RIVM_Logo

Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2015

Voedselgerelateerde ziekten leiden wereldwijd tot aanzienlijke ziektelast. In Nederland wordt het aantal patiënten geschat op ongeveer 700.000 mensen per jaar. (1-3) Dit aantal is mede gebaseerd op de geregistreerde aantallen zieken binnen onder andere de meldingsplicht en laboratoriumsurveillance. Door surveillance en meldingsplicht van voedselgerelateerde uitbraken en ziekte door specifieke micro-organismen, wordt inzicht verkregen in het voorkomen van ziekteverwekkers, risicovolle omstandigheden en besmettingsgevoelige voedselproducten. Bovendien kunnen eventuele trends gevolgd worden. In dit artikel geven wij een samenvatting van het jaarrapport Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2015. Het jaarrapport geeft een overzicht van de in Osiris geregistreerde uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en door de GGD'en (4) Verder geven we een overzicht gegeven van de in 2015 gedane meldingen door de GGD van mogelijk voedselgerelateerde bacillaire dysenterie (shigellose), botulisme, brucellose, buiktyfus, cholera, hepatitis A en paratyfus A, B en C.

Registratie van voedselinfecties en -vergiftigingen

De NVWA en GGD’en onderzoeken de oorzaken van voedselinfecties en -vergiftigingen (de besmettingsbron en de ziekteverwekker), elk vanuit het eigen werkveld. De NVWA onderzoekt daarbij het voedsel en de plaats waar het wordt bereid. De GGD ondervraagt de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en voert eventueel fecesonderzoek uit. Deze gegevens vullen elkaar aan. Beide instanties registreren meldingen van voedselgerelateerde uitbraken in Osiris. Osiris is een web-based registratie-systeem dat wordt beheerd door het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM.

Bij de NVWA

De wijze waarop klachten bij de NVWA worden behandeld, is uitgebreid beschreven. (4, 5) In het kort: personen met ziekteverschijnselen die vermoeden dat deze veroorzaakt zijn door voedsel, kunnen telefonisch contact opnemen met het Klantcontactcentrum van de NVWA of het meldings-formulier via de website van de NVWA invullen. Het Klantcontactcentrum registreert de melding in het elektronische meldingssysteem waarna de informatie door-gestuurd wordt naar de divisie Consument & Veiligheid die verder zorg draagt voor de beoordeling en het onderzoeken van de melding. Bij sommige meldingen voert een inspecteur een inspectie uit op de vermoedelijke plaats van besmetting en neemt waar mogelijk voedsel- en/of omgevingsmonsters, voor laboratoriumonderzoek. De bevindingen van de inspecteur, de resultaten van het laboratoriumonderzoek en de eindconclusie worden vervolgens teruggerapporteerd aan het Klantcontact-centrum die de melder over de uitkomsten informeert. In voorgaande jaren werden alle niet-anonieme meldingen van zowel enkele ziektegevallen als uitbraken, waarbij voedsel/omgevingsmonsters waren genomen, geregistreerd in Osiris. Dit is veranderd in 2015; vanaf 2015 worden alleen niet-anonieme meldingen van uitbraken in Osiris geregistreerd, ongeacht of er monsters genomen zijn of niet. Meldingen van op zichzelf staande ziektegevallen worden door de NVWA niet meer doorgegeven aan het CIb voor de jaarrapportage.

Bij de GGD/bij het CIb

Volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) dient een voedselinfectie of -vergiftiging te worden gemeld indien er sprake is van 2 of meer patiënten met dezelfde ziekteverschijnselen of -verwekker en een onderlinge epidemiologische of microbiologische relatie wijzend op voedsel als bron. De onderlinge relatie kan blijken uit een vergelijkbaar klinisch beeld, opvallende overeenkomst in tijdstip van ziekte, dezelfde verwekker of hetzelfde subtype. Daarnaast is ook wettelijk bepaald dat individuele patiënten met specifieke infectieziekten gemeld dienen te worden. Voor deze ziekten geldt een meldingsplicht vanwege de ernst van de ziekte of het risico voor besmetting van mens tot mens. Artsen en laboratoria melden aan de GGD’en, die de binnengekomen meldingen onderzoeken en via Osiris de geanonimiseerde meldingen doorgeven aan het CIb.

Uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen

De NVWA registreerde 398 meldingen van voedselgerelateerde uitbraken in Osiris met in totaal 1813 zieken. Door de GGD’en werden 27 meldingen van voedselgerelateerde uitbraken bij het CIb gemeld met in totaal 549 zieken. In totaal werden in 2015 406 uitbraken geregistreerd met 1850 gerapporteerde zieken, waarvan 19 uitbraken door beide instanties waren geregistreerd. Het aantal uitbraken is daarmee gestegen ten opzichte van voorgaande jaren (2009-2014: 207-290 uitbraken). Dit wordt mede veroorzaakt doordat ook meldingen bij de NVWA waarbij geen monsters zijn genomen, worden meegenomen in deze rapportage. Het aantal gemelde zieken is ook gestegen, maar minder sterk (1850 versus 1655 in 2014 en 1460 in 2013).

De meeste uitbraken bestonden uit 2 tot en met 4 zieken (85%) gevolgd door 5 tot en met 9 zieken (8%). De 6 grootste uitbraken varieerden van 36 tot en met 150 zieken. Bij de NVWA vormden grotere uitbraken met 10 of meer zieken maar een kleine groep binnen de geregistreerde meldingen (6%, n=25), ten opzichte van de GGD-CIb-meldingen (44%, n=12), waarbij 11 uitbraken in beide registraties waren opgenomen.

Negentien uitbraken zijn zowel door de GGD als de NVWA geregistreerd. Maar ook in een deel van de uitbraken die maar door 1 van beide is gemeld, is er onderling contact geweest. In totaal is van 36 uitbraken van de 406 (9%) bekend dat er contact is geweest. Het percentage contact stijgt met de grootte van de uitbraak: bij uitbraken met minder dan 10 zieken (n=380) is er in 5% van de gevallen contact, terwijl dit 46% is voor uitbraken met 10 tot 19 zieken (n=13) en 77% voor uitbraken met 20 of meer zieken (n=13). Ook is er vaker contact (68%) als er een verwekker gevonden werd (bij patiënt / voedsel / omgeving), ten opzichte van de uitbraken waar geen verwekker werd gevonden (3%).

Ziekteverwekkers

In totaal werd bij 38 uitbraken (9%) melding gemaakt van een ziekteverwekker (Tabel 1). In 28 uitbraken (7%) werd een ziekteverwekker bij 1 of meer patiënten aangetroffen, waarvan 21 gemeld via GGD/RIVM-CIb (21/27 = 78%) en
7 additionele uitbraken met vermelding van de ziekte-verwekker gedetecteerd bij een of meer patiënten via de NVWA. Bij de patiënten werden vooral Salmonella en Campylobacter (beide 9 uitbraken) aangetoond, gevolgd door norovirus (7 uitbraken). Verder werd STEC O157, Shigella sonnei, en histamine-intoxicatie bij 1 uitbraak vastgesteld. Bij 19 uitbraken (5%) werd een ziekteverwekker in voedsel of omgevingsmonsters aangetoond, alle via de NVWA-registratie (19/398 = 5%; meldingen met monstername: 19/170 = 11%). In 13 uitbraken werd norovirus aangetroffen, in alle gevallen ging het om omgevingsmonsters. Salmonella werd in 2 uitbraken in vlees gevonden en Campylobacter werd in 2 uitbraken aangetroffen en wel in melktankmonsters gerelateerd aan het drinken van rauwe (koe)melk en in mestmonsters gerelateerd aan consumptie van rauwe natte schapenkaas. Tenslotte werd in 1 uitbraak Listeria monocytogenes aangetroffen op gerookte zalm en in 1 uitbraak Staphylococcus aureus enterotoxine op kip.


Tabel 1 Uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen en gerelateerde zieken naar gedetecteerde ziekteverwekker in voedsel en/of patiënten, 2015 (download de pdf voor een vergrote weergave).

Tabel 1. Uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen en gerelateerde zieken naar gedetecteerde ziekteverwekker in voedsel en/of pati?nten, 2015.


In 2009-2011 lag het aantal gerapporteerde norovirus-uitbraken tussen 3 tot en met 6 uitbraken. Sinds 2012 is er extra aandacht voor positieve omgevingsmonsters die genomen worden in het kader van onderzoek naar noro-virus, nadat geconstateerd was dat er sprake was van onderrapportage in Osiris. (6) Dit leidde ertoe dat norovirus sindsdien de belangrijkste veroorzaker van voedselgerelateerde uitbraken is. Ook in 2015 staat norovirus op de eerste plaats met 15 uitbraken. Wel is het aantal bevestigde uitbraken van norovirus gedaald ten opzichte van 2014 (n=25), 2013 (n=18) en 2012 (n=17). Op basis van incubatietijd, klachtenpatroon en afwezigheid van andere ziekteverwekkers kan een schatting gemaakt worden van het aantal norovirus-infectie-uitbraken in de fractie Onverklaarde uitbraken. Dit verhoogt het geschatte aantal norovirusinfectie-uitbraken naar 37 in 2012 (13% van de geregistreerde uitbraken in 2012), 41 in 2013 (14%), 37 in 2014 (18%) en 34 uitbraken in 2015 (8%). Hoewel het geschatte aandeel van norovirus-infecties fluctueert in deze jaren, lijkt het geschatte absolute aantal uitbraken van norovirusinfecties redelijk stabiel in deze periode. Dit lijkt te worden bevestigd in de virologische weekstaten (http://www.rivm.nl/Onderwerpen/V/Virologische_weekstaten) waarin het aantal positieve norovirusisolaten gedetecteerd in de deelnemende diagnostische laboratoria, per jaar varieert tussen 2837 en 2902 in de periode 2012-2015.

Op een gedeelde tweede plek van verwekkers, na norovirus, staan Salmonella en Campylobacter met elk 9 uitbraken. Salmonella vormt daarbij een groter risico, aangezien deze bacterie meer zieken (n=97) en meer ziekenhuisopnamen (n=21) veroorzaakt dan Campylobacter met respectievelijk 43 zieken en 5 ziekenhuisopnamen. Wel blijft het aantal Salmonella-uitbraken, evenals in 2014 (8 uitbraken) en 2013 (3 uitbraken), lager dan de 13 tot 17 uitbraken per jaar in 2009-2012. Binnen de laboratoriumsurveillance door het RIVM naar salmonellose is een vergelijkbare trend zichtbaar (7): in de periode 2009-2012 werden jaarlijks 17-20 diffuse en regionale uitbraken gedetecteerd, en vervolgens waren dit er 5 (2013), 11 (2014) en 15 (2015) uitbraken. Ondanks de lichte toename in uitbraken in 2014 en 2015 is het totaal aantal ingestuurde Salmonella-isolaten van patiënten in Nederland in de laboratoriumsurveillance stabiel in de periode 2013-2015 en lager dan in de jaren ervoor. In de periode 2009-2013 werden er jaarlijks 12-18 Campylobacter-uitbraken geregistreerd. In 2014 was dit een stuk lager met 5 uitbraken en in totaal 11 zieken. Het aantal meldingen in 2015 ligt hier met 9 uitbraken tussenin. Tot in 2011 was er in de laboratoriumsurveillance van het RIVM een toename te zien van het aantal campylobacteriosepatiënten, met sindsdien een afname die ook doorzette in 2015. (7) Deze trend hangt mogelijk samen met een sterke stijging en vervolgens daling in het gebruik van maagzuurremmers in dezelfde jaren. (8)

Inspecties en monstername

In 86% van de bij de NVWA binnengekomen meldingen werd vervolgonderzoek ingezet. In de helft van de gevallen werden daarbij ook monsters genomen. Dit laatste leidde in 11% van de monsternames tot het vinden van een ziekteverwekker. In een veel groter deel van de inspecties kwamen zaken aan het licht die niet voldeden aan de regels en richtlijnen, namelijk bij 145 van de 343 meldingen waarbij een inspectie werd uitgevoerd (42%). Bij 36% van de inspecties werd een schriftelijke waarschuwing gegeven en bij 11% een rapport van bevinding (boete). In 2015 werden bijna 17.000 inspecties door de NVWA uitgevoerd die niet gerelateerd waren aan een melding van een voedseluitbraak. Binnen deze inspecties werd in respectievelijk 36% en 12% van de inspecties een schriftelijke waarschuwing en een rapport van bevinding gegeven. Op basis van deze gegevens is er dus geen verschil te zien in het afwijkingspercentage bij locaties die worden geïnspecteerd naar aanleiding van een vermoedelijke uitbraak of locaties die worden geïnspecteerd vanuit het reguliere toezicht.

Meldingsplichtige ziekten door specifieke micro-organismen

Bacillaire dysenterie (shigellose), botulisme, brucellose, buiktyfus, cholera, en infecties door hepatitis A en paratyfus A, B en C kunnen door voedsel veroorzaakt worden en zijn meldingsplichtig. Van deze ziekten komt shigellose het meest voor (Tabel 2). De meeste gevallen van shigellose worden veroorzaakt door S. sonnei (60%) en S. flexneri (32%). Het aantal meldingen van hepatitis A is in de afgelopen jaren gedaald van 262 meldingen in 2010 naar 80 meldingen in 2015. Brucellose werd met 9 meldingen vaker gerapporteerd dan in de jaren ervoor (1-7 meldingen per jaar), zonder dat er sprake was van clustering. Ook para-tyfus B (n=23) en C (n=4) werden meer gemeld in 2015, terwijl buiktyfus en paratyfus A minder vaak voorkwamen.


Tabel 2 Aantal aangiftes van meldingsplichtige infectieziekten (GGD) die mogelijk aan voedsel gerelateerd zijn, 2006-2015 (download de pdf voor een vergrote weergave).

Tabel 2 Aantal aangiftes van meldingsplichtige infectieziekten (GGD) die mogelijk aan voedsel gerelateerd zijn, 2006-2015.


Veel van de infecties veroorzaakt door deze meldingsplichtige micro-organismen werden in het buitenland opgelopen (Tabel 3). Van de reisgerelateerde shigellose (61%) werd 49% opgelopen in 1 van de volgende 7 landen: Marokko (17%), Egypte (9%), Indonesië (6%), India (5%), Peru (4%) en Gambia en Kaapverdië (elk 3%). Hepatitis A werd voornamelijk in Marokko (28%; 13/47) opgelopen, gevolgd door Syrië (11%; n=5) en Libanon (9%; n=4); alle overige gerapporteerde landen werden elk maximaal 3 keer genoemd door de patiënten. Vijf van de 9 brucellosepatiënten werden geassocieerd met Irak en/of Turkije. Alle reisgerelateerde paratyfus A-besmettingen (n=5) waren in Azië opgelopen, evenals 78% van de reisgerelateerde paratyfus B (14/18) met als meest genoemde land Indonesië (n=7) en 93% van de reisgerelateerde buiktyfus (14/15) met India als meest genoemd land (n=6).

Meestal is de bron van de infectie niet duidelijk. Met name bij verblijf in het buitenland is lastig na te gaan of de infectie voedsel- of watergerelateerd was. Ondanks deze onzekerheid was een deel van de infecties toch met een zekere waarschijnlijkheid aan voedsel- of waterconsumptie toe te schrijven (Tabel 3). In 2015 was dit het hoogste voor paratyfus A (67%) en het laagste voor buiktyfus (24%).


Tabel 3 Percentages van gemelde meldingsplichtige infectieziekten (GGD) die werden opgelopen in het buitenland en werden veroorzaakt door voedsel of water, indien bekend, 2012-2015. (download de pdf voor een vergrote weergave).

Tabel 3 Percentages van gemelde meldingsplichtige infectieziekten (GGD) die werden opgelopen in het buitenland en werden veroorzaakt door voedsel of water, indien bekend, 2012-2015.


Discussie en conclusie

Dit artikel geeft een overzicht van het aantal door de NVWA en GGD'en geregistreerde voedselgerelateerde uitbraken bij het CIb en van meldingen van specifieke meldingsplichtige micro-organismen, die deels voedselgerelateerd kunnen zijn. Doordat in 2015 ook NVWA-meldingen waarbij geen monstername is uitgevoerd, in Osiris zijn opgenomen, is het aantal geregistreerde uitbraken in 2015 (n=406) gestegen ten opzichte van de jaren 2009-2014. Het aantal meldingen waarbij monsters zijn genomen (n=170) is lager dan in de jaren ervoor. Dit komt omdat er vrijwel alleen nog omgevingsmonsters of voedselmonsters van restanten of gerelateerde batches genomen worden.

De belangrijkste verwekker van voedselgerelateerde uitbraken in 2015 was norovirus, zowel in het aantal uitbraken als in het aantal zieken. Van de specifieke meldingsplichtige micro-organismen besproken in dit artikel, leidden Shigella en het hepatitis A-virus tot het grootste aantal zieken. Het aantal shigellosemeldingen per jaar fluctueert, maar is relatief stabiel. Het aantal meldingen van hepatitis A daalt sinds 2011 en is met 80 meldingen in 2015 historisch laag. Naast deze voedselgerelateerde uitbraken en de hier beschreven specifieke ziekteverwekkers, bestaan er meer ziekteverwekkers die via voedsel overgedragen kunnen worden met bijbehorende ziekte-specifieke registraties. Als deze ziekteverwekkers ook een zoönotische oorsprong kunnen hebben, zoals Campylobacter, Salmonella, STEC en Listeria, dan wordt het voorkomen in ieder geval beschreven in het rapport Staat van Zoönosen. (7) Listeriose en STEC-infecties worden daarnaast ook in aparte artikelen besproken. (9, 10)

De gegevens geregistreerd binnen de verschillende surveillancesystemen geven inzicht in het voorkomen van voedselgerelateerde infecties in Nederland. Ze geven echter geen totaalbeeld van alle voedselgerelateerde infecties in Nederland. Een groot deel van de infecties verloopt asymptomatisch. Vanuit de gedachte dat dit soort infecties nauwelijks effect hebben op de volksgezondheid, lijkt dit ook minder van belang. Het kan er echter wel op wijzen dat er met pathogenen besmette levensmiddelen op de markt zijn gebracht. Inzicht in dit soort situaties inclusief de vraag of consumptie leidde tot ziekte, is van groot belang voor kennisopbouw en draagt bij aan een betere risicoschatting voor prioritering van onderzoek en toezicht op voedsel. (11, 12) Maar ook van de symptomatische infecties haalt maar een klein deel de registratie, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Daarnaast varieert het aandeel van besmet voedsel als transmissieroute per ziekteverwekker ten opzichte van andere mogelijke transmissieroutes, waaronder overdracht van mens-op-mens, dier-op-mens en/of via het milieu. (13) De huidige registraties zijn echter wel geschikt voor het geven van inzicht in de circulerende voedselgerelateerde bacteriële en virale infecties en voor het volgen van veranderingen en trends in de tijd, wat behulpzaam kan zijn bij de prioritering van het toezicht van de NVWA.

Auteurs

I.H.M. Friesema1, A.S.L. Tijsma2, B. Wit2, W. van Pelt1

  1. Centrum Infectieziektebestrijding RIVM, Bilthoven
  2. Expertisecentrum Voedselvergiftiging, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Utrecht

Correspondentie

ingrid.friesema@rivm.nl

Literatuur

  1. Havelaar AH, Haagsma JA, Mangen MJ, et al. Disease burden of foodborne pathogens in the Netherlands, 2009. Int J Food Microbiol 2012; 156: 231-8.
  2. Bouwknegt M, Mangen MJJ, Friesema IHM, Van Pelt W, Havelaar AH. Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2012. Bilthoven: RIVM, 2014.
  3. Bouwknegt M, Friesema I, Mangen MJ, Van Pelt W, Havelaar A. De ziektelast van voedselgerelateerde infecties in Nederland, 2009-2012. Infectieziekten Bulletin 2015; 26: 10-3.
  4. Friesema IHM, Tijsma ASL, Wit B, Van Pelt W. Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2015. Rapportnummer 2016-0085. Bilthoven: RIVM, 2016.
  5. Aalten M, De Jong A, Stenvers O, et al. Staat van zoönosen 2010. Bilthoven / Den Haag: RIVM / NVWA, 2011.
  6. Friesema IHM, Boxman ILA, De Jong AEI, Van Pelt W. Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de NVWA en het CIb, 2012. Bilthoven: RIVM, 2013.
  7. Staat van Zoönosen 2015. Bilthoven: RIVM, 2016.
  8. Bouwknegt M, Van Pelt W, Kubbinga M, Weda M, Havelaar A. Potential association between the recent increase in campylobacteriosis incidence in the Netherlands and proton-pump inhibitor use – an ecological study. Euro Surveill 2014; 19.
  9. Friesema IHM, Kuiling S, van der Voort M, in ‘t Veld PH, Heck MEOC, Van Pelt W. Surveillance van Shiga toxine-producerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2015. Infectieziekte Bulletin 2016.
  10. Friesema IHM, Kuiling S, Heck MEOC, Biesta-Peters EG, Van der Ende A, van Pelt W. Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2015. Infectieziekte Bulletin 2017.
  11. Batz MB, Doyle MP, Morris G, Jr., et al. Attributing illness to food. Emerg Infect Dis 2005; 11: 993-9.
  12. Painter JA, Hoekstra RM, Ayers T, et al. Attribution of Foodborne Illnesses, Hospitalizations, and Deaths to Food Commodities by using Outbreak Data, United States, 1998-2008. Emerg Infect Dis 2013; 19: 407-15.
  13. Havelaar AH, Galindo AV, Kurowicka D, Cooke RM. Attribution of foodborne pathogens using structured expert elicitation. Foodborne Pathog Dis 2008; 5: 649-59.
IB cover

Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2015

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / December 2016 / Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2015

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu