RIVM_Logo

Gordelroosvaccinatie

Informatie voor professionals

  1. Achtergrond
  2. Geregistreerde vaccins
  3. Eigenschappen
  4. Indicaties
  5. Contra-indicaties
  6. Effectiviteit
  7. Veiligheid en bijwerkingen
  8. Interacties
  9. Doseringsschema
  10. Beschermingsduur en revaccinatie
  11. Vaccinatieprogramma's
  12. Overig

Literatuur
Versiebeheer/wijzigingen


 

  • Vaccineren tegen gordelroos kan de kans op het krijgen van gordelroos en postherpetische neuralgie (langdurige pijnklachten na gordelroos) verlagen.
  • De Gezondheidsraad heeft 29 juni 2016 advies uitgebracht over vaccinatie van ouderen met Zostavax® tegen gordelroos. De commissie concludeert dat vaccinatie tegen gordelroos niet in aanmerking komt voor opname in een publiek programma zoals het Rijksvaccinatieprogramma en ook niet voor vergoeding via de zorgverzekering.
  • De vaccinatie tegen gordelroos blijft op eigen kosten beschikbaar binnen de individuele zorg.

1. Achtergrond

 

 Gordelroos 

Gordelroos wordt veroorzaakt door het varicellazostervirus (VZV), hetzelfde virus dat ook waterpokken veroorzaakt. Na een primaire infectie met VZV trekt het virus zich via de sensibele zenuwbanen terug in de ganglia. Bij een verminderde immuniteit kan het virus worden gereactiveerd en gordelroos veroorzaken.

Gordelroos begint met jeuk, tintelingen of een hevige brandende of stekende pijn. Na enkele dagen verschijnen er blaasjes in één of meerdere dermatomen, meestal op de romp, hals, schouder en/of arm. Soms zijn de hersenzenuwen aangedaan, vooral de nervus trigeminus en nervus facialis. Na 10 tot 14 dagen drogen de blaasjes in tot korstjes. Afhankelijk van de lokalisatie kan gordelroos ernstige complicaties geven. Bijvoorbeeld bij betrokkenheid van het oog met risico op permanente beschadiging en verlies van gezichtsvermogen, doordat de nervus ophthalmicus (een tak van de nervus trigeminus) is aangedaan. Nadat de huiduitslag is verdwenen, kunnen secundaire complicaties optreden zoals aanhoudende pijn door postherpetische neuralgie (PHN). Deze pijn kan weken tot maanden aanhouden, soms meerdere jaren (Harpaz 2008). Naar schatting 23-30% van de Europese populatie zal ooit gordelroos ontwikkelen tijdens het leven. Van de mensen die 85 jaar oud worden, zal de helft op enig moment in het leven gordelroos ontwikkelen (Brisson 2001, Schmader 2001).

Risicofactoren

In de literatuur wordt melding gemaakt van verschillende risicofactoren voor het ontwikkelen van gordelroos en/of PHN.

  • De belangrijkste risicofactor is leeftijd (Harpaz 2008). Gordelroos kan op elke leeftijd optreden, maar het risico neemt toe met het ouder worden, vooral vanaf 50 jaar. Ouderen hebben ook vaker een ernstigere vorm van gordelroos, met meer complicaties zoals PHN (Harpaz 2008): ongeveer 80-85% van de PHN wordt gezien in patiënten ≥ 50 jaar (Yawn 2008).
  • Verschillende studies laten zien dat gordelroos vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen (Opstelten 2006, Fleming 2004), maar dit wordt niet in alle studies gevonden (Opstelten 2006, Oxman 2005).
  • Omdat cellulaire immuniteit een rol speelt bij het onder controle houden van VZV, zijn deficiënties in de cellulaire immuniteit een risicofactor voor zowel het ontwikkelen van gordelroos als het ontwikkelen van ernstige complicaties. Het risico op gordelroos is ook verhoogd bij mensen met bepaalde chronische aandoeningen zoals SLE (Kahl 1994, Kang 2005, Manzi 1995, Moutsopoulos 1978, Nagasawa 1990, Pope 2004), reumatoïde artritis (Antonelli 1991, Smitten 2007) en de ziekte van Wegener (Wung 2005) omdat deze aandoeningen geassocieerd zijn met verminderde weerstand, al dan niet mede veroorzaakt door de daarvoor voorgeschreven behandeling.

Figuur 1. Het aantal contacten met de huisarts vanwege gordelroos, in verschillende leeftijdscategorie?n over het jaar 2014 (aantallen zijn per 100.000 inwoners) (NIVEL; Schurink-van 't Klooster 2016).

Figuur 1. Het aantal contacten met de huisarts vanwege gordelroos, in verschillende leeftijdscategorieën over het jaar 2014 (aantallen zijn per 100.000 inwoners) (bron: NIVEL; Schurink-van 't Klooster 2016).

2. Geregistreerde vaccins

Zostavax® is geregistreerd voor gebruik vanaf 50 jaar.
Als een vaccin geregistreerd is in Nederland wil dit nog niet zeggen dat het ook verkrijgbaar is. 

Merknaam 

Samenstelling

 

Overige informatie* 

Bijzonderheden 

Zostavax® 

Varicellazostervirus van de Oka/Merck stam

Bijsluiter en SmPC-tekst 

Levend verzwakt vaccin

 

* Link naar de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG naar de patiëntenbijsluiter en de samenvatting van de productkenmerken (SmPC). De SmPC bevat medische informatie voor zorgverleners. De patiëntenbijsluiter is gebaseerd op de SmPC.

3. Eigenschappen vaccin

Zostavax® bevat levend verzwakt VZV van de Oka/Merck stam. Dit gordelroosvaccin bevat een significant hogere dosering antigenen dan waterpokkenvaccins die bedoeld zijn om primaire infectie te voorkomen. Het vaccin versterkt de VZV-specifieke immuniteit, die eerder ontstaan is door natuurlijke infectie met of vaccinatie tegen varicella.

4. Indicaties

Leeftijdsgebonden risico

Gordelroos kan op elke leeftijd optreden, echter het risico op gordelroos neemt toe met de leeftijd, met name vanaf 50 jaar (zie Figuur 1).

Medische risicogroepen

Het risico op en de ernst van gordelroos is groter bij een verminderde cellulaire immuniteit en dus ook bij een therapie-geïnduceerde immuunsuppressie van de cellulaire immuniteit. Echter, juist deze medische risicogroep heeft ook vaker een contra-indicatie waardoor vaccinatie niet mogelijk is. De European League Against Rheumatism heeft aanbevelingen geformuleerd voor vaccinatie van mensen met een immuunsuppressie bij reumatische aandoeningen.

Overwegingen bij individuele indicatiestelling

Het is niet mogelijk om concreet aan te geven wie wel en wie niet in aanmerking komt voor gordelroosvaccinatie, omdat indicatie per persoon kan verschillen. Enerzijds moet bekeken worden hoe groot de kans is om gordelroos op te lopen en wat de gevolgen hiervan kunnen zijn. Anderzijds moet stilgestaan worden bij de mate van bescherming die gordelroosvaccinatie oplevert en de mogelijke nadelige gevolgen van de vaccinatie voor deze persoon.

Overwegingen die hierbij een rol kunnen spelen:

  • Leeftijd: de kans om gordelroos te krijgen neemt toe met de leeftijd, met name vanaf 50 jaar (zie Figuur 1), maar de effectiviteit van het vaccin neemt af met de leeftijd (zie Figuur 2).
  • Gezondheidstoestand: de kans om gordelroos te krijgen neemt toe bij een slechtere gezondheidstoestand, vooral bij een gestoorde cellulaire immuniteit, maar gordelroosvaccinatie is gecontra-indiceerd bij een (ernstig) gestoorde cellulaire immuniteit.
  • Medicijngebruik: de kans om gordelroos te krijgen neemt toe bij gebruik van bepaalde immuunsuppressieve medicatie, maar vaccinatie is gecontra-indiceerd bij (hoge dosis) immuunsuppressieve medicatie. Het is daarom zinvol om patiënten te vaccineren voordat zij starten met dit type immuunsuppressieve therapie. Deze patiënten zouden bij voorkeur zo vroeg mogelijk gevaccineerd moeten worden op een moment dat hun immuniteit nog intact is, bij voorkeur minimaal 1 maand (uiterlijk 14 dagen) voor start van de therapie (Harpaz 2008, Salisbury 2013).
  • Wensen van de patiënt.

5. Contra-indicaties

  • (Ernstige) overgevoeligheid voor de werkzame stoffen, hulpstoffen of reststoffen zoals neomycine (zie SmPC-tekst).
  • Primaire en verworven immuundeficiëntie door aandoeningen zoals acute en chronische leukemie; lymfoom; andere chronische lymfoproliferatieve aandoeningen waaronder ook hematologische maligniteiten; immuunsuppressie door hiv/aids; cellulaire immuundeficiënties; allogene of autologe stamceltransplantatie in de afgelopen 24 maanden.
  • Behandeling met immuunsuppressiva (inclusief corticosteroïden in een hoge dosis). Zostavax® is echter niet gecontra-indiceerd voor gebruik bij personen die corticosteroïden plaatselijk of door inhalatie toegediend krijgen of bij een lage dosis systemische corticosteroïden, en ook niet bij patiënten die corticosteroïden als substitutietherapie krijgen, bijvoorbeeld bij bijnierschorsinsufficiëntie.
  • Actieve, onbehandelde tuberculose.
  • Zwangerschap. Zwangerschap dient tevens te worden voorkomen gedurende de eerste maand na vaccinatie.

Een uitgebreid overzicht van de contra-indicaties is te vinden in de SmPC-tekst.

Naar boven

6. Effectiviteit

De effectiviteit (efficacy) van vaccinaties wordt bepaald op populatieniveau waarbij gekeken wordt naar het voorkomen van ziekte bij een groep gevaccineerde personen versus een groep ongevaccineerde personen. De effectiviteit is nooit 100%, in individuele gevallen kan het zijn dat er geen beschermende immuunrespons optreedt.

De effectiviteit van het gordelroosvaccin neemt af met leeftijd. Een studie onder 22.439 immuuncompetente personen tussen de 50 en 59 jaar in Europa en Noord-Amerika liet zien dat in de eerste 3 jaar na vaccinatie in de groep met gevaccineerden ongeveer 70% minder gordelroosgevallen voorkwamen dan in de groep met ongevaccineerden (Schmader 2012). De gordelroosincidentie nam daarmee af van circa 6 naar circa 2 gevallen per 1000 personen per jaar.

Een andere studie onder bijna 40.000 volwassenen van 60 jaar of ouder liet zien dat vaccinatie de incidentie van gordelroos verminderde met 51%, waarmee de gordelroosincidentie in deze groep afnam van circa 12 naar circa 6 gevallen per 1000 personen/jaar (Oxman 2005Oxman 2008). Voor de subgroep van 70 jaar en ouder nam de gordelroosincidentie met 38% af van circa 14 naar circa 8 gevallen per 1000 personen per jaar (Oxman 2005Oxman 2008). De incidentie van PHN onder personen die gordelroos hadden gekregen nam in beide genoemde leeftijdsgroepen af met ruim 65% (Oxman 2005, Oxman 2008).

Vaccineffectiviteit naar leeftijd 

Figuur 2. Overzicht van de vaccineffectiviteit, met betrekking tot de incidentie van gordelroos(HZ), de ziektelast (BOI) en postherpetische neuralgie (PHN) per leeftijdsgroep (Oxman 2005)

Om een idee te krijgen van de invloed van leeftijd, vaccineffectiviteit en beschermingsduur op de kans van een individu om gordelroos te krijgen nadat deze persoon zich eenmalig heeft laten vaccineren, heeft de Gezondheidsraad dit in een tabel samengevat. In Tabel 1 staat een overzicht van de kans van een persoon van een bepaalde leeftijd om gedurende de rest van zijn leven gordelroos en complicaties daarvan te krijgen zonder en met vaccinatie. Hierin is meegenomen dat, tot op hoge leeftijd, de levensverwachting voor meer dan de helft van de mensen langer is dan de verwachte beschermingsduur van vaccinatie tegen gordelroos.

Tabel 1 De kans van een persoon bij een bepaalde leeftijd om gedurende zijn leven gordelroos en complicaties daarvan te krijgen zonder en met vaccinatie

   Tabel 1 De kans van een persoon bij een bepaalde leeftijd om gedurende zijn leven gordelroos en complicaties daarvan te krijgen zonder en met vaccinatie 

Hierin is geen rekening gehouden met statistische onzekerheid en de recente gegevens over de kortere beschermingsduur. Deze cijfers zijn gebaseerd op studies van Van Lier 2010  en Van Hoek 2009 en cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bron: Gezondheidsraad

7. Veiligheid en bijwerkingen van het gordelroosvaccin

De veiligheid van Zostavax® is uitgebreid onderzocht en dit vaccin is veilig bevonden (Oxman 2005, Morrison 2015). Zoals bij alle vaccins kan ook Zostavax® milde lokale bijwerkingen veroorzaken zoals roodheid, pijn en zwelling. In uitzonderlijke gevallen kunnen varicellazosterachtige huidafwijkingen ontstaan. In dat geval is het belangrijk dat deze worden afgedekt omdat het vocht uit deze blaasjes mogelijk infectie kan veroorzaken bij zwangere vrouwen of immuungecompromitteerde personen die niet beschermd zijn tegen waterpokken.

Zeer zeldzame reacties, zoals een ernstige allergische reactie, zijn niet uit te sluiten. Meer informatie en een overzicht van de meldingen van vermoede bijwerkingen na vaccinatie zijn te vinden op de website van het Bijwerkingencentrum Lareb. Het gaat bij deze meldingen dus om het vermoeden bij de melder dat het een bijwerking betreft. De relatie met het vaccin staat niet vast, het kan ook gaan om een gebeurtenis die toevallig in de tijd samen valt met vaccinatie. Een uitgebreide beschrijving van mogelijke bijwerkingen is te vinden in de SmPC-tekst van het vaccin.

Naar boven

8. Interacties

Gordelroosvaccin kan gelijktijdig met andere levend verzwakte vaccins (zoals gelekoortsvaccin en BMR-vaccin) of geïnactiveerde vaccins (zoals influenzavaccin en 23-valent polysaccharide-pneumokokkenvaccin) worden toegediend, als afzonderlijke injecties en op verschillende plaatsen van het lichaam. Uit onderzoek blijkt dat BMR-vaccin de respons op varicellazostervaccin kan verminderen als het niet gelijktijdig wordt toegediend (CDC 2001). Daarom wordt, indien het niet mogelijk is om BMR-vaccin op hetzelfde moment toe te dienen als Zostavax®, een interval van minstens 3 weken aangeraden tussen BMR-vaccin en Zostavax®.

Hoewel een klinische studie laat zien dat bij gelijktijdige toediening van Zostavax® en 23-valent polysaccharid-pneumokokkenvaccin de immunogeniciteit van Zostavax® vermindert, is er geen correlatie tussen de hoogte van de antistoftiters na gordelroosvaccinatie en de bescherming tegen gordelroos. Daarnaast laat een meer recente observationele studie zien dat het gordelroosvaccin even effectief is wanneer het gelijktijdig met 23-valent polysaccharide-pneumokokkenvaccin wordt gegeven, als wanneer hier 4 weken tussen zit (Tseng 2011).

Normaal immunoglobuline en varicellazosterimmunoglobuline: toediening van immunoglobuline kan leiden tot vermindering van de werkzaamheid van levend verzwakt virusvaccins zoals mazelen, rodehond, bof en waterpokken door interferentie van circulerende specifieke antistoffen in het immunoglobuline met het virus in het toegediende vaccin. Hierdoor kan de eigen immuunrespons op levende virusvaccins worden verzwakt. Alle levend verzwakte virusvaccins dienen >14 dagen voor of >6 weken (bij voorkeur 3 maanden) na toediening van immunoglobuline te worden gegeven. Indien immunoglobuline gegeven wordt binnen 14 dagen na vaccinatie met een levend verzwakt virusvaccin, dan moet men revaccineren 3 maanden na toediening van immunoglobuline.

9. Doseringsschema

Een enkelvoudige dosis (0,65 ml), subcutaan toegediend.

10. Beschermingsduur en revaccinatie

De beschermingsduur na een gordelroosvaccinatie is (nog) niet bekend, maar vaccinatie biedt minstens 5 jaar enige bescherming afhankelijk van de leeftijd (Schmader 2012). Een studie waarin de vaccineffectiviteit is onderzocht na verloop van tijd laat zien dat de effectiviteit afneemt. In het 8e jaar na vaccinatie is de effectiviteit teruggelopen naar 4% voor zowel personen 60-69 jaar als personen 70 jaar en ouder (Tseng 2016). Dat wil zeggen dat in een groep gevaccineerden dan slechts 4% minder gordelroos voorkomt dan in een groep ongevaccineerden. Het is (nog) niet bekend of en wanneer een boosterdosis nodig is.

11. Vaccinatieprogramma’s

Gordelroosvaccinatie wordt in veel landen, waaronder de Verenigde Staten, Canada, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk, geadviseerd of programmatisch aangeboden aan ouderen. In Nederland is deze vaccinatie niet opgenomen in een vaccinatieprogramma. 

12. Overig

Voor hulp bij het beantwoorden van publieksvragen kunt u kijken op de webpagina met vragen en antwoorden over gordelroosvaccinatie.

Naar boven

Literatuur

  • Antonelli MA, Moreland LW, Brick JE. Herpes zoster in patients with rheumatoid arthritis treated with weekly, low-dose methotrexate. Am J Med. 1991;90(3):295-8.
  • Brisson M, Edmunds WJ, Law B, Gay NJ, Walld R, Brownell M, et al. Epidemiology of varicella zoster virus infection in Canada and the United Kingdom. Epidemiol Infect. 2001;127(2):305-14.
  • Centers for Disease C, Prevention. Simultaneous administration of varicella vaccine and other recommended childhood vaccines--United States, 1995-1999. MMWR Morb Mortal Wkly Rep. 2001;50(47):1058-61.
  • Centers for Disease Control and Prevention. Prevention of Herpes Zoster: Recommendations of the Advisory Committee on Immunization Practices (ACIP). 2008.
  • Fleming DM, Cross KW, Cobb WA, Chapman RS. Gender difference in the incidence of shingles. Epidemiol Infect. 2004;132(1):1-5.
  • Harpaz R, Ortega-Sanchez IR, Seward JF, Advisory Committee on Immunization Practices Centers for Disease C, Prevention. Prevention of herpes zoster: recommendations of the Advisory Committee on Immunization Practices (ACIP). MMWR Recomm Rep. 2008;57(RR-5):1-30; quiz CE2-4.
  • Kahl LE. Herpes zoster infections in systemic lupus erythematosus: risk factors and outcome. J Rheumatol. 1994;21(1):84-6.
  • Kang TY, Lee HS, Kim TH, Jun JB, Yoo DH. Clinical and genetic risk factors of herpes zoster in patients with systemic lupus erythematosus. Rheumatol Int. 2005;25(2):97-102.
  • Manzi S, Kuller LH, Kutzer J, Pazin GJ, Sinacore J, Medsger TA, Jr., et al. Herpes zoster in systemic lupus erythematosus. J Rheumatol. 1995;22(7):1254-8.
  • Morrison VA, Johnson GR, Schmader KE, Levin MJ, Zhang JH, Looney DJ, et al. Long-term persistence of zoster vaccine efficacy. Clin Infect Dis. 2015;60(6):900-9.
  • Moutsopoulos HM, Gallagher JD, Decker JL, Steinberg AD. Herpes zoster in patients with systemic lupus erythematosus. Arthritis Rheum. 1978;21(7):798-802.
  • Nagasawa K, Yamauchi Y, Tada Y, Kusaba T, Niho Y, Yoshikawa H. High incidence of herpes zoster in patients with systemic lupus erythematosus: an immunological analysis. Ann Rheum Dis. 1990;49(8):630-3.
  • Opstelten W, Van Essen GA, Schellevis F, Verheij TJ, Moons KG. Gender as an independent risk factor for herpes zoster: a population-based prospective study. Ann Epidemiol. 2006;16(9):692-5.
  • Oxman MN, Levin MJ, Johnson GR, Schmader KE, Straus SE, Gelb LD, et al. A vaccine to prevent herpes zoster and postherpetic neuralgia in older adults. N Engl J Med. 2005;352(22):2271-84.
  • Oxman MN, Levin MJ, Shingles Prevention Study G. Vaccination against Herpes Zoster and Postherpetic Neuralgia. J Infect Dis. 2008;197 Suppl 2:S228-36.
  • Pope JE, Krizova A, Ouimet JM, Goodwin JL, Lankin M. Close association of herpes zoster reactivation and systemic lupus erythematosus (SLE) diagnosis: case-control study of patients with SLE or noninflammatory nusculoskeletal disorders. J Rheumatol. 2004;31(2):274-9.
  • Salisbury, Ramsay. Immunisation against infectious disease. Londen: Public Health England 2013.
  • Schmader K. Herpes zoster in older adults. Clin Infect Dis. 2001;32(10):1481-6.
  • Schmader KE, Levin MJ, Gnann JW, Jr., McNeil SA, Vesikari T, Betts RF, et al. Efficacy, safety, and tolerability of herpes zoster vaccine in persons aged 50-59 years. Clin Infect Dis. 2012;54(7):922-8.
  • Schmader KE, Oxman MN, Levin MJ, Johnson G, Zhang JH, Betts R, et al. Persistence of the efficacy of zoster vaccine in the shingles prevention study and the short-term persistence substudy. Clin Infect Dis. 2012;55(10):1320-8.
  • Smitten AL, Choi HK, Hochberg MC, Suissa S, Simon TA, Testa MA, et al. The risk of herpes zoster in patients with rheumatoid arthritis in the United States and the United Kingdom. Arthritis Rheum. 2007;57(8):1431-8.
  • T.M. Schurink-van 't Klooster, H.E. de Melker. The National Immunisation Programme in the Netherlands - Surveillance and developments in 2014-2015. Bilthoven: National Institute for Public Health and the Environment (RIVM): 2015 RIVM rapport 2015-0134.
  • Tseng HF, Harpaz R, Luo Y, Hales CM, Sy LS, Tartof SY, et al. Declining Effectiveness of Herpes Zoster Vaccine in Adults Aged >/=60 Years. J Infect Dis. 2016.
  • Tseng HF, Smith N, Sy LS, Jacobsen SJ. Evaluation of the incidence of herpes zoster after concomitant administration of zoster vaccine and polysaccharide pneumococcal vaccine. Vaccine. 2011;29(20):3628-32.
  • Van Hoek AJ1, Gay N, Melegaro A, Opstelten W, Edmunds WJ. Estimating the cost-effectiveness of vaccination against herpes zoster in England and Wales. Vaccine. 2009 Feb 25;27(9):1454-67. doi: 10.1016/j.vaccine.2008.12.024. Epub 2009 Jan 9.
  • Van Lier A, van Hoek AJ, Opstelten W, Boot HJ, de Melker HE. Assessing the potential effects and cost-effectiveness of programmatic herpes zoster vaccination of elderly in the Netherlands. BMC Health Serv Res. 2010;10:237.
  • Wung PK, Holbrook JT, Hoffman GS, Tibbs AK, Specks U, Min YI, et al. Herpes zoster in immunocompromised patients: incidence, timing, and risk factors. Am J Med. 2005;118(12):1416.
  • Yawn BP, Saddier P, Wollan PC, St Sauver JL, Kurland MJ, Sy LS. A population-based study of the incidence and complication rates of herpes zoster before zoster vaccine introduction. Mayo Clin Proc. 2007;82(11):1341-9.

Naar boven

Versiebeheer

Op 16 maart is hoofdstuk 4 Indicaties duidelijker geformuleerd dat het niet mogelijk is om concreet aan te geven wie wel en wie niet in aanmerking komt voor gordelroosvaccinatie, omdat de indicatie per persoon kan verschillen.

Naar boven

 


Zie voor informatie voor professionals over de overige vaccinaties buiten het RVP:

Vaccinatie Informatie voor professionals 
Gordelroos Informatie voor professionals gordelroosvaccinatie
Griep (buiten het landelijke programma voor de risicogroepen) volgt
HPV (buiten het RVP) Informatie voor professionals HPV-vaccinatie buiten het RVP

Kinkhoest 

Meningokokken B Informatie voor professionals MenB-vaccinatie
Pneumokokken (buiten het RVP) volgt
Rotavirus Informatie voor professionals rotavirusvaccinatie
Waterpokken Informatie voor professionals waterpokkenvaccinatie

 

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu