U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › STEC-infectie
LCI oktober 2010, laatst gewijzigd augustus 2011
Algemeen
Ziekte
Microbiologie
Besmetting
Desinfectie
Verspreiding
Behandeling
Primaire
preventie
Maatregelen
naar aanleiding van een geval
Overige activiteiten
Versiebeheer
Escherichia coli werd voor het eerst beschreven in 1885 door dr.
Theodor Escherich. Jarenlang werd E. coli beschouwd als een
onschuldige darmbewoner van de mens en warmbloedige dieren. Sinds
de jaren 40 is bekend dat bepaalde serotypes bij de mens enteritis
kunnen veroorzaken. Op basis van klinisch beeld, epidemiologische
karakteristieken en virulentiefactoren wordt diarreeveroorzakende
E. coli ingedeeld in 6 verschillende groepen: enteropathogene E.
coli (EPEC), enteroinvasieve E. coli (EIEC), enterotoxigene E. coli
(ETEC), enteroaggregatieve E. coli (EAEC of EAggEC),
diffuus-adhererende E. coli (DAEC) en enterohemorragische E. coli
(EHEC).
De laatste groep, de EHEC, behoort tot de zogenaamde
shigatoxineproducerende E. coli (STEC), ook wel aangeduid als
vero(cyto)toxine-producerende E. coli (VTEC).
Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (STEC) kunnen bij de
mens hemorragische colitis veroorzaken, waarbij als complicatie het
hemolytisch-uremisch syndroom (HUS) kan optreden. Terwijl HUS voor
het eerst werd beschreven in 1955 en de productie van shigatoxinen
(stx)/vero(cyto)toxinen (VT) door bepaaldeE. coli-stammen in 1977,
werd het verband tussen beide pas in 1983 gelegd.
In het buitenland doen zich sinds medio jaren 90 regelmatig grote
epidemieën voor van STEC. In Nederland deed de eerst ontdekte
landelijke epidemie zich voor in het najaar van 2005. De
belangrijkste taak van de GGD is om eventuele clusters bijtijds op
het spoor te komen. Door snelle bronopsporing kan mogelijk een
grote epidemie worden voorkomen.
De meeste STEC blijken in het bezit te zijn van het E. coli attaching-and-effacing (eae)- gen. Het chromosomale eae-gen codeert voor het buitenmembraan eiwit ‘intimine’. Dit eiwit verankert zich aan de translocated intimin receptor. Deze receptor wordt door STEC zelf in het darmepitheel geplaatst. Dit leidt tot een typisch patroon van ‘attaching-and-effacing’ laesies (a/e-laesies), die ontstaan in de dikke en dunne darm en worden gekarakteriseerd door destructie van de ‘brush border’ membraan en verlies van de structuur van microvilli. De exotoxine stx kan via het inflammatoir proces in de darm de circulatie bereiken. Bij de mens bevindt zich op het nierendotheel een (functionele) receptor voor stx. Na binding van de stx aan de receptor wordt het toxine geïnternaliseerd, en zal vervolgens het ribosomale RNA beschadigen. Hierdoor ontstaat remming van de eiwitsynthese en uiteindelijk celdood. Deze beschadiging van de endotheelcellen van de nieren leidt tot de ontwikkeling van het hemolytisch-uremisch syndroom (acuut nierfalen met hemolytische anemie en trombocytopenie).
De incubatieperiode voor diarree bedraagt meestal 3 of 4 dagen, met een range van 1-12 dagen. Typerend voor STEC is dat de diarree 1 tot 3 dagen na start bloederig wordt. HUS kan zich ontwikkelen tot 14 dagen na de gastro-enteritis.
Een infectie met STEC kan asymptomatisch verlopen, zich beperken tot milde diarree of bloederige diarree veroorzaken (hemorragische colitis). Hemorragische colitis wordt gekarakteriseerd door het plotselinge optreden van heftige buikkrampen, soms met braken, veelal zonder koorts. Na 24 uur volgt een aanvankelijk waterige diarree die na 1 tot 3 dagen bloederig wordt. De klachten duren 2 tot 9 dagen (gemiddeld 4 dagen) en gaan over het algemeen vanzelf over.
2-7% van de met STEC geïnfecteerde personen ontwikkelt HUS, maar bij geïnfecteerde kinderen jonger dan 5 jaar kan dit oplopen tot 15%. HUS wordt gekarakteriseerd door de trias hemolytische anemie, thrombocytopenie en acute nierinsufficiëntie. Het merendeel van de patiënten met HUS herstelt volledig. Meta-analyses van de langetermijnprognose bij diarreegeassocieerde HUS-patiënten laten zien dat gemiddeld 2-9% van deze patiënten overlijdt (vooral in de acute fase), dat bij 25% van de overlevende patiënten chronische nierfunctiestoornissen worden gezien en dat gemiddeld 3% van de HUS-patiënten een terminale nierinsufficiëntie ontwikkelt (End Stage Renal Disease, ESRD). Daarnaast ontwikkelt 0 tot 15% van de HUS-patiënten in de acute fase diabetes mellitus, hetgeen gepaard gaat met verhoogde mortaliteit. Van de overlevende HUS-patiënten met diabetes blijft ruim een derde langdurig (minimaal 12 maanden) insuline-afhankelijk. Tevens kan de diabetes jaren na de doorgemaakte HUS weer optreden.
Risicofactoren voor het ontwikkelen van HUS zijn leeftijd
(jonger dan 5 jaar en ouder dan 65 jaar), gebruik van antibiotica
en een verhoogd aantal leucocyten in het bloed. Daarnaast spelen
kenmerken van de bacterie een rol: een verhoogd risico op HUS wordt
gezien voor serotype O157 en de aanwezigheid van eae en stx2 of
stx2 samen met stx2c.
Er is geen informatie voorhanden over het risico voor zwangeren of
voor het ongeboren kind.
Er is weinig bekend over de effectiviteit van de immuunreactie
op STEC. Bij diarree veroorzaakt door andere groepen
diarreeveroorzakende E. coli is een type-specifiek beschermend
effect als gevolg van eerder doorgemaakte infecties aangetoond.
Antistoffen tegen lipopolysacharide (LPS) en tegen stx zijn
aangetoond tijdens en na de infectie (eerst IgM en IgA, later IgG).
De klinische betekenis hiervan is nog onbekend.
naar boven
STEC behoort tot de familie van de Enterobacteriaceaeen het
geslacht Escherichia.Het omvat gramnegatieve, asporogene,
onbeweeglijke of beweeglijke (peritriche flagellen) rechte
staafjes. E. coliis facultatief anaeroob, oxydasenegatief en
in staat te overleven op minimale basismedia.
De meest toegepaste methode voor subclassificatie vanE.
coli-stammen is serotypering. Deze is gebaseerd op verschillen in
antigenen. Er zijn somatische (O), flagellaire (H) en kapsel
(K)-antigenen. Het meest frequent geïsoleerd bij HUS zijn E. coli
O157:H7 en E. coli O157:H- (H negatief). Daarnaast zijn ook andere
STEC-serotypes bekende veroorzakers van HUS, waaronder O26, O103,
O111 en O145.
Tot op heden zijn de volgende types stx geïdentificeerd:
vero(cyto)toxine-1 (stx1), varianten van stx1 (stx1c, stx1d),
vero(cyto)toxine-2 (stx2) en varianten van vero(cyto)toxine-2
(stx2c, stx2d, stx2e en stx2f). Daar stx1 slechts één aminozuur
verschilt van het shigatoxine van Shigella dysenteriae werden de
stx voorheen ook wel Shiga-like toxinen (SLT) genoemd (SLT-I,
SLT-II, SLT-IIc). De meeste klinische isolaten produceren alleen
stx2 of stx1 èn stx2.
Gevoelig maar bewerkelijk is het testen van fecesfiltraten (vrij
fecaal stx) en kweekfiltraten van feces of van E. coli-isolaten op
de aanwezigheid van stx met de Veroceltest. Stx veroorzaken een
irreversibel, cytotoxisch effect op verocellen.
De kweek op Sorbitol MacConkey (SMAC)-agar is al lange tijd de
meest gebruikte diagnostiek voor het aantonen van STEC serotype
O157. Echter, door het onvermogen met SMAC-agar STEC niet-O157 te
detecteren en de bewerkelijkheid van de Veroceltest zijn recent
real-time PCR-methodes ontwikkeld gericht op het aantonen van de
stx-genen. Verschillende medisch-microbiologische laboratoria in
Nederland hebben deze PCR-methodes inmiddels geïmplementeerd.
Verrijkingsstappen zijn bij de detectie van STEC belangrijk
gebleken.
Er zijn daarnaast verscheidene testkits ontwikkeld, zoalsELISA’s en
immunomagnetische scheidings- en concentratieprocedures, gebaseerd
op de detectie van de O-antigenen van bekende humaanpathogene STEC
of de stx.
Serologisch onderzoek naar de aanwezigheid van antistoffen tegen
stx is niet gevoelig genoeg gebleken. Serologisch onderzoek (ELISA
en immunoblotting) naar de aanwezigheid van antistoffen tegen
lipopolysachariden (LPS) van de belangrijkste humaanpathogene STEC
is beschikbaar, maar wordt in Nederland maar beperkt toegepast,
hoofdzakelijk voor diagnostiek bij HUS-patiënten.
In 2000 werd in Nederland bij 8 (62%) van de 13 onderzochte STEC-gerelateerde HUS-patiënten serotype O157 gevonden. Daarnaast werd O26, O111 en een combinatie van O145 en O115 gevonden. In 2006 werd STEC O103 gevonden als oorzaak van een uitbraak van HUS in Noorwegen.
Runderen zijn asymptomatische dragers van deze darmbacterie. Ook bij schapen en geiten wordt STEC uit darminhoud geïsoleerd. Daarnaast wordt STEC ook sporadisch gevonden bij andere landbouwhuisdieren en wilde fauna, zoals bijvoorbeeld paarden, herten, konijnen, eenden en meeuwen. De bacterie overleeft maanden in de bodem en weken in water (langer bij lagere temperaturen).
De meeste infecties zijn tot dusverre in verband gebracht met
consumptie van onvoldoende verhit (veelal gemalen) rundvlees zoals
hamburger en gehakt of rauw rundvlees (filet americain, carpaccio
en dergelijke). Naast rundvlees zijn consumptie van melk
(ongepasteuriseerd of besmet na het pasteuriseren), andere
zuivelproducten, (oppervlakte)water, groenten (onder andere sla,
spinazie, radijsjes en andere ontspruitende gewassen) en
vruchtensappen geassocieerd met STEC-infecties. [1] STEC O157
blijkt bijzonder zuurtolerant te zijn: de bacteriën zijn in staat
meer dan twee maanden te overleven in gefermenteerde droge worst
met een pH van 4,8. Ook is overdracht beschreven door andere
producten met een lage pH, zoals dressings en appelcider. Contact
met (mest van) besmet vee (denk aan (kinder)boerderij en zwemmen in
gecontamineerd water) kan eveneens een besmettingsroute vormen.
Bij zowel sporadische cases als bij explosies speelt besmetting van
mens op mens een belangrijke rol. Er moet dan ook in alle gevallen
aandacht zijn voor de mogelijkheid van secundaire transmissie. Deze
kan plaatsvinden in gezinnen en in kwetsbare groepen met een minder
goed hygiënebesef. [2, 3, 4, 5, 6, 7] Elke patiënt met een infectie
met STEC dient hygiëneadviezen (zie paragraaf 9.3) te krijgen om
zoveel als mogelijk is, secundaire transmissie te voorkomen.
Risicosituaties
Mensen die contact hebben met (mest van) besmet vee en mensen die
onvoldoende verhit of rauw rundvlees eten en/of rauwe melk drinken
of bewerken of die contact hebben met andere producten die met mest
in aanraking geweest kunnen zijn (rauwe ongewassen groente), lopen
een verhoogd risico op het verkrijgen van een bacteriële infectie.
Bij bezoek aan (kinder)boerderijen en contact met dieren moet men
alert zijn op handen wassen na contact met dieren.
Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage I.
De mens is in ieder geval gedurende de ziekte besmettelijk voor zijn omgeving. De helft van de volwassenen bleek in een onderzoek 17 dagen na aanvang van de klachten nog E. coli uit te scheiden(spreiding 2-62 dagen). Bij kleine kinderen is de uitscheiding langer (mediaan 29 dagen, spreiding 11-59 dagen) en kan incidenteel oplopen tot circa 4 maanden. Deze langdurige uitscheiding kan voorkomen bij zowel symptomatische als bij a-symptomatische patiënten. Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Zeer weinig bacteriën (een klein inoculum) kunnen al klachten geven. Een inoculum van 10-100 bacteriën leidt bij de helft van de mensen tot ziekteverschijnselen (ID50=10-100). In een kinderdagverblijf was de secundaire attack rate 22%. Binnen huishoudens varieert de secundaire attack rate doorgaans tussen 5% en 20%. Als echter asymptomatische infecties worden meegenomen worden attack rates gevonden van 46% voor andere kinderen in het huishouden en 28% voor de ouders.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken (geen bloed, wel excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen) |
2.1.1 |
|
Oppervlakken (bloed) |
2.1.2 |
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, geen bloed, wel excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen) |
2.2.1 |
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, wel bloed) |
2.2.2 |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend) |
3.1 |
|
Textiel |
2.3.2 |
|
Intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond) |
Niet van toepassing |
|
Handen |
2.4.3 |
Over het algemeen zijn mensen die meer risico lopen op een infectie met STEC, te verdelen in vier groepen:
In de Verenigde Staten werden in januari 1993 meer dan 500 mensen ziek als gevolg van het eten van onvoldoende verhitte hamburgers die waren besmet met E. coli O157:H7. Vier kinderen stierven aan de complicaties. Sindsdien zijn vele epidemieën beschreven. In juli 1996 kreeg een enorme epidemie (ruim 9.000 zieken en 12 sterfgevallen) in Japan veel aandacht. De bron zou radijs zijn in op massale wijze geproduceerde lunches voor scholieren. Ook opvallend was de uitbraak in 2006 in de Verenigde Staten waar mensen ziek zijn geworden na het eten van verse rauwe spinazie. Engeland had in 2009 een uitbraak van STEC O157 die gerelateerd kon worden aan een kinderboerderij in Surrey.
Er wordt in Europa geen duidelijke dalende trend van
STEC-infecties gesignaleerd. In de Europese zoönoserapportage van
2004 wordt juist een toename ten opzichte van 2003 gemeld. Over de
trend in voorkomen in andere delen van de wereld is onvoldoende
bekend.
De hoogste incidentie van HUS wordt waargenomen in Argentinië: 21,7
per 100.000 kinderen. In Canada, Groot-Brittannië en de Verenigde
Staten bedraagt de incidentie 2,6-3,3 per 100.000 kinderen jonger
dan 5 jaar. Zowel in Noord-Amerika, Groot-Brittannië als Nederland
blijken de infecties seizoensafhankelijk te zijn. Zestig procent
van de gevallen wordt geregistreerd tussen juni en september.
Sinds 1999 is er een intensieve laboratoriumsurveillance voor
STEC O157 in Nederland. Het jaarlijks aantal laboratoriumbevestigde
ziektegevallen varieert tussen 30 en 60 (0.22-0.35/100.000
inwoners), waarbij bij gemiddeld 15% HUS gediagnosticeerd wordt.
Het hoogste percentage patiënten doet zich voor in de
leeftijdsklasse 0-4 jaar, gevolgd door kinderen van 5-9 jaar en
ouderen vanaf 60 jaar. Naar schatting zijn er in Nederland
jaarlijks 1250 symptomatische STEC O157-infecties in de bevolking
(600 met bloederige diarree), waarvan 180 de huisarts consulteren
en er gemiddeld 40 laboratoriumbevestigd worden. Per jaar worden
naar schatting circa 20 nieuwe diarreegeassocieerde HUS-patiënten
gezien, waarvan er jaarlijks 3-12 gemeld worden.
Sinds 2007 wordt STEC non-O157 ook meegenomen in de surveillance,
aangezien er nu methoden beschikbaar zijn voor de detectie van STEC
non-O157. Ondanks dat nog maar een klein deel van de laboratoria
deze technieken gebruiken, werden in 2008 al evenveel patiënten met
STEC non-O157 als met STEC O157 gemeld.
In 2005 is voor het eerst een nationale uitbraak met STEC O157 in
Nederland beschreven, waarbij filet americain de verdachte bron
was. Sindsdien hebben er nog twee uitbraken plaatsgevonden, éénmaal
veroorzaakt door de consumptie van ijsbergsla en éénmaal door filet
americain.
In de periode 2002-2004 heeft de VWA onderzoek gedaan naar het
vóórkomen van STEC O157 op kinderboerderijen, zorgboerderijen en
kampeerboerderijen. Hierbij werd gevonden dat bij 10%-15% van deze
boerderijen minimaal 1 mestmonster positief was voor STEC O157. De
meeste besmette monsters waren afkomstig van runderen, schapen en
geiten. In de surveillance van landbouwhuisdieren werd STEC O157
bij melkkoeien in 2005, 2006 en 2007 in respectievelijk 4, 5 en 4%
van de koppels aangetoond. Voor vleeskalveren was dit in 2005, 2006
en 2007 respectievelijk 9, 14 en 13%. In 2008 was dit voor rund 5
en voor kalf 22% en in 2009 respectievelijk 2 en 16%.
In 1996-1997 werden 2.941 vleesproducten afkomstig uit supermarkten en slagerijen verspreid over heel Nederland onderzocht op STEC O157. STEC O157 werd aangetoond in 6 (1,1%) van de 571 rauwe-rundergehaktmonsters, in 2 (0,5%) van 402 half-om-halfgehaktmonsters, in 1 (1,3%) van de rauwe-varkensgehaktmonsters, in 1 (0,3%) van de 393 andersoortig rauw-varkensvleesmonsters en in 1 (0,3%) van 328 vleesproducten die al gekookt of gefermenteerd en dus ready-to-eat waren (VWA jaarrapportages). Latere routinemonitoring van diverse vleessoorten door de VWA liet zien dat, nadat een aantal jaren geen STEC O157 in het vlees werd aangetroffen, in 2003 1 keer filet americain en in 2004 3 vleesmonsters (1 rundvlees- (0,2%), 1 kalfsvlees- (0,4%) en 1 filet americain- (0,2%) monster) positief waren voor STEC O157. In 2005 werd geen STEC O157 aangetroffen in rundvlees, maar waren wel 2 monsters varkensvlees (0,5%) en 1 monster van vlees van een haas (0,1%) positief. Ook in daaropvolgende jaren werd in vleesmonsters STEC O157 aangetroffen door de VWA: in 2006 in 2 monsters rundvlees (0,3%) en in 1 monster filet americain (0,1%), in 2007 in 1 monster filet americain (0,1%) en in 2008 in 2 monsters rundvlees (0,3%). In geen van de in 2009 onderzochte vleesmonsters werd STEC O157 aangetoond.
Het nuttige effect van antibiotica is niet aangetoond. Behandeling met trimethoprim/sulfa zou de kans op complicaties (HC of HUS) zelfs vergroten. Verschillende therapeutische mogelijkheden (stx-bindende partikels enteraal of intraveneus) zijn uitgebreid getest, zonder een positief resultaat. De behandeling van HUS is dus nog steeds symptomatisch: behandeling van de nierinsufficiëntie (peritoneaal dialyse of hemodialyse), correctie van de water- en zouthuishouding en behandeling van de eventuele hypertensie.
In Europa wordt in het algemeen geen antibiotica voorgeschreven bij patiënten met een mogelijke of definitieve STEC-infectie. [8,9] Voor evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Op dit moment is er geen vaccin beschikbaar. Een E. coli O157 O-specifiek polysacharide- conjugaatvaccin is in ontwikkeling in de VS. In 2006 werd geconcludeerd uit een fase II-clinical trial uitgevoerd in 2002-2003 onder 49 kinderen van 2-5 jaar dat dit vaccin veilig en immunogeen was. Een fase III-trial is momenteel (2009) in voorbereiding.
Preventie van voedselinfecties veroorzaakt door STEC berust ten eerste op Good Manufacturing Practice (GMP) bij melkproductie en het slachtproces (zerotolerance-beleid voor runderkarkassen sinds 1998). Verder moet bij de bereiding van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong kruisbesmetting worden voorkomen. Toch is dit onvoldoende om infecties te voorkomen (zie § 6.3). Daarom is preventie ook gericht op de volgende punten:
In Nederland is door de VWA in 2002 een hygiënecode ingesteld voor kinderboerderijen. Dit houdt onder andere in dat er een duidelijk zichtbaar bord met informatie over risico’s en hygiëne moet hangen. Daarnaast moet er een handenwasgelegenheid aanwezig zijn. Een dergelijk bord met aanbevelingen kan ook van nut zijn bij het toenemend aantal zorg- en recreatieboerderijen die voor publiek toegankelijk zijn. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2009 een Keurmerk Zoönosen ontwikkeld waarmee dierhoudende bedrijven met een publieke functie zoals kinder- en zorgboerderijen kunnen aantonen dat zij maatregelen nemen om het risico op zoönosen te beperken. Op scholen voor onderwijs en zorg dient aandacht gegeven te worden aan infectiepreventie. Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Bij een indexgeval met gastro-enteritis of HUS moet de voedsel- en voedselbereidingsanamnese van de laatste week vastgelegd worden. Let vooral op vleesproducten, melk en eventuele rauwe groenten. Ook eventuele contacten met landbouwhuisdieren of hun leefomgeving (mest, boerderijbezoek) moeten worden nagaan. In geval van melding van een dergelijk contact of een gerede verdenking van consumptie van rauw of halfgaar vlees dient de VWA te worden ingeschakeld voor monstername op locatie. Alleen bij 2 of meerdere gevallen met een mogelijke onderlinge relatie in een korte periode is verder clusteronderzoek naar mogelijke gemeenschappelijke blootstelling door voedsel of anderszins, bijvoorbeeld oppervlaktewater, aangewezen. Nadere gegevens over mogelijke clustervorming moeten worden verzameld als in de GGD-regio:
Maak een risicoschatting door na te gaan of er in het gezin (huisgenoten en daarmee vergelijkbare contacten) en/of in de omgeving (bijvoorbeeld school of werk) van de patiënt mensen zijn die òf zelf een verhoogde kans hebben op infectie en/of (mogelijk asymptomatisch) zelf weer een risico kunnen vormen voor transmissie naar anderen toe. Geadviseerd wordt om bij deze mensen een fecesonderzoek te doen en hygiëneadviezen te geven (zie ook paragraaf 9.5)
Verhoogde kans op infectie:
Verhoogde kans op transmissie naar anderen:
Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Om secundaire infecties te voorkomen wordende volgende hygiënische maatregelen geadviseerd:
Gezinssituatie
Beperkte hygiënemaatregelen kunnen volstaan in de gezinssituatie:
Instellingen
Adviseer altijd over de hygiënemaatregelen die genomen kunnen worden. Hygiëne is ook een vorm van gedrag. Overweeg daarom altijd of maatregelen ook uitvoerbaar zijn en pas ze zoveel mogelijk aan de situatie aan. Leg niet alleen uit wat mensen moeten doen, maar vertel ook waarom ze het moeten doen. Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Geen.
(Ook therapeutisch worden bij STEC in principe geen antibiotica
gegeven, zie paragraaf 7).
Index en contacten met diarree zijnde:
weren van werkzaamheden in de voedselbereiding of directe
verzorging van kinderen op kinderdagverblijven en patiënten tot
kweken met 48 uur tussentijd 2 keer achtereen negatief zijn.
NB. Het weringsbeleid is alleen gebaseerd op een positieve kweek.
Er is nog onvoldoende ervaring met PCR (op shigatoxine) om het
weringsbeleid hierop te baseren. Daarom wordt geadviseerd om
na(ast) een (positieve) PCR voor dit doel (ook) een kweek in te
zetten.
Hoewel wering van mensen met klachten evident zinvol is, is er
ruimte voor eigen inzicht van de arts en verpleegkundige bij het
adviseren in de volgende situatie. Als een (contact van een)
patiënt klachtenvrij is, hygiënebesef heeft, op het werk goede
hygiënische toiletmogelijkheden heeft, kan overwogen worden om deze
persoon niet langer te weren of kan tijdelijk gezocht worden naar
minder risicovolle werkzaamheden. Dit hangt echter geheel van de
situatie af en moet per keer worden beoordeeld. Voor een
evidence-based uitwerking zie bijlage I.
Ziekte die wordt veroorzaakt door STEC is sinds 1999 meldingsplichtig (groep B2). Het laboratorium waar de desbetreffende ziekteverwekker is vastgesteld en de arts dienen dit te melden aan de GGD. De GGD meldt de gegevens anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten aan het Centrum Infectieziektebestijding.
Meldingscriterium:
STEC/VTEC diarree:
Elk persoon met tenminste één van de volgende 2 symptomen:
in combinatie met één van de genoemde laboratoriumcriteria:
HUS:
Elk persoon met een plotselinge nierinsufficiëntie, gevolgd door tenminste één van de volgende symptomen:
in combinatie met één van de genoemde laboratoriumcriteria:
Instellingen hebben de plicht een ongewoon aantal gevallen van een infectieziekte te melden aan de GGD. Als zich in een instelling één of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen, kan er sprake zijn van de meldingsplicht van clusters op basis van artikel 26 van de Wet publieke gezondheid.
Surveillance en meldingsplicht in Europa
Binnen Europa functioneert een surveillancenetwerk voor
gastro-enteritis. Binnen dit netwerk, waarin ook Nederland
participeert, worden gegevens uitgewisseld ten behoeve van de
surveillance en uitbraakdetectie. Opvallend is dat in het najaar
van 2005 diverse Europese landen hun eerste nationale epidemie van
STEC O157 doormaakten, waaronder Ierland, Frankrijk en Nederland.
Naast besmet rundvlees speelt in Europa ook contact met
landbouwhuisdieren(mest) en hun omgeving een belangrijke rol bij de
verspreiding. De laatste jaren lijken besmette groenten en fruit
ook een steeds grotere rol te gaan spelen. In Nederland was er in
2007 een uitbraak veroorzaakt door besmette sla met naast patiënten
in Nederland ook patiënten in IJsland.
Nederland heeft als EU-lid een meldingsplicht richting ECDC en
geeft éénmaal per kwartaal surveillancedata door aan het ECDC. Deze
humane data worden tezamen met de veterinaire data gebundeld in de
jaarlijkse zoönoserapportage van de European Food Safety Authority
(EFSA).
Sinds 1 april 1999 is er een landelijke intensieve surveillance
naar maagdarminfecties met E. coli O157 en sinds december 2008 naar
alle shigatoxinevormende serotypes van E. coli (STEC). Isolaten
worden daarvoor gestuurd naar RIVM-CIb-LIS voor (bevestiging van)
serotypering, toxinegen-PCR’s en epidemiologische typering met
behulp van Pulsed Field Gel Electroforese (PFGE). De GGD wordt
gevraagd van elke patiënt met een STEC-infectie een ingevulde
vragenlijst naar het RIVM-CIb-EPI te zenden (bijlage II). Bij
mogelijke clusters overleggen met RIVM-CIb. Bevindingen van het
clusteronderzoek rapporteren naar behandelaars, medisch
microbiologen, VWA en CIb.
Schakel bij vermoedelijk direct contact met mest of vee, of bij een
duidelijke verdenking richting (rauw) vlees of ander voedsel de VWA
in voor nader brononderzoek (zie 9.1).
Pdf document - 61KB
Pdf document - 254KB
Word document - 151KB
Pdf document - 19KB
Pdf document - 191KB
Word document - 308KB
Pdf document - 457KB