U bevindt zich op: Home Documenten en publicaties Professioneel Praktisch LCI-richtlijnen LCI-richtlijn Mazelen (morbilli)

LCI-richtlijn Mazelen (morbilli)

Publicatiedatum:
05-05-2011

Naar onderwerp 'Mazelen' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen

  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten
  11. Wijzigingen

1. Historie

Mazelen is een zeer besmettelijke infectieziekte, die gepaard gaat met hoge koorts en een grofvlekkig exantheem. Er kunnen ernstige complicaties optreden zoals pneumonie en encefalitis. Voor invoering van vaccinatie maakten vrijwel alle kinderen in Nederland mazelen door. In ontwikkelingslanden is mazelen nog steeds een belangrijke doodsoorzaak voor kinderen onder de 5 jaar.
Het mazelenvirus werd in 1954 geïsoleerd door Enders en Peebles, waarna er in het begin van de jaren zestig een effectief levend verzwakt vaccin beschikbaar is gekomen. Sinds het opnemen van de mazelenvaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma in 1976, is de incidentie van mazelen in ons land sterk afgenomen.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Verwekker

Mazelenvirus behoort tot de familie van de Paramyxoviridae, genus Morbillivirus. Andere aan mazelen verwante virussen uit dit genus zijn runderpestvirus en canine distemper virus (hondenziekte). Ook zijn verschillende morbillivirussen beschreven bij zeezoogdieren als zeehonden en dolfijnen. Het mazelenvirus bestaat uit een enkelstrengs RNA-genoom dat wordt beschermd door virale eiwitten en omhuld door een lipidemembraan.
Het virus is antigeen stabiel, waardoor het vaccinvirus een goede bescherming geeft tegen alle thans circulerende wildtype-stammen (er zijn nu 20 genotypen bekend) [1].

2.2 Pathogenese

Mazelen kent een bifasisch verloop dat zich weerspiegelt in de klinische symptomen.
In de eerste fase infecteert het mazelenvirus de mens via het respiratoire epitheel. Lokale vermeerdering van het virus vindt plaats in de lymfoïde weefsels in de luchtwegen.
De tweede fase kenmerkt zich door een viremie als gevolg van het circuleren van virusgeïnfecteerde lymfocyten in het bloed. Vrij virus is bij mazelen vrijwel nooit aanwezig. De viremie resulteert in een gegeneraliseerde infectie die overlapt met de prodromale fase. Het virus repliceert nu in lymfocyten van alle lymfoïde weefsels en organen en verspreidt zich naar endotheelcellen, epitheelcellen, dendritische cellen en keratinocyten.
Histopathologisch onderzoek van longen en lymfoïde weefsels laat kenmerkende multinucleaire reuscellen zien, die ontstaan door celfusie.
Het exantheem ontstaat waarschijnlijk door infectie van het vasculaire endotheel, waarbij vasodilatatie en permeabilisatie optreedt. Beschadiging van de respiratoire mucosa heeft hoesten en verkoudheid (coryza) tot gevolg. Bovendien kan het mazelenvirus laryngitis, tracheïtis, bronchiolitis en pneumonie veroorzaken. Een belangrijk kenmerk van mazelen is dat de infectie leidt tot een tijdelijke immuunsuppressie vanwege de betrokkenheid van lymfocyten in het replicatieproces van het virus. Complicaties zijn dan ook vaak het gevolg van secundaire infecties.

2.3 Incubatieperiode

De incubatieperiode van expositie tot begin van de prodromale fase duurt 7 tot 14 dagen (gemiddeld 10 dagen). De incubatieperiode van expositie tot begin van het exantheem bedraagt 7 tot 18 dagen (gemiddeld 14 dagen) [2].

2.4 Ziekteverschijnselen

Prodromale fase (3-7 dagen)
Mazelen begint plotseling met algemene malaise, koorts, conjunctivitis, verkoudheid en hoesten. De koorts neemt in de loop van 2 tot 3 dagen geleidelijk toe tot meer dan 39°C. Aan het einde van de prodromale fase net voor het ontstaan van het exantheem kunnen er (bij 30% van de gevallen) op het mondslijmvlies kleine witte vlekjes (Koplikse vlekjes) ontstaan, die pathognomonisch zijn voor mazelen. Ze verdwijnen binnen enkele dagen [1,3].

De exanthemateuze fase (7-10 dagen)
Een gegeneraliseerd grofvlekkig exantheem dat ruw aanvoelt (als schuurpapier), ontwikkelt zich 3 tot 7 dagen na aanvang van de klachten. Het begint achter de oren en langs de haargrens en breidt zich in 3 dagen uit via gezicht, nek, borst, romp naar de extremiteiten. Na enkele dagen verbleekt het weer. In totaal duurt de exanthemateuze fase meestal 7-10 dagen.

Complicaties
De complicaties die bij mazelen optreden hangen samen met het effect van het mazelenvirus op de luchtwegen en op het immuunsysteem.
De meest voorkomende complicaties zijn otitis media, laryngotracheobronchitis en bronchiolitis. Deze treden op bij 5 tot 10% van de mazelenpatiënten. Ook pneumonieën komen frequent voor, bij 1 tot 5% van de mazelenpatiënten. Pneumonie kan veroorzaakt worden door het mazelenvirus zelf of door een bacteriële superinfectie.

Encefalitis is een ernstige complicatie, maar komt minder vaak voor; bij circa 0,1% van de mazelenpatiënten. Hiervan zijn verschillende vormen bekend: mazelenencefalitis, acute postinfectieuze encefalitis en subacute scleroserende panencefalitis (SSPE). De meest ingrijpende hiervan is SSPE, een progressieve, fatale hersenontsteking waarbij de neuronen worden geïnfecteerd met het virus. De klinische symptomen van SSPE manifesteren zich meestal pas een aantal jaren na de infectie. SSPE ontwikkelt zich bij circa 0,01% van de mazelenpatiënten [4].

De sterfte ten gevolge van mazelen is sterk afhankelijk van de leeftijd. Zij is het hoogst bij jonge kinderen (onder de leeftijd van 1 jaar 0,1%) en meestal het gevolg van een fulminant verlopende pneumonie.

In ontwikkelingslanden heeft mazelen vaak een ernstig verloop. De ziekte kan hier, naast de gebruikelijke complicaties leiden tot hemorragisch exantheem, huidinfecties, diarree, dehydratie, keratitis en blindheid. De mortaliteit bedraagt tussen de 5 en 10%, in sommige gebieden nog hoger.

Asymptomatisch beloop van mazelen komt bij niet-immune kinderen niet voor.
Bij partieel immune kinderen kan mazelen mild verlopen. Een mild verloop wordt vooral gezien bij kinderen die nog gedeeltelijk beschermd zijn door verdwijnende maternale antistoffen, kinderen die te laat of onvoldoende immuunglobuline hebben gekregen na contact met een mazelenpatiënt en bij vaccinfalen. Bij mild verlopende mazelen kunnen exantheem, koorts, hoesten, verkoudheid en conjunctivitis minimaal of afwezig zijn [3]. Ook Koplikse vlekjes zijn gering in aantal of afwezig. Het exantheem volgt het normale patroon voor mazelen, dus beginnend achter de oren en uitbreidend via gezicht en romp naar de extremiteiten, maar de vlekken conflueren meestal niet.

[Arbo]
Ziekteverschijnselen in relatie tot arbeid
Bij volwassenen kan mazelen een ernstig beloop hebben (MAND10). Een werknemer met mazelen zal in het algemeen te ziek zijn om te werken.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

  • Zeer jonge kinderen: (< 1 jaar), vooral pasgeborenen van niet-immune moeders hebben een verhoogde kans op ernstige complicaties en sterfte.
  • Volwassenen: met de toename van de leeftijd is er een verhoogde kans op complicaties.
  • Immuno-incompetente personen, bijvoorbeeld personen met leukemie of personen die behandeld worden met cytostatica: risico op progressieve infectie met fatale afloop. Bij patiënten met een verminderde cellulaire immuniteit kan mazelen een zeer ernstig verloop vertonen; mortaliteit van 40-70% is beschreven voor kanker- en aidspatiënten [5,3]. In deze patiënten kan de ziekte een atypisch verloop vertonen (zonder optreden van exantheem) maar met een hoog percentage complicaties zoals pneumonie (82%) en encefalitis (27%) [1].
  • Zwangeren: mazelen veroorzaakt bij de foetus geen aangeboren afwijkingen, maar kan in zeldzame gevallen leiden tot spontane abortus of vroeggeboorte [6,7,8,9].
  • Kinderen met vitamine A-deficiëntie, met name in ontwikkelingslanden: verhoogd sterfterisico (5-10%), optreden van hemorragisch exantheem en verhoogd risico op blindheid.

[Arbo]
Medisch kwetsbare werknemers, met kans op ernstig beloop:

  • Immuungecompromitteerde werknemers -met name de groep met aids of kanker (chemotherapie) (TAFU09)
  • Niet-immune zwangeren (in zeldzame gevallen treedt spontane abortus/vroeggeboorte op)
  • Ouderen; de kans op complicaties neemt toe met de leeftijd (pneumonie, encefalitis)

2.6 Natuurlijke immuniteit

Vanaf het moment dat het exantheem verschijnt zijn er veelal virusspecifieke IgG- en IgM-antistoffen aantoonbaar. De IgM-titer stijgt tot een maximum op de tiende dag en daalt vervolgens tot niet te detecteren waarden na 6 tot 12 weken. De IgG-titer stijgt tot de dertigste dag, en blijft dan levenslang aantoonbaar.
De concentratie mazelenvirusspecifieke virusneutraliserende antilichamen in serum is een goede graadmeter voor bescherming tegen mazelenvirusinfectie: concentraties van meer dan 120 mIU/ml zijn voldoende voor bescherming [10,11]. Dit verklaart ook waarom kinderen van moeders die mazelen hebben doorgemaakt voor een groot deel van het eerste levensjaar beschermd zijn tegen mazelen door middel van transplacentair verkregen antistoffen. Bij kinderen van tegen mazelen gevaccineerde moeders is de bescherming door maternale antistoffen waarschijnlijk korter.
Waar virusneutraliserende antistoffen voldoen voor bescherming tegen infectie, worden voor het klaren van een mazelenvirusinfectie cytotoxische T-lymfocyten van cruciaal belang geacht. Dit wordt mede geïllustreerd door het feit dat patiënten met een gecompromitteerde cellulaire immuunrespons ernstige complicaties ontwikkelen na mazelenvirusinfectie, terwijl patiënten met agammaglobulinemie normaal kunnen herstellen van mazelen [12].

Het doormaken van mazelen geeft doorgaans levenslange immuniteit. Herinfectie met mazelenvirus is zeldzaam in mensen met natuurlijke immuniteit, maar kan voorkomen in mensen met vaccingeïnduceerde immuniteit. Deze herinfecties verlopen in de regel asymptomatisch en geven een booster van de mazelenvirusspecifieke antistoftiter.

Naar boven

3. Diagnostiek

Een klassiek mazelelenbeeld met hoge koorts, hoesten, conjunctivitis, Koplikse vlekjes en een grofvlekkig exantheem beginnend achter de oren en in het gezicht, is ten tijde van een epidemie door een arts die ervaring heeft met mazelen goed te herkennen. Voor de huidige generatie artsen is mazelen echter een zeldzame ziekte geworden, die bovendien niet altijd volgens het klassieke patroon verloopt en daardoor klinisch gemakkelijk verward kan worden met andere exantheemziekten. Bij negroïde patiënten is het exantheem vooral voelbaar. Derhalve is bij het vermoeden van mazelen laboratoriumbevestiging geïndiceerd, tenzij er een epidemiologische relatie met een reeds bevestigd geval van mazelen is en de patiënt niet ernstig ziek is.

3.1 Microbiologische diagnostiek

Zie ook bijlage II Aanvullende richtlijn gedurende een mazelenepidemie onder 'Download'.

Serologie
Aantonen van mazelenvirusspecifieke IgM-antistoffen uit serum, vingerprikbloed of speeksel kan tot 6 weken na het ontstaan van het exantheem. IgM is direct na het optreden van het exantheem al te bepalen (sensitiviteit > 60-70%). 4 dagen na optreden van het exantheem is de sensitiviteit hoger dan 90%. De meest voorkomende oorzaak van een foutnegatieve uitslag is een te vroeg afgenomen monster. De meest voorkomende oorzaak van een foutpositieve uitslag is de aanwezigheid van reumafactor.
Ook het aantonen van een ten minste viervoudige titerstijging van mazelenspecifieke IgG-antistoffen in serum is bewijzend voor een recente mazeleninfectie.

PCR
Mazelenvirus is met PCR aantoonbaar in bloed, speeksel, keeluitstrijk of urine. De sensitiviteit van de PCR is bij materiaal verkregen binnen 3 dagen na het optreden van het exantheem, hoger dan 80%. Bij later verkregen materiaal daalt de sensitiviteit snel (50% na 2 weken en lager dan 20% na 3 weken).

Kweek
Kweek van urine of keeluitstrijk. De sensitiviteit van de detectie van virus middels een kweek is lager dan die via de PCR-methode en alleen zinvol voor monsters afgenomen binnen 5 dagen na optreden van het exantheem (http://www.who.int/).

Routinediagnostiek maakt tot nu toe meestal gebruik van het aantonen van IgM-antistoffen in serum. De meeste laboratoria kunnen deze bepaling uitvoeren en de uitslag is binnen een week bekend. Als er alléén een indicatie is vanuit de openbare gezondheidszorg heeft het de voorkeur minder invasieve diagnostiek aan te bieden. In een aantal laboratoria is het mogelijk om speeksel, urine en/of vingerprikbloed te laten onderzoeken, waaronder RIVM-IDS en Erasmus Medisch Centrum.

In het kader van de surveillance van mazelenvirussen is het van belang om het mazelenvirus te typeren. Hoewel mazelenvirus in de loop van de tijd antigeen zeer stabiel blijkt te zijn, bevat het virale genoom een aantal regio’s waarin beperkte variatie voorkomt. Deze variatie kan gebruikt worden voor moleculair epidemiologische surveillance [13].
Bij alle solitaire gevallen, en voor tenminste twee gevallen in ieder epidemiologisch cluster, wordt daarom gevraagd aan de GGD om er voor te zorgen dat materialen voor PCR of kweek (urine, speeksel en een keeluitstrijk) worden ingestuurd naar het mazelen-rubellareferentielaboratorium (RIVM-IDS of Erasmus MC), ook als de diagnose reeds bevestigd is door serologisch onderzoek.

3.2 Overige diagnostiek

Niet van toepassing.

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De mens is de enige natuurlijke gastheer van het mazelenvirus, maar apen kunnen ook met het virus besmet worden.

4.2 Besmettingsweg

Transmissie van mazelenvirus vindt meestal plaats via druppelinfectie vanuit de neus- en keelholte van de patiënt. Andere besmettingswegen zijn direct contact, indirect contact (handen, deurknoppen) en verspreiding via de lucht over grotere afstanden door middel van druppelkernen.

4.3 Besmettelijke periode

4 dagen vóór tot 4 dagen na het van het begin van het exantheem.

4.4 Besmettelijkheid

Mazelen is één van de meest besmettelijke infectieziekten. Het aantal secundaire ziektegevallen dat een patiënt met mazelen in een volledig vatbare populatie veroorzaakt (basale reproductiegetal R0) is 12 tot 18 [2].
Besmetting tijdens kortdurende expositie (bijvoorbeeld in de wachtruimte van een huisartsenpraktijk) is beschreven. Het mazelenvirus kan enkele uren in druppeltjes in de lucht overleven.
De immuniteitsgraad van de bevolking die nodig is om epidemische verspreiding te voorkomen is erg hoog, minimaal 95%.

[Arbo]
Meldingen van beroepsgerelateerde infecties
Bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten is mazelen in de afgelopen jaren eenmaal als beroepsziekte gemeld in 2007 en viermaal in 2013 (allen zorgwerkers). Dit zegt weinig over het daadwerkelijk aantal beroepsmatig opgelopen gevallen; het NCvB heeft te maken met onderregistratie.

Naar boven

5. Desinfectie

Te desinfecteren

standaardmethode

Oppervlakken:

niet van toepassing

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend):

niet van toepassing

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):

niet van toepassing

Textiel:

niet van toepassing

Intacte huid:

niet van toepassing

Niet-intacte huid (wond):

standaardmethode 2.4.3

Het virus is labiel en gevoelig voor alcohol 70%, zeep, zuur, proteolytische enzymen, sterk zonlicht, hitte en uitdroging. Het overleeft enkele uren in druppeltjes in de lucht, maar kan lang bewaard worden bij een temperatuur van -70 graden Celsius. [1]

[Arbo]

Algemene preventieve maatregelen

  • Aan werknemers met een verhoogd beroepsrisico op mazelen dient bij herhaling goede voorlichting te worden gegeven over infectierisico’s en wijze van transmissie
  • Transmissie verloopt meestal via druppelinfectie, maar is ook mogelijk  aerogeen/direct/indirect (handen, deurknoppen, speelgoed). Algemeen hygiënische maatregelen dienen consequent te worden nageleefd, maar een niet immune werknemer dient een (verdacht voor) mazelenpatiënt niet te behandelen/verplegen, contact vermijden is het meest effectief (KIZA)
  • Bij indiensttreding dient, wanneer een verhoogd risico op blootstelling aan mazelen speelt, of de kans op beroepsmatige overdracht naar kwetsbare derden aanwezig is, de immuun- en vaccinatiestatus te worden vastgelegd (WETS08, QUAS09) en bij onvoldoende bescherming vaccinatie te worden aangeboden (KIZA, RIVM, COUT09)
  • Bij verzorging of verpleging van een mazelenpatiënt dienen infectiepreventie- en beschermende maatregelen te worden toegepast, de voorgeschreven isolatiemaatregelen consequent te worden gevolgd en persoonlijke beschermingsmiddelen op juiste wijze te worden gedragen (handschoenen, schort en neusmondmasker ( WIP)). Hierop dient toezicht te zijn.
  • In geval van onverwachte blootstelling: zie bijlage 1.  

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Verhoogde kans op infectie

Iedereen die niet gevaccineerd is of op natuurlijke wijze immuniteit heeft verworven, vooral als er sprake is van clustering van niet-immune personen in bepaalde woon- of verblijfplaatsen:

  • kinderen die om religieuze, antroposofische of andere redenen niet gevaccineerd zijn;
  • kinderen van 6 tot 14 maanden die hun eerste BMR-vaccinatie nog niet hebben gekregen.

 

[Arbo]

Risicolopers: niet-immune werknemers die frequent reizen naar of verblijven in endemische gebieden (zoals zakenreizigers, medewerkers van luchtvaartmaatschappijen/cruiseschepen) en gezondheidswerkers/(para)medisch studenten die in contact kunnen komen met mazelenpatiënten (COUT09). Dit geldt vooral voor personen geboren tussen 1965 en 1975 (gebrek aan natuurlijke immuniteit en onvolledig of niet gevaccineerd). Ook werknemers op scholen/kinderdagverblijven (AI14) met name in regio’s met een lage vaccinatiegraad.

6.2 Verspreiding in de wereld

Mazelen komt over de gehele wereld voor. Ook in endemische landen treedt de ziekte meestal op in epidemieën. De omvang en frequentie van deze epidemieën is afhankelijk van het aantal voor de ziekte vatbare personen in de bevolking. In gebieden met een hoog geboortecijfer en een lage vaccinatiegraad treden jaarlijkse grote epidemieën op onder jonge kinderen. Daarentegen worden er in een vrijwel volledig gevaccineerde populatie slechts incidenteel kleine uitbraken gezien, meestal onder wat oudere schoolkinderen. Vaccinfalen en clustering van niet-gevaccineerden speelt daarbij een belangrijke rol.
Ondanks het feit dat wereldwijd 80% van de kinderen tegen mazelen wordt gevaccineerd, is mazelen in ontwikkelingslanden (Azië, Afrika) en in onveilige regio’s (Afghanistan) een van de belangrijkste doodsoorzaken voor kinderen onder de 5 jaar. Intensieve vaccinatiecampagnes door de WHO, Verenigde Naties en andere organisaties hebben ertoe geleid dat het aantal overledenen aan mazelen in 2007 wereldwijd gedaald is tot onder de 200.000.
In Europa komt mazelen vooral voor in ongevaccineerde subpopulaties. In enkele Europese landen ligt de vaccinatiegraad echter nog ver onder de 95% die nodig is voor een effectieve populatie immuniteit. Er zijn de laatste jaren in meerdere Europese landen mazelenuitbraken gerapporteerd (Data Eurostat/WHO; ProMED-mail) [14].

6.3 Voorkomen in Nederland

Voor de invoering van mazelenvaccinatie maakte vrijwel iedereen in Nederland voor de basisschoolleeftijd al mazelen door. Om het jaar was er een grote, landelijke epidemie. Na de Tweede Wereldoorlog bedroeg de letaliteit tijdens de epidemieën gemiddeld zestien per 100.000 gevallen. Bij 5% van de mazelenpatiënten deden zich complicaties voor in de vorm van pneumonie en andere ernstige respiratoire aandoeningen. Encefalitis kwam minder vaak voor. De encefalitisincidentie nam toe met de leeftijd van 1 per 14.000 gevallen bij 0-4-jarigen tot 1 per 2500 gevallen bij personen van 10 jaar en ouder. Subacute scleroserende panencefalitis kwam 10-15 keer per jaar voor. Na invoering van vaccinatie tegen mazelen in 1976 nam de incidentie snel af. In dat jaar werden 2500 gevallen van mazelen bij de IGZ gemeld, 3 jaar later nog maar 56. In 1983, 1987/88 en 1992/93 waren er epidemieën onder ongevaccineerden. Daarbij viel op dat een verschuiving plaatsvond naar oudere leeftijdscategorieën. In 1999/2000 was er een landelijke epidemie die bijna een jaar duurde. Er werden 3300 patiënten met mazelen gemeld van wie 95% niet gevaccineerd was. De belangrijkste complicaties waren otitis media (7%) en pneumonie (5%). Drie personen overleden ten gevolge van de ziekte [15]. In 2008 was er een uitbraak in de regio Den Haag, met circa 100 ziektegevallen zonder sterfgevallen, rond indexpatiënten die om antroposofische redenen niet gevaccineerd waren. De leeftijd van deze patiënten was 10-48 jaar [16].

Naar boven

7. Behandeling

Specifieke behandeling van mazelen is niet mogelijk. Symptomatische behandeling bestaat uit bestrijding van koorts en dehydratie. Bacteriële superinfecties moeten onmiddellijk behandeld worden, maar het profylactisch voorschrijven van antibiotica om superinfectie te voorkomen is niet geïndiceerd. In ontwikkelingslanden wordt, gezien de vaak aanwezige pre-existente deficiëntie, vitamine A toegediend aan kinderen om de ernst van de ziekte te verminderen. Het exacte werkingsmechanisme van vitamine A op het verloop van mazelen is niet bekend. Zie ook bijlage III Evidence-based literatuuronderzoek onder 'Dowload'.

Naar boven

8. Primaire preventie

Zie voor het beleid in het kader van het Rijksvaccinatieprogrammaook de jaarlijks geactualiseerde Richtlijn RVP en de bijbehorende Uitvoeringsregels RVP op www.rivm.nl/rvp.

8.1 Immunisatie

8.1.1 Actieve immunisatie

A. Samenstelling vaccins
Vaccinatie vindt plaats met levend verzwakt vaccin. Mazelenvaccin maakt deel uit van de BMR-vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond. Vaccin dat alleen de mazelencomponent bevat is in Nederland niet meer verkrijgbaar.

Op de Nederlandse markt zijn momenteel twee mazelenvaccins verkrijgbaar voor zowel het Rijksvaccinatieprogramma als voor de algemene bevolking: Priorix® (GSK) en MMR-Vaxpro® (Sanofi Pasteur MSD). Deze zijn onderling uitwisselbaar.

In een normale populatie mag verwacht worden dat meer dan 95% van de gevaccineerden in reactie op de eerste vaccinatie antistoffen produceert. De revaccinatie is bedoeld als tweede kans om degenen waarbij de eerste vaccinatie niet tot immuniteit heeft geleid (= primair vaccinfalen) alsnog te immuniseren. Hiermee wordt getracht een optimale groepsimmuniteit voor de drie ziekten te bereiken (en tevens een maximale individuele bescherming, met name tegen rubella in de zwangerschap).

B. Indicatie
De volgende groepen hebben een indicatie voor mazelenvaccinatie:

  • Alle kinderen krijgen binnen het RVP op de leeftijd van 14 maanden een BMR-vaccinatie met een herhaling op de leeftijd van 9 jaar.
  • Kinderen tussen de 6 en 14 maanden die een reëel risico lopen op mazeleninfectie kunnen vervroegd gevaccineerd worden met BMR. Vanwege de grotere kans op vaccinfalen ten gevolge van nog aanwezige maternale antistoffen moet bij kinderen onder de leeftijd van 1 jaar de vaccinatie na de eerste verjaardag herhaald worden. Voor kinderen van 12-14 maanden kan de BMR-vaccinatie vervroegd gegeven worden binnen het Rijksvaccinatiepogramma. Voorbeelden van een reëel risico zijn een reis naar een land waar mazelen veel voorkomt of contact met een mazelenpatiënt. (Bij een epidemie in Nederland neemt het Outbreak Management Team een besluit over al dan niet vervroegd vaccineren.)
  • Aan ongevaccineerde personen, geboren vanaf 1965, die geen mazelen hebben doorgemaakt en die beroepsmatig risico lopen (bijvoorbeeld ziekenhuis- en vliegend personeel), zou een BMR-vaccinatie aangeboden moeten worden [17, 18].
  • Aan ongevaccineerde reizigers geboren vanaf 1965, die geen mazelen hebben doorgemaakt en die reizen naar gebieden waar mazelen endemisch is, zou een BMR-vaccinatie aangeboden moeten worden.

Contra-indicaties

  • BMR wordt in principe niet gegeven aan kinderen jonger dan 6 maanden. Zij zijn over het algemeen beschermd door transplacentair verkregen maternale antistoffen. Vaccinatie van een kind jonger dan 6 maanden geboren uit een niet-immune moeder kan in uitzonderingssituaties overwogen worden, maar er zijn geen gegevens bekend over het seroconversiepercentage op deze leeftijd. Herhaling van de vaccinatie na 1 jaar blijft nodig.
  • BMR-vaccinatie is gecontra-indiceerd voor zwangeren.
  • Op theoretische gronden mag het vaccin niet worden gegeven aan zwangeren. Omdat een risico voor de foetus ten gevolge van toediening van deze levende virusvaccins in theorie niet kan worden uitgesloten, dient de gevaccineerde gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap te vermijden. Dit geldt voor alle mazelen-, bof-, BMR- of andere vaccins die een verzwakt levend virus bevatten [19].
  • BMR-vaccinatie is als levend verzwakt vaccin in het algemeen gecontra-indiceerd bij ernstig immuno-incompetenten. Het beleid is afhankelijk van de immuunstatus van de blootgestelde en het besmettingsrisico. Dit moet per casus beoordeeld worden, in overleg met de behandelend arts.

Het doorgemaakt hebben van bof of rodehond vormt geen contra-indicatie voor vaccinatie.
Zie voor het volledige overzicht van de contra-indicaties de bijsluiters van het vaccins.

Bijwerkingen
Bijwerkingen zijn over het algemeen mild en kort van duur. 5 tot 12 dagen na BMR-vaccinatie kan koorts, conjunctivitis en huiduitslag optreden van één van de vlekjesziektes uit het vaccin (vaccinitis). Zie voor het volledige overzicht van de bijwerkingen de bijsluiters van de vaccins.
Anafylactische reacties op het BMR-vaccin werden bij de afdeling Veiligheidsbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma (vanaf 1962) nog nooit gemeld.
In 1998 werd in Engeland gesuggereerd dat BMR-vaccinatie in verband gebracht zou kunnen worden met verhoogd risico op het ontstaan van autisme [20]. Een causale relatie werd door aanvullend onderzoek echter herhaaldelijk ontkend en in 2010 is het bewuste artikel door het tijdschrift (Lancet) ingetrokken [21, 22, 23]. Ook het ontstaan van hersenbeschadiging, ontwikkelingsachterstand, epilepsie of verhoogd risico op wiegendood is nooit door epidemiologische studies bevestigd, waardoor causale associatie onwaarschijnlijk lijkt.

Interacties
Verschillende levend verzwakte vaccins dienen simultaan of met een minimum interval van > 3 weken na elkaar toegediend te worden, omdat levend verzwakte vaccins de productie van interferonen induceren gedurende 1 tot 2 weken na toediening.
Tussen levend verzwakte en geïnactiveerde vaccins hoeft geen interval in acht genomen te worden.
Bij toediening tegelijk of kort na elkaar van levend verzwakt vaccin en immunoglobuline kan interferentie optreden indien in het immunoglobuline specifieke antistoffen aanwezig zijn tegen in het vaccin aanwezig(e) virus(sen). Hetzelfde geldt ook voor bloed en bloedproducten. Levend verzwakt vaccin dient > 14 dagen voor of > 6 weken (bij voorkeur 3 maanden) na intramusculaire toediening van immunoglobuline te worden gegeven. Na toediening van intraveneus immunoglobuline wordt aanbevolen om de vaccinatie 5-6 maanden uit te stellen.

C. Vaccinatieschema
De BMR-vaccinatie wordt als onderdeel van het RVP twee keer gegeven op de leeftijd van 14 maanden en 9 jaar.
Niet-immune oudere kinderen en volwassenen kunnen zo nodig ook gevaccineerd worden met BMR.

D. Bescherming, beschermingsduur en revaccinatie
De verwachting is dat mazelenvaccinatie levenslang tegen de ziekte beschermt. [24, 25] Primair vaccinfalen treedt op bij ca 5% van de gevaccineerden, naast de mogelijkheid van fouten bij de toediening kan dit te wijten zijn aan gebrek aan opbouw van immuniteit na één dosis vaccin. Hierbij zouden genetische factoren een rol kunnen spelen. [26.] De hoeveelheid door vaccin geïnduceerde antistoffen kan na verloop van tijd afnemen (secundair vaccinfalen). Wat dit voor gevolgen heeft voor de bescherming op latere leeftijd is nog onvoldoende bekend.

E. Vaccinatieprogramma’s
Mazelenvaccinatie is in Nederland opgenomen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (met 14 maanden en 9 jaar).

Een éénmalige monovalente mazelenvaccinatie werd in 1976 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma en werd toen aangeboden aan alle kinderen die na 1975 geboren zijn. In 1987 is de BMR ingevoerd als 2-dosesschema op de leeftijd van 14 maanden en 9 jaar. Omdat mazelen zeer besmettelijk is, hebben de meeste volwassenen geboren voor 1965 de ziekte doorgemaakt en als gevolg daarvan natuurlijke immuniteit verworven. Volwassenen geboren tussen 1965 en 1975 zijn mogelijk minder goed beschermd omdat er in hun kinderjaren ten gevolge van de vaccinatie minder circulatie van het mazelenvirus was.

8.1.2 Passieve immunisatie

A. Samenstelling
Mazelenimmunoglobuline heeft een specifieke immuniserende werking tegen het mazelenvirus. De antistoffen neutraliseren het virus, waardoor het niet meer kan binden aan de targetcellen. In Nederland is echter geen mazelenimmunoglobuline verkrijgbaar. Daarom wordt ter voorkoming van mazelen in bijzondere gevallen binnen 1 week na blootstelling aan het virus humaan gammaglobuline gegeven. Zie ook bijlage III Evidence-based literatuuronderzoek onder 'Download'.

B. Indicatie
Humaan gammaglobuline kan als postexpositieprofylaxe worden overwogen liefst binnen 72 uur, en anders binnen 7 dagen na blootstelling bij personen met een verhoogd risico op ernstig beloop van mazelen:

  • niet-immune zwangeren (niet gevaccineerd en geen mazelen doorgemaakt);
  • kinderen jonger dan 6 maanden geboren uit niet-immune moeders;
  • immuno-incompetente personen.

C. Doseringsschema

  • Voor zuigelingen van niet-immune moeders is de dosering 0,6 ml per kg, met een maximum van 5 ml, intramusculair toe te dienen.
  • Voor niet-immune zwangeren is de dosering 15 ml, intramusculair toe te dienen [27].
  • Bij postexpositieprofylaxe voor immuno-incompetenten dient altijd overlegd te worden met de behandelend arts.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Aangezien mazelen zeer besmettelijk is, zijn algemene maatregelen zoals handenwassen en hoesthygiëne niet voldoende om transmissie te voorkomen.
Personen met een verhoogd risico op ernstig beloop van mazelen, met name (nog) ongevaccineerde jonge kinderen, niet-immune zwangeren en immuno-incompetente personen dienen contact met zieken te vermijden. In de klinische setting wordt strikte isolatie met FFP2-masker toegepast. Hiervoor geldt de WIP-richtlijn ‘Strikte isolatie’ of 'Strikte isolatie kinderen'.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Een geval van mazelen (buiten de situatie van een epidemie) is uitzonderlijk. Bronopsporing is de verantwoordelijkheid van de GGD nadat deze een melding van mazelen heeft ontvangen, waarbij vooral gelet moet worden op mogelijke import van de ziekte uit het buitenland. Bij solitaire gevallen van mazelen is moleculaire typering met behulp van PCR aangewezen om de herkomst van het virus te achterhalen. Duidelijkheid over de mondiale transmissieroutes is van belang in het kader van het eliminatiestreven van de WHO.

9.2 Contactonderzoek

Naar aanleiding van een melding van mazelen moet de vaccinatiestatus van de kinderen, volwassenen en medisch/verzorgend personeel in de omgeving van de patiënt worden nagegaan. Hierbij zal vooral de vaccinatiestatus in de schoolklas, kindercentrumgroep of werkomgeving van de mazelenpatiënt moeten worden nagevraagd. Aan onbeschermde contactpersonen moet zo spoedig mogelijk BMR-vaccinatie worden aangeboden. Indien het een solitair geval van mazelen betreft, dat niet met andere door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen in verband gebracht kan worden, is het geïndiceerd om de diagnose te laten bevestigen (zie paragraaf 3) alvorens tot maatregelen over te gaan. Wanneer in een cluster van mazelengevallen de diagnose bij een aantal personen is bevestigd met laboratoriumonderzoek, en een epidemiologische link voldoende waarschijnlijk is bij de overige gevallen uit dit cluster, behoeven deze niet meer te worden bevestigd met laboratoriumonderzoek.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

  • In de besmettelijke periode, dus tot en met 4 dagen na het ontstaan van het exantheem, contact met personen met een verhoogd risico op ernstig beloop van mazelen mijden. Dit betreft met name (nog) ongevaccineerde jonge kinderen, niet-immune zwangeren en immuno-incompetente personen. In een klinische situatie verblijft de patiënt tot 7 dagen na uitbreken van exantheem in isolatie, zie de WIP-richtlijnen 'Strikte isolatie met FFP2-maskers' en 'Indicaties voor isolatie'.
  • Voor niet-beschermde contacten moet vaccinatie worden overwogen.

9.4 Profylaxe

BMR-vaccinatie na blootstelling aan mazelen kan mogelijk enige bescherming bieden tegen mazelen. De vaccinatie moet dan wel zo spoedig mogelijk worden gegeven, liefst binnen 24 uur, uiterlijk binnen 72 uur na blootstelling. Toediening binnen 72 uur geeft echter niet altijd voldoende bescherming [18].
Aan immuno-incompetenten, niet-immune zwangeren en kinderen onder de 6 maanden van niet-immune moeders kan, liefst binnen 72 uur en anders binnen 7 dagen na besmetting, immuunglobuline worden gegeven, zie paragraaf 8.1, en bijlage I en bijlage III Evidence-based literatuuronderzoek onder 'Download'.
Passieve en actieve vaccinatie kunnen niet worden gecombineerd.

De kosten van de immunisatie betreffen individuele zorg en vallen daarmee onder de zorgverzekeringswet. De GGD kan deze kosten bij de zorgverzekeraar declareren op basis van de Beleidsregel overige geneeskundige zorg. Meer informatie over deze beleidsregel kunt u terugvinden op http://www.ggdkennisnet.nl/thema/verzekerde-zorg/dossiers/139-nederlandse-zorgautoriteit . Indien er op scholen, kindercentra en instellingen gevaccineerd dient te worden kan per cliënt de entstof en een vaccinatie(consult) gedeclareerd worden.

Algemene preventieve maatregelen en bron- en contactopsporing door de GGD’en zijn taken die op het gebied van de collectieve preventie liggen en vallen in het kader van de Wpg onder verantwoordelijkheid van de gemeente.


9.5 Wering van werk, school, kinderdagverblijf en consultatiebureau

Mazelen is zeer besmettelijk al vanaf 4 dagen voor het ontstaan van het exantheem. Besmetting van mensen in de nabije omgeving heeft dus meestal al plaatsgevonden voordat de diagnose is gesteld. Patiënten met mazelen zijn bovendien vaak te ziek om werk, school of kindercentrum te bezoeken. Wering van mazelenpatiënten van werk/school/kindercentrum is daarom meestal niet zinvol en niet nodig.
Echter als de patiënt gedurende de 4 dagen voorafgaand aan het ontstaan van het exantheem elders verbleef kan wering – zeker bij een solitaire patiënt – wel zinvol zijn.
Het weren van niet-gevaccineerde kinderen van school of kindercentrum ten tijde van een mazelenepidemie wordt ook niet zinvol geacht. Dit zou een zeer ingrijpende en langdurige maatregel zijn met een twijfelachtig effect. Transmissie van mazelenvirus vindt ook buiten school en kindercentrum plaats, via familiecontacten, buurtcontacten, kerken en verenigingen.

[Arbo]

Risicovormers: personen werkend in contact met zeer jonge kinderen (mn pasgeborenen van niet immune moeders/nog niet gevaccineerde kinderen van 6-14 maanden) of medisch kwetsbaren (niet-immune zwangeren en immuungecompromitteerden). Dit betreft personen werkzaam in de zorg (met name op de kinder-, neonatologie-, kraam- en verloskundeafdeling en afdelingen met immuungecompromitteerde patiënten), de kinderopvang en op consultatiebureaus.

Bij risicovormers (niet-immuun en werkend met kwetsbaren/niet beschermden) wordt in geval van onbeschermde blootstelling of bevestigde infectie een werkverbod geadviseerd (ARBO11, RIVM).

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Mazelen is een meldingsplichtige ziekte groep B2. Artsen en hoofden van laboratoria melden een vastgesteld geval van mazelen binnen 1 werkdag aan de GGD in de regio.
De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.

Meldingscriterium:
Een persoon met een herkenbaar begin van symptomen:

  • Koorts

én

  • een verheven maculopapuleuze uitslag

én

  • ten minste 1 van de volgende 3 symptomen:
  • hoesten
  • neusverkoudheid
  • conjunctivitis

én

  • ten minste 1 van de volgende criteria:
  • detectie van nucleïnezuur (RNA) van het mazelenvirus in een klinisch monster (PCR);
  • detectie van mazelenspecifieke IgM-antistoffen in serum, vingerprikbloed of speeksel;
  • detectie van een tenminste viervoudige titerstijging in mazelenspecifieke IgG-antistoffen in serum of vingerprikbloed;
  • contact (< 3 weken) met een persoon bij wie de infectie is vastgesteld met behulp van laboratoriumdiagnostiek (epidemiologische link).

Als zich in een instelling, school of kindercentrum één of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij mazelen voordoen, is er sprake van de meldingsplicht op basis van Artikel 26 van de Wet publieke gezondheid.

[Arbo]

Indien de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet dit door een geregistreerd bedrijfsarts worden gemeld bij het NCvB (http://www.beroepsziekten.nl/).

 

10.2 Inschakelen van andere instanties

 

Niet van toepassing.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

1. Plotkin SA, Orenstein WA. Vaccines; 5th edition, Philadelphia: WB Saunders. 2008; ISBN9781416036111.
2. Burgmeijer R, Hoppenbrouwers K en Bolscher N. Vaccinaties bij Kinderen, deel A en deel B. 2007. Koninklijke van Gorcum. ISBN 9789023243380 /ISBN 9789023243397.
3. Mandell GL, Bennett JE, Dolin R. Mandell, Douglas and Bennett’s principles and practice of infectious diseases. 6th edititon. 2004. ISBN 0443066434.
4.   Bellini WJ, Rota JS, Lowe LE, Katz RS, Dyken PR, Zaki SR, Shieh WJ, Rota PA. Subacute sclerosong panencephalitis: More cases of this fatal disease are prevented by measles immunization than was previously recognized. JID 2005;192:1686-1693.
5.   Kaplan LJ, Daum RS, Smaron M, McCarthy CA. Severe meales in immunocompromised patients. JAMA.1992; 267(9) 1237-1241.
6.   Ornoy A, Tennenbaum A. Preganacy outcome following infections by coxakie, echo, measles, mumps, hepatitis and encephalitis viruses. Reproductive Toxicology. 2006; 21 446-457.
7.   Morgan-Capner P, Crowcroft NS. Guidelines on the management of, and exposure to, rash illness in pregnancy (including consideration of relevant antibody screening programmes in pregnancy). Communicable Disease and Public Health. 2002; (5)59-71.
8.   Ali E, Albar HM. Measles in pregnancy: Maternal morbidity and perinatal outcome. Int. J. Gynecology and Obstetrics. 1997; 59 109-113.
9.   Eberhard-Phillip JE, Frederick PD, Baron RC, Mascola L.Measles in pregnancy:a descriptive study of 58 cases. Obstet and Gynocol.1993; 82(5) 797-801.
10. Chen RT, Markowitz LE, Albrecht P, Stewart JA, Mofenson LM, Preblud SR. Measles antibody: reevaluation of prtective titers. JID 1990;162:1036-1042.
11. Samb B, Aaby P, Whittle HC, Seck AM, Rahman S, Bennett J. Serologic status and measles attack rates among vaccinated and unvaccinated children in rural Senegal. PIDJ 1995;14:203-209.
12. Good RA, Zak SJ. Disturbances in gamma globulin synthesis as “experiments of nature”. Pediatrics1956;18:109-149.
13. Rota PA, Featherstone DA, Bellini WJ. Molecular epidemiolog of measles virus. Curr Top Microbiol Immunol 2009:330:129-150.).
14. Lier EA van, Havelaar AH, Nanda, A. The burden of infectious diseases in Europe: A Pilot study. Eruosurveillance. 2007;12(10-12) 327-333.
15. Binnendijk RS van, Van den Hof S, van den Kerkhof H et al. (2003). Evaluation of serological and virological tests in the diagnosis of clinical and subclinical measles virus infections during an outbreak of measles in The Netherlands. J.Inf.Dis 188, 989-903.
16. Hahne S, te Wierik MJ, Mollema L, van Velzen E, de Coster E, Swaan C, de Melker H, van Binnendijk R. Measles outbreak, the Netherlands, 2008. Emerg Infect Dis 2010;16(3):567-9.
17. Swart RL de, Wertheim-van Dillen PME, van Binnendijk RS, Muller CP, Frenkel J, Osterhaus ADME. Measles in a Dutch hospital introduced by an immuno-compromised infant from Indonesia infected with a new virus genotype. Lancet. 2000; 355(1) 201-202.
18. Wetsteyn JCFM, de Rond WM, Schreurder MC, de Boer HE, van Binnendijk RS and Wolthers KC. Een Uitbraak van mazelen op de spoedeisende hulp. NTVG. 2008;152(37) 2032-2036.
19. Centers for Disease Control and Prevention (CDC) Revised ACIP recommendation for avoiding pregnancy after receiving a rubella-containing vaccine . MMWR. 2001;50:1117.
20. Wakefield AJ, Murch SH, Anthony A, Linnell J, Casson DM, Malik M et al. Ileal-lymphoid-nodular hyperplasia, non-specific colitis, and pervasive developmental disorder in children. Lancet. 1998; 351(2) 637-641.
21. Gezondheidsraad. www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/2007@04N.pdf
22. Kaye JA, Del-Mar-Melero MM, Jick H. Mumps, measles, and rubella vaccine and the incidence of autism recorded by general practitioners: A time trend analysis. B. Med. J. 2001; 322(72840) 460-463.
23. Madsen KM, Hviid A, Vestergard M, Schendel D, Wohlfahrt J, Thorsen P, et al. A population-based study of measles, mumps and rubella vaccination and autism. Mew Engl J Med. 2002; 347(19) 1477-1482.
24. Amanna IJ, Carlson NE, Slifka MK. Duration of humoral immunity to common viral and vaccine antigens. N Eng J Med. 2007; 357(19):1903-1915.
25. Anders JF Jacobson RM, Poland GA, Jacobson SJ, Wollan PC. Secondary failiure rates of measles vaccines: A meta-analysis of published studies. Ped Inf Dis J. 1996; (15) 62-66.
26. Jacobson RM, Poland GA. The genetic basis for measles vaccine failiure. 2004 . Acta Pediatrica, International Journal of Pediatrics, Supplement 93(445):43-47.
27. Health Protection Agency: Post exposure prophylaxis for measls: revised guidance. May 2009, www.hpa.org.uk/web/HPAwebFile/HPAweb_C/1238565307587.

Literatuur arbo:

  • Arbo Informatie 09. Gevaarlijke stoffen. Biologische agentia; veilig werken met micro-organismen. SDU uitgevers, 6e editie 2014.
  • Arbocatalogus Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening / biologische agentia. FCB, Dienstverlenen in Arbeidsmarktvraagstukken 2011. http://www.fcb.nl/.
  • Couturier A. Occupational and environmental Infectious diseases. Beverly Farms:OEM Press,2009.
  • KIZA Kennissysteem Infectieziekten en Arbeid. http://www.kiza.nl/.
  • Mandell, Douglas, and Bennett’s. Priciples and practice of Infectious Diseases. Churchill Livingstone Elsevier 2010, volume 2.
  • Quast U, Arndt U. Overview of measles, mumps, rubella and varicella, vaccination in adolescents and adults. Dtsch med Wochenschr 2009;134: S77-S81.
  • RIVM. Advies bescherming tegen mazelen in de gezondheidszorg. 2013
  • http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Mazelen_morbilli/Download/Advies_bescherming_tegen_mazelen_in_de_gezondheidszorg
  • Tafuri S, Germinario C, Rollo M, Prato R. Occupational risk from measles in healthcare personnel: A case report. J Occ Health 2009;51:97-99.
  • Wetsteyn JCFM, De Rond WMJ, Schreuder MCJ, De Boer HEL, Van Binnendijken RS, Wolthers KC. Een uitbraak van mazelen op de spoedeisende hulp. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;52: 2032-6

 

10.6 Links

WHO on Immunization, Vaccines and Biologicals
CDC on Vaccines and Immunization
HPA on Measles

11. Wijzigingen

  • Deze versie is door het LOI vastgesteld oktober 2010.
  • November 2012: In de bijlagen is de dosering van immuunglobuline aangepast is aan de tekst van de richtlijn.
  • Goedgekeurd Gezondheidsraad december 2012.
  • Maart 2013: de bijsluiter van het MMRVAXPRO-vaccin is aangepast: de gevaccineerde dient gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap te vermijden. Dit stond al in de richtlijn, maar was in tegenspraak met de bijsluiter. Nu is dit niet meer in tegenspraak dus is die opmerking verwijderd.
  • Bij actieve immunisatie (immunoglubuline) is de zinsnede over twijfel aan werkzaamheid is verwijderd. De toelichting is te vinden onder 'Downloads'.
  • Oktober 2014: par. 9.4; vergoedingsregeling voor immunisatie is beschreven.

Naar boven

De volgende documenten en bijlagen zijn te downloaden onder 'Downloads':

- advies bescherming tegen mazelen in de gezondheidszorg
- bijlage I Overzicht maatregelen bij contacten van een mazelenpatiënt
- bijlage II Aanvullende richtlijnen gedurende een mazelenepidemie
- bijlage III Evidence-based literatuuronderzoek
- zoekverslag literatuur mazelen

De test-je-kennis-quiz voor professionals over mazelen is te vinden op http://www.cibquiz.nl/.

Bijlage I Overzicht maatregelen bij contacten van een mazelenpatiënt

Reeds mazelen doorgemaakt?

Ja >> geen verdere actie

 

Nee:

 

Ten minste éénmaal gevaccineerd tegen mazelen?

Ja >> geen verdere actie
Wel tweede vaccinatie aanbieden indien persoon:

  • opgenomen is in ziekenhuis;
  • werkzaam is in ziekenhuis;
  • werkt met ongevaccineerde zuigelingen.

Leeftijd > 6 maanden?

Ja >> vaccinatie, tenzij immuno-incompetent of zwanger, dan gammaglobuline overwegen.

 

Leeftijd is < 6 maanden

  • moeder mazelen doorgemaakt >> geen verdere actie
  • moeder gevaccineerd >> overweeg vaccinatie indien kind ouder is dan 4 maanden.
  • moeder niet beschermd >> overweeg gammaglobuline of, indien het kind ouder is dan 4 maanden, vaccinatie. 

Postexpositievaccinatie

  • Vaccinatie moet zo spoedig mogelijk worden toegediend, liefst binnen 24 uur maar uiterlijk binnen 72 uur na het eerste contact.
  • Ook bij toediening van postexpositievaccinatie binnen 72 uur bestaat de kans dat deze te laat tot voldoende beschermende antistoffen leidt. In dat geval heeft de vaccinatie geen effect meer op de symptomen, maar is niet schadelijk.
  • Bij voortdurende blootstelling zoals tijdens een uitbraak/epidemie kan vaccinatie – ook later dan 72 uur na het eerste contact – nog zinvol zijn om tertiaire infecties te voorkomen.
  • Indien vaccinatie wordt toegediend vóór de leeftijd van 1 jaar wordt deze vaccinatie als extra beschouwd. Het kind volgt verder het gebruikelijke schema van het RVP en krijgt (opnieuw) een BMR-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden. Vaccinaties toegediend na de eerste verjaardag kunnen vaccinaties in het kader van het RVP vervangen.

Postexpositieprofylaxe met humaan gammaglobuline

  • Humaan gammaglobuline wordt alleen toegediend aan personen met een verhoogd risico op ernstig beloop, waarbij vaccinatie gecontraïndiceerd of niet werkzaam is. Gammaglobuline moet liefst binnen 72 uur maar uiterlijk binnen 7 dagen na het contact worden toegediend.
  • Voor zuigelingen van niet-immune moeders is de dosering 0,6 ml per kg, met een maximum van 5 ml, intramusculair toe te dienen.
  • Voor niet-immune zwangeren is de dosering 15 ml, intramusculair toe te dienen.
  • Voor immuno-incompetenten dient altijd overlegd te worden met de behandelend arts.

Bij een mazelenepidemie in Nederland adviseert het Outbreak Management Team over een eventuele extra BMR-vaccinatie voor zuigelingen tussen 6 en 14 maanden.

Naar boven

 

Service

Service

Waarmerk drempelvrij.nl Webrichtlijnen; klik voor een reactie.