RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Interview Jim van Steenbergen

K. Kosterman

Jim van Steenbergen, arts infectieziektebestrijding bij de landelijke coördinatie infectie­ziektebestrijding (LCI) van het RIVM gaat met pensioen. Een terugblik op effectief moppe­ren, hoogtepunten die dieptepunten zijn en de leukste baan die bestaat.

Je gaat bijna met pensioen, maar het ging wel geleidelijk.

“Van full time hoofd van de LCI  (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding) ging ik terug naar 2 dagen LCI en 2 dagen werken bij het LUMC (LUMC). Vervolgens moest ik bij in het LUMC op mijn AOW-leeftijd stoppen en had ik nog de 2 en een halve werkdag per week bij de LCI over, wat ik nu ook weer rustig ga afbouwen. Die overgang toen gaf me ontzettend veel ruimte om allerlei dingen te kunnen ontwikkelen, waar ik anders niet aan toegekomen was.

Waarom ging je 2 dagen per week bij het LUMC werken?

“Ik word ontzettend blij van dingen opbouwen en ontwikkelen en de functie in Leiden paste wellicht beter bij me dan nog lang doorgaan met het aansturen van een afdeling.” De opdracht was om het thema infectieziekten in de Academische Werkplaats Publieke Gezondheid daar te gaan ontwikkelen.

Heeft de infectieziektebestrijding zich ontwikkeld de afgelopen decennia?

“Eigenlijk is het moeilijk om daar een vinger op te leggen. De richtlijnontwikkeling op het gebied van infectieziekten gaat namelijk langzaam. Soms heb ik wel eens het idee dat er niets gebeurt, maar dat is niet terecht. Zo besteedde in 1985, toen ik net begon, niemand aandacht aan chronische hepatitis. Ondertussen was bijna iedereen wel bezig met uitvoerig bron- en contactonderzoek, terwijl dat in een aantal situaties nergens op slaat. Zo kun je nog tal van werkprocessen noemen die jarenlang niet vooruit te branden waren, maar…, als je er nu op terugkijkt, dan zie je opeens dat er heel veel is gebeurd. Dat vind ik dan heel mooi. En, dat is geruststellend, ik kwam er ook achter dat veranderen en innoveren in andere domeinen vaak net zo slecht gaat als bij ons.”

foto Jim van SteenbergenKun je een voorbeeld noemen?

“Het Havenziekenhuis meldde kort na elkaar enkele gevallen van ernstige onverklaarbare koorts. Men stelde daar toen een team samen van externe deskundigen om het onderzoek naar de oorzaak te begeleiden, waar ik deel van mocht uitmaken. Het bleek om een anesthesiemiddel te gaan dat vervuild kan raken als je het te lang laat staan. Eigenlijk was dat risico al zeker tien jaar een bekend feit binnen de beroepsgroep, maar toch is niet in alle ziekenhuizen de werkwijze zo aangepast dat zoiets niet meer kan gebeuren. Dat is ontluisterend om je te realiseren. Overigens was de aanpak van het incident door het ziekenhuis voorbeeldig. Ik heb daar veel van geleerd.”

Sta je niet meer open voor nieuwe ideeën als je je vakgebied goed genoeg kent?

“Mensen zijn behoudend. Ze doen dingen op een bepaalde manier en wijken daar niet graag van af. Ik had vaak een weerzin als iemand weer sprak hoe gaan we dat implementeren? Ik dacht altijd: “Implementatie? Je moet het gewoon doen.” Het blijkt echter dat heel veel mensen niet zomaar kunnen schakelen en dat niet iedereen gemotiveerd is om zijn werk continu te verbeteren. Toch is niet alles slecht. Kijk je naar Nederlanders, die staan bekend als mopperaars, brommers en zeurders over wat niet goed is, maar het resultaat van al dat gezeur is dat er wel heel veel dingen verbeteren. We zijn ongekend rijk en gelukkig en ontwikkelen ons ook sterk als maatschappij. Om dan terug te komen op je vraag over de ontwikkeling van de infectieziektebestrijding sinds ik begon met werken: er is enorm veel gebeurd en het is het ook goed om te blijven mopperen.”

Je moppert nu zelf veel, maar er ging toch ook vast veel goed in je carrière?

“Zeker. Er was een tijd dat de maatschappij zei: “Ach die infectieziekten, dat hebben we nu wel onder duim.” Toch bedacht Nederland op tijd dat er iets moest veranderen, maar voor dat inzicht hadden we wel een ramp nodig. Begin jaren negentig was er in Nederland sprake van een polio-epidemie. 71 mensen werden ziek, 59 hadden verlammingsverschijnselen en 2 zijn overleden. Op mondiaal niveau was dat misschien helemaal niet heel erg, maar toch gaf het heel veel politiek gedoe. De infectieziektebestrijding in Nederland werd vervolgens heel erg goed ingericht, veel eerder dan in een hoop andere landen. Perfect is het niet en je hebt soms een zoiets als de Q-koortsuitbraak nodig om te zien waar de gaten zitten en er zullen altijd gaten blijven bestaan, maar mijn algemene indruk is dat we het nu echt goed geregeld hebben.”

Wat zijn jouw persoonlijke successen?

“Als ik een ding moet noemen dan is dat de inhoudelijke kennisverbetering bij de LCI en de waardering daarvoor bij de GGD’en. Er was eerst geen opleiding infectieziektebestrijding, of een minimale opleiding, en bij het tot stand komen van de huidige opleiding heb ik wel een klein rolletje gespeeld. Dat tegenwoordig de infectieziektebestrijding een eigen tak van sport is binnen de sociale geneeskunde dat vind ik wel echt mooi.”

Je bent heel erg sociaal betrokken. Je werkte als arts in Zambia en in een prostitutiebus, hoezo zit dat in je?

“Zo ben ik opgevoed. Ik weet eigenlijk niet waarom niet iedereen dat in zich heeft. Het lijkt erop dat hoe meer mensen hebben, hoe meer ze te verliezen hebben en des te belangrijker ze het vinden om datgene te behouden. Ontzettend jammer; je zou verwachten dat degenen die meer hebben, ook meer zouden willen delen. Maar gelukkig heb je dan ook weer mensen die belachelijk veel hebben en geld in allerlei fondsen stoppen, zoals Bill en Melinda Gates. Toch vind ik vind het onverteerbaar dat we in de situatie zitten dat de vaccinatiestatus van vrijwel een heel continent afhankelijk is van een echtpaar.”

Veel mensen denken waarschijnlijk dat delen alleen maar iets kost?

“Tja. Dan kom ik nu met een bizarre anekdote. Ik moest in Rotterdam een presentatie geven en ter plekke kwam ik daar erachter dat ik de verkeerde USB-stick bij me had. Een half uur later moest ik presenteren en ik had niks. Ik belde mijn buurvrouw en ik vertelde haar hoe ze moest inloggen op mijn computer, om welke presentatie het ging en hoe ze die moest opsturen. Ik vertelde natuurlijk dat ik geweldig vond wat ze voor me deed. Ze gaf als antwoord: “Ik vind het gewoon heerlijk om eens iemand te kunnen helpen, wat maakt dat half uurtje nou uit.” Ik was dolblij en zij was ook heel blij. Zo simpel is het. Als je al blij kunt zijn met een half uurtje, dan word je pas echt blij als je ergens echt tijd en moeite insteekt.”

Wat zijn jouw hoogtepunten?

“Het lastige van mijn vak is dat een hoogtepunt meestal een dieptepunt is voor veel mensen. Hoe groter de epidemie, hoe ‘gelukkiger’ wij zijn. Zo was in die zin de legionellaramp in 1999 voor mij wel heel bijzonder, maar er zijn heel veel andere hoogtepunten. Zo deden we onderzoek naar hoe je een uitbraak het beste kunt evalueren. We vonden het belangrijk om onze resultaten te toetsten bij externe deskundigen, en dat vond ik best spannend. Het werd een enorm inspirerende bijeenkomst en de reacties waren bijzonder positief. Dat was misschien maar een klein hoogtepunt, maar toch is het er ook een. Er is in mijn werk een enorme gradatie aan hoogtepunten. Ik kom dan ook heel vaak enthousiast thuis met verhalen over wat ik allemaal heb meegemaakt, gelukkig gaat dat niet altijd over een ziekte of epidemie. Ik heb wel echt een van de leukste banen van Nederland.”

Wat maakt je baan zo leuk?

“Het is een maatschappelijk activiteit, waarbij je steeds weer met totaal andere mensen om tafel zit. De ene keer duik je in een casus over een handelaar met prairiehondjes, vervolgens praat je over krokodillen en dan over menselijk gedrag. Je komt telkens weer in situaties terecht die je van te voren nooit verwacht had.”

Je bent bijna 67, wat voor beeld had je net na je afstuderen over hoe het zou zijn om met pensioen te gaan?

“Dat had ik niet. Ik weet wel wat ik gedaan wilde hebben. Nadat ik mijn middelbare school had afgerond werkte ik tijdens de zomervakantie als zeilinstructeur. En er was een hele leuke leerling. Na die cursusperiode dreigde het ‘aan te gaan’ en schreef ik haar een brief. Als het aan zou raken, moest ze er rekening mee houden dat ik na mijn studie in Afrika zou gaan werken.

Ik wist eigenlijk niet meer dat ik dat toen al wilde doen, maar het staat zwart op wit, of eigenlijk blauw op wit in die brief. Ik had dat kennelijk heel erg in mijn hoofd zitten. Diezelfde vriendin ging uiteindelijk mee naar Zambia. Na vier en een half jaar gingen we, inmiddels met een dochtertje, terug naar Nederland. Eenmaal terug lag de wereld voor me open. Ik had al bereikt wat ik wilde en kon nu doen en laten wat ook maar in mij opkwam. En met die vriendin ben ik nog steeds erg gelukkig getrouwd.

Auteur

K. Kosterman, eindredacteur Infectieziekten Bulletin

Correspondentie

kevin.kosterman@rivm.nl

IB cover

Interview Jim van Steenbergen

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu