RIVM_Logo

Hoge incidentie van hivinfecties onder MSM na PEP: aanwijzingen voor aanhoudend risicovol seksueel gedrag

J. Heuker, G. J.B. Sonder, I. Stolte, R. Geskus, A. van den Hoek

Sinds 2000 kunnen mannen die seks hebben met mannen (MSM) na een risicovol seksueel contact postexpositieprofylaxe (PEP) voorgeschreven krijgen. Het jaarlijks aantal PEP-voorschriften nam sterk toe in de periode van 2000 tot en met 2009. Wij waren benieuwd of de verzoeken om PEP in toenemende mate afkomstig waren van een groep MSM die zich onderscheidde door ook na PEP-gebruik nog steeds risicovol seksueel gedrag te hebben. Indien dat het geval was zouden we onder deze groep een relatief hoge hivincidentie kunnen verwachten. Om deze hypothese te testen hebben we de hivincidentie onder MSM na PEP vergeleken met de hivincidentie onder MSM die deelnemen in de Amsterdamse cohortstudie (ACS), een cohort dat in 1984 is gestart en waarin gedurende de periode van dit onderzoek continu nieuwe MSM zijn opgenomen. De MSM in dit cohort worden als min of meer representatief beschouwd voor de populatie MSM in Amsterdam.

Dit artikel is een bewerking van High HIV incidence among MSM prescribed postexposure prophylaxis, 2000-2009: indications for ongoing sexual risk behaviour. Aids 2012, 26: 505-512

In Amsterdam werd tot 2010 de indicatie voor PEP gesteld door de arts infectieziektebestrijding van de GGD (binnen kantooruren) of in één van de 5 ziekenhuizen in de stad (buiten kantooruren). Indien een cliënt in één van deze ziekenhuizen was gestart met PEP werd hij op de eerstvolgende werkdag naar de GGD doorverwezen voor begeleiding tijdens de PEP-kuur en bloedcontrole op 3 en 6 maanden na aanvang PEP-kuur. (1,2) Een PEP-kuur bestaat uit een combinatie van verschillende antiretrovirale middelen en dient gedurende 28 dagen ingenomen te worden. (3)

Resultaten

In de periode 2000 tot en met 2009 kregen 506 MSM PEP voorgeschreven. Stoppen met PEP werd geadviseerd aan 44 mannen om verschillende redenen: bij 27 mannen bleek de partner achteraf hivnegatief, bij 7 werd het risico voor hivbesmetting bij nader inzien als laag beschouwd en 10 bleken al bij aanvang van de PEP-behandeling met hiv geïnfecteerd te zijn. Daarnaast vielen nog eens 29 mannen af omdat zij toerist waren. Van de 433 mannen die de kuur af zouden maken en voor controle zouden komen na 3 en 6 maanden, kwamen er 38 niet terug. Uiteindelijk zijn dus 395 PEP-verzoekers in deze studie geïncludeerd.

Van de 395 MSM bleek bij nacontrole dat 11 een hivinfectie hadden opgelopen. Falen van de PEP-behandeling is niet geheel uit te sluiten maar lijkt onwaarschijnlijk. De meerderheid van deze mannen testte negatief bij 3 maanden en positief bij 6 maanden, waardoor het waarschijnlijk is dat de infectie op een later tijdstip werd opgelopen. Allen vertelden nauwkeurig hun medicijnen te hebben geslikt en geen van de opgelopen virussen bleek resistent tegen de gebruikte PEP. (4) Ook hadden meeste mannen na de start van de behandeling nog onveilige sekscontacten gehad.

Onder MSM met PEP was de gemiddelde hivincidentie over de gehele periode 6,4 (95% BI 3,4-11,2) per 100 persoonsjaren vergeleken met een hivincidentie van 1,6 (95% BI 1,3-2,1) per 100 persoonsjaren onder de MSM uit de ACS. In beide cohorten werd in de loop der jaren een toename gezien van hiv die statistisch net niet significant was (p=0.06). Er was een significant verschil in incidentie tussen beide cohorten (p<0.001), dat vooral in de laatste jaren gestalte kreeg (internal rate of return (IRR) MSM met PEP versus MSM in ACS in 2009 was 4,8 (95% BI 2,0-11,5)). (Figuur 1)

Conclusie

Wij zagen een sterke toename van het aantal PEP-verzoeken in de periode 2000-2009. De hivincidentie onder MSM na PEP was in de meest recente jaren meer dan 4 maal zo hoog als onder de MSM in de ACS. Dit wijst op aanhoudend risicogedrag nadat de PEP-kuur is beëindigd. De beschikbaarheid van PEP na een risicovol contact is blijkbaar niet voldoende om hivinfecties onder deze groep te voorkomen. Wereldwijd zijn er nu onderzoeken gaande of pre-expositieprofylaxe hivinfecties voorkomt. Zulke trials vergen onderzoekspopulaties met een hoge hivincidentie. Mogelijk dat MSM die een PEP-verzoek hebben gedaan voor een dergelijke trial in aanmerking zouden kunnen komen.

Auteurs

J. Heuker, G. J.B. Sonder, I. Stolte, R. Geskus, A. van den Hoek, GGD Amsterdam

Correspondentie

A. van den Hoek | AvdHoek@ggd.Amsterdam.nl


Literatuur

 

  1. G.J.B. Sonder, R.M. Regez, K. Brinkman, J.M. Prins, J.W. ulder, R.A. Coutinho en J.A.R. van den Hoek. Postexpositiebehandeling tegen HIV buiten het ziekenhuis in Amsterdam, januari-december 2000. Ned Tijdschr Geneesk 2002;146(13):629-633
  2. Gerard J B Sonder, Rosa M Regez, Kees Brinkman, Jan M Prins, Jan-Willem Mulder, Joke Spaargaren, Roel A Coutinho, Anneke van den Hoek. Prophylaxis and follow-up after possible exposure to HIV, hepatitis B virus, and hepatitis C virus outside hospital: evaluation of policy 2000-3. Brit Med J 2005; 330: 825-829.
  3. Gerard J.B. Sonder, Anneke van den Hoek, Rosa M. Regez, Kees Brinkman, Jan M. Prins, Jan-Willem Mulder, Jan Veenstra, Frans A. Claessen and Roel A. Coutinho. Trends in HIV postexposure prescription and compliance after sexual exposure in Amsterdam, 2000-2004. Sex Transm Dis 2007; 34 (5): 288-293.
  4. Sonder GJ, Prins JM, Regez RM, Brinkman K, Mulder JW, Veenstra J, et al. Comparison of two HIV postexposure prophylaxis regimanes among men who have sex with men in Amsterdam; adverse effects do not influence compliance. Sex Transm Dis 2010; 37:681-686

 

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Juli 2012 / Hoge incidentie van hivinfecties onder MSM na PEP: aanwijzingen voor aanhoudend risicovol seksueel gedrag

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu