U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Tularemie
LCI/Gr oktober 2002, laatst gewijzigd februari 2012
Tularemie is een bacteriële zoönose veroorzaakt door
Francisella tularensis. Dit micro-organisme is een van de
meest virulente bacteriën. Infecties vinden in hoofdzaak
incidenteel plaats, rechtstreeks door besmettingsbronnen van
dierlijke oorsprong of indirect via vliegen en teken of via
oppervlaktewater.
Behalve incidenteel komt tularemie ook epidemisch voor, eveneens
vaak gerelateerd aan besmet oppervlaktewater.
Besmetting van mens op mens vindt niet plaats.
De vroegste beschrijving van humane tularemie is terug te vinden in
het in 1837 verschenen ‘Handbook of Surgery’ van de Japanner
Homma-Soken. In de Verenigde Staten werd tularemie voor het eerst
beschreven in 1911 als een op pest gelijkende aandoening bij
eekhoorns in Californië. Korte tijd later, in 1914, werd de ziekte
bij de mens herkend als een ernstige, soms dodelijk verlopende
aandoening. Dr. Edward Francis, werkzaam bij de US Public Health
Service en zelf ook getroffen door de ziekte, toonde aan, dat de
veroorzaker van ‘rabbit fever’ of ‘deerfly fever’, Bacterium
tularense, dezelfde was als die van de tien jaar eerder
beschreven ziekte bij eekhoorns. Ook de microbiologische
diagnostiek, de epidemiologie en de symptomatologie werden door
Francis uitgebreid beschreven, waarna het micro-organisme werd
herbenoemd als Francisella tularensis.
Het belang van F. tularensisals biologisch wapen berust op het feit dat de infectieuze dosis uiterst gering is, het micro-organisme lange tijd kan overleven onder natuurlijke omstandigheden en aerosolverspreiding in dichtbevolkte centra een groot aantal slachtoffers veroorzaakt.
F. tularensiskan de mens infecteren via de huid, de
slijmvliezen, het maagdarmkanaal en de luchtwegen. Evenals voor
vele diersoorten is F. tularensisook voor de mens een
virulent pathogeen. De infectieuze dosis wordt geschat op 10-50
organismen bij intradermale inoculatie of inhalatie en
108 bij ingestie. Het organisme is facultatief
intracellulair; vermeerdering vindt plaats in macrofagen. Na
besmetting via huid of slijmvliezen vermeerdert F.
tularensiszich gedurende de eerste drie tot vijf dagen ter
plaatse van de porte d’entree, waarbij snel ulceratie optreedt. De
organismen verspreiden zich dan via de regionale lymfklieren en van
daaruit naar de diverse orgaansystemen.
In de aangedane organen treedt uitgebreide necrose op waarbij
nabijgelegen vaten kunnen tromboseren. De necrotische haarden
bevatten grote aantallen polymorfonucleaire leucocyten, later
vooral macrofagen, epitheloïde cellen en lymfocyten. Er ontwikkelen
zich vervolgens granulomen met een histopathologisch beeld dat
lijkt op tuberculose en sarcoïdose.
De incubatieperiode duurt meestal 3 tot 5 dagen, maar kan variëren van 1 tot 21 dagen.
De ernst waarmee en de wijze waarop de ziekte zich manifesteert, hangt af van de virulentie van het organisme, de dosis, de porte d’entree en de immuunstatus van de patiënt. Zowel asymptomatisch en subklinisch beloop als foudroyant verloop met sepsis en algeheel orgaanfalen zijn mogelijk.
De ziekteverschijnselen kunnen zich in een of meer van de volgende vormen manifesteren (CDC-case definitions, 1997):
ulceroglandulair (ulcus + lymfklierzwelling)
glandulair
oculoglandulair
orofaryngeaal
intestinaal
typhoidaal (systemisch)
pulmonaal
In de praktijk zullen zich meestal mengvormen voordoen.
Gewoonlijk begint tularemie met een abrupte temperatuurstijging,
hoofdpijn, spierpijn, koude rillingen en − bij de
intestinale/oropharyngeale vorm − keelpijn. Respiratoire symptomen,
maar ook buikpijn en diarree kunnen optreden. Onbehandeld kan de
koorts een maand aanhouden. Gewichtsverlies, klierzwellingen en
algeheel malaisegevoel kunnen maanden blijven bestaan.
Alle vormen van tularemie kunnen worden gecompliceerd door
hematogene uitzaaiing met als gevolg secundaire pleuropneumonie
en/of sepsis.
De case fatality rate was, vóór antibiotica − met name
aminoglycosiden − ter beschikking kwamen, 33%. Thans is de
overall-sterfte in de orde van 2%.
De ulceroglandulairevorm komt het meest voor en is
het gevolg van het hanteren van besmette karkassen of van de beet
of steek van een besmet insect. Ter plaatse ontstaat een rode,
pijnlijke papel (dd anthrax!), die na enkele dagen ulcereert.
Aansluitend ontstaat een regionale lymfklierzwelling. Deze
lymfklieren kunnen verweken en doorbreken ondanks behandeling met
antibiotica.
Oropharyngealetularemie wordt veroorzaakt door
besmet voedsel of door het drinken van besmet water. Kenmerkend
zijn pharyngitis en tonsillitis met zwelling van de halsklieren.
Bij tyfoidaletularemie is de porte d’entree of
anatomische lokalisatie onbekend. Deze vorm komt nogal eens voor
bij patiënten met een immuniteitsstoornis, is moeilijk te
diagnosticeren en verloopt vaak dodelijk.
Een tularemiepneumoniekan het gevolg zijn van
directe inhalatie van besmette aerosolen of van hematogene
verspreiding vanuit een focus elders.
Inhalatietularemie na opzettelijke verspreiding of na een
laboratoriumaccident kan aanleiding geven tot een ernstige
luchtweginfectie met ARDS, maar ook een primair gegeneraliseerd
septisch beloop is mogelijk. De thoraxfoto toont pleuritis met
adhesies en exsudaat, en vergrote hilusklieren.
Gezien het feit dat humane tularemie een zeldzame ziekte is en in
Nederland in het geheel niet voorkomt, valt te verwachten dat de
correcte diagnose pas laat gesteld wordt, met name bij incidentele
gevallen.
Bij grootschalige verspreiding via aerosolen zal de ziekte de
volgende kenmerken bezitten:
Een acute, niet-specifieke griepachtige infectieziekte drie tot vijf dagen na het accident.
In de daarop volgende weken gevolgd door een pneumonie met pleuritis bij een aanzienlijk aantal getroffenen.
Synchroon beloop bij een groot aantal tevoren gezonde volwassenen en kinderen.
Optredend in dichte bevolkingscentra.
De verwekker wordt geïdentificeerd als F. tularensis type A. (Tularemie door dit virulente type komt in Europa niet voor!).
Het is van groot belang in deze situatie de ziekteverwekker tijdig te identificeren en te differentiëren van andere oorzaken van pneumonie waaronder influenza, Q-koorts, maar ook pest en anthrax.
2.4Verhoogde kans op ernstig beloop
Gegevens hierover zijn niet beschikbaar, maar bij
patiënten met een niet-intacte immuniteit gaat de ziekte relatief
vaak gepaard met septische complicaties en algeheel orgaanfalen
(typhoidale vorm).
Humorale antistoffen worden gevormd tussen de tweede en derde week na de infectie. Vrijwel gelijktijdig worden IgM, IgG en IgA aangemaakt. Antilichamen alleen beschermen echter onvoldoende tegen een infectie met een virulente F. tularensis-stam. Volledig herstel vereist tevens cellulaire immuniteit; deze is een week eerder aantoonbaar en is gericht tegen cellulaire eiwit-antigenen. Behalve neutrofielen, TNF-- en IFN--geactiveerde macrofagen zijn tevens functionele /+T-cellen noodzakelijk om de infectie te overwinnen.
Francisella tularensisis een klein, gramnegatief,
pleomorf, niet-beweeglijk en niet-sporen-vormend coccobacillair
micro-organisme met een afmeting van 0,2-0,5 x 0,7-1,0 µm. De
taxonomische positie van het micro-organisme op genusniveau is af
te leiden uit de samenstelling van de in de cel aanwezige vetzuren.
Hoofdzakelijk twee subspecies kunnen worden onderscheiden: F.
tularensissubsp. tularensis(type A) en F.
tularensissubsp. palaearctica(type B). Dit
onderscheid heeft klinische en epidemiologische betekenis. Het ligt
voor de hand te veronderstellen dat in het kader van biologische
oorlogsvoering het meest virulente type A zal worden toegepast.
Het organisme groeit strikt aeroob, traag en vereist verrijkte
voedingsbodems. Bloedkweekautomaten zijn in staat groei van F.
tularensiste detecteren.
Biochemische reacties ter differentiatie zijn weinig bruikbaar: het
organisme is biochemisch inert. Gevoeligheidsbepaling op de
gebruikelijke wijze is eveneens niet uitvoerbaar. ‘Wilde’ stammen
hebben een voorspelbaar resistentiepatroon, maar men moet er op
bedacht zijn dat in het kader van een biologische oorlogsvoering de
mogelijkheid bestaat dat gebruik gemaakt wordt van stammen met een
afwijkend resistentiepatroon.
De gramkleuring (gramnegatieve staafjes) kan van grote waarde
zijn voor een vroege diagnostiek, maar is soms moeilijk te
interpreteren wegens de slechte kleurbaarheid van het organisme en
het geringe contrast met de achtergrond. (bijlage I)
Een directe fluorescentietest is goed bruikbaar, ook als voorlopige
bevestiging bij een vermoedelijk positieve kweek, maar is in
Nederland niet beschikbaar. Antigeendetectie in urine en
DNA-fingerprinting zullen wellicht in de toekomst een snellere en
meer betrouwbare diagnostiek mogelijk maken.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de diagnose tularemie veelal
primair gesteld wordt op basis van de anamnestische gegevens
(teken- of vliegenbeet, contact met weefsels van besmette dieren,
mogelijk gecontamineerd water) in combinatie met het klinisch
beeld, en niet op microbiologische bevindingen.
De diagnose wordt bevestigd door middel van serologie. Positieve
titers in de buisjes-agglutinatietest worden gevonden vanaf tien
dagen na het begin van de ziekte. De hoogste waarden worden bereikt
na vier tot vijf weken. Dit onderzoek wordt in Nederland uitgevoerd
in het CVI te Lelystad.
Een microbiologisch onderzoeksprotocol is als bijlage bijgevoegd (bijlage I).
4.1Reservoir
F. tularensiskomt wijdverbreid voor in de natuur en is
geïsoleerd uit een veelheid van organismen waaronder zoogdieren,
vogels, insecten en vrijlevende amoeben, en ook uit brak water en
modder. Het organisme kan zich maandenlang in de natuur handhaven,
vooral in een koel en vochtig klimaat, maar is niet bestand tegen
uitdroging.
F. tularensistype A komt voor in Noord-Amerika en Canada.
Het primaire reservoir is de cottontail rabbit (Sylvilagus spp.),
een wilde konijnensoort. De voornaamste overbrengers zijn teken.
Tot voor kort werd aangenomen dat type A niet in Europa voorkomt.
In de periode 1978-1996 echter werden in de omgeving van Bratislava
uit mijten en vliegen F. tularensis-stammen geïsoleerd,
die blijkens onderzoek overeenkomen metF. tularensistype
A.
F. tularensistype B komt voor in Europa, Azië en
Noord-Amerika. Het veroorzaakt epidemieën onder o.a. bevers,
muskusratten en muizen. Oppervlaktewater, met uitwerpselen besmet
hooi en stro, en teken en muggen vormen de belangrijkste vectoren.
In Nederland is slechts eenmaal, bij een dode haas, F.
tularensisaangetroffen (zie ook paragraaf 6.2). Men moet zich
echter realiseren dat dit micro-organisme alleen met gerichte
isolatietechnieken is te detecteren.
Besmetting kan rechtstreeks optreden door het hanteren van besmette karkassen, bijvoorbeeld door jagers en stropers of door besmette aerosolen, ontstaan tijdens het hooien. De meest omvangrijke epidemie in Europa, namelijk in een groot agrarisch gebied in Zweden in 1966-1967, is op deze laatstgenoemde wijze ontstaan. Meer dan 600 patiënten raakten toen besmet met type B. Geen van hen overleed, mede dank zij adequate antimicrobiële behandeling. Via beten van besmette zoogdieren is overdracht ook beschreven.
Directe besmetting van mens-op-mens is nooit beschreven.
Secundaire gevallen kwamen ook vóór het antibioticatijdperk niet
voor. (Man10)
Wel een belangrijk en vanouds bekend besmettingsrisico is aanwezig
bij het werken met F. tularensisin het laboratorium.
F. tularensisis een klasse 3-organisme (zoals b.v.
Brucella). Dat betekent dat ingevolge het Arbobesluit
beheersingsniveau 3 dient te worden toegepast als een besmetting
met dit organisme wordt vermoed. De maatregelen zijn vooral gericht
op het voorkomen van contactbesmetting en inhalatie van besmette
aerosolen. Een uitgebreide beschrijving van de te nemen maatregelen
is te vinden in NVVM-richtlijn ‘Veilig werken met micro-organismen,
parasieten en cellen in laboratoria en andere werkruimten’.
Indirecte overdracht vindt plaats door steken of beten van besmette muggen respectievelijk teken of vliegen. Deze vorm van overdracht treedt vooral op tussen juni en september. Ingestie van besmet water kan oropharyngeale of intestinale tularemie veroorzaken.
Besmetting met F. tularensis van mens op mens komt niet voor.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken |
standaardmethode 2.1, maar gebruik natriumdichlooriso-cyaanuraat of natriumhypochloriet in een concentratie van 1000 ppm (0,1%) chloor |
|
Instrumenten |
2.3.2 |
|
Textiel |
2.4.1 |
|
Intacte huid |
2.4.1 |
|
Niet-intacte huid (wond) |
2.4.2 |
|
Handen |
2.4.3 |
Afgaande op gevallen elders in Europa lopen jagers, landbouwers, recreanten in bosgebieden en laboratoriummedewerkers een verhoogd risico.
Specifieke risicogroepen in Nederland kunnen moeilijk worden omschreven omdat de ziekte in ons land zelden is aangetroffen. Een symptoomarm beloop en daarmee onderrapportage is echter niet uit te sluiten. In Europa wordt tularemie voor zover bekend uitsluitend veroorzaakt door het veel minder virulente type B.
Bij een grootschalige opzettelijke aerosolverspreiding lopen bewoners van dichte stedelijke gebieden een relatief groter risico dan de plattelandsbevolking.
Een bijzondere plaats neemt de laboratoriuminfectie in: analytisch personeel loopt een groot risico besmet te worden wanneer men met dit micro-organisme werkt zonder de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen.
Tularemie is een ziekte die voorkomt tussen de 30ste en de 70ste
breedtegraad van het noordelijk halfrond. De wereldwijde incidentie
van tularemie is onbekend; waarschijnlijk wordt de ziekte vaak niet
herkend.
Tussen 1990 en 2000 werden in de Verenigde Staten in totaal 1368
gevallen aangegeven, hoofdzakelijk afkomstig uit de staten
Arkansas, Missouri, Kansas en Oklahoma.
In Oost-Europa komt de ziekte vooral voor in Tsjechië, met name in
Zuid-Moravië, in Slovenië, voormalig Joegoslavië (o.a. recent in
Kosovo) en Hongarije. In Hongarije is de ziekte gerelateerd aan de
jacht op wilde hamsters ten behoeve van de bontindustrie. Ook in de
landen behorend bij de Russische Federatie komt de ziekte
regelmatig voor.
In Zuid-Europa, met name in Italië en Spanje, zijn veel
ziektegevallen gerelateerd aan het bejagen en consumeren van
besmette hazen en aan besmet oppervlaktewater.
In de Scandinavische landen komen relatief veel gevallen van
longtularemie voor, veelal verband houdend met agrarische
activiteiten.
Alle ziektegevallen in Europa en Azië worden voor zover bekend
veroorzaakt door F. tularensistype B. In Noord-Amerika en
Canada komt naast type B ook type A voor.
In Japan komt een milde vorm van tularemie voor. De ziekte staat
bekend onder de naam yato-byo of Ohara’s disease. Veroorzaker is de
japanse variant van F. tularensis. De glandulaire en de
oropharyngeale vorm komen het meest voor.
In Nederland is slechts eenmaal, in 1953, melding gemaakt van tularemie. Het betrof een gezin van acht personen, woonachtig in Horn (Limburg). Zeven van hen werden ziek na het eten van een − naar later bleek − aan tularemie overleden haas. De diagnose werd serologisch bevestigd. In België werden in 1949 25 gevallen van tularemie aangegeven. Vanuit het Verenigd Koninkrijk zijn nooit ziektegevallen gemeld.
De meest effectieve antimicrobiële middelen voor de behandeling van tularemie zijn de aminoglycosiden. In de praktijk kan onderstaand behandelingsschema worden gehanteerd.
De meest effectieve antimicrobiële middelen voor de behandeling
van tularemie zijn de aminoglycosiden. In de praktijk kan
onderstaand behandelingsschema worden gehanteerd.
1. Bij een incidenteel geval of bij een beperkt aantal
slachtoffers als gevolg van een bioterroristische aanval:
• 1e keuze: gentamicine 1dd 5 mg/kg iv of im*
• alternatieven: doxycycline 1dd 200 mg iv of
ciprofloxacine1 2dd 400 mg
iv **
* Kinderen: 1dd 7,5 mg/kg iv
** Kinderen: ciprofloxacine 2dd 15 mg/kg (max. 800 mg) heeft
de voorkeur boven doxycycline.
2. Bij een massaal aantal slachtoffers als gevolg van
een grootschalige expositie en als postexpositieprofylaxe.
• doxycycline 1dd 200 mg or. of
• ciprofloxacine 2dd 500 mg or. ***
*** Kinderen: ciprofloxacine 2dd 15 mg/kg or. (max. 1000 mg)
heeft de voorkeur boven doxycycline.
De behandeling dient in alle gevallen tenminste tien dagen te
worden voortgezet; doxycycline tenminste veertien dagen.
1 Ciprofloxaxine is bactericide en zeer werkzaam in vitro. De klinische ervaring hiermee is gering (anno 2004), maar op theoretische gronden vormt dit middel een goed alternatief (bactericide, intracellulair actief, in vitro zeer actief).
Al in het begin van de dertiger jaren ontwikkelde de Sovjet Unie een levend verzwakt vaccin bedoeld om bevolkingsgroepen in tularemie-endemische gebieden te vaccineren. In de Verenigde Staten werd later eveneens een levend verzwakt vaccin ontwikkeld, waarbij een avirulente stam werd gebruikt. Dit vaccin wordt gebruikt om laboratoriummedewerkers die routinematig met F. tularensiswerken te beschermen. Levend verzwakt vaccin geeft slechts een partiële bescherming tegen inhalatietularemie met een virulente F. tularensis-stam. Omdat deze bescherming bovendien pas na twee weken effect heeft, wordt deze vaccinatie niet aanbevolen als postexpositie profylaxe na een bioterroristische aanslag. In Nederland is geen vaccin beschikbaar.
De basis van preventie van infectie met F. tularensisis
gelegen in het vermijden van direct of indirect contact. Het
micro-organisme kan zich lange tijd handhaven in een koele,
vochtige omgeving. Bij een opzettelijke verspreiding via een
aerosol zal het organisme door uitdroging, inwerking van zonlicht,
en de niet-natuurlijke biotoop naar verwachting snel afsterven.
Het risico op een op natuurlijke wijze verkregen infectie in
gebieden waar de ziekte onder dieren voorkomt, kan als volgt worden
beperkt:
Karkassen hanteren met handschoenen en mondmasker; vermijden van aerosolen.
Insectenbeten vermijden door goed gesloten kleding te dragen; controle op tekenbeten; zorgvuldige verwijdering van teken.
Droge opslag van hooi en stro.
Directe transmissie van mens-op-mens is nooit beschreven.
Isolatie tijdens verblijf in een ziekenhuis is niet nodig, zoals vastgesteld in de WIP-richtlijn ‘Ziekenhuizen, indicaties voor isolatie’.
Bij verzorging van gesloten wonden kan gebrujk gemaakt worden van de standaard hygiënemaatregelen bij wondverzorging zoals vermeld in de WIP-richtlijnen ’Preventie van postoperatieve wondinfecties’ en ’Revalidatiecentra: verzorging van wonden’.
Laboratoriuminfecties kunnen worden vermeden door:
Het laboratorium tevoren op de hoogte te stellen als het onderzoeksmateriaal afkomstig is van een patiënt bij wie de diagnose tularemie wordt overwogen.
Altijd te werken volgens de geldende veiligheidsvoorschriften: beheersingsniveau 2; bij vermoeden zoals hierboven vermeld en uiteraard bij het werken met culturen overgaan op beheersingsniveau 3. Laboratoria of dependances daarvan die deze mogelijkheid niet hebben dienen het onderzoek uit te besteden.
Bij pathologisch onderzoek evenals bij autopsie aerosolen te vermijden.
Bij een incidenteel geval moet gericht omgevingsonderzoek naar het voorkomen van F. tularensisworden verricht. Een opzettelijke verspreiding vereist opsporingsmethoden die buiten het bestek van deze richtlijn vallen.
Aangezien overdracht van patiënt naar patiënt niet voorkomt is contactonderzoek niet zinvol. Wel is het van belang ziekte bij andere personen die mogelijk aan dezelfde bron zijn bloot-gesteld actief en tijdig op te sporen.
9.3Maatregelen ten aanzien van patiënt
en contacten
Hiervoor gelden de algemene voorzorgsmaatregelen
zoals vastgelegd in WIP-richtlijn Algemene
voorzorgsmaatregelen.
Postexpositieprofylaxe komt in aanmerking bij een opzettelijke
grootschalige verspreiding. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat
F. tularensisals biowapen wordt herkend binnen de
incubatieperiode.
De antibioticakeuze en de behandelingsduur komen overeen met het
schema in paragraaf 7 onder punt 2.
Postexpositieprofylaxe komt tevens in aanmerking voor
laboratoriummedewerkers bij een accident waarbij ondanks de eerder
genoemde veiligheidsmaatregelen een besmette aerosol is
vrijgekomen.
Profylaxe is niet nodig na blootstelling met een onbekend risico zoals na tekenbeten.
Tularemie is niet van mens op mens overdraagbaar. Wering is niet van toepassing.
Tularemie is geen meldingsplichtige ziekte. Zoals verwoord in de IGZ-brochure Bioterrorisme dient niettemin bij iedere serieuze verdenking van tularemie de arts infectieziekten van de GGD te worden gewaarschuwd door de behandelend arts of de arts-microbioloog.
Bij opzettelijke verspreiding zal de GGD in eerste instantie het CIb inlichten en vervolgens politie en brandweer inschakelen.
Na een bioterroristische aanval met F. tularensiszullen naast gezondheidsspecifieke instructies tevens instructies van politie en brandweer aan de getroffen bevolking worden gegeven.
WIP-richtlijn Algemene voorzorgsmaatregelen
WIP-richtlijn Ziekenhuizen, indicaties voor isolatie.
WIP-richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties
WIP-richtlijn Revalidatiecentra: verzorging van wonden
Veilig werken met micro-organismen, parasieten en cellen in laboratoria en andere werkruimten. NVMM 1999. ISBN 90-804745-1-7.
IGZ brochure Bioterrorisme (2001).
Hemmes GD. Tularaemie te Horn. NTvG 1953;97:990-2.
Tularemia-United States,1990-2000. MMWR 2002;51: 182-184.
februari 2012: In paragraaf 4.2 en 8.2 is de mens-op-mensbesmetting met F. tularensis nader uitgewerkt. Isolatie tijdens ziekenhuisopname is niet nodig. Bij de verzorging van wonden kan gebruik gemaakt worden van de standaard hygiënemaatregelen bij wondverzorging.
LCI/Gr oktober 2002
Bijlagen:
Bijlage I Isolatie en identificatie van
Francisella tularensis
Bijlage II Francisella tularensisals biologisch wapen
Pdf document - 199KB
Word document - 123KB
Pdf document - 128KB
Pdf document - 96KB