RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2. Contra-indicaties

2.1 Absolute contra-indicaties
2.2. Relatieve contra-indicaties
2.3 Geen contra-indicaties

Voor het stellen van een contra-indicatie voor een vaccinatie moet een individuele afweging gemaakt worden.

2.1 Absolute contra-indicaties

Slechts zeer zelden is er een reden om in het geheel niet te vaccineren in verband met een absolute contra-indicatie. (16)
Absolute contra-indicaties voor alle vaccinaties zijn:

  • een aangetoonde ernstige allergie voor 1 van de bestanddelen van het vaccin;
  • een aangetoonde zeer ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin.

2.2 Relatieve contra-indicaties


Bij een relatieve contra-indicatie dient overwogen te worden waar het grootste risico ligt, bij de vaccinatie of bij de infectieziekte. (16) Relatieve contra-indicaties zijn: 


Koorts

Als een kind te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden. Koorts is daarvoor een graadmeter. Bij een temperatuur van 38,5 °C of hoger wordt er niet gevaccineerd.

Immuunstoornissen
Bij ernstige immuunstoornissen (ziekte, behandeling met bijvoorbeeld corticosteroïden of cytostatica, bestraling) is de kans dat vaccineren met geïnactiveerd vaccin tot immuniteit leidt, verminderd. Bij vaccineren met verzwakt levend vaccin is er een risico dat een infectie met het vaccinvirus wordt doorgemaakt. Het kind kan het gerepliceerde vaccinvirus dan niet klaren. De vaccinatie dient te worden uitgesteld en in overleg met de behandelend specialist later weer te worden gestart. Bij gebruik van orale corticosteroïden wordt in overleg met een medisch adviseur van het RIVM beoordeeld of er met levend vaccin gevaccineerd kan worden. Meestal kan 1 maand na het stoppen van de corticosteroïden-behandeling weer gestart worden met vaccinatie. Inhalatie en uitwendig gebruik van corticosteroïden zijn geen contra-indicaties voor vaccineren.

Bloedproducten en immunoglobulinen
Na toediening van bloedproducten of immunoglobulinen wordt gehandeld volgens tabel 1. (16):

Tabel 1 Intervallen na toediening van bloedproducten en immunoglobuline

 Als eerste toegediend

 Als tweede toegediend

 Noodzakelijk interval

 bloedproduct

 geïnactiveerd vaccin

 geen

 geïnactiveerd vaccin

 bloedproduct

 geen

 levend vaccin

 bloedproduct

 2 weken

 bloedproduct

 levend vaccin

 interval in overleg met medisch adviseur  bepalen

 normaal immunoglobuline

 levend vaccin

 3 maanden

 RSV-immunoglobuline*intramusculair

 levend of geïnactiveerd  vaccin

 geen

 

 

 

 

 

 


*Andere benamingen: passieve immunisatie tegen RS-virus, Synagis®

Toegenomen stollingsneiging
Factor-V-Leiden is een erfelijke aandoening waarbij een verhoogde kans bestaat op spontane trombose en longembolie. Dit is géén contra-indicatie voor intramusculair vaccineren. 

Verhoogde bloedingsneiging
Zowel aangeboren als verworven (door medicatie) verhoogde bloedingsneiging is meestal een contra-indicatie voor intramusculair vaccineren in verband met een verhoogde kans op spierbloedingen. Overleg bij kinderen jonger dan 1 jaar eerst met de behandelend specialist. Soms is intramusculair vaccineren toch geen probleem. Bij het gebruik van coumarinederivaten als geneesmiddel moeten de instructies van de trombosedienst worden opgevolgd, voor zover aanwezig.

Bij de volgende kinderen ouder dan 1 jaar wordt subcutane toediening van het vaccin geadviseerd:

  • kinderen met ernstige stollingsstoornissen zoals hemofilie of de ziekte van Von Willebrand;
  • kinderen die coumarinederivaten gebruiken (en geen speciale instructies hebben van de trombosedienst);
  • kinderen die therapeutisch (laagmoleculaire) heparine gebruiken;
  • kinderen die clopidogrel gebruiken in combinatie met hoog gedoseerde salicylaten (therapeutische dosering, zoals bijvoorbeeld bij reuma).

Bij de volgende kinderen ouder dan 1 jaar dient te worden overlegd met de behandelend specialist:

  • kinderen met een trombopathie;
  • kinderen met een trombocytopenie en een trombocytenaantal < 50 x 109/l.

Bij de volgende kinderen ouder dan 1 jaar kan het vaccin wel intramusculair worden toegediend, mits het langzaam
wordt ingespoten:

  • kinderen die salicylaten gebruiken;
  • kinderen die clopidogrel gebruiken;
  • kinderen die preventief (laagmoleculaire) heparine gebruiken.

Zwangerschap
Zwangerschap is een contra-indicatie voor de BMR- en HPV-vaccinaties. Tijdens de zwangerschap wordt niet met BMR-vaccin (levend vaccin) gevaccineerd. Op theoretische gronden wordt het vaccin niet gegeven aan zwangere vrouwen. Vrouwen moeten gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap vermijden. Tijdens de zwangerschap wordt niet met HPV-vaccin (= geïnactiveerd vaccin) gevaccineerd omdat er nog te weinig gegevens zijn over het effect van vaccinatie tijdens de zwangerschap.
Aan meisjes van 12 jaar of ouder dient uitgelegd te worden wat de risico’s zijn van een vaccinatie tijdens de zwangerschap. Indien er mogelijk sprake is van een zwangerschap moet de vaccinatie uitgesteld worden. Zo nodig wordt contact opgenomen met de ouders of de betrokken voogdij-instelling om het meisje te begeleiden bij de zwangerschapstest. (21)

Als er toch per ongeluk gevaccineerd is tijdens de zwangerschap, dan dient dit gemeld te worden bij het Bijwerkingencentrum Lareb (zie hoofdstuk 9.3). (22)

Anesthesie en vaccinaties
Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Het in tabel 2 genoemde landelijke advies is opgesteld in overleg met het Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht. (16) Het wordt echter nog niet overal gehanteerd. Daarom blijft het aanbevolen om in geval van een medische ingreep onder anesthesie bij het betreffende ziekenhuis te informeren welk interval gehanteerd moet worden. Na de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden (Zie tabel 1). Als in verband met de ingreep plasma of immunoglobuline zijn toegediend, wordt bij vaccinatie met een levend vaccin wel een interval aangehouden.

Tabel 2 Interval tussen vaccinatie en anesthesie

 Intervallen

 Vaccinaties

 48 uur tussen vaccinatie met geïnactiveerd vaccin en anesthesie

 D(K)TP, Hib, MenC, HepB, Pneu, HPV

 2 weken tussen vaccinatie met levend vaccin en anesthesie

 BMR

Deze intervallen worden geadviseerd om de volgende redenen:

  • de mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn al verdwenen waardoor er geen verwarring op kan treden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties. Tevens wordt de kans beperkt dat door de ziekte de ingreep moet worden uitgesteld;
  • het is voor het kind prettiger als het geen anesthesie en medische ingreep moet ondergaan tijdens een periode waarin het zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

2.3 Geen contra-indicaties

  • Verkoudheid, lichte bovenste luchtweginfectie, lichte maagdarminfecties;
  • Antibioticagebruik;
  • Stabiele neurologische aandoeningen of convulsies in de familie;
  • Chronische aandoeningen, met uitzondering van immuundeficiënties;
  • Stofwisselingsstoornissen;
  • Astma, eczeem, allergie met uitzondering van een allergie voor een bestanddeel van het vaccin;
  • Ondervoeding of dismaturiteit;
  • (Incubatietijd van) waterpokkeninfectie;
  • Kippeneiwitallergie;
  • RSV-monoclonale immunoglobulinen tegen RS-virus (Synagis®);
  • Prematuriteit, bij in het ziekenhuis opgenomen baby’s kan extra bewaking op cardiorespiratoire incidenten nodig zijn, na ontslag uit het ziekenhuis is dit niet meer nodig;
  • Bijwerkingen na een vorige vaccinatie. Bijwerkingen zijn doorgaans van voorbijgaande aard en herhalen zich zelden bij volgende vaccinaties. Wel kan het zijn dat na de melding van de bijwerking voorzorgsmaatregelen geadviseerd worden bij een volgende vaccinatie.

 




 


 

 

 

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / 2. Contra-indicaties

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu