RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Trends in Salmonella in Nederland in 2016. Bij de mens, landbouwhuisdieren en in voedsel

W. van Pelt, M. van der Voort, M.-J. Mangen, K.Veldman, B. Wit, M. Heck, L. Mughini-Gras

Sinds het begin van deze eeuw is het aantal patiënten met salmonellose meer dan gehalveerd. Een ontwikkeling die gereflecteerd wordt door de bevindingen in de surveillance van landbouwhuisdieren en van vlees in de winkel die in dit artikel worden beschreven. De Salmonella-bestrijdingsprogramma’s bij landbouwhuisdieren en verbeteringen in de hygiëne van het voedselproductieproces hebben effect gehad. In de periode 2013 tot en met 2015 was de incidentie van bevestigde Salmonella-infecties 9,1-9,3 per 100.000 inwoners en naar schatting 27.000 patiënten met acute gastro-enteritis door Salmonella-infecties (32.210 in 2016 wanneer de patiënten van 2 grote internationale uitbraken worden meegerekend). Dit betekent dat Nederland een van de laagste incidenties van Europa heeft.

Surveillance

Inzicht in de trend van salmonellose wordt verkregen via de laboratoriumsurveillance die door het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sinds de jaren tachtig wordt uitgevoerd, met een geschatte dekkingsgraad van 64% (1) van de Nederlandse bevolking. Incidentele gevallen van salmonellose bij mensen zijn in Nederland, in tegenstelling tot diverse andere Europese landen, niet meldingsplichtig. Salmonellose is alleen meldingsplichtig als het gaat om een cluster van 2 of meer gerelateerde patiënten die ziek zijn geworden door consumptie van besmet voedsel of drinkwater. Trends van Salmonella bij de mens worden het best beschreven in relatie tot hun besmettingsbronnen. Als Nationaal Referentie Centrum voor Salmonella, ontvangt het RIVM ook isolaten voor typering van Salmonella bij runderen, varkens, pluimvee, en huisdieren, inclusief reptielen. Daarnaast nog isolaten uit andere landbouwhuisdieren zoals paarden, geiten, schapen en eenden, en uit omgevingsmonsters. De isolaten komen uit een diversiteit aan monitoring programma’s op boerderijen, slachthuizen en supermarkten. Vaak zijn deze programma’s onderdeel van het werk van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), maar isolaten worden ook ingestuurd door dierentuinen, de diergeneeskundefaculteit en diervoederindustrie. Periodiek worden de patiëntgegevens over serotypering, moleculaire typering en resistentie, bepaald door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Lelystad, verstuurd naar het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Deze gegevens zijn nu beschikbaar voor het publiek en kunnen worden bestudeerd geaggregeerd op serotype, leeftijd geslacht, periode en land. (2) Vergelijkbare gegevens over landbouwhuisdieren en voedsel worden jaarlijks verstuurd naar de European Food Safety Authority (EFSA, www.efsa.europa.eu/en/publications). In de tabellen 1, 3, 4 in dit artikel staan de belangrijkste serotypes vermeld gevonden in de mens tussen 2000 en 2016, en in landbouwhuisdieren gevonden tussen 2005 en 2016.

Resultaten

Ziektelast

Diverse epidemiologische onderzoeken in de afgelopen 20 jaar hebben het mogelijk gemaakt om op basis van de laboratoriumbevindingen te schatten hoeveel mensen acute gastro-enteritis krijgen door Salmonella, daarmee naar de huisarts gaan, in het ziekenhuis belanden, en komen te overlijden. Ook de ziektelast in Disability Adjusted Life Years (DALY's) en Cost of Illness (COI) kunnen zo geschat worden. Voor 2014 en 2015 wordt het aantal patiënten met acute gastro-enteritis door Salmonella-infecties in de bevolking geschat op ruim 27.000, in 2016 op 32.200 (exclusief de 2 grote internationale uitbraken zou dit hetzelfde zijn als in 2015). Dit betekent voor 2016 ongeveer 1.389 verloren gezonde levensjaren (DALY's); de COI is € 21 miljoen. (3,4) Voor Campylobacter zijn de DALY's en COI ongeveer 3 maal zo hoog; het aantal ziekenhuisopnames is vergelijkbaar maar het aantal patiënten met acute gastro-enteritis door Campylobacte is naar schatting ruim 3 maal zo hoog als door Salmonella. Voor Salmonella-infecties wordt geschat dat, naast reizen, milieucontact en persoon-op-persoonoverdracht, ruim de helft van de besmettingen direct via het voedsel komt; voor Campylobacte-infecties is dat ongeveer een derde.

Trends in salmonellose bij de mens, uitbraken

In 2016 was het aantal ingestuurde Salmonella-isolaten van patiënten in Nederland duidelijk hoger dan in 2014 en 2015, naar schatting ongeveer 1.813 (Figuur 1, Tabel 1). Deze onderbreking in de algemene afnemende trend is vergelijkbaar met die in 2003, 2006, 2008, 2010 en in het bijzonder in 2012. In 2003 werd dit veroorzaakt door de import van besmette eieren uit Spanje tijdens de vogelpest, in 2006, 2008 en 2010 werd dit veroorzaakt door een reeks van grote uitbraken uit diverse bronnen en in 2012 door een grote uitbraak door met S. Thompson besmette gerookte zalm met ruim 1.100 geregistreerde patiënten (Figuur 1, Tabel 1). (5) In 2016 werd de verheffing, die nog doorliep in 2017, vooral veroorzaakt door een grote internationale uitbraak van S. Enteritidis gerelateerd aan Poolse eieren geleverd aan restaurants (202 gerapporteerde cases); een wat kleinere uitbraak van S. Bovismorbificans in rauwehamproducten (N=53) in Nederland en België werd getraceerd naar een vleesproducent in België (publicaties in voorbereiding). Bij de bestrijding van beide uitbraken speelde whole genome sequencing (WGS) een sleutelrol. Het aantal patiënten bij deze uitbraken is meestal het topje van de ijsberg; het werkelijke aantal ligt naar schatting ruim 15 maal zo hoog.


figuur 1

Figuur 1. Geschatte aantallen laboratoriumbevestigde Salmonella-infecties bij mensen (linker y-as), veroorzaakt door reizen/onbekend, door landbouwhuisdieren of hun door producten. Omvangrijke uitbraken die niet representatief zijn voor de Salmonella-status van de Nederlandse vee- en pluimveestapel, zijn in paars aangegeven. (Bron: Laboratoriumsurveillance RIVM)


Tijdreeksanalyse en analyse van geografische clustering brengen meer mogelijke uitbraken aan het licht dan geregistreerd worden door GGD en NVWA. (6) In 2013 was het geschatte percentage geclusterde patiënten met 4% heel laag terwijl dit ten tijde van de uitbraak met besmette zalm in 2012 bijna 50% was. In 2015 en 2016 met 22% en 25% was dit meer dan in 2013 en 2014 maar vergelijkbaar met de jaren voor 2012 (Tabel 2). Ook het aantal vermoede kleine uitbraken en de daarbij betrokken patiënten was in 2015 en 2016 hoger dan in 2013 en 2014: 15 en 17, waarvan respectievelijk 5 en 10, geografisch geclusterd waren. Binnen deze serotypes is de MLVA-onderzoeksmethode (Multiple-Locus Variable number tandem repeat Analysis) heel geschikt om clusters van patiënten te onderscheiden met een mogelijk gemeenschappelijke bron; sommige clusters werden ook in het buitenland gesignaleerd in het Epidemic Intelligence Information System (EPIS) van het ECDC. (7) Hiervan zijn in 2015 een reeks internationale voorbeelden de revue gepasseerd waarnaast ook kleine clusters van S. Oranienburg en S. Blockley in de periode december 2015-begin 2016. Eind 2015 is gestart met het op internationaal niveau nader onderzoeken van zulke clusters met behulp van WGS; met succes, hetgeen blijkt uit bovengenoemde uitbraken in 2016. Duidelijke verheffingen in de laboratoriumsurveillance werden in 2016 ook gevonden voor het in Europa opkomende ciprofloxacineresistente S. Kentucky en S. Paratyphi B var. Java, beide reisgerelateerd. Ook S. Napoli werd vaker gevonden in 2016 dan in andere jaren, zonder duidelijke herkomst.


Tabel 1. De ontwikkeling van de belangrijkste Salmonella-serotypes in de mens. Serotypes waar significante verheffingen voor zijn gevonden zijn grijs gearceerd (c.f. Tabel 2 en Figuur 1). (Bron: Laboratoriumsurveillance RIVM, dekkingsgraad circa 64%) De volledige lijst van serotypes 2000-2016 is als bijlage verkrijgbaar.

Enteritidis

421

256

213

239

319

12%

Typhimurium-monof. 1,4,5,12:i:-

321

158

207

156

197

6%

Typhimurium

276

185

166

196

208

5%

Thompson

803

25

7

5

7

5%

Infantis

22

30

26

35

26

11%

Kentucky

11

17

6

9

31

29%

Napoli

7

14

11

14

23

11%

Dublin

4

6

22

15

20

6%

Bovismorbificans

14

6

6

5

34

5%

Newport

20

12

12

9

11

21%

Derby

10

11

15

12

16

10%

Brandenburg

11

15

20

7

9

5%

Paratyphi B. var. Java

6

10

7

13

26

23%

Stanley

16

12

7

16

9

28%

Typhi, Paratyphi A, B

15

20

20

12

16

27%

Heidelberg

3

4

31

4

3

8%

SI 4,5,12:b:-

4

10

7

8

13

19%

Agona

8

5

6

9

13

24%

Chester

2

3

12

11

12

26%

Oranienburg

9

3

6

16

5

19%

Hadar

8

7

5

13

4

25%

SI 9,12:l,v:-

5

6

23

3

 

1%

Weltevreden

4

2

1

2

7

27%

Blockley

 

2

 

8

 

11%

Andere serotypes (#serotypes)

204

175

150

162

150

22%

 

(91)

(87)

(86)

(75)

(77)

 

Tabel 2. Regionale en diffuse uitbraken geconstateerd binnen de laboratoriumsurveillance RIVM (dekkingsgraad circa 64%) en het aantal betrokken (extra) patiënten met salmonellose in de periode van het cluster

 

2012

2013

2014

2015

2016

Totaal (regionaal)

20 (5)

5 (2)

11 (4)

15 (5)

17 (10)

Isolaten (% in clusters)

2207 (49%)

995 (4%)

985 (13%)

978 (22%)

1158 (25%)

Aantal cases in clusters (excess)

1278 (1091)

63 (41)

178 (125)

374 (217)

319 (285)


Surveillance van serotypen bij de mens, landbouwhuisdieren en voedsel

Een belangrijk deel van de afname van Salmonella-infecties bij de mens lijkt te kunnen worden verklaard door het Salmonella-bestrijdingsprogramma in pluimvee (Figuur 2). In alle schakels van de productieketen toonde zowel de monitoring van de vroegere Productschappen Vee, Vlees & Eieren (PVE) (gestopt na 2012) als de monitoring van de NVWA in winkels (Tabel 3), een aanzienlijke afname van Salmonella-besmetting. Dit stagneerde echter na 2004, maar bleek zich toch door te zetten wat te zien is in de monitoring van pluimveevlees in winkels.
Vanaf 2011 wordt ook gekeken in vleesbereidingen (gekruid of gemarineerd vlees) en kippengehakt; het besmettingspercentage hierin is vergelijkbaar met dat in onbereid kippenvlees.


figuur 2

Figuur 2. Rechter as: seizoens- en jaartrend (stappenlijn) in het aantal salmonellosepatiënten per week (Bron: Surveillance in de voormalige streeklaboratoria, RIVM); linker as: percentage Salmonella-positieve slachtkuikenkoppels bij de slacht (Bron: monitoring PVE)


In 60-80% van alle ingestuurde patiëntisolaten zitten de Salmonella-serotypes Enteritidis en Typhimurium (inclusief de monofasische varianten) (Tabel 1); deze types zijn ook dominant bij landbouwhuisdieren (Tabel 4). In tegenstelling tot S. Enteritidis zijn de problemen met S. Typhimurium meestal niet reisgerelateerd (Tabel 1).

Na S. Enteriditis en S. Typhimurium is het antigeentype S. enterica subsp. enterica (subgroep I) serovar 1,4,5,12:i: het meest voorkomende serotype. Het nam toe van 27 isolaten in 2005, tot 321 in 2012, waarna het aantal daalde tot ongeveer 2/3 daarvan in 2016. Ook bij varkens en in mindere mate bij runderen nam dit type sterk toe, een ontwikkeling die zich in tegenstelling tot bij de mens, in 2014, 2015 en 2016 voortzette. Al langere tijd wordt dit type ook gevonden in pluimvee. Het is een monofasische variant van S. Typhimurium en is in vele landen emerging.

Het voor de mens niet-tyfeuze serotype S. Paratyphi B var. Java was het dominante type in kippenvlees (sinds 2014 S. Infantis). Toch wordt dit multiresistente type, dat soms zelfs Extended Spectrum Beta Lactamase (ESBL)-produceert, weinig bij de mens gevonden (7 in 2014, 13 in 2015) en is dan vaak reisgerelateerd (naar schatting 50%)(Tabel 1). Echter in 2016 werd tot dusver het hoogste aantal (26) gevonden. Tot in 2013 werd in ongeveer 50% van de isolaten van kippenvlees uit winkels S. Paratyphi B var. Java gevonden. Dit percentage is in 2014, in beide monitoringen, voor het eerst lager, een trend die zich voortzette in 2016 (Tabellen 3 en 4).


Tabel 3. Salmonella spp. in kippenvlees in de winkel (Bron: Monitoringprogramma NVWA)

 

‘97-2005

2006-‘11

2012

2013

2014

2015

2016

 

 

 

Vlees

Vleesbereiding

Vlees

Vleesbereiding

Vlees

Vleesbereiding

Vlees

Vleesbereiding

Vlees

Vleesbereiding

Samplegrootte

12.348

6.846

564

672

600

595

586

632

593

674

208

269

% Salmonella spp.

15,8

7,3

6,6

5,4

3,2

3,2

3,9

2,7

3,9

3,6

2,4

1,9

Paratyphi B Java (%)

32,7

59,6

43,2

52,8

52,6

42,1

43,5

29,4

26,1

20,8

20

20

Enteritidis (%)

11,4

5,8

10,8

5,6

10,5

31,6

   

4,3

     

Hadar (%)

4,4

2,7

                   

Indiana (%)

7,5

3,0

         

5,9

       

Infantis (%)

7,3

10,0

40,5

36,1

26,3

21,1

52,2

58,8

56,5

70,8

60

40

Virchow (%)

5,5

4,2

                 

40

Typhimurium (%)

4,9

0,8

 

2,8

5,3

     

4,3

     

Andere types (%)

26,3

13,9

5,5

2,7

5,3

5,2

4,3

5,9

8,8

8,4

20

 

Opmerkelijk bij landbouwhuisdieren zijn, naast de toename van het monofasische type van S. Typhimurium, de kentering van de toename van S. Derby bij varkens en S. Paratyphi B var. Java bij slachtkuikens, en de sterke toename van S. Infantis in kippenvlees (Tabellen 3 en 4). De hoge aantallen S. Heidelberg in slachtkuikens in 2015 werden vooral gevonden in uit Brazilië geïmporteerde pluimveevleesproducten en alleen in enkele Nederlandse kippen.(8) S. Heidelberg is niet aangetroffen in kippenvlees uit de winkel (Tabel 3).


Tabel 4. De serotypedistributie van de meest voorkomende Salmonella-types in landbouwhuisdieren (Bron: Laboratoriumsurveillance RIVM) De volledige lijst van serotypes 2000-2016 is als bijlage verkrijgbaar

Totaal aantal

813

305

694

316

54

54

81

39

48

45

26

110

Typhimurium

240

109

20

25

28

30

2

5

10

15

 

2

Typhimurium-monof.1,4,5,12:i:-

194

51

23

16

22

7

9

 

28

13

13

3

Enteritidis

2

4

51

127

 

 

8

20

 

1

10

84

Paratyphi B var. Java

2

1

213

14

 

 

14

 

 

   

2

Derby

186

2

12

2

2

 

1

1

2

   

 

Infantis

12

1

100

5

 

 

20

3

 

   

2

Dublin

 

95

 

2

 

15

1

 

1

9

 

 

Heidelberg

 

 

106

 

 

 

8

 

 

   

 

Brandenburg

63

2

5

2

 

1

2

 

2

3

 

 

Goldcoast

37

6

3

1

1

1

 

 

1

2

 

 

Braenderup

 

1

3

32

 

   

1

 

   

 

Livingstone

11

 

14

8

1

 

1

 

1

   

 

Minnesota

 

 

31

 

 

   

1

 

   

1

Indiana

 

2

21

2

 

   

 

 

   

2

Mbandaka

1

1

18

3

 

   

2

 

   

1

Agona

 

1

10

9

 

 

2

2

 

   

 

Gallinarum

 

   

21

 

   

 

 

   

2

Rissen

10

 

2

5

 

   

 

2

   

 

Anatum

6

 

4

4

 

 

1

 

 

   

1

Tennessee

 

3

4

5

 

   

 

 

 

1

 

Overig (55 serotypes)

49

26

48

33

 

 

12

4

1

2

2

10

 


Levensmiddelenonderzoek

De NVWA onderzoekt jaarlijks voor een groot aantal levensmiddelen of zij voldoen aan de gestelde norm voor aanwezigheid van Salmonella. In Tabel 3 staat een overzicht van het onderzoek van kippenvlees, waarvoor geldt dat daar geen S.Enteritidis en S. Typhimurium in mag zitten. In vleesbereidingen van pluimveevlees mag hoe dan ook geen Salmonella worden aangetroffen.

  • In ongeveer 2% van de monsters vers vlees en kippenvleesbereidingen uit de retail, is in 2016 Salmonella gevonden. Hierbij is het percentage in vers vlees hoger dan in de kippenvleesbereidingen, respectievelijk 2,4% en 1,9%;
  • In 188 partijen vers kalkoenvlees werd 1 Salmonella gevonden (0,5%). Hierbij werden niet de serotypes Enteritidis en Typhimurium gevonden;
  • Ook werd pluimveevlees, uit voornamelijk Zuid-Amerika, onderzocht waarbij 2/57 partijen positief waren voor Salmonella, waarvan 1 positief voor S. Enteritidis.

In Tabel 5 staat een overzicht van de overige soorten (rauw) vlees uit winkels die werden onderzocht. Het gaat hier om vers vlees en gehakt vlees, vleesbereidingen en producten van rund of kalf, varken en schaap of lam. Hoewel er geen normen voor Salmonella gelden voor vers vlees van deze diersoorten, volgt de NVWA wel het voorkomen van o.a. Salmonella in dit type product; in gehakt vlees, vleesbereidingen en producten mag geen Salmonella zitten.

  • In vers varkensvlees is de prevalentie van 0,4% opmerkelijk laag (voorheen tussen 1 en 4%), terwijl dit in lamsvlees met 1,8% juist hoog is in vergelijking met voorgaande jaren (voorheen slechts incidenteel). In vers rund/kalfsvlees is de prevalentie al jaren niet meer dan 0,5% en ook niet in 2016 (0,4%). Ook in andere onderzochte partijen vers vlees uit de retail is de prevalentie laag;
  • In 388 partijen gehakt en vleesbereidingen (anders dan pluimvee) werd 1x Salmonella gevonden. Ook in 319 partijen rauw te consumeren vlees werd 1x Salmonella gevonden;
  • Bij de groothandel wordt zogenoemd ‘exotisch' vlees onderzocht, zoals bison, kangoeroe, struisvogel, krokodil en zebra. In 2 van de 69 onderzocht partijen is Salmonella gevonden, net als in 2014 en 2015 was dit vlees van kangoeroe en krokodil.

Ook voor levensmiddelen waarvan de verwachting is dat ze ook zonder afdoende verhitting geconsumeerd kunnen worden, geldt dat er geen Salmonella in mag zitten.

  • Net als in 2015, was de besmetting met Salmonella van de niet-vleesproducten het hoogst voor de kruiden/specerijen. Hierbij waren 2 van de 294 partijen gedroogde kruiden/specerijen (0,7%) en 7 van de 196 partijen verse kruiden (3,6%) (beide retail toko) positief voor Salmonella en 10 van de 73 geïmporteerde partijen gedroogde kruiden/specerijen. In de onderzochte partijen sesamzaad was de prevalentie 3,5% tegen 7,4% in 2015;
  • In 1 partij tahin van 307 onderzochte partijen tofu-tahin-hummus werd Salmonella gevonden;
  • De levensmiddelen waarbij geen Salmonella werd gevonden waren andere tropische garnalen (n=96 partijen), visproducten (n=982), tapas (retail, n=309), sushi en tapas (restaurants, n=234) en ijssalons (n=287).

Tabel 5. Salmonella in 25 g rauw vlees in de winkel. (Bron: Monitoringprogramma NVWA)

Rund en Kalf

5506

0,9

649

0,9

433

0,5

420

0,0

488

0,0

507

0,4

Filet américain

4883

0,4

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

Osseworst

699

0,3

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

Varken

3818

1,9

961

1,5

704

4

763

1,3

788

0,9

271

0,4

Lam

551

0,2

330

1

52

0

31

0,0

49

0,0

112

1,8


Reservoirs en bronnen van besmetting

Ongeveer 80% van de Salmonella-infecties treedt op door het eten van besmet voedsel zoals onvoldoende verhitte eieren, rauwe vleesproducten en incidenteel door (voorgesneden) rauwe groenten en fruit. De geschatte bijdrage aan de salmonelloseproblematiek bij mensen, veroorzaakt door reizen en door landbouwhuisdieren en hun producten, wordt getoond in figuur 1. Uit de frequentiedistributie van serotypes bij de bronnen, wordt de frequentiedistributie van serotypes bij de mens geschat. Daarbij betrekt men ook het geconsumeerde volume, de besmettingsgraad en het deel voedsel wat rauw of goed doorbakken wordt geconsumeerd. (9,11) Ook wordt het deel meegenomen dat wordt veroorzaakt door reptielen die als huisdier worden gehouden en waarbij besmetting optreedt via direct contact met de dieren of contact met een besmette omgeving (terrarium). (9)

  • Hoewel het de laatste 5 jaar niet meer de dominante bron lijkt, waren eieren van kippen, evenals in andere Europese landen, de afgelopen 20 jaar meestal de belangrijkste bron van salmonellose. Voor eieren geldt vanaf 2009 dat, indien afkomstig van S. Enteritidis/S.. Typhimurium-positieve koppels, deze niet meer op de markt gebracht mogen worden als tafeleieren voor directe consumptie (EG-besluit 1237/2007). Zij zijn alleen geschikt voor de eiverwerkende industrie. In de afgelopen 35 jaar was het aantal aan eieren gerelateerde infecties nog nooit zo laag als na 2012, ongeveer 18%;
  • 38% van de Salmonella-infecties werd in 2016 veroorzaakt door het eten van varkensvlees, 4% door rundvlees en 13% door kippenvlees;
  • 7% van deSalmonella-infecties werd veroorzaakt door contact met reptielen. Het houden van reptielen is de laatste jaren sterk toegenomen. Het aantal hieraan toegeschreven infecties was vóór 2000 minder dan 1% en kwam vooral voor bij 0-4 jarigen. Na 2000 steeg het aantal infecties naar ongeveer 8-9% en werden vooral volwassenen ziek. (9) Dit houdt waarschijnlijk verband met het houden van kleine schildpadden, dat populair was bij jonge kinderen in de vorige eeuw, en de toename in het afgelopen decennium van het aantal reptielen, vooral van slangen, dat door volwassenen als huisdier wordt gehouden.Salmonella is een commensale darmbacterie bij reptielen;
  • Afhankelijk van het serotype wordt minstens 11% van alle Salmonella-infecties in het buitenland opgelopen (Tabel 1, Figuur 1);
  • Van 9% van de Salmonella-infecties kan de bron van besmetting niet worden achterhaald.

Resistentieontwikkeling

  • De MARAN-rapportage over 2016 (10) beschrijft de toename van Salmonella-stammen die resistent zijn tegen fluoroquinolonen;
  • Het aantal Salmonella-stammen met resistentie tegen derdegeneratiecefalosporines is vergelijkbaar met de 2 voorgaande jaren;
  • In 2016 zijn opnieuw geen Salmonella-isolaten aangetroffen die resistent zijn tegen carbapenems. Resistentie tegen colistine kwam in 2016 sporadisch voor. Deze antibiotica zijn van belang voor effectieve behandeling van ernstige infecties bij mensen;
  • In zowel menselijke als dierlijk isolaten werd multiresistentie het meeste gevonden bij S. Kentucky, S. Typhimurium (inclusief de monofasische variant), S. Paratyphi B variant Java en in minder mate in S. Infantis en S. Newport. WBVR heeft in 2016 35 ESBL-producerende Salmonella-isolaten ontvangen (1,7% van het totaal) met 10 verschillende serovars (11 serovars in 2015). Het percentage ESBL-producerende isolaten is stabiel in vergelijking met 2015 (1,8%) en 2014 (2,1%), maar lager dan in 2013 (4%). De ESBL-producerende dierlijke Salmonella-isolaten zijn hoofdzakelijk afkomstig van pluimvee;
  • Al zeker 10 jaar werd Salmonella-resistentie tegen cefotaxime het meest gevonden bij S. Paratyphi B var. Java. In 2013, 2014 en 2015 kwam deze resistentie het meest voor bij de S. Heidelberg-isolaten, maar in 2016 werden veel minder ESBL-producerende S. Heidelberg gevonden en kwam ESBL-productie het meest voor bij S. Kentucky (meest reisgerelateerd), bij 25% van de isolaten. In 2013 was 3% van alle S. Paratyphi B var. Java-isolaten verdacht van ESBL-productie, in 2014 8%, in 2015 4% en in 2016 6,5%. Voor S. Heidelberg was dit 74% van alle isolaten in 2013 (in 2012 60%), in 2014 aanzienlijk lager (43%) maar nog niet op het niveau van 2010/2011 (33%) maar in 2015 weer 59% en in 2016 was 33% (3 van de 9 isolaten) een ESBL-producent. De S. Heidelberg-problematiek hangt samen met geïmporteerd besmet pluimveevlees uit Brazilië;
  • Met betrekking tot ciprofloxacineresistentie zijn de dominante serovars S. Enteritidis (23%), S. Infantis (12%), S. Typhimurium (18%) en S. Kentucky (11%), voornamelijk bij pluimvee en bij de mens. Carbapenemresistentie is tot dusverre nog niet in Salmonella waargenomen;
  • Het overdraagbare colistineresistentiegen mcr-1 werd in 2016 niet gevonden (Zie MARAN 2017). (12)

Conclusies

Sinds het begin van deze eeuw is het aantal gemelde patiënten met salmonellose meer dan gehalveerd. Een ontwikkeling die gereflecteerd wordt door de bevindingen in de surveillance van landbouwhuisdieren en van vlees in de winkel. De Salmonella-bestrijdingsprogramma’s bij landbouwhuisdieren en verbeteringen in de hygiëne van het voedselproductieproces hebben dus effect gehad. Met een incidentie in de jaren 2013-2015 van 9,1-9,3 bevestigde patiënten per 100.000 inwoners en naar schatting 27.000 patiënten met acute gastro-enteritis doorSalmonella-infecties in de bevolking (32.210 in 2016 wanneer de patiënten van 2 grote internationale uitbraken worden meegerekend), heeft Nederland een van de laagste incidenties van Europa. Salmonella bij varkens is hierbij waarschijnlijk de voornaamste bron van besmetting (38%) met tafeleieren op een goede tweede plaats (18%). Deze gunstige ontwikkeling wordt echter onderbroken door jaren met soms omvangrijke voedselgerelateerde uitbraken met hoge directe/indirecte maatschappelijke kosten. Daarnaast blijft antibioticaresistentie een bron van zorg, voornamelijk de multiresistentie en ESBL-productie in verschillende serotypes, en de toename van Salmonella-stammen die resistent zijn tegen fluoroquinolonen.

Ook nieuwe dreigingen steken de kop op. Zo was 1% van de salmonellosepatiënten (meestal kinderen) in de vorige eeuw gerelateerd aan het houden van reptielen en is dat de afgelopen jaren opgelopen tot 8 à 9% en werden vooral volwassenen ziek. Dit houdt waarschijnlijk verband met de toename het afgelopen decennium van bepaalde soorten reptielen, vooral slangen, die door volwassenen als huisdier worden gehouden.

Auteurs

W. van Pelt1, M. van der Voort2, M.-J. Mangen1, K.Veldman3, B. Wit2, M. Heck1, L. Mughini-Gras1

1. Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven

2. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Utrecht

3. Wageningen Bioveterinary Research

Correspondentie

lapo.mughini.gras@rivm.nl

Literatuur

  1. Laboratory surveillance of bacterial gastroenteric pathogens in The Netherlands, 1991-2001. van Pelt W, de Wit MA, Wannet WJ, Ligtvoet EJ, Widdowson MA, van Duynhoven YT.
    Epidemiol Infect. 2003 Jun;130(3):431-41.
  2. ECDC. http://ecdc.europa.eu/en/data-tools/atlas/Pages/atlas.aspx.
  3. Bouwknegt M, Mangen M-J, Friesema IHM, Pelt van W.(2016) Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2015. RIVM briefrapport, 2016. In preparation.
  4. Bouwknegt M, Friesema I, Mangen MJ, Van Pelt W, Havelaar A.(2015) De ziektelast van voedsel gerelateerde infecties in Nederland, 2009-2012. Infectieziekten Bulletin 2015, 26: 10-13.
  5. Friesema I, Jong A, Hofhuis A, Heck M, Kerkhof van den H, Jonge de R, Hameryck D, Nagel K, Vilsteren van G, Beek van P, Notermans D, Pelt van W.(2012) Large outbreak of Salmonella Thompson related to smoked salmon in the Netherlands, August to December 2012. Euro surveillance 10/2014; 19(39).
  6. Friesema IHM, Tijsma ASL, Wit B, Pelt van W.(2016) Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2015. 2016, RIVM Rapport 2016-0085.
  7. Gossner CM, et al. (2015) Event-based surveillance of food- and waterborne diseases in Europe: ‘urgent inquiries’ (outbreak alerts) during 2008 to 2013 Eurosurveillance 2015; 20(25).
  8. Liakopoulos A, Geurts Y, Dierikx CM, Brouwer MSM, Kant A, Wit B, Heymans R, Pelt van W, Mevius DJ.(2016) Extended-Spectrum Cephalosporin-Resistant Salmonella enterica serovar Heidelberg Strains, the Netherlands. Emerging Infectious Diseases, 2016 22(7):1257-1261.
  9. Mughini-Gras L, Enserink R, Friesema I, Heck M, Duynhoven van Y, Pelt van W.(2014) Risk factors for human salmonellosis originating from pigs, cattle, broiler chickens and egg laying hens: a combined case-control and source attribution analysis. PLoS ONE 2014; 9(2):e87933.
  10. Mughini-Gras L, Smid J, Enserink R, Franz E, Schouls L, Heck M, Pelt van W. (2014) Tracing the source of human salmonellosis: A multi-model comparison of phenotyping and genotyping methods. Infection, Genetics and Evolution 2014;28:251-260.
  11. Mughini-Gras L, Heck M, Pelt van W.(2016) Increase in reptile-associated human salmonellosis and shift toward adulthood in the age groups at risk, the Netherlands, 1985 to 2014. Eurosurveillance, 2016.
  12. Veldman KT, Wit B, Pelt van W, Heederik DJJ, Mevius DJ (Eds.).(2017) MARAN-2017 (i.c.m. NETHMAP-2017). http://www.cvi.wur.nl
IB cover

Trends in Salmonella in Nederland in 2016. Bij de mens, landbouwhuisdieren en in voedsel

Bijlage Salmonella-serotypes

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / September 2017 / Inhoud september 2017 / Trends in Salmonella in Nederland in 2016. Bij de mens, landbouwhuisdieren en in voedsel

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu