RIVM_Logo

LCI-richtlijn Syfilis

Naar onderwerp 'Syfilis' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen

1. Historie
2. Ziekte
3. Diagnostiek
4. Besmetting
5. Desinfectie
6. Verspreiding
7. Behandeling
8. Primaire preventie
9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
10. Overige activiteiten

Bijlagen:
I Syfilis in de zwangerschap en congenitale syfilis
II Diagnostiek
III Verpleegkundig Stappenplan Infectieziektebestrijding Syfilis


Wijzigingen

  • Juni 2016: aangezien Penidural niet meer verkrijgbaar is, in paragraaf 7 Behandeling als alternatief gekozen voor Tardocilline 1200.
  • December 2009: geactualiseerd in verband met het verschijnen van het Handboek Soa Juni 2013: deze richtlijn is aangepast aan de Multidisciplinaire Richtlijn Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (soa) voor de 2e lijn, 2012-2013, van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Hierdoor staat er mogelijk meer informatie in de richtlijn dan strikt noodzakelijk voor gebruik in de openbare gezondheidszorg.
  • Vastgesteld LOI en goedgekeurd Gezondheidsraad april 2004.

1. Historie

Syfilis is een ziekte met een zeer wisselend klinisch beloop. De ziekte wordt wel ‘the great imitator’ genoemd omdat de diverse klinische manifestaties van syfilis overeenkomen met andere ziektebeelden. Syfilis komt wereldwijd voor. De incidentie in Oost-Europa onder MSM (mannen die seks hebben met mannen) nam na de omwenteling in 1989 toe. Vanaf 1997 is deze weer dalend tot 5,5 per 10.000 personen in 2009 (ECDC, 2009). In westerse landen was vanaf medio jaren 90 van de vorige eeuw sprake van een stijging van syfilis onder MSM. Redenen voor deze stijging zijn niet goed bekend. Zo is geopperd dat de introductie van effectieve antiretrovirale therapie voor hivinfectie heeft geleid tot meer onveilig seksueel gedrag, omdat hivinfectie niet langer als een dodelijke ziekte werd beschouwd. Dit fenomeen wordt daarom ook wel hivoptimisme genoemd (Van der Bij, 2011).

2. Ziekte

2.1 Verwekker

De verwekker van syfilis is Treponema pallidum subspecies pallidum, een spiraalvormige bacterie behorend tot de familie van Spirichaetaceae (spiraalvormigen). Bij de mens zijn er vier pathogene en zes niet-pathogene treponema’s bekend. Naast syfilis worden de non-venerische trepanomatosen zoals bejel, non-venerische of endemische syfilis (T. pallidum ssp. endemicum), yaws (T. pallidum ssp. pertenue) en pinta (T. carateum) veroorzaakt door verschillende treponema’s. Deze treponemasoorten worden door huid-huidcontact overgedragen en veroorzaken huidinfecties op kinderleeftijd. Er bestaat een sterke immunologische kruisreactie tussen de verschillende soorten treponema’s, wat de juiste interpretatie van serologische diagnostiek bemoeilijkt bij patiënten uit gebieden endemisch voor deze non-venerische trepanomatosen. Andere leden van het genus Treponema komen als commensaal voor in de mondholte, het maag-darmkanaal en de genitale regio van zowel mens als dier.
T. pallidum ssp. pallidum is een strikt anaeroob groeiend, obligaat humaan pathogeen en varieert in diameter van 0,10 tot 0,18 µm en van 6 tot 20 µm in lengte, te zwak gekleurd voor een lichtmicroscoop, maar wel zichtbaar met donkerveldmicroscopie als een spiraalvormige bacterie met een kurkentrekkerachtige beweging. T. pallidum ssp. pallidum heeft 9-24 windingen en 6 flagellen. (Holmes, 2008; Singh, 1999) De bacterie groeit relatief traag (delingstijd elke 30-33 uur) en kan alleen gekweekt worden door inoculatie van proefdieren.

2.2 Pathogenese

Syfilis is een seksueel overdraagbare ziekte. De spirocheet Treponema pallidum ssp. pallidum dringt waarschijnlijk de huid of mucosa binnen door microlaesies, ontstaan tijdens seksuele activiteit of pre-existent aanwezig. Vermoedelijk kunnen treponema’s een intacte huid niet penetreren. Ook via bloed(-banken) kan de infectie worden overgebracht. Met de huidige routinematige screening van donoren is die route van transmissie echter bijna geheel uitgesloten. Na inoculatie binden treponema’s zich aan gastheercellen, waarbij ze zich ook kunnen delen. Enkele uren na inoculatie kunnen treponema’s migreren naar regionale lymfeklieren en daar groeien en zich vervolgens via de circulatie verspreiden naar verschillende organen, waaronder het centraal zenuwstelsel. Het histopathologisch beeld wordt gekarakteriseerd door vasculaire veranderingen, met endarteritis en periarteritis en later de zogenaamde gummateuze ontstekingsreacties (Holmes, 2008; Singh, 1999).

Het klinisch beloop van syfilis wordt ingedeeld in primaire, secundaire, latente en tertiaire syfilis. Bij primaire syfilis is er een primaire laesie (ulcus of sjanker) met hyperplasie van de epidermis, met fibrine exsudaat, necrose en infiltratie van polymorfonucleaire leukocyten en ook de beschreven vasculaire veranderingen. Bij primaire syfilis is er een primaire laesie, aanvankelijk in de vorm van een stug aanvoelende papel, die na enkele dagen in het centrum kapot gaat en dan overgaat in een stevig aanvoelend meestal pijnloos ulcus (ulcus durum). Al binnen enkele uren vindt verspreiding van spirocheten plaats via lymfe- en bloedvaten, zodat syfilis van meet af aan als een systemische infectie moet worden beschouwd. De bacterie kan vrijwel elk orgaan infecteren, ook het centrale zenuwstelsel. In de primaire laesies worden vaak ook spirocheten aangetroffen. Spontane genezing van de primaire laesie komt door een celgemedieerde immuunrespons waarbij treponema’s gefagocyteerd en gedood worden door geactiveerde macrofagen (spontaan binnen 4 tot 6 weken). Hierbij spelen lymfokines, interferon en interleukine een rol. De meerderheid van de treponema’s wordt vernietigd, maar een klein aantal kan persisteren, mogelijk door veranderde oppervlakte-eigenschappen, waardoor de beschreven immuunreacties niet werken (Holmes, 2008; Singh, 1999).

Tussen 6 en 12 weken (en soms tot 12 maanden) na het contact treden de verschijnselen van secundaire syfilis op. Treponema kan dan in vrijwel alle organen worden aangetroffen. Ook de slijmvlieslaesies in deze periode zijn infectieus.

In secundaire syfilis spelen vasculaire veranderingen een belangrijke rol, maar er zijn ook histologische veranderingen in dermis en epidermis. Ook wordt neerslag van immuuncomplexen in de huid en in de nieren (glomerulonefritis) gezien.

In de latente fase worden Treponema’s vooral in de milt en in de lymfeklieren gevonden. Treponemale antistoffen zijn in deze fase aantoonbaar. (CDC, 2010) Spontane eradicatie van treponema’s gebeurt waarschijnlijk niet. Ongeveer een derde van de onbehandelde patiënten in deze fase evolueert naar tertiaire syfilis en circa twee derde blijft levenslang latent. De diagnose latente syfilis wordt vaak gesteld op basis van positieve syfilisdiagnostiek, terwijl anamnestisch niets bekend is van een primaire of secundaire syfilis.

Progressie naar tertiaire syfilis treedt op na tientallen jaren en is waarschijnlijk een gevolg van het uitdoven van de immuunrespons. Treponema’s invaderen nu centraal zenuwstelsel (neurosyfilis), huid, cardiovasculaire structuren en andere organen, waardoor ontstekingsreacties en een vertraagde hypersensitiviteitreactie ontstaan.
In het syfilitische aneurysma van de aorta worden treponema’s in de aortawand gezien met ontstekingsinfiltraten rond de vasa vasorum (obliteratieve endarteritis), later gummata en verlittekening. Vasculaire veranderingen en lokale ontstekingsreacties liggen ook ten grondslag aan syfilitische meningitis en parenchymateuze neurosyfilis. Bij zwangere vrouwen kan syfilis een congenitale infectie van de vrucht tot gevolg hebben.

2.3 Incubatieperiode

De incubatieperiode is 10 tot 90 dagen, gemiddeld 3 weken voor het ontstaan van de primaire laesie. De periode is korter naarmate het inoculum van de besmetting hoger is geweest. De periode tussen besmetting en het ontstaan van secundaire syfilis is 6 weken (4 tot 8 weken na primaire laesie) tot 6 tot 12 maanden. De periode voor het ontstaan van tertiaire syfilis is 2 tot 30 jaar na besmetting (Egglestone, 2000; Fennema, 1999; Holmes, 2008; Kohl, 1999).

2.4 Ziekteverschijnselen

Definities

Klinische syfilis wordt als volgt ingedeeld:

  • Primaire syfilis (= syfilis I): symptomatisch, primaire laesie.
  • Secundaire syfilis (= syfilis II): symptomatisch, gegeneraliseerd.
  • Latente syfilis: de asymptomatische latentieperiode tussen secundaire en tertiaire syfilis
    -    Vroeg latente syfilis: volgens de meeste richtlijnen, inclusief die van het CDC, besmetting korter dan 1 jaar geleden (WHO spreekt bij syfilis latens recens van besmetting korter dan 2 jaar geleden).
    -    Laat latente syfilis of syfillis latens tarda: besmetting meer dan 1 jaar geleden (volgens WHO besmetting meer dan 2 jaar geleden).
    -    Latente syfilis van onbekende duur: klinisch te beschouwen als syfilis latens tarda.
  • Tertiaire syfilis: symptomatisch, omvat onder andere cardiovasculaire syfilis, neurosyfilis en orgaansyfilis (maar neurosyfilis kan in elk stadium van syfilis optreden).

Primaire syfilis

De klassieke laesie van primaire syfilis is een solitair, pijnloos, schoon ulcus met of zonder een necrotisch beslag op de plaats van inoculatie, meestal de genitalia, maar soms ook anorectaal of in de mond. Zelfs op de vingers en andere plaatsen op de huid kunnen laesies voorkomen, afhankelijk van de primaire introductie van spirocheten. De laesies bevatten spirocheten en zijn besmettelijk. In 80% van de gevallen is er ook pijnloze regionale lymfklierzwelling. Een solitaire laesie is klassiek, maar multipele laesies komen ook voor. Ook zonder behandeling verdwijnt het ulcus na 3 tot 6 weken (Holmes, 2008; Singh, 1999).

Secundaire syfilis

Binnen enkele uren nadat de besmetting met syfilis heeft plaatsgevonden, volgt verspreiding van de bacterie door het gehele lichaam. Ongeveer 3 tot 6 weken na het ontstaan van de primaire laesie, die soms nog aanwezig is, ontwikkelt zich bij 60-90% van de onbehandelde patiënten het ziektebeeld van secundaire syfilis met symptomen zoals huid- en/of slijmvliesafwijkingen. Meest prominent is een maculopapuleus, niet jeukend exantheem op de romp en extremiteiten, inclusief handpalmen en voetzolen. Soms verschijnen ook parelgrijze verheven hyperkeratotische laesies aan de anus of genitaliën: de zogenaamde condylomata lata. Deze bevatten zeer veel spirocheten en zijn uitermate besmettelijk. Ook de slijmvliezen kunnen laesies vertonen. Opvallend is ook de zogenaamde moth-eaten alopecia van de hoofdhuid. Alle laesies bevatten spirocheten en zijn in theorie infectieus. Echter bij intacte huid vindt in het dagelijks verkeer geen transmissie plaats. Vaak is er sprake van koorts, malaise, spierpijn en kan botpijn ten gevolge van periostitis en artritis optreden. Ook kunnen in het kader van secundaire syfilis neurologische verschijnselen optreden zoals hersenzenuwuitval ten gevolge van syfilitische meningitis. Hierbij kan plotselinge slechtziendheid door retinitis, slechthorendheid of eenzijdige aangezichtsverlamming optreden. Verder kan secundaire syfilis gepaard gaan met lever- en nierfunctiestoornissen. Nog zeldzamer is syfilis maligna, gekenmerkt door multipele gedissemineerde ulceratieve afwijkingen die elk lijken op een primair affect (Holmes, 2008; Singh, 1999).

Latente syfilis

Na de infectieuze periode met syfilis I en II volgt een periode van latentie zonder klinische verschijnselen (CDC, 2010).

Tertiaire syfilis

2 tot 4 jaar na besmetting kan ‘vroege’ tertiaire orgaansyfilis ontstaan met als kenmerk tuberculoïde nodeuze of ulcererende afwijkingen in huid, slijmvliezen, botten en vrijwel elk inwendig orgaan, de zogenaamde gummata. Het zijn chronisch proliferatieve ontstekingsprocessen (lijkend op granulomen). De symptomen zijn afhankelijk van de getroffen organen. Door het antibioticumgebruik is tertiaire syfilis in de westerse wereld een zeldzaamheid geworden. De veelheid van klinische syndromen kan worden ingedeeld in neurosyfilis, cardiovasculaire syfilis en late benigne syfilis (Sparling, 2008).

Neurosyfilis kan zich op vijf verschillenden manieren uiten:

  • asymptomatische neurosyfilis (met liquorafwijkingen zonder klinische verschijnselen);
  • acute luetische meningitis;
  • meningovasculaire syfilis (vasuculitis bij de meningitis met als gevolg herseninfarcten);
  • parenchymateuze syfilis na 5 tot 25 jaar, met:
    -    tabes dorsalis (ruggenmerg) en
    -    dementia paralytica (hersenparenchym: met een progressief dementerend beloop);
  • cerebrale gummata (grote granulomateuze infectiehaarden die zich kunnen gedragen als een ruimte-innemend proces).

Cardiovasculaire syfilis is een zeer late vorm van tertiaire syfilis, symptomen ontstaan 20 tot 30 jaar na besmetting. Belangrijkste verschijnsel is een aneurysma van het ascenderende deel van de aorta door endarteritis obliterans van de vasa vasorum en destructie van de aortaklep. (Holmes, 2008, Singh, 1999)

Congenitale syfilis

Preventie van congenitale syfilis is gebaseerd op screening tijdens de zwangerschap, hetgeen voor Nederland kosteneffectief blijkt te zijn (Op de Coul, 2011). Het onderzoek wordt verricht op bloed dat in het eerste trimester van de zwangerschap wordt afgenomen (zie Draaiboek Prenatale screening Infectieziekten en Erythrocytenimmunisatie). Het kan geïndiceerd zijn om het onderzoek te herhalen in het derde trimester bij verdenking op een tijdens de zwangerschap opgelopen syfilis.
Het is van groot belang dat laboratoriumuitslagen tijdig bij de behandelend arts of verloskundige arriveren. Dit is de verantwoordelijkheid van het uitvoerende laboratorium. Elke pasgeborene van een moeder die tijdens of voor de zwangerschap bekend syfilisseropositief was, moet na geboorte door een kinderarts worden onderzocht. Het is de taak van de behandelend arts of verloskundige om tijdig een kinderarts in consult te vragen.
Het onderzoek van de neonaat bestaat uit lichamelijk onderzoek en aanvullend laboratoriumonderzoek. Essentieel is dat de resultaten van het syfilisserologisch onderzoek bij de neonaat direct na de geboorte worden vergeleken met die van het tegelijkertijd afgenomen bloed bij de moeder. Er zijn verschillende situaties mogelijk, zie hiervoor bijlage I.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

Twee belangrijke patiëntengroepen kennen mogelijk een ernstiger en/of afwijkend beloop van een syfilisinfectie: hivpositieve patiënten en zwangere vrouwen (risico voor de vrucht, zie bijlage I).
Er is een synergie tussen hiv en syfilis. Het risico van een hivtransmissie door een patiënt met syfilis is (afhankelijk van het klinisch stadium, in het bijzonder de aanwezigheid van een ulcus) 2 tot 8 keer zo hoog als zonder syfilis, omdat onder invloed van lokale factoren de hiv-1-RNA-concentratie in het sperma hoger is.
Patiënten met beide infecties zijn infectieuzer voor anderen. En hivpositieve personen hebben een lagere immuniteit en zullen gemakkelijker syfilis oplopen, die in sommige gevallen dan ook ernstiger kan verlopen (in het bijzonder het optreden van neurosyfilis), hoewel hierover geen consensus bestaat. Bij zwangeren betreft het ernstiger beloop vooral de grote kans op transmissie van moeder naar kind. De transmissiekans bij een zwangere met onbehandelde primaire of secundaire syfilis is vrijwel 100%. Onbehandelde vroeg latente syfilis in combinatie met zwangerschap leidt in 40% van de gevallen tot prematuriteit of perinatale sterfte. 10% van de kinderen geboren uit moeders met een onbehandelde laat latente syfilis heeft tekenen van congenitale syfilis en de perinatale sterfte is verhoogd (Hitti, 2008).

2.6 Natuurlijke immuniteit

Infectie met T. pallidum leidt tot een zekere mate van immuniteit, maar de bescherming tegen een herinfectie is verre van volledig. Hoe langer de eerste infectie duurt, hoe sterker de immuniteit. Zowel cellulaire als humorale immuniteit spelen hierbij een rol. Zo worden onder andere meer dan twintig verschillende antilichamen (zowel T. pallidum-specifiek als niet-specifiek) tegen een reeks antigenen geproduceerd. Kleine hoeveelheden IgG-antilichamen kunnen ook na behandeling blijven persisteren, maar re-infectie is dan wel mogelijk (Egglestone, 2000).

Naar boven

3. Diagnostiek

3.1 Microbiologische diagnostiek

Samenvatting Nederlandse syfilisdiagnostiek

(zie ook bijlage I en II)

Verdenking op primaire syfilis

  • donkerveldmicroscopie (spoed VDRL/RPR)
  • (T. pallidum NAAT) 
  • directe fluorescentietest met behulp van fluorescerende antilichamen op materiaal van ulcus. TPHA/TPPA (antistoffen tegen treponema), ELISA, beiden bevestigen met FTA-ABS/immunoblot IgG (en IgM)
  • VDRL- of RPR-titer (teken van activiteit)
    NB. Serologisch onderzoek herhalen bij verdenking en negatieve uitslag gedurende 2-3 maanden.

Screening overige vormen van syfilis

  • TPHA/TPPA (antistoffen tegen treponema), ELISA IgG (en IgM) tegen treponemata, VDRL of RPR voor activiteit van infectie
  • bevestigen met FTA-ABS/immunoblot IgG

Vervolgen therapie

  • VDRL- of RPR-titer (tken van activiteit)

Neurosyfilis

Onderzoek op liquor cerebrospinalis TPHA/TPPA, VDRL, RPR, leukocyten, IgG-index, albumineqoutiënt, TPHA/TPPA-index.
VDRL is de standaardtest, deze is zeer specifiek maar weining sensitief. NB. Het gebruik van de indices geeft dikwijls niet meer inzicht en een geïsoleerde abnormale TPHA- of TPPA-index zonder andere aanwijzigingen voor neurosyfilis is onvoldoende om de diagnose te stellen.

Congenitale syfilis

  • TPHA/TPPA, FTA-ABS/IgM-immunoblot, VDRL
  • zowel neonatale als maternale antistoffen bepalen ter vergelijking VDRL- en TPPA-titers vaan bloed afgenomen op de dag van de geboorte
  • eventueel tijdens zwangerschap echo op foetale afwijkingen (zie bijlage I)
  • zie ook Draaiboek Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie

3.2 Overige diagnostiek

Als serologische testen niet corresponderen met klinische bevindingen die suggestief zijn voor een vroege syfilis, dan dienen deze eerst te worden herhaald en daarna zo nodig andere testen (biopsie, donkerveldmicroscopie en/of NAAT) overwogen te worden. Het is in de tweede lijn raadzaam om andere specialisten te consulteren afhankelijk van de klinische verschijnselen. Daarnaast moeten alle patiënten met syfilis behalve op andere soa zeker ook getest worden op hivinfectie en indien negatief 3 maanden later opnieuw.

4. Besmetting

4.1 Reservoir

T. pallidum ssp. pallidum is een obligaat humaan pathogeen, er is geen tussengastheer (Holmes, 2008). De besmettelijke patiënt is dus het enige reservoir.

4.2 Besmettingsweg

Transmissie van syfilis vindt bij volwassenen vrijwel uitsluitend plaats via seksuele overdracht, dus genitaal, anaal of oraal, waarbij direct contact met actieve (vochtige) laesies nodig is. Bij orogenitale seks kunnen orale laesies ontstaan. Geschat wordt dat inoculatie van een gering aantal treponema’s voldoende is voor het ontwikkelen van een primaire laesie. (Magnuson, 1956)
Transmissie van syfilis door bloedtransfusie met bloed van een infectieuze donor is eveneens beschreven, de donor moet dan wel in de infectieuze fase verkeren.
Overdracht via gedeelde naalden bij druggebruikers of via tatoeage is zeer zeldzaam.
Transmissie naar verplegend personeel na direct aanraken van de laesies met blote handen is incidenteel beschreven. (Edwards, 1998; Holmes, 2008; Singh, 1999)
Transmissie van moeder naar kind is in Nederland als gevolg van prenatale screening erg zeldzaam (zie Draaiboek Prenatale Screening Infectieziekten en Erythrocyten immunisatie). Zie hiervoor tevens bijlage 1.

4.3 Besmettelijke periode

De infectieuze periode voor seksuele (horizontale) transmissie is afhankelijk van de aanwezigheid van oppervlakkige laesies. De primaire oppervlakkige laesies en later de condylomata lata zijn zeer besmettelijk tot deze zijn genezen. Daarna duurt de besmettelijkheid vanuit bloed vanaf het moment van de besmetting ongeveer één jaar tot 2 jaar. In de periode van primaire en secundaire syfilis en syfilis latens recens is de patiënt besmettelijk. Syfilis latens tarda en tertiaire syfilis zijn niet besmettelijk door middel van seksueel contact; echter wel kan ook in deze stadia transplacentaire transmissie plaatsvinden van moeder op kind.

4.4 Besmettelijkheid

De transmissiekans na een seksueel contact met iemand met een primaire laesie wordt geschat op 30%. Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen. (Holmes, 1999; Van Bergen, 2002; Singh, 1999)

5. Desinfectie

Conform de richtlijn standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidzorg.
 

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen voor een verhoogde kans op infectie

Zoals voor alle soa vormen personen met wisselende, onbeschermde seksuele contacten een risicogroep voor het verkrijgen van syfilis. In Nederland zijn mannen met homoseksuele contacten verreweg de belangrijkste risicogroep. Ook hivinfectie en prostitutie worden als risicofactoren genoemd.

6.2 Verspreiding in de wereld

Syfilis komt wereldwijd voor. Vooral in ontwikkelingslanden is syfilis nog altijd een van de belangrijkste oorzaken van genitale ulcera. Voorheen kwamen de meeste gevallen voor in sub-Sahara Afrika, waar bij zwangeren incidenties tussen 4 en 15% worden beschreven. Echter sinds de hivepidemie wordt herpes simplex hier frequenter gevonden als oorzaak voor genitale ulcera dan syfilis.
In Oost-Europa en vooral in Rusland is er de laatste jaren een explosieve stijging geweest: tussen 1988 en 1997 steeg de incidentie van 4.2/100.000 tot 277/100.000. Sinds het begin van de 21e eeuw vindt een onrustbarende epidemie van syfilis plaats in China (Tucker, 2010). Dit wordt geassocieerd met ontwrichting van gezinnen op het platteland, arbeidsmigratie naar en prostitutie in de grote steden.
In de Verenigde Staten en West-Europa was er een geleidelijke daling van het aantal syfilisgevallen na de Tweede Wereldoorlog. De introductie van penicilline en later gedragsverandering ten gevolge van de hivepidemie hebben hiertoe bijgedragen. In de Verenigde Staten waren er plannen om syfilis te eradiceren. In het begin van de 21e eeuw was echter zowel in de Verenigde Staten als in West-Europa sprake van een snelle en forse toename van het aantal gevallen van infectieuze syfilis, vooral in de genoemde risicogroepen (van Bergen, 2002; Blocker, 2000; Bosman, 1999; Cairo, 2002; van de Laar, 2002; Fennema; 1999; Fennema, 2000). De incidentie in Europa nam van 1990 tot 1997 toe tot 9,8 per 10.000 personen. Vanaf 1997 is deze weer dalende, met uitzondering van de incidentie onder MSM. In 2009 werden er 17.401 gevallen van syfilis gediagnosticeerd in 27 EU landen (prevalentie 4,5:100.000). Het komt drie keer zo vaak bij mannen voor (6,7:100.000), dan bij vrouwen (2,2:100.000). In 51% van de gevallen gaat het om MSM (ECDC, 2009).

6.3 Voorkomen in Nederland

In Nederland worden dezelfde trends als in de rest van West-Europa gezien: een geleidelijke daling van het aantal nieuwe gevallen van syfilis tot midden jaren negentig. In 1999 was er een forse stijging van het aantal gevallen van syfilis bij de Amsterdamse soapolikliniek en 2 jaar later ook in de rest van Nederland, zowel bij de drempelvrije soapoliklinieken als bij de GGD’en. Sinds 2004 is weer een dalende trend waar te nemen in percentage positieve testen. In 2009 werden bij de soacentra in totaal 512 gevallen van vroege syfilis geregistreerd. De meerderheid van de nieuwe syfilisgevallen betreft mannen met homoseksuele contacten (90% in 2008). (RIVM, 2009; RIVM, 2010) Bij vrouwen zijn sekswerkers een belangrijke risicogroep, met een aandeel van rond de 30% van het totale aantal infecties. Het aantal gevallen van congenitale syfilis in Nederland blijft zeer beperkt (Van Bergen, 2002; Bosman, 1999; Cairo, 2002; Fennema, 1999; Fennema, 2000; Van de Laar, 2002). Tot 1998 was congenitale syfilis een aangifteplichtige ziekte. In de afgelopen 12 jaar heeft het RIVM/CIb c.a. 60-95 aanvragen per jaar ontvangen, waarbij er 0-4 congenitale infecties per jaar worden vastgesteld (Herremans, 2007; RIVM, 2010).

7. Behandeling

Aanbevolen behandeling bij syfilis

Penicilline G (benzylpenicilline) i.m., afhankelijk van het stadium (zie voor preparaten, doseringen en duur van de behandeling onderstaande samenvattingstabel). Resistentieproblemen zijn tot op heden niet gerapporteerd. Een lage en continue serumspiegel voor penicilline gedurende enkele weken is voldoende voor behandeling.

Alternatieve behandeling van syfilis

Bij (goed gedocumenteerde) overgevoeligheid voor penicilline: doxycycline 100 mg p.o., 2 dd gedurende 14 dagen (Ghanem, 2006; Wong, 2008). Dit geldt echter niet voor zwangeren, hivpatiënten en voor de behandeling van neurosyfilis. Bij hivpositieve patiënten is met alternatieve middelen anders dan penicilline goede nacontrole noodzakelijk omdat therapiefalen in deze groep vaker wordt gerapporteerd. Hier blijft penicilline het middel van voorkeur (zie onderaan behandeltabel: Behandeling bij recidief/onderhoudsbehandeling). Voor de behandeling van syfilis is het niet geschikt om benzathine-benzylpenicilline (Tardocilline®) te vervangen door een combinatie van procaïne-penicilline (Bicilline®) en orale penicilline (Broxil®), omdat hun werkingsduur zeer verschillend is. Ten gevolge van het massaal vrijkomen van pyrogenen uit gedode treponema’s kunnen enkele uren na aanvang van de behandeling koorts, koude rillingen en bloeddrukdaling optreden. Deze reactie is van voorbijgaande aard en staat bekend als de reactie van Jarisch-Herxheimer; deze wordt voornamelijk gezien bij de behandeling van patiënten met syfilis met een hoge bacterieload zoals bij een hoge VDRL-titer en in het tweede stadium. Deze bijwerking kan bij zwangere vrouwen een vroegtijdige partus veroorzaken en foetale nood, maar dit is geen reden om de syfilisbehandeling te onthouden. Antipyretica kunnen gegeven worden om de symptomen te onderdrukken.
De reactie wordt ook gezien bij gelijktijdige infectie van gonorroe en syfilis waarbij de gonorroe eerst wordt behandeld. Dan is er door het gebruik van ceftriaxon toch lysis van enkele treponema, waardoor de reactie op kan treden.

Samenvatting behandeling en follow-up van syfilis

Voor doseringen bij syfilis ten behoeve van kinderen jonger dan 12 jaar zijn niet voldoende gegevens beschikbaar.

Type infectie

Soort behandeling

Follow-up

Vroege syfilis (stadium 1,2 en vroeg latente syfilis)

Benzathinebenzylpencilline (Tardocilline®) 2,4 miljoen IE i.m. eenmalig.

VDRL 6-maandelijks tot 4-voudige VDR-titerdaling wordt vastgesteld. Screening neurosyfilis middels liquoronderzoek wanneer na 12 maanden geen 4-voudige VDRL-titerdaling is opgetreden, of eerder bij neurologische klachten/afwijkingen

Bij hiv+:
3,6,9,12 en 24 maanden na behandeling: anamnese en oriënterend neurologisch onderzoek naar neurosyfilis

Laat latente syfilis of syfilis van onbekende duur

Benzathinebenzylpenicilline (Tardocilline®) 2,4 miljoen IE i.m. op dag 1,8 en 15

VDRL-controle na 6 en 12 maanden (indien ≥ 8 bij aanvang behandeling). Screening neurosyfilis 2 jaar na therapie wanneer VDRL niet 4-voudig is gedaald, of eerder bij neurologische klachten/afwijkingen

Bij hiv+:
3,6,9,12,18 en 24 maanden na behandeling: anamnese en oriënterend neurologisch onderzoek naar neurosyfilis

Tertaire syfilis

Benzathinebenzylpenicilline (Tardocilline®) 2,4 miljoen IE i.m. op dag 1,8 en 15

VDRL jarenlang vervolgen. Screening op neurosyfilis (liqouronderzoek) en orgaanafwijkingen voorafgaande aan de behandeling.

Neurosyfilis

Waterige crystalline benzylpenicilline G per infuus in klinische setting (6 x 3-4 miljoen IE per dag of continue infusie) gedurende 10-14 dagen.
Indien er sprake is van penicilline-allergie moet bij de behandeling van neurosyfilis pennicillinedesensibilisatie gevolgd door behandeling met penicilline G worden overwogen.
Een alternatief dat poliklinisch kan gegeven worden is procaïne-benzylpenicilline 2.4 milj EH i.m. 1dd PLUS probenecid 500 mg p.o. 4dd, gedurende 10-14 dagen of ceftriaxon 2000 mg i.v. 1dd 14 dagen.

Liquoronderzoek na 6 maanden en daarna elke 6 maanden tot normaal

Zwangere: ongeacht het stadium van syfilis

Benzathinebenzylpenicilline (Tardocilline®) 2,4 miljoen IE i.m. op dag 1,8 en 15.
Indien er sprake is van penicilline-allergie moet bij de behandeling van syfilis tijdens de zwangerschap penicillinedesensibilisatie en indien succesvolalsnog behandeling met benzathine-benzylpenicilline (Tardocilline®) worden overwogen.

 

Congenitale syfilis

In klinische setting door een kinderarts-infectioloog waterige krystallijne benzylpenicilline G 100.000-150.000 IE per kg/dag, dosis van 50.000 IE/kg i.v. gedurende 10 dagen; de eerste 7 dagen om de 12 uur en de 3 dagen erna om de 8 uur.

Liquoronderzoek, compleet hematologisch onderzoek, verder op geleide van klachten/symptonen: X-skelet, X-thorax, leverfuncties, MRI-schedel, oftalmologisch en audiologisch onderzoek.
VDRL 3-maandelijks gedurende 2 jaar.

Kinderen tot 12 jaar

Voor doseringen van Tardocilline bij syfilis voor kinderen jonger dan 12 jaar zijn niet voldoende gegevens beschikbaar.

Liqouronderzoek, compleet hematologisch onderzoek.
Verder op geleide van klachten/symptomen: X-skelet, X-thorax, leverfuncties, MRI-schedel, oftalmologisch en audiologisch onderzoek.

NB. Aangezien Penidural niet meer verkrijgbaar is, is hier als alternatief gekozen voor Tardocilline 1200. Dit kan de lokale apotheek via de internationale apotheek importeren. Bij het voorschrijven van Tardocilline is een artsenverklaring nodig. Een voorgedrukt exemplaar is te downloaden via: http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/0613FDFA7EA8FE7CC1257EC90038BC30/$FILE/Model%20artsenverklaring%20Tardocillin%201200.pdf

Behandeling bij recidief/onderhoudsbehandeling

Na het begin van de behandeling dient opnieuw klinische (vooral huidafwijkingen en neurologische syndromen zijn relevant) en serologische herevaluatie plaats te vinden. Bij vroege vormen van syfilis (syfilis 1, 2 en recent latente stadia) is dit na 6 en 12 maanden (bij hiv-co-infectie na 3, 6, 9,12 en 24 maanden). Bij persisterende/recidiverende klinische symptomen of een viervoudige toename in de niet-treponemale testtiter (ten opzichte van de waarde aan het begin van de behandeling) tijdens de follow-up, is er mogelijk sprake van therapiefalen of een herinfectie. Deze patiënten moeten opnieuw behandeld worden, nadat door middel van een liquoronderzoek (asymptomatische) neurosyfilis is uitgesloten. Ook moet er opnieuw getest worden op een hivinfectie.

Er wordt ook gesproken van therapiefalen wanneer na 12 maanden geen viervoudige reductie in de niet-treponemale testtiters optreedt bij patiënten met primaire, secundaire, of vroeg latente syfilis. Zij dienen opnieuw getest te worden op hivinfectie en ter uitsluiting van (asymptomatische) neurosyfilis ook op liquorafwijkingen. Wanneer therapiefalen wordt vastgesteld dient een nieuwe behandeling te worden gegeven maar dan met benzathinepenicilline (2.4 miljoen IE i.m. eenmaal per week gedurende 3 weken in plaats van eenmalig. (CDC, 2010)

Bij late latente syfilis wordt van therapiefalen gesproken indien er na 24 maanden geen viervoudige titerdaling van de VDRL of RPR is opgetreden. Bij patiënten met een aanvangswaarde van de VDRL of RPR van 2 of 1 kan geen viervoudige titerdaling worden vastgesteld. Omdat bij deze lage VDRL/RPR-waarden in het serum de kans op neurosyfilis extreem klein is, kan verdere behandeling achterwege blijven en wordt alleen bij viervoudige stijging van de VDRL/RPR-titer van therapiefalen gesproken. Het nut van een standaard liquoronderzoek ter uitsluiting van neurosyfilis één jaar na behandeling van late latente syfilis is niet bewezen. Bovendien blijkt in de praktijk dit advies om na één jaar een CSF-onderzoek te ondergaan zelden opgevolgd te worden of de vraag hiernaar door de neuroloog niet te worden gehonoreerd.

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Een vaccin tegen syfilis is niet beschikbaar.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Voorlichting en persoonlijke hygiëne vormen hier de hoekstenen. Contact met laesies of geïnfecteerd materiaal dient vermeden te worden. Bij seksueel contact is condoomgebruik (ook bij orale seks) zeer effectief. Voor alle soa geldt dat vroeg opsporen en behandelen (indien mogelijk), gekoppeld aan goede voorlichting over veilig vrijen, vooral voor specifieke doelgroepen (de zogenaamde hoogrisiconetwerken), de meest gewenste strategie is. In Nederland is het verder beleid alle zwangere vrouwen te screenen op syfilis en alle bloeddonoren te testen (Bont, 1999; Cairo, 2002; Singh, 1999, Workowski, 2002)

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Omdat bij soa vaak niet is vast te stellen wie de oorspronkelijke infectiebron is geweest, wordt in de soabestrijding niet gesproken over bronopsporing, maar van contactonderzoek en partnerwaarschuwing.

9.2 Contactonderzoek

De behandeling van een patiënt met syfilis is pas compleet als er ook contactonderzoek en partnerwaarschuwing plaatsvindt. Hierbij dient men op te letten dat bij een primaire syfilis de serologie nog negatief kan zijn en dat de diagnose op klinische gronden, eventueel aangevuld met donkerveldmicroscopie, gesteld moet worden. In sommige gevallen, vooral bij uitbraken, kan het zinvol zijn alle potentiële contacten blind te behandelen (Bosman, 1999). Geïnfecteerde partners dienen uiteraard volgens protocol behandeld te worden. Over het algemeen kan men, gezien de incubatietijd, het volgende stellen:

  • Bij primaire syfilis is het zinvol de partners van de afgelopen 3 maanden te waarschuwen en eventueel te behandelen.
  • Bij secundaire syfilis is het zinvol de partners van de afgelopen 6 maanden te waarschuwen en eventueel te behandelen.
  • Bij latente syfilis is het zinvol de partners van de afgelopen 12 maanden te waarschuwen en eventueel te behandelen.
  • Bij latente late syfilis en tertiaire syfilis is het zinvol om in een langdurige relatie de partner en eventuele kinderen van vrouwelijke patiënten te waarschuwen en eventueel te behandelen (Kohl, 1999; Singh, 1999).

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Alle seksuele partners van een indexpatiënt met een vroeg (i.c. infectieus) syfilisstadium dienen onderzocht te worden op syfilis en directe behandeling voor syfilis te worden aangeboden in afwachting van de definitieve screening uitslagen. Hiermee wordt op de kortst mogelijke termijn de infectieketen doorbroken. Voorlichting en persoonlijke hygiëne zijn verder van belang. Contact met laesies of geïnfecteerd materiaal dient vermeden te worden. Bij behandeling van syfilis verdwijnt de besmettelijkheid snel, waarschijnlijk binnen enkele dagen. Tot 1 week nadat de indexpatiënt en zijn/haar huidige partner(s) behandeld is (zijn), wordt seksueel contact afgeraden en niet voordat zichtbare laesies genezen zijn. Als dit niet mogelijk is, in ieder geval met condooms en/of beflapjes vrijen. Men moet weten dat voor transmissie slechts een gering aantal treponema’s voldoende zijn. Tot slot wordt aanbevolen alle patiënten met syfilis ook te testen op andere soa, en altijd op hiv (Van Bergen, 2002; Blocker, 2000; Bosman, 1999; Holmes, 2008; Rothenberg, 2000; Singh, 1999; CDC, 2010).

9.4 Profylaxe

Profylaxe van partners heeft waarschijnlijk weinig zin, testen en behandelen is beter. Bij uitzondering kan het nodig zijn bepaalde ‘core-groepen’ (bijvoorbeeld prostituees) tijdens uitbraken blind te behandelen, zonder diagnostiek af te wachten (Bosman, 1999).

9.5 Wering van werk, school, kinderdagverblijf of consultatiebureau

Wering is vanuit volksgezondheidsperspectief niet zinvol.

9.6 Maatregelen bij zoönosen

Niet van toepassing.

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Geen.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Niet nodig.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal voor patiënten

Website Soa Aids Nederland http://www.soaaids.nl/nl/publiek-0

10.5 Literatuur

  • Bergen J van, Fennema H. Hiv en syfilis: een synergie met slechte uitkomst. Soa bulletin 2002;2:20-22.
  • Bij AK van der, Vries de HJC. Seksueel overdraagbare infecties. In: Hoepelman AIM, Kroes ACM, Sauerwein RW, Verbrugh HA. Microbiologie en infectieziekten. Tweede druk. Bohn Stafleu Van Loghum; 2011.
  • Blocker ME, Levine WC, St Louis ME. HIV prevalence in patients with syphilis, United States. Sex Transm Dis. January 2000;27(1):53-9.
  • Bont J, Cairo I, Van Doornum GJJ, Coutinho RA, Bleker OP. Het nuttig effect van serologisch screening op syfilis in de zwangerschap in de regio Amsterdam, 1991 – 1995. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143(46):2312-15.
  • Bosman A, Zwart O de, Schop WA, Schoots B, Meijden WI van der, Chin-A-Lien RAM. Toename van vroege syfilis in een tippelzone in Rotterdam (1995-1997) en profylactische behandeling. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143(46):2324-28.
  • Cairo I. Consulten en diagnoses van dermatologische soa-poliklinieken 1991 – 2001. soa bulletin 2002;3:18-22.
  • CDC. Department of Health and Human Services Centers for Disease Control and Prevention. Sexually Transmitted Diseases Treatment Guidelines. Syphilis. MMWR. December 2010;59(12):26-39.
  • Coul ELM op de, Hahné S, Van Weert YWM, Oomen P, Smit C, Van der Ploeg KPB, Notermans DW, Boer K, Van der Sande MAB. Antenatal screening for HIV, hepatitis B and syfilis is effective. BMC Infectious Diseases 2011,11:185.
  • ECDC surveillance report. Sexually transmitted infections in Europe 1990-2009. 2009.
  • Edwards S, Carne C. Oral sex and transmission of non-viral STIs. Sex Transm Infect. 1998 Apr;74(2):95-100.
  • Egglestone SI, Turner AJ. Serological diagnosis of syphilis. PHLS Syphilis Serology Working Group. Commun Dis Public Health. Sep 2000;3(3):158-62.
  • Fennema JSA, Cairo I, Coutinho RA. Sterke toename van gonorroe en syfilis onder bezoekers van de Amsterdamse soa-polikliniek. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144(13):602-03.
  • Fennema JSA, Wolters EC, Voorst Vader PC van. Syfilis. soa bulletin 1999;20:84-87.
  • Ghanem KG, Erbelding EJ, Cheng WW, et al. Doxycycline compared with benzathine penicillin for the treatment of early syphilis. Clin Infect Dis 2006;42:e45–9.
  • Herremans M, Notermans DW, Mommers M, Kortbeek LM. Comparison of a Treponema pallidum IgM immunoblot with a 19S fluorescent treponemal antibody absorption test for the diagnosis of congenital syphilis. Diagn Microbiol Infect Dis. 2007;59(1):61-6.
  • Hitti J, Watts DH. Pregnancy and bacterial sexually transmitted diseases. In: Holmes KK, Sparling PF, Stamm WE, Piot P, Wasserheit JN, Corey L, Cohen MS, Watts DH. Sexually Transmitted Diseases. 4th edition. New York: Mc Graw Hill Medical. 2008.
  • Holmes KK, Sparling PF, Mardh P, Lemon SM, Stamm WE, Plot P, et al. (eds.) Sexually Transmitted Diseases, 3th edition. New York: McGraw-Hill. 1999.
  • Holmes KK, Sparling PF, Stamm WE, Piot P, Wasserheit JN, Corey L, Cohen MS, Watts Sexually Transmitted Diseases. 4th edition. NewYork: Mc Graw Hill Medical. 2008.
  • Kohl KS, Farley TA, Ewell J, Scioneaux J. Usefulness of partner notification for Syphiliscontrol. Sex Transm Dis. April 1999;26(4):201-07.
  • Laar MJW van de, Haks K, Coenen AJJ. Weer sterke toename van seksueel overdraagbare aandoeningen in 2001. soa bulletin 2002;3:14–16.
  • Magnuson HJ et al. Inoculation syphilis in human volunteers. Medicine 1956;35:33.
  • RIVM, 2009. Koedijk FDH, HJ Vriend HJ, Veen van MG, ELM Op de Coul ELM, Broek van den IVF, AI van Sighem AI, Verheij RA, Sande van der MAB. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2008. RIVM-report 210261005/2009.
  • RIVM, 2010. Vriend HJ, Koedijk FDH, van den Broek IVF, van Veen MG, Op de Coul ELM, van Sighem AI, Verheij RA, van der Sande MAB. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2009. RIVM rapport 210261007.
  • RIVM, 2011. Vriend HJ, Koedijk FDH, van den Broek IVF, van Veen MG, Op de Coul ELM, van Sighem AI, Verheij RA, van der Sande MAB. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2010. RIVM Rapport 210261009/2011.
  • Rothenberg RB, Wasserheit JN, St. Louis ME et al. The effect of treating sexually transmitted diseases on transmission of HIV in dually infected persons. Sex Trans Dis. 2000;27:411-416.
  • Sparling PF, Swartz MN, Musher DM, Healy BP. Clinical manifestations of syphilis. In : Holmes KK, Sparling PF, Stamm WE, Piot P, Wasserheit JN, Corey L, Cohen MS, Watts DH. Sexually Transmitted Diseases. 4th edition. NewYork: Mc Graw Hill Medical. 2008.
  • Tucker JD, Chen XS, Peeling RW. Syphilis and social upheaval in China. N Engl J Med. 2010 May 6;362(18):1658-61.
  • Wong T, Singh AE, De P. Primary syphilis: serological treatment response to doxycycline/tetracycline versus benzathine penicillin. Am J Med 2008;121:903–8.
  • Workowski KA, Levine WC. MMWR Sexually Transmitted Diseases Treatment guidelines 2006. May 10, 2002 / 52(RR-6);18-30.

10.6 Websites

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen


Naar boven

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu