RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Hivinfectie

Acquired immunodeficiency syndrome (aids)
 
Naar onderwerp 'Hivinfectie' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar  aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

Deze richtlijn is tot stand gekomen onder leiding van Anne Wensing, Esther Heikens en Tania Mudrikova, UMC Utrecht.

Mei 2014


1. Historie

Het humaan immunodeficiëntie virus (hiv) is een retrovirus. Een infectie met hiv leidt zonder behandeling bijna altijd tot een progressieve immunosuppressie. Dit kan leiden tot een nauw omschreven ziektebeeld acquired immunodeficiency syndrome (aids) en uiteindelijk tot overlijden.

In 1981 werden de eerste aidsgevallen als zodanig herkend bij jonge, voorheen gezonde, homoseksuele mannen in de Verenigde Staten. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geïsoleerde ziektegevallen beschreven in verschillende delen van de wereld die retrospectief serologisch als aidsgevallen konden worden benoemd. Momenteel zijn er naar schatting wereldwijd meer dan 35 miljoen mensen met hiv geïnfecteerd.

In 1983-1984 werd het retrovirus hiv-1 als etiologisch agens geïsoleerd. Hiervoor werd in 2008 de Nobelprijs voor geneeskunde toegekend aan Luc Montagnier en Françoise Barré-Sinoussi. In 1997 detecteerden wetenschappers hiv-1 in bloedplasma uit 1959 afkomstig van een Afrikaanse man, welke tot nu toe geldt als het eerst bewezen geval van een hiv-1 infectie (Zhu97). In 1986 werd hiv-2 in West-Afrika geïsoleerd. In 1987 verscheen het Geneeskundige Hoofdinspectie (GHI)-bulletin ‘De diagnose aids’ met daarin de internationaal geldende criteria. In de jaren erna zijn de criteria voor de diagnose aids regelmatig aangepast op grond van nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

Ondanks omvangrijk onderzoek is er in 2013 nog geen algemeen toepasbare genezende therapie of een effectief preventief vaccin ontwikkeld. Wel is grote vooruitgang geboekt op therapeutisch gebied met combinatietherapie van antiretrovirale middelen (cART) die de vermenigvuldiging van het virus sterk remt en de ziekteprogressie tegengaat. Hierdoor is de levensverwachting van hivgeïnfecteerde patiënten met ondetecteerbare viral load nu vergelijkbaar met die van patiënten met andere chronische ziekten, zoals diabetes mellitus. Daarnaast is vroegtijdig inzetten van cART ook van belang voor het reduceren van transmissie.

2. Ziekte

2.1 Verwekker

Hiv is een retrovirus en behoort tot de subfamilie van lentivirussen waartoe o.a. ook simian immunodeficiëntie virus (SIV; aapachtig) en feline immunodeficiëntie virus (FIV; katachtig) behoren. Hiv is een retrovirus; het virale enkelstrengs RNA wordt via het virale enzym reverse transcriptase (RT) omgezet in dubbelstrengs viraal DNA dat vervolgens wordt ingebouwd in het genoom van de gastheercel. Er zijn twee genotypen hiv geïdentificeerd: type 1 (hiv-1) en type 2 (hiv-2). Het merendeel van de beschikbare gegevens is gebaseerd op onderzoek van hiv-1 dat wereldwijd de meeste infecties heeft veroorzaakt. Zowel aids als andere hivgerelateerde ziekten kunnen door beide typen veroorzaakt worden. Hiv-2-infectie leidt echter tot een minder frequente en langzamere progressie naar aids. Infecties met beide hivtypen kunnen ook voorkomen.

Op grond van genetische kenmerken worden bij hiv-1 verschillende subgroepen onderscheiden: groep M (van major: de meest voorkomende groep) en de minder frequente minor groepen N (non M, non O), O (Outlier) en P (Pending). Tevens kan zowel binnen de M-groep van hiv-1 als binnen hiv-2 een verdere verdeling naar verschillende subtypen worden gemaakt, subtype A-K voor hiv-1 en subtype A-F voor hiv-2. In Nederland en andere Westerse landen is B het meest voorkomende subtype, maar er worden ook andere subtypen aangetroffen die vooral circuleren in Afrika en Azië. Regelmatig worden er hiv-stammen geïsoleerd die niet bij bestaande subtypen kunnen worden ingedeeld. Vaak gaat het hierbij om virusrecombinanten die bestaan uit fragmenten van verschillende subtypen. Indien er aangetoond wordt dat bepaalde recombinanten zich verder verspreiden wordt er gesproken van Circulating Recombinant Forms (CRF’s). Mutatie en recombinatie na superinfectie met een ander subtype (tweede infectie met een andere hivstam) zijn belangrijke mechanismen waarmee retrovirussen genetische diversiteit genereren. De diversiteit verschaft hiv een groot aanpassingsvermogen aan veranderingen in de omgeving.

De overeenkomst in de sequenties van SIV en hiv heeft duidelijk gemaakt dat zowel hiv-1 als hiv-2 zijn ontstaan via overdracht van apen naar mensen.

 

2.2 Pathogenese

De belangrijkste determinant in de pathogenese van hiv is het tropisme voor CD4+-T- lymfocyten (andere CD4+-lymfocyten), CD4+-macrofagen en CD4+-dendritische cellen. Na introductie van hiv in het lichaam treedt binding op van hiv aan de CD4- receptor en een tweede chemokine receptor (m.n. CCR5 of CXCR4). Dit faciliteert fusie en vervolgens introductie van het virus in de gastheercel. Gedurende enige jaren kan er sprake zijn van een klinisch latente situatie. In deze periode is echter wel sprake van intensieve virusreplicatie en immuunrespons tegen met hiv geïnfecteerde cellen. Voortdurende replicatie van het virus resulteert in continue ontwikkeling van mutanten waar het immuunsysteem op een gegeven moment steeds moeilijker vat op krijgt. Uiteindelijk vermindert geleidelijk aan het aantal CD4+-lymfocyten in het bloed en worden de lymfoïde organen aangetast. Gevolg is een cellulaire immuundeficiëntie die tot opportunistische infecties en nieuwvormingen kan leiden. Uiteindelijk overlijdt de patiënt aan de gevolgen van deze opportunistische ziekten. Gebleken is dat naast de immuundeficiëntie er tevens sprake is van chronische immuunactivatie. Het is vooralsnog onduidelijk waardoor chronische immuunactivatie wordt veroorzaakt. Verhoogde productie van activatiemarkers en cytokinen, bacteriële translocatie (hiv beschadigt in de darm de immuun-gemedieerde barrière) en co-infecties met cytomegalovirus (CMV), Epstein-Barr virus (EBV), hepatitis B en C-virus lijken hierin een belangrijke rol te spelen. Deze door hivgeïnduceerde chronische immuunactivatie geeft een verhoogd risico op tal van andere aandoeningen als cardiovasculaire ziekten en mogelijk andere afwijkingen als neurocognitieve stoornissen.

 

2.3 Incubatieperiode

  • Periode tussen hivbesmetting en acuut retroviraal syndroom: meestal 2 tot 4 weken.
  • Periode tussen de hivbesmetting en seroconversie (windowfase): meestal 2 tot 6 weken na infectie zijn hivantistoffen detecteerbaar. Afhankelijk van de transmissieroute en de viral load kan dit 2 weken na infectie zijn (bijvoorbeeld na bloedtransfusie) tot in zeer zeldzame gevallen pas meer dan 6 maanden na infectie. Het virale manteleiwit p24 is gemiddeld zeven dagen eerder aantoonbaar dan hivantistoffen (Webe06, Murp08). Na 3 maanden is het merendeel van alle voorheen gezonde hivgeïnfecteerde personen positief in de ELISA-antistof/antigeentest. Postexpositie behandeling kan het optreden van seroconversie vertragen tot 6 maanden (Brum13, Terz07). Bij seks/prikaccidenten waarbij gestart wordt met PEP, wordt daarom geadviseerd op 3 en 6 maanden te testen op hiv (Richtlijn prikaccidenten/Draaiboek seksaccidenten, RIVM, LCI; Richtlijn seksueel overdraagbare aandoeningen, CBO). Indien geen PEP wordt gestart bij een seksaccident, is een follow-up van 3 maanden toereikend (CBO). Bij prikaccidenten in de zorg of tijdens het werk zal een werkgever zich maximaal moeten inzetten om de bron te achterhalen. Ook moet er een nulserum worden afgenomen. De follow-up vindt plaats volgens de Landelijke richtlijn Prikaccidenten.
  • Periode tussen hivbesmetting en diagnose aids: varieert van minder dan 1 jaar tot meer dan 15 jaar. De mediane incubatietijd bij volwassenen bedroeg 8 tot 10 jaar. Nu kan door de behandeling met antiretrovirale middelen de progressie naar aids worden voorkomen.

2.4 Ziekteverschijnselen

Acuut retroviraal syndroom

Geschat wordt dat 50-70% van degenen die met hiv-1 geïnfecteerd raken een acuut retroviraal syndroom ontwikkelen. De typische presentatie doet zich voor als een acuut ziektebeeld met één of meer van de volgende symptomen: algehele malaise, hoofdpijn, koorts, lichtschuwheid, lymfadenopathie, moeheid, pijn achter de ogen, spierpijn, zere keel, diarree, perifere neuropathie en maculopapulaire huiduitslag. De klachten zijn gewoonlijk mild, verdwijnen vanzelf en worden door het aspecifieke karakter dikwijls niet als retroviraal syndroom(hiv)gerelateerd herkend. Soms blijft een gegeneraliseerde lymfadenopathie bestaan zonder andere symptomen.

Latente infectie

Vervolgens blijft de met hiv geïnfecteerde persoon meestal gedurende langere periode klachtenvrij. Deze latente fase is niet altijd geheel asymptomatisch. De klinische beelden waarbij men moet denken aan hiv, ook wel hivindicatoren genoemd (geassocieerd met een hivprevalentie van >0.1%), zijn: onbegrepen klachten van moeheid, diarree, gewichtsverlies, lymfadenopathie, anemie, trombopenie, koorts, polyneuropathie, maar ook orofaryngeale candidiasis, herpes zoster, ernstig seborroïsch eczeem en infecties als hepatitis B of C en andere soa’s (Brin13).

De oorzaken van het verschil in beloop van ziekteprogressie tussen individuen onderling is nog onvoldoende opgehelderd. De snelheid van ziekteprogressie wordt beïnvloed door onder andere immunologische factoren (bepaalde HLA-typen worden met tragere progressie geassocieerd), genetische factoren en virale factoren (co-receptorgebruik, minder pathogeen virus door deficiëntie in bepaalde eiwitten). Een zeer klein deel van de mensen (<1%) is minder vatbaar voor infectie als gevolg van mutaties in het gen dat codeert voor chemokine receptor, CCR5. Dit gen beïnvloedt de expressie van de CCR5-receptor en daarmee de vatbaarheid voor infectie met hiv-1-varianten die deze receptor voor infectie gebruiken. Een heterozygote mutatie kan leiden tot een vertraagde ziekteprogressie, bij homozygotie is infectie zeldzaam en alleen mogelijk door virusvarianten die een andere receptor gebruiken (Kos99, Phil03).

Aids

Aids kan zich in vele vormen manifesteren. Door de cellulaire immuundeficiëntie (zie paragraaf 2.2) ontstaat een scala aan ziektebeelden, ook wel aids-definiërende aandoeningen genoemd. In deze situatie ziet men opportunistische infecties, neurologische ziektebeelden en kwaadaardige nieuwvormingen. Op welk moment er precies sprake is van aids is afhankelijk van de gebruikte definitie. In Europa wordt een CD4+-lymfocyten aantal van minder dan 200 cellen/mm3 zonder klinische verschijnselen niet tot aids gerekend in tegenstelling tot de definitie die door de Amerikaanse CDC wordt gehanteerd. Enkele voorbeelden van opportunistische infecties zijn candida oesofagitis, tuberculose, pneumonieën door onder andere Pneumocystis jiroveci (voorheen carinii), gedissemineerde herpessimplexvirusinfecties en cerebrale toxoplasmose. Voorbeelden van neurologische ziektebeelden zijn perifere neuropathie en hiv-encefalopathie (aidsdementiecomplex). Voorbeelden van kwaadaardige nieuwvormingen zijn onder andere cervixcarcinoom, non-Hodgkin lymfoom en het met het humaan herpesvirus-8 geassocieerde Kaposisarcoom.

 

[Arbo]
Een ongecompliceerde hivinfectie geeft in principe geen aanleiding tot beperkingen voor het werk. Bij een progressieve hivinfectie kunnen naast vermoeidheidsklachten, psychische klachten en klachten ten gevolge van het gebruik van medicatie, gezondheidsklachten optreden gerelateerd aan co-morbiditeit. Dit uit zich bijvoorbeeld in klachten samenhangend met opportunistische infecties, cardiovasculaire aandoeningen, neurologische ziektebeelden en diabetes mellitus en kan leiden tot (tijdelijke) beperkte belastbaarheid in het werk. Een goede afstemming tussen bedrijfsarts en (hiv)behandelaar is hierbij van belang.

[Arbo]
Afhankelijk van de kwaliteit van de cellulaire immuniteit kan een verhoogde kwetsbaarheid bestaan voor beroepsgerelateerde infecties, bijvoorbeeld voor schimmelinfecties in de vuilverwerking of opslag/verwerking van biologische materialen. Indien er door het werk risico bestaat op het oplopen van specifieke infectieziekten – welke bij deze groep werknemers agressiever kunnen verlopen – waartegen vaccinatie beschikbaar is, dient, in onderlinge afstemming tussen bedrijfsarts en hivbehandelaar, via de werkgever vaccinatie aangeboden te worden (KIZA, Arbobesluit 4.85 en 4.91). Dit geldt bijvoorbeeld voor hepatitis A en B, influenza en pneumokokken/meningokokken (zie paragraaf 9.3).

Bij werknemers die beroepsmatig reizen (met name naar de tropen) kan sprake zijn van een toegenomen gevoeligheid voor gastro-intestinale en parasitaire infecties (malaria) (Smit12).

Voor levend vaccin, zoals gele koorts en in mindere mate BMR (bof, mazelen, rode hond) bestaat een relatieve contra-indicatie voor hiv-geïnfecteerde personen. Deze vaccins mogen dan ook alleen gegeven worden na afstemming met hiv-behandelaar of LCR-reizigersarts. Dit geldt ook voor malariaprofylaxe, aangezien antimalariamiddelen interacties kunnen hebben met antiretrovirale medicatie.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

Er zijn geen groepen bekend met een verhoogde gevoeligheid voor infectie. Ziekteprogressie zonder behandeling is ernstiger bij kleine kinderen en ouderen. Het laat stellen van de diagnose en het laat starten van de behandeling kan leiden tot hogere morbiditeit en mortaliteit (Herm12).

2.6 Immuniteit

Voor zover bekend neutraliseren de circulerende antistoffen het virus niet langdurig. Dit is mogelijk het gevolg van het telkens opnieuw ontstaan van mutanten tijdens virusreplicatie waar het immuunsysteem geen greep op krijgt.

Bij circa 1 tot 2% van de geïnfecteerde personen is er sprake van controle van de virale replicatie zonder het gebruik van medicijnen, deze personen worden elite controllers genoemd. Bij sommige van deze patiënten neemt het CD4-cel getal wel af en moet cART toch geïnitieerd worden.

3. Diagnostiek

3.1 Microbiologische diagnostiek

Serologie

Sinds in 1986 de eerste hiv-ELISA-test op de markt kwam, is de kwaliteit van deze serologische testen sterk verbeterd, met als doel een eerdere detectie van hiv door reductie van de windowfase (zie paragraaf 2.3). De huidige derde en vierde generatie ELISA-testen hebben een hoge sensitiviteit (99.9-100%) en specificiteit (99.4-100%), gemeten op sera van bekend hivgeïnfecteerde personen (Ly07, Ly04). Met de ontwikkeling van de vierde generatie ELISA-testen, waarbij naast antilichamen viraal antigeen (p24) wordt gedetecteerd, is de windowfase met gemiddeld 3 tot 11 dagen gereduceerd t.o.v. de derde generatie ELISA’s (Ly07, Ly04). De sensitiviteit waarmee p24 antigeen gedetecteerd wordt, is binnen de vierde generatie ELISA’s vergelijkbaar met de p24 antigeen ELISA’s (ELISA’s waarbij alleen p24 antigeen gedetecteerd wordt) (Mied11, Ly07, Webe06, Ly04).

Fout-positieve en fout-negatieve uitslagen komen in geringe mate voor. Fout-positieve uitslagen kunnen veroorzaakt worden door kruisreactiviteit en niet-specifieke immuunreactiviteit. De belangrijkste oorzaak voor een fout-negatieve uitslag is testen in de preconversie fase, de windowfase.

Bij een positieve reactie van een ELISA-test op hiv, moet op hetzelfde serummonster een bevestigingstest worden uitgevoerd, de immunoblot. De immunoblot wordt uitgevoerd ter confirmatie van de aanwezigheid van antistoffen en ter differentiatie tussen hiv-1 en hiv-2. Deze differentiatie kan gemaakt worden doordat de immunoblot gebruik maakt van synthetische peptiden en recombinante eiwitten die afgeleid zijn van hiv-1 en hiv-2. Deze laatste test wordt als bewijzend beschouwd voor een aanwezige hivinfectie. Dit geldt niet voor kinderen tot 18 maanden oud van hivpositieve moeders (zie bijlage Hivinfectie en aids bij kinderen). Bij een positieve immunoblot wordt het aanbevolen een tweede serummonster te vragen voor een definitieve confirmatie ter uitsluiting van monsterverwisseling. In de praktijk wordt doorgaans een tweede monster ingestuurd voor hiv-PCR voor bepaling van de hiv viral load. Bij een hoog-positieve ELISA, maar een negatieve immunoblot, wordt bij een hoge vooraf-kans op hiv een PCR geadviseerd om een vroege hivinfectie uit te sluiten. Een negatieve PCR sluit meestal een hivinfectie uit, echter, er moet wel rekening gehouden worden met een kleine kans op een fout-negatieve uitslag (zie paragraaf moleculaire diagnostiek). Bij een lage vooraf-kans op hiv is het, gezien de lage hivprevalentie in Nederland, niet nodig om een PCR te doen, maar wordt geadviseerd om de serologie na 2-4 weken te herhalen.

Sneltest

In de afgelopen jaren zijn verschillende hivsneltesten ontwikkeld welke antistoffen aantonen in urine, bloed en/of speeksel (Gome11, Pari09, Ever09, Fisc07, Sudh05). Binnen 15 minuten is de uitslag veelal bekend. Wanneer sera van bekend hivgeïnfecteerde personen worden getest, hebben de meeste sneltesten een hoge sensitiviteit en specificiteit, waarbij de sensitiviteit het hoogst is in serum (96.4-100%), gevolgd door vingerprik bloed (94.5-99%) en daarna speeksel (86.5%) (Pavi10, Gome11, Fisc07, Maku02, Pand09). Echter, de sensitiviteit op sera die zijn afgenomen in de seroconversie periode ligt voor sneltesten een stuk lager (17.2-73.9%) in vergelijking met die van de derde en vierde generatie ELISA’s (89.1-100%) (Pand09, Gome11, Maku02). Tijdens de seroconversiefase worden deze sneltesten 2 tot 8 dagen later positief dan derde generatie ELISA-testen (Maku02) en 5-19 dagen later dan vierde generatie ELISA’s. Deze verminderde sensitiviteit tijdens de seroconversiefase is een beperking van deze sneltesten. Sinds kort zijn er sneltesten in ontwikkeling en op de markt die zowel hivantistoffen als p24 antigeen detecteren (Beel10, Rose12), wat potentieel de windowfase kan reduceren. Echter, de analytische sensitiviteit om p24 antigeen te detecteren met deze sneltest ligt tot nu toe veel lager dan die van vierde generatie ELISA-testen en p24 antigeen ELISA-testen (Pavi10, Rose12). Mogelijke verklaringen hiervoor zijn een verminderde affiniteit van het antilichaam voor p24 door hemolysis, de korte tijd voor antigeen-antilichaam binding en de minder optimale temperatuur waarin de test plaatsvindt (kamertemperatuur in plaats van 37?C). Indien een hivsneltest positief is, moet deze geconfirmeerd worden middels een ELISA-test of immunoblot.

Tegenwoordig worden verschillende doe-het-zelf hivsneltesten via internet of de drogist aangeboden. De kwaliteit van deze testen is wisselend en daarnaast zijn ze soms moeilijk interpreteerbaar. Op basis van literatuuronderzoek en gesprekken met Nederlandse experts en beleidsmakers adviseert Soa Aids Nederland (Pars13) om soa- en hivtesten te laten verlopen via professionele zorgverleners (GGD, huisarts). Zij kunnen in samenspraak met de cliënt en volgens het geldend testbeleid de meest geschikte testkeuze maken. Alleen in uitzonderingssituaties is zelf testen een optie, mits er goede begeleiding is bij het testproces.

Moleculaire diagnostiek

Hiv-RNA is gemiddeld 9 tot 11 dagen na de infectie in het bloed detecteerbaar door nucleïnezuuramplificatietesten (PCR). De sensitiviteit en specificiteit van de huidige hiv-PCR’s zijn over het algemeen vergelijkbaar met die van de vierde en derde generatie ELISA’s en benaderen de 100%. Door de automatisering van de hiv-PCR komen fout-positieve uitslagen door contaminatie nog weinig voor. Fout-negatieve uitslagen kunnen optreden door een mismatch met primers door de hoge diversiteit van hiv. Daarnaast wordt in de meeste laboratoria alleen een hiv-1-PCR gebruikt. Een infectie met hiv-2 wordt middels deze test gemist. Tevens hebben sommige hiv-1 of hiv-2 geïnfecteerde patiënten geen aantoonbaar hiv-RNA in plasma/serum waardoor infecties met hiv gemist kunnen worden.

Ook is deze test veelal negatief bij patiënten die cART gebruiken.

Wegens de kans op een fout-negatieve uitslag en de beperkte winst in vroege detectie ten opzichte van de vierde generatie ELISA, is de hiv-PCR bij volwassenen niet geschikt als diagnostische test. In individuele gevallen, bijv. bij verdenking acuut retroviraal syndroom, kan in de klinische setting de PCR indicatief zijn voor het aantonen van een hivinfectie (zie boven; serologie paragraaf). Daarnaast is de hiv-PCR geen geschikte methode voor het screenen van grote aantallen monsters, omdat deze test arbeidsintensief is, langer duurt en hogere kosten met zich meebrengt.

De hiv-PCR wordt wel gebruikt als diagnostische test bij kinderen (zie bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’ paragraaf 3.1).

3.2 Overige diagnostiek

Specifieke laboratoriumbepalingen worden in de kliniek gebruikt als markers om de ziekteprogressie en het effect van therapie te volgen. Zo geven nucleïnezuurkwantificatietesten een directe maat voor de hoeveelheid virus (viral load) in het bloed en is deze test daarmee belangrijk voor het schatten van een prognose en voor het evalueren van therapie-effect. Het is aanbevolen om de viral load minimaal één keer per jaar te bepalen bij hiv-geïnfecteerden zonder therapie en elke 3 à 6 maanden bij hivgeïnfecteerden met therapie afhankelijk van de respons (Gere09, NVHB).

Het aantal CD4+-lymfocyten geeft de immunologische situatie weer en is een indirecte maat voor therapie-effect. Bij een hoge viral load daalt het aantal CD4+-lymfocyten sneller. Een laag aantal CD4+-lymfocyten (< 200/mm3) geeft risico op het oplopen van opportunistische infecties. Het CD4-getal, symptomatische ziekte, leeftijd en co-morbiditeit zijn de belangrijkste medische factoren bij de indicatiestelling van antiretrovirale therapie. Zie NVHB-richtlijn voor aanbevolen overige diagnostiek.

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De mens.

4.2 Besmettingsweg

Hoewel hiv is geïsoleerd uit een groot aantal lichaamsvloeistoffen, is tot nu toe alleen overdracht bewezen via bloed(producten), transplantatieweefsel (met uitzondering van cornea), sperma, andere genitale secreta en moedermelk. Tot op heden is overdracht via speeksel, traanvocht, urine en ontlasting bij de mens niet bewezen. Van het gezamenlijk gebruik van kopjes en bestek en zoenen is niet aangetoond dat dit leidt tot overdracht. Hiv is in het normale maatschappelijk verkeer dan ook niet overdraagbaar.

Porte d’entree

Besmetting met hiv vindt plaats door contact met besmette lichaamsvloeistoffen. Het virus dringt via slijmvliezen of de beschadigde huid binnen.

  • Seksueel contact
    Onbeschermd anogenitaal contact geeft de grootste kans op transmissie waarbij receptief anaal contact een groter risico vormt op overdracht dan insertief anaal contact. Bij onbeschermd vaginaal-genitaal contact kan transmissie plaatsvinden zowel van vrouw naar man als van man naar vrouw. De gemiddelde besmettingskans bij een éénmalig onveilig heteroseksueel contact met iemand die geïnfecteerd is, wordt geschat tussen de 0.014% (insertief vaginaal contact) en 0.2% (receptief vaginaal contact) (Dose10, Boil09). Een pre-cART studie vond dat de cumulatieve incidentie bij passief anaal contact 27.8% was, vergeleken met 11.7% bij vrouwen die geen anaal contact hadden (DeVi94). Het gebruik van condooms reduceert het risico op transmissie met 93-100% (DeVi94, DelR10). Een recentere studie bij mannen die met mannen seks hebben (MSM), concludeerde dat de gemiddelde besmettingskans bij een éénmalig onveilig anaal receptief contact 0.1-3% was en voor een anaal insertief contact 0.06-0.62% (Jin10). Echter, afhankelijk van transmissiebevorderende factoren zoals andere (ulcererende) geslachtsziekten, de aanwezigheid van slijmvlieslaesies, seks tijdens menstruatie en de viral load bij de index (hoog tijdens acute fase en eindfase van hivinfectie) kunnen deze percentages hoger zijn en oplopen tot 10-30% (Dose10, DeVi94, Wave05). Voor orogenitale en oroanale overdracht zonder contact met sperma, menstruatiebloed of vaginaal vocht bestaan slechts casuïstische aanwijzingen (Dose10).
    Risicoverlagende factoren zijn antiretrovirale therapie bij de index en circumcisie. Bij succesvolle behandeling van een hivinfectie gedurende minimaal 6 maanden resulterend in een ondetecteerbare viral load (minder dan 50 kopieën per ml plasma) in het bloed is meestal ook de viral load in genitale vloeistoffen onderdrukt. Indien er sprake is van een ondetecteerbare viral load in het bloed, de persoon met hiv en zijn of haar hivnegatieve partner een monogame relatie hebben en er daarnaast geen sprake is van andere geslachtsziekten of beschadigingen van het slijmvlies, is de kans op virale overdracht via onbeschermd seksueel contact zeer klein (DeVi94, DelR10, Donn10). Zie 9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten.
  • Bloed/bloedproducten/donorzaad/donorweefsel/prikaccidenten
    Druggebruikers die spuitmateriaal delen, ontvangers van ongecontroleerde bloedtransfusies, bloedproducten, donorsperma of donorweefsel en personen die via prikaccidenten (prik-, bijt-, snij- of spataccident) in contact komen met besmet materiaal lopen risico op een hivinfectie.
    Transmissie als gevolg van toediening van ongecontroleerde bloedproducten komt vanaf 1985 in Nederland in principe niet meer voor door de selectie van donoren en de systematische controle van het bloed op hiv door de bloedbanken in Nederland. Donorbloed wordt onderzocht op hivantistoffen en gepooled donorplasma van meerdere personen wordt getest op hiv-RNA. Elk jaar wordt aan de hand van het aantal hivpositief bevonden donoren het risico op besmetting met hiv door hivwindowdonaties berekend. Berekeningen van 2010 (intern rapport Sanquin 2010) komen uit op 0,2 hiv-windowdonaties per 1.000.000 donaties. Met ongeveer 900.000 donaties per jaar in Nederland is daarmee de kans op besmetting met hiv één per vijf à zes jaar.
    Ook donoren van zaad of organen worden gescreend op hiv en het donormateriaal wordt zo mogelijk gedurende 6 maanden ingevroren totdat een tweede testuitslag bekend is (met name bij sperma).
    Bij prikaccidenten met bewezen hivbesmet materiaal wordt de kans op overdracht geschat op 0,3%. De kans op overdracht na een prikaccident met een willekeurige spuit is sterk afhankelijk van de aard van het contact, de hoeveelheid en ouderdom van het aanwezige biologisch materiaal en de hivprevalentie in de omgeving van de vindplaats. Holle naalden vergroten het risico op overdracht. Zie ‘Richtlijn Prikaccidenten’ voor actieplan na prikaccident.
  • Pre/perinataal
    Verticale overdracht van het virus door geïnfecteerde zwangeren op hun kinderen via de placenta of tijdens de bevalling is de oorzaak voor het optreden van hivbesmetting bij pasgeborenen. De kans op overdracht is 15 - 40% indien de moeder niet behandeld wordt met antiretrovirale middelen (DeCo00). Transmissie wordt beïnvloed door de viral load bij de moeder. Bij adequate behandeling van de moeder en na postexpositieprofylaxe bij het kind is de kans op besmetting tegenwoordig <1% (Pain09). Zie ook bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’.
  • Borstvoeding
    Transmissie van het virus op deze wijze is mogelijk. Borstvoeding geeft een additioneel risico op transmissie van 14% ten opzichte van het risico op perinatale overdracht (Dunn92). Zie ook bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’.

Voor virusoverdracht via insecten zijn geen aanwijzingen.

4.3 Besmettelijke periode

Levenslang. Na besmetting met hiv is de geïnfecteerde persoon vanaf het begin van de hivinfectie, tijdens de klinisch asymptomatische periode en tijdens de periode van aids besmettelijk. Ook wanneer onder behandeling de viral load ondetecteerbaar is geworden, blijft er een risico op overdracht van hiv bestaan, deze is echter zeer klein (zie paragraaf 4.2).

4.4 Besmettelijkheid

Retrovirussen zoals hiv bezitten een envelop. Hierdoor zijn ze niet goed bestand tegen uitdrogen, tenzij ze verblijven in een eiwitrijke omgeving zoals bloed. In vloeibaar plasma, bij kamertemperatuur, is het virus meer dan twee weken infectieus.

De mate van besmettelijkheid is afhankelijk van de virusconcentratie. Epidemiologisch zijn er aanwijzingen dat de besmettelijkheid groter is:

  • in het begin van de infectie;
  • tijdens toename van de immuundeficiëntie en
  • bij klinische symptomen.

4.5 Risicovorming op het werk

[Arbo]

Wat het besmettingsrisico van hivgeïnfecteerde werknemers naar collega’s of derden betreft: in het normale maatschappelijke, werkgebonden verkeer is dit risico niet verhoogd. Ervan uitgaande dat geldende hygiënerichtlijnen worden gevolgd kunnen mensen met hiv zonder gevaar voor klanten, patiënten of collega’s hun werk doen (NOTA10). Een speciale groep wordt gevormd door de hivseropositieve (gezondheids)zorgwerkers. Bij een goed medicamenteus ingestelde zorgwerker, m.a.w. een ondetecteerbare viral load, is de kans op (iatrogene) transmissie tijdens routinewerkzaamheden verwaarloosbaar (SHEA10). Bij het uitvoeren van invasieve ingrepen of zgn. risicovormende handelingen* blijft het risico op transmissie laag, maar is wel aanwezig (SHEA10). De Commissie preventie iatrogene transmissie van HBV, HCV en hiv (Preventie iatrogene transmissie van HBV, HCV en hiv, RIVM, LCI) en de Nederlandse Vereniging van Hiv Behandelaren (NVHB) sluiten een hivgeïnfecteerde werknemer op voorhand niet voor deze handelingen uit, maar stellen betrokkene zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn/haar patiënten. Wel wordt aanbevolen cART te starten om de kans op hivtransmissie zo klein mogelijk te maken. De commissie meent daarnaast dat een hivgeïnfecteerde risicovormende arts moreel verplicht is zijn/haar situatie te bespreken met een hivbehandelaar of bedrijfsarts. Voor het uitvoeren van bepaalde risicovormende handelingen zou arbeidsongeschiktheid aan de orde kunnen zijn, bijvoorbeeld in geval van een recent opgelopen hivinfectie (hoge viral load). In dit geval zou de betrokkene af moeten zien van risicovormende handelingen en contact moeten opnemen met een hivbehandelaar en bedrijfsarts. Er zijn geen bedrijfsgeneeskundige richtlijnen met betrekking tot hivgeïnfecteerde risicovormende zorgwerkers.

-    *Risicovormende handelingen zijn gedefinieerd als handelingen waarbij niet steeds zicht is op de handen/vingers en de handen/vingers in een lichaamsholte verblijven in combinatie met scherpe anatomische structuren of voorwerpen. Hierdoor is bloed-bloedcontact tussen gezondheidswerker en patiënt mogelijk. In de praktijk komt dit neer op handelingen tijdens tandheelkundige ingrepen en thorax-, trauma-, gynaecologische, neurologische en orthopedische chirurgie.

5. Desinfectie

Desinfectie: Standaardmethoden

Te desinfecteren onderdeel

standaardmethode

Oppervlakken (bloed)

2.1.2

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, wel bloed)

2.2.2

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend)

3.1

Textiel (met bloed)

2.3.2

Intacte huid

2.4.3

Niet-intacte huid (wond)

2.4.2

Handen

2.4.3

NB
Bij 2.1.2: Voor een effectieve desinfectie is een contacttijd van vijf minuten noodzakelijk.
Bij 2.2.2 en 2.4.3: Voor desinfectie van handen en kleine voorwerpen wordt ethylalcohol 70% gebruikt. De effectieve contacttijd bij alcohol 70% is één minuut.

Naar standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidzorg

Overige maatregelen

Eetgerei: normale afwasprocedure met ruim water en afwasmiddel volstaat.

Voor virale verontreiniging geldt dat het verdunningseffect belangrijker is dan de temperatuur of gebruikt waspoeder. Voor reiniging van linnengoed in zorginstellingen bestaan specifieke richtlijnen (WIP-richtlijn Linnengoed), waarbij er geen specifieke bijzonderheden zijn voor hiv.

Invriezen

Het invriezen van hiv op min 70ºC-80ºC en het daarna ontdooien van serum heeft geen invloed op de besmettelijkheid van het virus. Het virus blijft op die temperatuur intact en verliest geen virulentie.

Raadpleeg de WIP-richtlijn (Veilig werken in laboratoria) voor uitgebreidere informatie.

6. Verspreiding

6.1 Risicogroep

Afhankelijk van de transmissieroute zijn een aantal risicogroepen te onderscheiden: mannen die seks hebben met mannen (MSM), personen met wisselende onbeschermde heteroseksuele contacten, intraveneuze druggebruikers en de seksuele partners van net genoemde risicogroepen. Ook personen afkomstig uit of met een partner uit hivendemisch gebied, ontvangers van ongecontroleerde bloed- en donorproducten en kinderen van hivpositieve moeders.

 

[Arbo]
Risicolopers: personen werkend in een setting waarbij sprake kan zijn van bloed- of slijmvliescontact met (potentieel) virusbevattend bloed, slijmvlies of lichaamsvloeistoffen (zie paragraaf 4.2). Het betreft personen die tijdens de uitvoering van hun werk risico lopen op prikaccidenten: medisch en paramedisch personeel binnen ziekenhuizen maar ook medewerkers van laboratorium en schoonmaak. Ook werknemers binnen verpleeg- en verzorgingstehuizen, huisarts-, verloskundige- en tandartspraktijken, geestelijke gezondheidszorg, politie/brandweer en penitentiaire inrichtingen lopen risico. Daarnaast lopen werknemers in de seksindustrie het risico besmet te raken. Voor een uitgebreide lijst van risicovolle beroepen zie http://www.kiza.nl/

Risicovormers: zie paragraaf 4.5.

6.2 Verspreiding in de wereld

Hiv/aids komt wereldwijd voor. UNAIDS/WHO schatte eind 2012 dat in totaal ongeveer 35,3 miljoen mensen met hiv geïnfecteerd waren, waarvan 2,3 miljoen nieuwe infecties in 2012. Hiv-1 komt wereldwijd voor (sterkste verspreiding in Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuidoost Azië). Hiv-2 komt met name voor in West-Afrika. Gevallen van hiv-2 in andere Afrikaanse landen, Europa en de Verenigde Staten zijn epidemiologisch herleidbaar tot West-Afrika. Het aantal hivpositieve personen in West- en Centraal Europa werd eind 2010 geschat op 840.000. De laatste jaren neemt het aantal hivinfecties onder injecterende druggebruikers en prostituees in de Russische Federatie, Estland, Letland en de Oekraïne sterk toe.

 

6.3 Voorkomen in Nederland

Cijfers van de Stichting Hiv Monitoring (SHM) geven aan dat er medio 2013 in totaal 21.990 mensen met hiv zijn geregistreerd bij SHM, waarvan 17.006 mensen onder controle zijn bij een behandelcentrum in Nederland en 2.104 (10%) mensen zijn overleden. In 2012 zijn er 1.228 nieuwe aanmeldingen van hivpositieve personen gerapporteerd, waarvan er 843 in 2012 gediagnosticeerd werden. Van de geregistreerde hivgeïnfecteerde mensen was 67% MSM en 28% heteroseksueel. Het percentage positief getesten (positivity rate) onder MSM was 1.5% in 2012, iets lager dan eerdere jaren (2011 2%, 2010 2%, 2009 2.4% en 2008 3%). Onder heteroseksuele mannen en vrouwen was dit 0.1%, wat vergelijkbaar is met voorgaande jaren.

Gegevens van de hivscreening van zwangere vrouwen laten een geschatte prevalentie zien van 0,05% in 2010/2011 (RIVM 2012). Tussen 2004 en 2013 werd bij 268 vrouwen die niet op de hoogte waren van hun hivstatus, hiv gediagnosticeerd bij de zwangerenscreening. Van de hivgeïnfecteerde zwangere vrouwen is 84% geboren buiten Nederland. Van deze groep is 59% geboren in Sub-Sahara Afrika en 15% in Latijns-Amerika/Caraïbisch gebied. Nederlandse vrouwen zijn vaker (72%) voor de zwangerschap op de hoogte van hun hivstatus dan vrouwen uit Sub-Sahara Afrika (51%) en Latijns-Amerika/Caraïbisch gebied (48%). Sinds de introductie van het nationale screeningsprogramma voor zwangere vrouwen in januari 2004 is er een substantiële daling in het aantal moeder-naar-kind-transmissies. Vanaf 2004 zijn er 6 hivgeïnfecteerde pasgeborenen geregistreerd, 2 in 2004, 1 in 2005 en 3 in 2010.

In 2012 zijn er 131 mensen gestorven aan aids. In de periode 1983 t/m 2012 zijn er in Nederland 5.442 mensen aan aids overleden.

Trends

In de eerste jaren na de ontdekking van hiv werd de infectie vooral gezien bij MSM. Voorlichting gericht op veilig vrijen zorgde voor een daling in het aantal infecties bij deze groep. Surveillancedata lieten zien dat vanaf 1998 het jaarlijks aantal nieuwe infecties onder MSM een stijgende lijn vertoont. In 2008 was het aantal nieuwe hivinfecties onder MSM zelfs vergelijkbaar met de piek van de hivepidemie in het begin van de jaren tachtig. Het SHM report 2011 en de resultaten uit de Schorer Monitor 2011 (jaarlijks onderzoek over gezondheid, welzijn en seksualiteit onder MSM) rapporteren in 2009 en 2010 geen verdere stijging van het jaarlijkse aantal nieuwe hivdiagnoses onder MSM. Stabilisatie in risicogedrag (onbeschermde anale seks) en verbetering in testgedrag (met name bij personen < 26 jaar) lijken hiervoor verantwoordelijk.

De meerderheid van de hivinfecties onder heteroseksuelen zijn in het buitenland opgelopen: Sub-Sahara Afrika, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied. Seksuele en verticale transmissie spelen een belangrijke rol. Het aantal infecties bij heteroseksuelen nam toe tot 2004, maar neemt de laatste jaren weer af mogelijk door een afname van migratie.

Intraveneuze druggebruikers vormen een relatief kleine groep binnen de hiv/aidsregistratie. Van het totaal aantal hivpositieve personen in Nederland behoort 3.9% tot de groep intraveneuze drugsgebruikers. De meerderheid van deze groep komt uit Nederland (71%) of andere West-Europese landen (22%). Het aandeel van intraveneuze druggebruikers afkomstig uit Oost-Europese landen is laag.

 

Surveillance hiv/aids in Nederland

In januari 2002 is in opdracht van het ministerie van VWS de surveillance van soa en hiv/aids in Nederland herzien. De hivsurveillance is gebaseerd op de registratie van hivgeïnfecteerden via de behandelcentra (gecoördineerd door de Stichting HIV Monitoring, SHM) en surveys in risicogroepen om de hivprevalentie te monitoren. In de landelijke hivregistratie via de behandelcentra worden ook follow-upgegevens verzameld over morbiditeit en sterfte. Hierdoor is de aids registratie overbodig geworden.

Andere bronnen voor de hivsurveillance zijn: hivscreening bij zwangere vrouwen (sinds januari 2004 wordt iedere zwangere standaard getest op hiv), bloeddonoren en bezoekers van soapoliklinieken (www.rivm.nl/volksgezondheid/infectieziekten/soa).

 

7. Behandeling

De huidige antivirale behandeling kan een infectie met hiv niet genezen. De diverse middelen die thans voorhanden zijn, onderdrukken de aanmaak van het virus zodat minder nieuwe cellen worden geïnfecteerd. De huidige middelen zijn reverse transcriptaseremmers (nucleos/tide analogen en niet-nucleoside analogen), proteaseremmers, een fusieremmer, integraseremmers en een CCR5-coreceptor antagonist (NVHB). Sinds 1 juli 1996 worden deze middelen toegepast in de vorm van hoog actieve antiretrovirale combinatie-therapie (cART). Eerstelijns cART bestaat doorgaans uit twee nucleoside analogen (NRT-remmers) en een niet-nucleoside analoog of twee NRTI’s met een proteaseremmer. De indicatie voor het starten van antiretrovirale therapie hangt af van het klinisch beeld en het aantal CD4+-lymfocyten, maar ook van niet-hivgerelateerde zaken als leeftijd, co-infecties met HCV, HBV en TBC en transmissierisico (zie ook paragraaf 4.2). Tevens wordt de beslissing te starten met therapie beïnvloed door de onbekende langetermijneffecten van de antiretrovirale therapie en het feit dat goede motivatie en adherentie noodzakelijk zijn. Het combineren van verschillende medicijnen in cART moet voorkomen dat vroegtijdig resistentie ontstaat. Doel van de behandeling is de virusvermeerdering te remmen waardoor de immunologische toestand verbetert, hivgerelateerde complicaties en de progressie naar aids worden voorkomen.

Afhankelijk van de gebruikte antiretrovirale medicatie zijn veel voorkomende bijwerkingen: dunne ontlasting, misselijkheid, leverenzymstijgingen, huiduitslag, allergische reacties, duizeligheid, stemmingswisselingen, slaapstoornissen en hoofdpijn. Ook bijwerkingen op (middel)lange termijn zijn mogelijk en kunnen leiden tot gezondheidsklachten:

 

Naast antiretrovirale therapie wordt bij lage immuniteit tevens antimicrobiële profylaxe voorgeschreven ter voorkoming van opportunistische infecties met bijvoorbeeld Pneumocystis jiroveci en toxoplasmose. Een eventuele co-infectie met hepatitis B en/of hepatitis C moet zo mogelijk ook behandeld worden. Dit verbetert de prognose van de hivinfectie en gaat daarnaast progressie van de co-infectie zelf tegen.

Overige therapie is ondersteunend en gericht op symptomatologie of specifieke ziektebeelden. Voorlichting over besmettingsrisico en preventie ten aanzien van hivgerelateerde opportunistische infecties vormen een belangrijk onderdeel van de behandeling.

Voor behandeling zwangeren en kinderen zie bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’. Voor uitgebreide behandelrichtlijnen wordt verwezen naar de NVHB.

[Arbo]

De moderne combinatietherapie wordt meestal goed verdragen en leidt over het algemeen niet tot verminderde arbeidsgeschiktheid. Tijdens de start van de behandeling kan er sprake zijn van een toename van klachten, dit is meestal van tijdelijke aard. Daarnaast zijn innameschema’s van een- tot tweemaal daags standaard zodat er nauwelijks contra-indicaties meer bestaan voor onregelmatige werktijden.

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Actieve immunisatie: geen. Er wordt veel onderzoek verricht naar verschillende kandidaatvaccins. De resultaten zijn tot nu toe minimaal, het zal nog jaren duren voor een effectief vaccin beschikbaar komt.

Passieve immunisatie: geen.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

De soa- en hivbestrijding hebben zich in eerste instantie geconcentreerd op primaire preventie. Door gestructureerde voorlichting aan het algemene publiek en aan risicogroepen is de kennis over soa en hiv bij mensen geoptimaliseerd en is geprobeerd veilig vrijen als norm te vestigen. Daarnaast is preventie gericht op het vermijden van risicocontacten met potentieel besmettelijke lichaamsproducten als bloed, sperma en andere genitale secreta (algemene en specifieke hygiënemaatregelen binnen en buiten de zorg, vastgestelde procedures bij prik-, bijt- en snijaccidenten). Desondanks nam het aantal soa- en hivinfecties toe. Daarom wordt sinds 2002 meer geïnvesteerd in secundaire preventie en dan vooral in een actief testbeleid. Met dit actieve testbeleid wordt geprobeerd soa- en hivinfecties in een vroeg stadium op te sporen en te behandelen. Personen die op de hoogte zijn van hun hivstatus dragen minder bij aan transmissie van hiv dan mensen met een onbekende hivstatus. Het actief testbeleid richt zich vooral op bepaalde doelgroepen: mensen afkomstig uit een hiv-endemisch gebied, drugsgebruikers, mensen met veel wisselende partners, mannen die seks hebben met mannen en partners van deze doelgroepen (SOA02). Het actief aanbieden van (pre- en post-test) counseling en testen vindt plaats via huisartsen, poliklinieken voor soabestrijding, GGD en categorale voorzieningen voor bijvoorbeeld drugsgebruikers en homoseksuele mannen.

 

Specifieke maatregelen

  • Vermijden van onveilige seksuele contacten
    Onder veilig vrijen in het kader van hiv wordt verstaan:
    - het gebruik van latex condooms geschikt voor vaginaal of anaal geslachtsverkeer in combinatie met glijmiddelen op waterbasis (vaseline tast het latex aan);
    - pijpen, beffen en kontlikken (rimmen) indien daarbij geen sperma in de mond komt, geen contact is met (menstruatie)bloed en geen beschadigde slijmvliezen van mond of genitalia bestaan. Om verder risico, ook op andere soa, uit te sluiten kan gebruik gemaakt worden van condooms of beflapjes.
    - Onveilige technieken kunnen ‘veilig vrijen’ alsnog onveilig maken (bijvoorbeeld fistfucking, waarbij door slijmvliesbeschadiging transmissie kan plaatsvinden).
  • Vermijden van besmette bloedproducten, donormaterialen, Zie 4.2 Besmettingsweg.
    - Toediening van bloed- en donormaterialen dient op strikte medische indicatie te gebeuren (ook in het buitenland).
  • Reizigers naar hivendemische gebieden dienen goed geïnformeerd te worden door middel van folders en counseling over risico’s op hivbesmetting via onbeschermd seksueel contact en parenterale overdracht.
  • Het actief testen van zwangeren en bezoekers van soa-poliklinieken op hiv volgens het opting out principe (zie onderstaande paragraaf ‘Testen op hiv’).
  • Adequate hulpverlening aan intraveneuze druggebruikers (onder andere in de vorm van spuitomruil, methadon- en condoomverstrekking, counseling en testen op hiv, voorlichting en training op het gebied van veilig spuiten [gebruik alleen eigen spuitmateriaal, desinfectie met chloorwater] en veilig vrijen) kan een bijdrage leveren aan het beperken van verdere verspreiding van hiv (en hepatitis B en C) onder deze druggebruikers.
  • [Arbo] Technische hygiëne ten aanzien van een patiënt is in overeenstemming met de algemeen geldende richtlijnen in de zorg waarbij men ervan uitgaat dat elke patiënt potentieel besmettelijk is.
  • [Arbo] Voorlichting aan werknemers over bloedoverdraagbare aandoeningen, het belang van naleving van de handhygiënische voorschriften en hoe contact (met name bloed- of slijmvliescontact) met potentieel besmet patiëntenmateriaal te voorkomen. Naast het gebruik van handschoenen zal gebruik van aanvullende persoonlijke beschermingsmiddelen (spatbril, masker of schort) per situatie beoordeeld moeten worden.
  • [Arbo] Prikaccidenten: daar waar een prikaccident zich kan voordoen is een 24-uurs meldpunt noodzakelijk waar laagdrempelig gemeld kan worden en volgens het landelijk prikaccidentenprotocol een professionele risicobeoordeling (met de mogelijkheid tot verwijzing en eventueel starten van PEP; zie paragraaf 9.4) plaatsvindt. Een prikaccident veroorzaakt psychische stress, de mogelijkheid voor nazorg dient ook geboden te worden. Tevens moet jaarlijks (verplicht) een prikaccidentenregistratie worden opgesteld en inzichtelijk zijn voor de arbeidsinspectie. Een analyse van de gegevens (met waar nodig aanscherping van beleid) zou hiervan onderdeel moeten uitmaken. 
  • [Arbo] Ondanks het geringe overdrachtsrisico is het minder gewenst een zwangere werkneemster handelingen te laten verrichten bij een hivpositieve persoon/patiënt waarbij een potentieel besmettingsrisico bestaat. Medicijngebruik moet tijdens de zwangerschap waar mogelijk voorkomen worden; dit geldt ook voor PEP-gebruik na een prikaccident vanwege mogelijk teratogene effecten (KIZA).
  • [Arbo] Zorgdragen voor adequate afval-, sterilisatie- en desinfectierichtlijnen (en toezien op de naleving) en het beschikbaar stellen van veilige naaldsystemen en naaldcontainers voor scherpe voorwerpen.
  • [Arbo] Voor tatoeage-, piercing- en acupunctuurinrichtingen zijn hygiënerichtlijnen opgesteld. De GGD ziet met landelijk ontwikkelde checklists toe op naleving hiervan.

Testen op hiv binnen en buiten het ziekenhuis

In 2010 werd het hiv-opt-out beleid landelijk geïntroduceerd op de soa-poli’s (RIVM). Met het invoeren van deze methode is het aantal mensen dat op de hoogte is van zijn eigen hivstatus gestegen (Duke09, Heij09). Sinds 1 januari 2012 wordt op de soa-poli’s niet meer standaard iedereen op hiv gescreend, maar alleen op basis van risicogedrag en risicogroep op hiv getest.

Binnen de ziekenhuizen zou laagdrempeliger getest moeten worden op hiv bij patiënten met symptomen die passen bij hiv en/of indicator-aandoeningen (zie paragraaf 2.4). In Nederland is naar schatting bij 35% van de mensen met hiv, de diagnose hiv nog niet gesteld, ondanks dat veel personen zich vroeg of laat in het ziekenhuis presenteren met symptomen passend bij hiv (Brink13).

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Bronopsporing vindt plaats middels het afnemen van een uitgebreide (hetero)-anamnese.

9.2 Contactonderzoek

Seksuele partners van de patiënt worden in overleg ofwel door de patiënt zelf geïnformeerd ofwel door de GGD. Ook de huisarts kan een belangrijke rol hebben in de partnerwaarschuwing. Het belangrijkste argument voor partnerwaarschuwing is het tegengaan van verdere verspreiding in het seksuele verkeer. De mogelijkheden van effectieve vroegbehandeling is een tweede reden. Partnerwaarschuwing kan slechts plaatsvinden met toestemming van de indexpatiënt waarbij het uiterste moet worden gedaan om diens privacy te beschermen (medisch beroepsgeheim, Wgbo, art 457).

Er zijn echter situaties denkbaar waarbij de hulpverlener zich genoodzaakt ziet het beroepsgeheim te schenden, omdat er een, ander, zwaarwegend, belang is. Indien een hulpverlener in een dergelijke situatie terecht komt, is het gezien de moeilijkheid van de jurisprudentie, aanbevolen een juridisch specialist te raadplegen, alvorens de zwijgplicht te doorbreken.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

  • Patiënt doorverwijzen naar een hivbehandelcentrum. Uit onderzoek is gebleken dat indien de soa-poli zelf actief en direct een afspraak maakt (in overleg met de patiënt), er vanaf het vaststellen van de diagnose minder vertraging wordt opgelopen met het in de zorg aankomen (RIVM, van der Sande).
  • Patiënt wijzen op mogelijkheden voor medische zorg en maatschappelijk ondersteuning bij hivpositiviteit. Preventie ten aanzien van hivgerelateerde opportunistische infecties vormt een belangrijk onderdeel van de behandeling.
  • Patiënt voorlichting geven over de transmissieroutes en de daaruit volgende maatregelen om verdere overdracht te voorkomen als omgaan met besmette lichaamsvloeistoffen, methoden voor veilig vrijen en veilig spuiten, afzien van (bloed)donorschap en omgaan met zwangerschap. De NVHB, het Aids Fonds, de Hiv Vereniging Nederland en Soa Aids Nederland zijn in september 2013 met een eenduidig advies rondom condoomgebruik voor vaste partners met een ongelijke hivstatus gekomen. Wanneer aan net genoemde specifieke voorwaarden (ondetecteerbare viral load, monogame relatie en geen andere soa) voldaan wordt, kunnen vaste partners ervoor kiezen het condoom weg te laten. Het algemene advies blijft echter om condooms te gebruiken.
  • Patiënt informeren over het belang van partnerwaarschuwing, het waarschuwen van de eventuele bron en contacten (kan tot jaren terug gaan) voor het mogelijke risico op besmetting (Draaiboek partnerwaarschuwing bij soa, RIVM, LCI). De patiënt zelf of de hulpverlener kan de partnerwaarschuwing uitvoeren. Indien de hulpverlener de partnerwaarschuwing opstart, dient hiervoor uitdrukkelijke toestemming van de patiënt te zijn verkregen. De contacten dienen dezelfde bovenstaande maatregelen in acht te nemen als de patiënt zolang de testuitslag niet bekend is.
  • Hygiëne ten aanzien van de patiënt is overeenkomstig de algemeen geldende richtlijnen waarbij men ervan uitgaat dat elke patiënt potentieel besmettelijk is.
  • Beperken van de verticale transmissie bij hivgeïnfecteerde moeders door voorlichting over mogelijkheden in de zwangerschap om transmissie te beperken (zie bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’ onder paragraaf 4.2). 
  • Opmerkingen ten aanzien van vaccinatiebeleid (NVHB-richtlijn):
    - Vaccinatie tegen hepatitis A en hepatitis B wordt aangeraden aan hivpositieven met risico op infectie en/of complicaties zoals sterk wisselende seksuele contacten, werken in de gezondheidszorg of co-infectie met hepatitis C, ook als de verwachte antistofrespons op basis van het aantal CD4+-cellen niet optimaal is. Sinds kort vindt hepatitis B vaccinatie bij hivgeïnfecteerden met een dubbele dosis plaats, omdat een enkele dosis niet altijd effectief bleek. Daarnaast wordt vaccinatie bij voorkeur gestart bij een VL<50 kopieën/ml en CD4>350 cells/mm3, omdat de respons hierbij beter is gebleken (Vaccineren van hivpatiënten binnen het vaccinatieprogramma hepatitis B risicogroepen, RIVM, LCI).
    - Jaarlijkse vaccinatie tegen influenzavirus wordt aangeraden.
    - Pneumokokken vaccinatie kan overwogen worden bij hivgeïnfecteerden met een gestoorde immuniteit (wel CD4>200 cells/mm3). In het bijzonder moet pneumokokkenvaccinatie overwogen worden bij hivgeïnfecteerden met het hoogste risico op een pneumokokkeninfectie zoals intraveneuze drugsgebruikers en zij die eerder een pneumonie hebben doorgemaakt.
    - In het kader van reizen geldt dat geïnactiveerde vaccins volgens de gebruikelijke indicaties toegediend kunnen worden. Voor levend verzwakte vaccins dient een afweging te worden gemaakt waarbij het risico van de vaccinatie wordt afgewogen tegen het risico op infectie. Overleg met de behandelende arts en gespecialiseerde grote vaccinatiecentra is daarbij vaak onontbeerlijk. De patiënt dient daarnaast instructies te ontvangen over preventie van infecties en maatregelen bij diarree en infectieziekten (zie protocollen LCR).
    - Vaccinatie tegen meningokokken groep C wordt (bij CD4>200 cells/mm3) in specifieke gevallen geadviseerd (zie deskundigenberaad, 2013, RIVM). 
  • Screening op andere soa.

9.4 Postexpositieprofylaxe

Na prikaccidenten

Chemoprofylaxe is aan te bevelen indien na blootstelling sprake is van een verhoogd risico op hivbesmetting. De potentiële toxiciteit van de behandeling moet worden afgewogen tegen het daadwerkelijke risico op hivbesmetting. Chemoprofylaxe vindt plaats met combinatietherapie van drie middelen. Men dient zo snel mogelijk te beginnen met postexpositieprofylaxe (PEP), liefst binnen 2 uur, met een maximum van 72 uur na het prikaccident (Richtlijn prikaccidenten, RIVM, LCI).

Na seksuele blootstelling

Chemoprofylaxe na seksuele blootstelling wordt in Nederland geadviseerd bij onveilig receptief anaal contact en/of onveilig receptief vaginaal contact, waarbij sprake is van risicoverhogende omstandigheden, met een bekende hivpositieve bron of een bron behorende tot een risicogroep (Draaiboek seksaccidenten, RIVM, LCI). Risicoverhogende omstandigheden zijn: verkrachting, seksueel misbruik, menstruatie en gelijktijdige aanwezigheid van een SOA.

 

Bij zwangerschap
Antiretrovirale therapie bij zwangeren en neonaten reduceert de hivoverdracht van moeder op kind (zie ook bijlage I ‘Hiv-infectie en aids bij kinderen’).

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Hiv is in het normale maatschappelijke (werkgebonden) verkeer niet overdraagbaar. Speciale maatregelen rondom personen dienen in dit kader dan ook niet genomen te worden. In specifieke situaties is overleg tussen direct verantwoordelijken en adviserende deskundigen op zijn plaats. Plaatsing van hivpositieve kinderen op scholen en dergelijke brengt regelmatig problemen met zich mee en dient zorgvuldig te worden begeleid. Zie ook de bijlage I ‘Hivinfectie en aids bij kinderen’.

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Hivinfectie of aids is in Nederland niet meldingsplichtig. Gegevens van nieuw gediagnosticeerde hivpositieven en aids worden sinds januari 2002 verzameld door de Stichting hiv Monitoring via de 26 hivbehandelcentra en 4 hivbehandelcentra voor kinderen.

 

[Arbo] Meldingen van beroepsziekten
Indien een medewerker een hivinfectie oploopt als gevolg van een handeling (bv prikaccident) binnen het werk, moet dit volgens de Arbeidsomstandigheden wet (artikel 9, lid 2) door de bedrijfsarts gemeld worden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Daarnaast moet de werkgever de werkgerelateerde hivinfectie melden bij Inspectie SZW (ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid). In paragraaf 4.2 is al vermeld dat de kans op seroconversie na een prikaccident zeer klein is. Het doel van deze registratie is het verkrijgen van inzicht in het voorkomen en de verspreiding van (nieuwe) beroepsziekten.

Humane immunodeficiëntievirussen vallen in risicoklasse 3 van de biologische agentia. Ongevallen met biologische agentia van deze categorie moeten zo snel mogelijk worden gemeld bij de Arbeidsinspectie in de regio (http://www.arbeidsinspectie.szw.nl/).

 

10.2 Inschakelen van andere instanties

Bij mogelijke verdenking van een infectie opgedaan na een behandeling in de gezondheidszorg, dient de betreffende instelling de Regionale Inspectie voor de Gezondheidszorg in te schakelen voor nader onderzoek naar mogelijke transmissiewegen en andere gevallen van hivbesmetting.

 

10.3 Andere richtlijnen

  • WIP-richtlijnen:
    Beleid reiniging, desinfectie en sterilisatie,
    Linnengoed,
    Veilig werken in laboratoria
    Accidenteel bloedcontact algemeen,
    Algemene voorzorgsmaatregelen laboratoria,
    Algemene voorzorgsmaatregelen operatiekamers,
    Algemene voorzorgsmaatregelen pathologie,
    Algemene voorzorgsmaatregelen longafdeling en longfunctie-onderzoek,
    Algemene voorzorgsmaatregelen anesthesie,
    Algemene voorzorgsmaatregelen in de verloskunde.
  • Voor diverse beroepsgroepen (kappers, pedicures) zijn specifieke richtlijnen opgesteld door de branche-organisaties
  • LCI-Draaiboek Seksuele Gezondheid.

  • Landelijke richtlijn Prikaccidenten (RIVM, LCI-Draaiboek).

  • Draaiboek seksaccidenten (RIVM, LCI-Draaiboek).

  • Vaccineren van hivpatiënten binnen het vaccinatieprogramma hepatitis B risicogroepen (RIVM, LCI-Draaiboek).

  • Richtlijn seksueel overdraagbare aandoeningen en herpes neonatorum (CBO).

  • Draaiboek partnerwaarschuwing bij soa (RIVM, LCI-Draaiboek).

  • Richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Hiv Behandelaren (NVHB, http://www.nvhb.nl/).

  • Protocollen van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR), http://www.lcr.nl/.

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

Patiënteninformatiemateriaal en voorlichtingsmateriaal voor doelgroepen is verkrijgbaar. Voor een overzicht zie: www.rivm.nl/infectieziekten.

Telefonisch: Aids Soa infolijn 0900-2042040

10.5 Literatuur

  • Beelaert et al. Evaluation of a rapid and simple fourth-generation HIV screening assay for qualitative detection of HIV p24 antigeen and/or antibodies to HIV-1 and -2. Journal of Virological Methods 2010;218-222.
  • Boily et al. Heterosexual risk of HIV-1 infection per sexual act: systematic review and meta-analysis of observational studies. Lancet of Infectious Diseases 2009;118-129.
  • Brinkman et al. Sneller overgaan tot hiv-test. Nederlands Tijdschrift van Geneeskunde 2013;157.
  • Brum et al. HIV seroconversion in a health care worker who underwent postexposure prophylaxis following needlestick injury. American Journal of Infection Control 2013;471-472.
  • De Cock et al. Prevention of mother-to-child HIV transmission in Resource-Poor countries. JAMA 2000;1175-1182
  • De Vincenzi. A longitudinal study of human immunodeficiency virus transmission by heterosexual partners. European Study group on Heterosexual Transmission of HIV. New England Journal of Medicine 1994;341-346.
  • Del Romero et al. Combined antiretroviral treatment and heterosexual transmission of HIV-1: cross sectional and prospective cohort study. British Medical Journal 2010;c2205.
  • Donnell et al. Heterosexual HIV-1 transmission after initiation of antiretroviral therapy: a prospect cohort analysis. Lancet 2010;2092-2098.
  • Dosekun et al. An overview of the relative risks of different sexual behaviours In HIV transmission. Current opinion in HIV and AIDS 2010;291-297. 
  •  Dukers-Muijrers et al. Effectiveness of an opting out strategy for HIV testing: evaluation of 4 years of standard HIV testing in a STI clinic. Sexually Transmitted Infections 2009;226-230.
  • Dunn et al. Risk of human immunodeficiency virus type 1 transmission through breastfeeding. Lancet 1992;585-588.
  • Everett et al. Suitability of simple human immunodeficiency virus rapid tests in clinical trials in community-based clinical settings. Journal of Clinical Microbiology 2009;1058-1062.
  • Fiscus et al. Rapid, real-time detection of acute HIV infection in patients in Africa. Journal of Infectious Diseases 2007;416-424.
  • Geretti. HIV testing and monitoring. Medicine 2009;326-329.
  • Gomes et al. The performance of the VIKIA® HIV1/2 rapid test-Evaluation of the reliability and sensitivity. Journal of Virological Methods 2011;353-356.
  • Heijman et al. Opting out increases HIV testing in a large sexually transmitted infections outpatient clinic. Sexually Transmitted Infections 2009;249-255.
  • Hermans et al. Delayed HV testing in internal medicine clinics -  a missed opportunity. The Netherlands Journal of Medicine 2012;69-73.
  • Jin et al. Per-contact probability of HIV transmission in homosexual men in Sydney in the era of HAART. AIDS 2010;907-913.
  • Kostrikis et al. A Polymorphism in the Regulatory Region of the CC-Chemokine Receptor 5 Gene Influences Perinatal Transmission of Human Immunodeficiency Virus Type 1 to Africa-American Infants. Journal of Virology 1999;10264-10271.
  •  Ly et al. Could the new HIV combined p24 antigen and antibody assays replace p24 antigen specific assays? Journal of Virological Methods 2007;86-94.
  • Ly et al. Evaluation of the sensitivity and specificity of six HIV combined p24 antigen and antibody assays. Journal of Virological Methods 2004;185-194.
  • Makuwa et al. Reliability of rapid diagnostic tests for HIV variant infection. Journal of Virological Methods 2002;183-190.
  • Miedouge et al. Analytical sensitivity of four HIV combined antigen/antibody assays using the p24 WHO standard. Journal of Clinical Virology 2011;57-60.
  • Murphy et al. Assays for the detection of recent infections with human immunodeficiency virus type 1. Eurosurveillance 2009.
  • Paintsil et al. Update on successes and challenges regarding mother-to-child transmission of HIV. Current Opinion in Pediatrics 2009;94-101.
  • Pandori et al. Assessment of the ability of a fourth-generation immunoassay for human immunodeficiency virus (HIV) antibody and p24 antigen to detect both acute and recent HIV infections in a high-risk setting. Journal of Clinical Microbiology 2009;2639-2642.
  • Parisi et al. Offer of rapid testing and alternative biological samples as practical tools to implement HIV screening programs. New Microbiologica 2009;391-396.
  • Pars et al. SOA-testen: zelf doen of laten (doen)? SOAIDS oktober 2013.
  • Pavie et al. Sensitivity of five rapid HIV tests on oral fluid or finger-stick whole blood: a real-time comparison in a healthcare setting. PloS ONE 2010;e11581.
  • Philpott et al. CC Chemokine Receptor 5 Genotype and Susceptibility to Transmission of Human Immunodeficiency Virus Type 1 in Women. Journal of Infectious Diseases 2003;569-575.
  • Rosenberg et al. Detection of acute HIV infection: a field evaluation of the determine® HIV-1/2 Ag/Ab combo test. Journal of Infectious Diseases 2012;528-534.
  • Sudha et al. Comparative evaluation of TRI-DOT Rapid HIV test with fourth-generation ELISA for the detection of human immunodeficiency virus. Clinical Microbiology and Infection 2005;850-852.
  • Terzi et al. Late HIV seroconversion after non-occupational postexposure prophylaxis against HIV with concomitant hepatitis C virus seroconversion. AIDS 2007;262-263.
  • Waver et al. Rates of HIV-1 transmission per coital act, by stage of HIV-1 infection, in Rakai, Uganda. Journal of Infectious Diseases 2005;1403-1409.
  • Weber. Screening of HIV infection: role of molecular and immunological assays. Expert Review of Molecular Diagnostics 2006;399-411.
  • Zhu et al. An African HIV-1 sequence from 1959 and implications for the origin of the epidemic. Nature 1997;594-597.
  • Actief testen! Een programmatische aanpak voor actiever testen en counselen op hiv en andere soa in Nederland. Soa Aids Nederland, Hiv Vereniging Nederland, GGD Amsterdam, NVHB, V&VN hiv consulenten, Mainline.
  • Intern rapport Sanquin 2010.
  • Jaarverslag Stichting HIV Monitoring (SHM) 2013.
  • Jaarrapport 2013 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Sexually Transmitted Infections, including HIV, in the Netherlands 2012.
  • Juridische handreiking, gegevensuitwisseling in de infectiebestrijding, Werkgroep Juridische Handreiking voor de infectieziektebestrijding (JurIZ), 2011, RIVM.
  • Risicoprofielen hivgeïnfecteerden, Gezondheidsraad,1997/13.
  • RIVM: Nationaal Kompas Volksgezondheid.
  • Schorer Monitor 2011.
  • Staatscourant, sept 2011, nr 16603, regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 september 2011, nr. PG/OGZ 3077212, houdende wijziging van de Subsidieregeling publieke gezondheid ten behoeve van het jaar 2012.
  • ZonMw project 125010005; 2008-2012: The impact on HIV transmission of patient delay in accessing care after testing positive. M. van der Sande, RIVM.

Literatuur bij de arbeidsrelevante informatie

10.6 Websites

[Arbo] Dit markeert de alinea’s met arbeidsrelevante informatie over infectieziekten.

 

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Hivinfectie

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu