjes) kan het speeksel terechtkomen in onderhuids weefsel of
in de spieren. De overdrachtskans bij een beet door een rabide hond
is 20%. (Pah00) Niet alleen via een beet van dieren die als
reservoir bekend staan, maar ook via beten van dieren die zelf
gebeten zijn door een besmet dier, kan de mens theoretisch besmet
raken.
Ook kan besmetting plaatsvinden via de intacte/onbeschadigde
slijmvliezen. Besmetting van mens op mens treedt zelden op. Via
corneatransplantatie is een enkel geval van besmetting met rabies
beschreven, ook besmetting via orgaantransplantatie is beschreven.
(Die04) Onder laboratoriumomstandigheden kan besmetting via
aërosolvorming optreden. Volgens het CDC is de kans op besmetting
na ander contact zoals het aaien van een rabide dier of contact met
het bloed, de urine of de feces verwaarloosbaar.
Besmetting van dier op dier kan tot stand komen via bijtwonden of
via zogen.
4.3 Besmettelijke periode
Dieren kunnen dagen (honden, katten) tot weken
(vleermuizen) besmettelijk zijn alvorens zelf tekenen van de ziekte
te vertonen. Mensen zijn vermoedelijk alleen besmettelijk tijdens
de ziekte.
4.4 Besmettelijkheid
Het virus kan zeker 14 dagen overleven in dode
dieren; bij lage temperaturen zelfs nog langer.
naar boven
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken |
2.1 |
|
Instrumenten |
2.2 |
|
Textiel |
Niet van toepassing |
|
Intacte huid |
Na contact met een (vermoedelijk) rabide dier moet de intacte huid en omgeving ervan worden gespoeld en zo mogelijk geborsteld met water en zeep. Daarna vindt desinfectie van de huid plaats met alcohol 70%, betadinejodium 10% of een 1% povidon-jodium-oplossing. Hierbij dienen handschoenen gedragen te worden. De lipide-envelop van het virus is niet bestand tegen lage pH, zeep, hoge en lage temperatuur. |
|
Niet-intacte huid
|
Na een beet moeten de wond en omgeving ervan worden gespoeld en zo mogelijk uitgeborsteld met water en zeep. Daarna vindt desinfectie van de wond plaats met alcohol 70%, betadinejodium 10% of een 1% povidon-jodium-oplossing. Hierbij dienen handschoenen gedragen te worden. De lipide-envelop van het virus is niet bestand tegen lage pH, zeep, hoge en lage temperatuur. |
|
Handen |
2.4.3 |
6.1 Risicogroepen
Buitenland
Reizigers naar landen waar rabies endemisch is,
komen in bepaalde gevallen in aanmerking voor rabiesvaccinatie.
Vooral kinderen onder de 15 jaar lopen het risico om in rabies
endemische gebieden het slachtoffer te worden; kleine kinderen die
net gaan lopen en niet kunnen vertellen wat er gebeurd is lopen
risico, maar ook grotere kinderen die door hun gedrag beten van
dieren provoceren en dit mogelijk niet melden.
Voor een volledig overzicht van de groepen reizigers die een
vaccinatie-indicatie hebben, zie LCR-protocol. Met name reizigers
die outdoor-activiteiten beoefenen (zoals fietsen) en personen die
tijdens hun werk in contact kunnen komen met besmette dieren, lopen
een risico in gebieden waar rabies endemisch voorkomt. (RBE06)
In (sub-)tropische landen zijn vooral honden en katten voor de mens
belangrijk in de overdracht van rabies. In Oost-Europese landen
spelen vossen een belangrijke rol. (VWA01)
Nederland
Arbeidsgerelateerde risicogroepen
In Nederland komt rabies alleen bij vleermuizen voor (VWA01).
Risicogroepen zijn dan ook mensen die regelmatig met vleermuizen in
contact komen zoals vleermuisonderzoekers (in laboratoria) en
vleermuisverzorgers in dierentuinen. (VWA01)
Een bijzondere risicogroep die regelmatig in contact komt met
vleermuizen, zijn vrijwilligers actief bij vleermuiswerkgroepen.
Ook zijn er beroepsgroepen die minder frequent met vleermuizen in
contact komen zoals medewerkers van dierenambulances, medewerkers
van vogel- en vleermuisopvang, medewerkers in een dierenasiel,
dierenartsen, jachtopzieners, boswachters, biologen, jagers,
speleologen en vrijwilligers.
In uitzonderlijke gevallen kan blootstelling aan rabies ook
ongemerkt, via aerosolen, plaatsvinden zoals bij mensen die
werkzaam zijn in laboratoria waar met het rabiesvirus wordt gewerkt
en bij speleologen die in grotten werken met een grote
vleermuizenpopulatie. In een onderzoek zijn 27 goed gedocumenteerde
‘niet-bijt’-accidenten onderzocht. Hiervan was er in 4 gevallen
sprake van besmetting via aerosolen in laboratoria of grotten.
(Plo04) (War04)
6.2 Verspreiding in de wereld
Rabies komt wereldwijd voor, alleen Nieuw Zeeland,
Antarctica, grote delen van Oceanië en Japan zijn rabiesvrij. In
rabiesenzoötische gebieden komt rabies zowel bij huisdieren als bij
in het wild levende dieren voor. Dit geldt vooral voor het Indiase
subcontinent, Zuidoost-Azië en Afrika. In epizoötische gebieden
komt rabies voornamelijk voor bij in het wild levende dieren. Dit
geldt vooral voor Noord-Amerika en West-Europa.
In Europa wordt getracht het voorkomen van rabies bij vossen door
middel van orale vaccinatie terug te dringen. In welke landen
rabiës voorkomt, is te vinden op: http://web.oie.int/wahis/public.php?page=disease_status_detail
Sinds 1977 zijn in Europa vier gevallen van humane rabies (2 uit
Rusland, 1 uit Finland en 1 uit Schotland) ten gevolge van
vleermuiscontacten gemeld (EBLV-1 en EBLV-2).
6.3 Voorkomen in Nederland
Sinds 1986 wordt in Nederland structureel onderzoek
uitgevoerd naar de aanwezigheid van rabies bij vleermuizen. Op een
uitzondering na behoren alle gedurende de periode 1985-2004
rabies-positief bevonden vleermuizen in ons land tot 1 soort, de
laatvlieger. Van de 269 positief bevonden vleermuizen in die
periode bleken er slechts 5 te behoren tot een andere soort,
namelijk de meervleermuis. Over de gehele periode bezien, is bij
ca. 21% van de ingezonden laatvliegers rabies geconstateerd. Het
percentage rabiespositieve vleermuizen ten opzichte van het totaal
aantal ingezonden vleermuizen bedroeg gedurende die periode ca. 7%.
Bij de meest voorkomende vleermuis in Nederland (dwergvleermuis:
Pipistrellus pipistrellus) is het rabiesvirus nooit aangetoond.
Gedurende de jaren 1985-1988 hebben zich als gevolg van insleep van
rabide vossen uit Duitsland en België enkele postieve
rabiesbevindingen voorgedaan bij dassen, schapen, een rund en een
kat. In Duitsland, België (Ardennen) en Luxemburg werd rond 1985
begonnen met vaccinatiecampagnes. Sinds 1989 hebben zich bij de in
Nederland onderzochte vossen geen positieve bevindingen meer
voorgedaan. Ook bij de sindsdien onderzochte dassen, schapen,
runderen en katten werd geen rabies meer geconstateerd.
Tot voor kort dateerde het laatste geval van humane rabiës in
Nederland van 1962 na contact met een uit het buitenland afkomstige
hond. In 1996 is een man in Nederland overleden na een hondenbeet
in Marokko. Betrokkene kreeg aldaar een postexpositievaccinatie
zónder MARIG. In 2007 is een mevrouw in Nederland overleden na
krassen van een vleermuis op haar neus in Kenya. Mevrouw kreeg geen
postexpositiebehandeling aldaar.
naar boven
Voor de besluitvorming aangaande de behandeling na blootstelling zie bijlage I en II.
Na mogelijke besmetting dient direct gestart te worden met postexpositie-rabiesbehandeling, omdat na het optreden van klinische verschijnselen, rabies onbehandelbaar is. Behandeling bestaat uit het schoonmaken van de wond met water en zeep en het ontsmetten met betadine of alcohol 70%, waarna postexpostievaccinatie gegeven wordt (zie paragraaf 9.3).
Voor de besluitvorming aangaande de behandeling na blootstelling zie bijlage I en II.
8.1 Immunisatie
Pre-expositievaccinatie kan 2 verschillende doelen
hebben:
1. Bescherming tegen onbemerkte blootstelling.
2. Het vereenvoudigen van de postexpositiebehandeling: na pre-expositievaccinatie hoeft, ongeacht het tijdstip van vaccinatie, geen MARIG meer te worden toegediend en kan worden volstaan met de toediening van 2 vaccinaties omdat door de boosterrespons snelle productie van antistoffen optreedt.
Actieve immunisatie
Het vaccin dat in Nederland wordt gebruikt is een
geïnactiveerd rabiesvirus, gekweekt op humane diploïde cellen
(HCDV). In het buitenland, met name in de derde wereld, worden
tevens vaccins gebruikt die gekweekt zijn op dierlijke cellijnen.
De werkzaamheid van deze vaccins varieert van betrouwbaar tot
onwerkzaam. Als niet bekend is met welk vaccin men in het
buitenland (met name in een ontwikkelingsland) gevaccineerd is,
dienen deze vaccinaties als niet gegeven te worden beschouwd. De
productie van neutraliserende antistoffen begint na 7 tot 10 dagen
en houdt ongeveer 2 jaar aan. Bij 20 procent van de volledig
gevaccineerden is de titer na 2 jaar onder het beschermende niveau
van 0,5 IE/l gedaald.
Actieve pre-expositie-basisimmunisatie bestaat uit 3 keer een
injectie van 1 ml intramusculair in de m. deltoideus of triceps op
dag 0, 7, 21-28 (WHO-schema,
www.who.int/rabies/human/sympt_pre_exp/en/ ). Ook bij kleine
kinderen heeft deze toedieningswijze de voorkeur.
Bijwerkingen actieve immunisatie
Lokale en algemene reacties worden soms waargenomen
gedurende 48 uur na vaccinatie. Overgevoeligheidsreacties kunnen 2
tot 21 dagen na toediening van het vaccin optreden. Zij treden in
het bijzonder op na revaccinatie (6% van de gerevaccineerden ten
opzichte van 0,11% van totaal aantal gevaccineerden). Dit is een
reden om mensen met langdurige en/of frequente blootstelling op
geleide van de titer te revaccineren. De overgevoeligheidsreacties
worden vermoedelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van het door
het inactivatieproces gewijzigde humaan albumine. Verschijnselen
van overgevoeligheid zijn: zere arm (15-25%), hoofdpijn (5-8%),
urticaria, artralgie, arthritis, misselijkheid, braken, koorts en
malaise. Bij toediening van de vaccinatie dient hierover instructie
te worden gegeven.
Bij lokale of milde systemische reacties kan de vaccinatie worden
voortgezet. Bij ernstige overgevoeligheidsreacties verdient
titerbepaling de voorkeur en indien geïndiceerd wordt de vaccinatie
voortgezet met een ander celkweekrabiesvaccin dat geen humaan
albumine bevat. De producenten geven aan dat deze vaccins geen
overgevoeligheidsreacties geven na (re-)vaccinatie.
Indicaties
Reizigers in endemische gebieden komen in
bepaalde gevallen in aanmerking voor vaccinatie (zie LCR-protocol).
Werknemers (óók vrijwilligers!) die regelmatig
met vleermuizen in contact kunnen komen, zoals
vleermuisonderzoekers (in laboratoria) en vleermuisverzorgers in
dierentuinen, komen in aanmerkingen voor vaccinatie. Ook
laboratoriummedewerkers die ongemerkt kunnen worden blootgesteld,
moeten preventief gevaccineerd worden. Vrijwilligers die deelnemen
aan vleermuiswerkgroepen dienen ook een vaccinatie te krijgen.
De overige beroepen benoemd in paragraaf 6.1 hebben minder frequent
contact met vleermuizen en dienen postexpositieprofylaxe te krijgen
indien zij gebeten zijn door een mogelijk rabide vleermuis.
(WHO02b, Sta05)
Revaccinatie
Actieve immunisatie is altijd een
onderdeel van de postexpositieprofylaxe (zie paragraaf 9.3).
Omdat na basisimmunisatie het immunologisch geheugen goed aanspreekbaar blijft, ongeacht het tijdstip van immunisatie, wordt revaccinatie niet aanbevolen zolang geen onbemerkte blootstelling optreedt (zie risicogroepen, paragraaf 6.1) en binnen 24 uur na blootstelling postexpositievaccinatie toegediend kan worden.
Mensen met veelvuldige en mogelijk onbemerkte blootstelling dus
als de kans bestaat dat niet binnen 24 uur postexpositiebehandeling
gegeven kan worden kan 1 jaar na de basisimmunisatie een booster
worden gegeven, en vervolgens elke 5 jaar een revaccinatie.
Personen die werken in (vaccinproducerende)
laboratoria lopen een hoog risico op besmetting omdat zij ongemerkt
blootgesteld kunnen worden aan aerosolen en ook in contact kunnen
komen met het klassieke rabiesvirus. Daarom is het belangrijk dat
zij altijd voldoende antistoffen hebben. Een titer van >0.5
IU/ml geldt in het algemeen als beschermend (afhankelijk van de
cut-off-waarde van het laboratorium). Laboratoriummedewerkers
dienen daarom elke 6 maanden, op geleide van een titerbepaling, een
revaccinatie te krijgen en een booster als de titer onder 0.5 IU/ml
zit. (WHO02b)
Beroepsgroepen met een permanent risico op blootstelling aan rabies
door frequent contact met vleermuizen dienen elk jaar getest te
worden en een booster te krijgen als de titer onder 0.5 IU/ml zit.
(WHO02b) (Sta05)
Daarnaast gelden ook algemene beschermende maatregelen (zie
paragraaf 8.2).
Passieve immunisatie
Voor de besluitvorming aangaande de behandeling na
blootstelling zie bijlage I en II.
Het menselijk anti-rabies immunoglobuline (MARIG) is een polyvalent
immuunserum en bevat per milliliter: ≥150 IU antirabiesactiviteit,
≤0,1 mg thiomersal, glycine, natriumchloride en water.
Er bestaat geen (inter-)nationale consensus over de vraag binnen
welke termijn na het contact toediening van MARIG nog zinvol is. In
ieder geval moet bij type III verwondingen (zie schema) aan
ongevaccineerden zo snel mogelijk na blootstelling MARIG worden
toegediend. Indien de persoon zich meer dan 48 uur na de
blootstelling meldt, wordt voor toediening van MARIG altijd
overlegd met de LCI. In principe wordt geen MARIG gegeven als het
incident langer dan 3 maanden geleden is (omdat de incubatietijd in
de meeste gevallen 3-8 weken is en zelden langer). Maar in
uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld in geval van contact met een
bewezen rabide dier) kan MARIG tot 1 jaar na een accident worden
toegediend. Als MARIG niet bij toediening van de eerste vaccinatie
(dag 0) is gegeven, dan dient dit alsnog binnen 7 dagen (tot en met
dag 7) na de eerste vaccinatie te gebeuren (ongeacht of er binnen
deze 7 dagen één of twee vaccinaties zijn gegeven). Toediening van
MARIG na deze termijn zal interfereren met de antistofproductie na
vaccinatie, wat niet gewenst is. Bovendien zijn bij vrijwel
iedereen 7 dagen na vaccinatie beschermende antistoffen
aantoonbaar.
De dosering MARIG bedraagt 20 IU/kg lichaamsgewicht, waarvan zoveel
mogelijk rondom de wond gegeven wordt en de rest elders (m.
quadriceps), bij voorkeur in dezelfde extremiteit als waar de wond
zich bevindt, maar nooit op dezelfde plaats als de actieve
immunisatie. Het product moet tot kamertemperatuur worden opgewarmd
en langzaam worden geïnjecteerd. MARIG is uitsluitend verkrijgbaar
bij het NVI op bewustheidverklaring (bereikbaarheid zie 10.2).
Indicaties
Bij ongevaccineerden en immuno-incompetenten of bij
mensen waarvan de immuunstatus onbekend is, dient bij verdenking op
rabiesbesmetting, naast actieve immunisatie, altijd zo snel
mogelijk (bij voorkeur binnen 48 uur) MARIG te worden toegediend.
Indien de persoon zich meer dan 48 uur na de expositie meldt, wordt
voor toediening van MARIG altijd overlegd met de LCI.
Overgevoeligheid
MARIG wordt in het algemeen goed verdragen. Wanneer
overgevoeligheid voor bloed of daarvan afgeleide producten bekend
is, dient een antihistaminicum te worden voorgeschreven. Er is geen
contra-indicatie voor het gebruik van rabiesimmunoglobuline, daar
het risico om aan rabies te overlijden zwaarder weegt dan iedere
andere overweging.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
In Nederland is één van de belangrijkste adviezen
elk onnodig contact met vleermuizen te vermijden. Wanneer een
vleermuis toch moet worden aangeraakt, mag dit alleen gebeuren met
handschoenen aan die voldoende beschermen tegen bijten. (VWA01) De
handschoenen moeten daarna met 70% alcohol ontsmet worden.
Als mogelijke besmetting in het buitenland plaatsvindt, is
behandeling in een ziekenhuis met voldoende expertise op dit gebied
noodzakelijk. De beschikbaarheid van MARIG buiten de westerse
wereld is echter zeer gering. Wel is er soms gezuiverd paardenserum
(paardenantirabiesimmunoglobulin, PARIG) beschikbaar. Is er geen
MARIG (of PARIG) aanwezig, dan moet men zo snel mogelijk naar een
plaats reizen waar dit wel beschikbaar is. Betrouwbare vaccins voor
actieve immunisatie zijn soms beter beschikbaar. Zij worden wegens
schaarste vaak intracutaan toegepast. Deze toedieningswijze heeft
zijn werkzaamheid, indien lege artis toegediend, veelal wel
bewezen.
Wanneer huisdieren worden meegenomen naar het buitenland (ook naar
buurlanden zoals België) is rabiesvaccinatie van die dieren
verplicht. De formeel erkende geldigheidsduur van deze vaccinatie
kan per land verschillen. Honden en katten die worden geïmporteerd,
moeten zijn voorzien van een gezondheidscertificaat waaruit moet
blijken dat de dieren minimaal 3 maanden en maximaal 1 jaar
voordien volledig zijn gevaccineerd met een gecontroleerd en
goedgekeurd vaccin. Als vaccinatie achterwege is gebleven, worden
de dieren direct na import alsnog gevaccineerd en gedurende dertig
dagen geobserveerd.
Maatregelen bij werkzaamheden
Werkzaamheden in de gezondheidszorg
Bij de dagelijkse verzorging van een rabide patiënt vindt blootstelling aan rabies alleen plaats op het moment dat niet-intacte huid of slijmvliezen in contact komen met geïnfecteerde lichaamsvloeistoffen of weefsel van de patiënt. Standaard hygiënemaatregelen (www.wip.nl) minimaliseren het risico op blootstelling. (Gar96)
Werkzaamheden met vleermuizen
Vangst van levende vleermuizen en het ophalen van dode vleermuizen moet door deskundigen gedaan worden. Bij de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is dit voorbehouden aan veterinair deskundigen en controleurs van de VWA. In het VWA-draaiboek ‘Rabies bij vleermuizen’ staan de maatregelen beschreven die moeten worden getroffen. (www.vwa.nl) (VWA01)
Werkzaamheden met verdachte dieren anders dan vleermuizen
Nederland heeft een rabiesvrije status. Indien er toch het vermoeden bestaat dat een dier rabide is, moet contact met het dier zoveel mogelijk worden vermeden. Het dier moet alleen worden benaderd door ervaren personeel met beschermende handschoenen en eventueel instrumenten zoals vangstok en kooien. (Wee02)
Vossen zijn in Nederland vrij van rabies (in tegenstelling tot Duitsland en Frankrijk). In het kader van surveillance worden vossen altijd onderzocht op rabies bij het CVI in Lelystad.
Werkzaamheden in laboratoria
Het rabiesvirus behoort tot de biologische agentia met risicoclassificatie 3. Laboratoriummedewerkers die kunnen worden blootgesteld aan het rabiesvirus, moeten beheersmaatregelen nemen die behoren bij beheersingsniveau 3. Deze maatregelen zijn beschreven in bijlage V van Europese richtlijn 2000/54/EG L 262/21.
Werkzaamheden in endemische gebieden
Personen die reizen naar landen waar rabies endemisch is en die
tijdens hun werk in contact kunnen komen met besmette dieren,
dienen maatregelen te nemen zoals beschreven in de
risico-inventarisatie en -evaluatie.
De GGD is verantwoordelijk voor de maatregelen naar aanleiding van een geval. De LCI kan de GGD ondersteunen aangezien zij mogelijkheden heeft om deskundigen in te schakelen. Overleg de maatregelen daarom altijd met de LCI.
9.1 Bronopsporing
In samenspraak met de Voedsel en Waren Autoriteit
(VWA) worden vleermuizen op rabies onderzocht door CVI-Lelystad.
Ook bij verdenking van rabies bij andere dieren dan vleermuizen
wordt het onderzoek door het CVI-Lelystad uitgevoerd in overleg met
de VWA.
Onderzoek van landbouwhuisdieren en honden en katten vindt plaats
op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Op basis
van deze wet worden verdachte dieren op rabies onderzocht.
In het kader van het brononderzoek nagaan of:
de mens is gebeten;
andersoortig direct contact door de mens met verdachte c.q. rabide dieren heeft plaatsgevonden (handcontact);
dieren elkaar hebben gebeten;
andere directe contacten tussen dieren onderling hebben plaatsgevonden.
9.2 Contactonderzoek
Indien blijkt dat personen contacten hebben gehad
met een patiënt of dieren die mogelijk met rabies besmet zijn,
dient uitgebreid contactonderzoek (alle contacten sinds het
optreden van de allereerste ziekteverschijnselen) plaats te vinden
in overleg met de LCI. Zie voor het contactonderzoek bij dieren
paragraaf 10.2.
Gegevensverzameling/registratie
De volgende gegevens dienen achterhaald te
worden:
Bron:
Contactdatum/-data
Diersoort
Vaccinatiestatus dier (bij honden en katten)
Aard contact (slijmvlies, huidpenetrerend)
De vindplaats van het dier
Dier nog beschikbaar voor observatie/test
Blootgestelde:
Aard verwonding: soort (bijvoorbeeld snij- of bijtwond et cetera) plaats op het lichaam, eenvoudig/meervoudig, ernst (oppervlakkig, diep)
Plaats/land waar risicocontact heeft plaatsgevonden
Periode verblijf buitenland
Vaccinatiestatus
Gewicht
Contacten:
Naam, adres en woonplaats van derden die mogelijk direct contact met het verdachte c.q. rabide dier hebben gehad
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten
Zie voor postexpositiebehandeling bijlage II en
III.
In alle gevallen moet de wond zorgvuldig en grondig worden
gereinigd met zeep of met een natriumhypochloriet-oplossing en
rijkelijk worden gespoeld met water.Desinfectie van de wond vindt
plaats met alcohol 70%, betadinejodium 10% of een 1%
povidon-jodium-oplossing. De wond moet niet direct worden gehecht.
Indien nodig, kan een eenvoudig verband worden aangebracht. Wanneer
hechten nodig is, dan mag dit alleen worden gedaan nadat MARIG is
toegediend of nadat ieder risico voor rabies(besmetting) is
uitgesloten.Ter voorkoming van een microbiële infectie kan
mogelijkerwijs een behandeling met antibiotica noodzakelijk zijn.
Ook moet tetanusvaccinatie worden overwogen (zie richtlijn
Tetanus).Wanneer blootstelling heeft plaatsgevonden aan een
mogelijk rabide dier (beet, speekselcontact) bij een
ongevaccineerde moet altijd worden gestart met
postexpositiebehandeling, tenzij de bron getest kan worden (uitslag
<48 uur) of het dier negatief is. In bijlage I wordt een
schematisch overzicht gegeven van de besluitvorming die leidt tot
al dan niet immuniseren. Elke arts is bevoegd immunisatie te
starten. Vanwege het bundelen van expertise wordt aan de
behandelend arts geadviseerd om over de indicatiestelling van
postexpositieprofylaxe te overleggen met de arts
infectieziektebestrijding van de GGD in zijn of haar regio. Deze
kan overleggen met de LCI.
De postexpositie-immunisatie komt in aanmerking voor vergoeding
door de ziektekostenverzekeraar van betrokkene (afhankelijk van het
eigen risico).
Volgens het Arbobesluit (Afdeling 9. Biologische
agentia) is de werkgever verplicht om werknemers te beschermen
tegen biologische agentia in beroepssituaties. Voor zover mogelijk
worden aan iedere werknemer die nog niet immuun is voor de
biologische agentia waaraan hij is of kan worden blootgesteld,
doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld.
Indicaties (zie bijlage II)
Aan immuno-incompetenten wordt altijd MARIG gegeven na blootstelling.
9.4 Profylaxe
Zie paragraaf 8.1 Immunisatie.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Mensen bij wie de diagnose rabies is gesteld,
behoeven intensieve medische behandeling. De vraag over weren zal
zich niet voordoen, omdat zij te ziek zijn om werk, school of
kinderdagverblijf te bezoeken. Eventuele wering van contacten van
patiënten of van verzorgenden van patiënten die later rabies
blijken te hebben, moet per situatie beoordeeld worden.
naar boven
10.1 Meldingsplicht
Rabies is een meldingsplichtige ziekte groep B1.
Het laboratorium en de arts melden een geval van rabies binnen 24
uur aan de GGD; dus in voorkomende gevallen ook tijdens het
weekeinde. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid
en levert gegevens voor de landelijke surveillance van
meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriterium:
Een persoon met acute encefalomyelitis
en
tenminste 2 van de onderstaande 7 symptomen:
• Zintuigelijke veranderingen gerelateerd aan de plek van een voorafgaande dierenbeet
• Verlammingsverschijnselen
• Spasmen van de slikspieren
• Hydrofobia
• Delirium
• Stuiptrekkingen
• Angst
en
• aantonen van het rabiesvirus bij de mens bijvoorbeeld uit speeksel, de huid, hersenweefsel, cornea, liquor of urinesediment
of
• aantonen van het rabiesvirus bij op rabies verdacht dier (bron)
of
• aantonen van antistoffen in serum of liquor bij een niet gevaccineerd persoon, dan wel een significante titerstijging bij gevaccineerde personen.
Rabies is een besmettelijke dierziekte waarvoor op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) een aangifteplicht geldt voor dierenartsen aan de burgemeester en VWA. (VWA01)
Indien de ziekte (waarschijnlijk) is
opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet de casus door een
geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld bij het Nederlands
Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). (www.beroepsziekten.nl/)
Rabies wordt geclassificeerd in categorie 3 van de biologische
agentia. Ongevallen met biologische agentia van categorie 3 en 4
moeten zo snel mogelijk worden gemeld bij de Arbeidsinspectie in de
regio. (www.arbeidsinspectie.szw.nl/)
10.2 Inschakelen van andere instanties
Als zich directe contacten voordoen met van rabies
verdachte dieren dient contact opgenomen te worden met de Voedsel
en Waren Autoriteit (VWA). De VWA draagt zorg voor vervoer van
vleermuis of ander dier naar CVI-Lelystad indien dit noodzakelijk
is. De GGD belt de Warenklachtenlijn van de VWA 0800-0488. Een
dierenarts belt het landelijk meldpunt dierziektes 045-5463188.
Voor informatie over bijvoorbeeld de herkomst of vaccinatiestatus van een dier, kan de GGD of dierenarts contact opnemen met het Veterinair Incidenten- en Crisiscentrum (VIC) van de nVWA, binnen kantooruren rechtstreeks te bereiken onder 0704484400 en buiten kantooruren via de meldkamer, tel 0800-0488.
MARIG en vaccin bestellen: bij RIVM afdeling Verkoop telefoon
030 -274 80 10. Buiten kantoortijden via de portier van het RIVM,
telefoon 030 - 274 22 59 (vragen naar de dienstdoende medewerker
van de afdeling Verkoop voor rabies).
10.3 Andere protocollen en richtlijnen
Protocol Rabies, protocollen zoönosen, Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) 2001
LCR-protocol ‘Rabies’
Draaiboek Rabies, Voedsel en Waren Autoriteit (herziening wordt op korte termijn verwacht)
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal
Informatie over humaan rabies immunoglobuline: www.nvi-vaccin.nl
Informatie over infectieziekten in de werkomgeving: www.kiza.nl
10.5 Literatuur
Centers for Disease Control and prevention. Human Rabies Prevention United States 1999: Recommendations of the Advisory Committee on Immunization Practices (ACIP).
Dietzschold, et al. Rabies transmission from organ transplants in the USA. Lancet 2004, Aug 21; 364; 9435, 648-9.
Garner JS. Guideline for isolation precautions in hospitals. Part I. Evolution of isolation practices, Hospital Infection Control Practices Advisory Committee. Am J Infect Control. 1996;24(1):24-31.
Plotkin SA, CE Rupprecht, Koprowski H. In : Vaccins (4th ed.), red Plotkin S, Orenstein WA. Uitgeverij Philadelphia, PA : WB Saunders Company, 2004: 1011-1038.
Rabies Bulletin Europe. Rabies Information System of the WHO Collaboration Centre for Rabies Surveillance and Research. 2006 (www.rbe.fli.bund.de/travel/Recommendations.aspx)
Strady et al. Pre-exposure rabies vaccination: strategies and cost-minimization study. Vaccine 19 (2001) 1416-1424.
WHO. Current WHO GUIDE for Rabies Pre and Post-exposure Treatment in Humans. November 2002b.
WHO Fact Sheet N99 revised June 2001. Rabies.
WHO Position Paper, in Weekly epidemiological record 2002, 77,109-120.
LCI/Gr december 2004 (laatst gewijzigd oktober 2007)
Dit symbool markeert de alinea’s
met arbeidsrelevante informatie over infectieziekten.
naar boven
Pdf document - 346KB
Word document - 225KB
Pdf document - 52KB
Pdf document - 79KB
Pdf document - 79KB
Pdf document - 127KB
Word document - 86KB
Pdf document - 51KB
Word document - 22KB