RIVM_Logo

10. Postvaccinale verschijnselen

10.1 Definities
10.2 De meest voorkomende bijwerkingen
10.3 Het verminderen van bijwerkingen
10.4 Melden van postvaccinale verschijnselen bij Lareb


10.1 Definities

Bijwerking: een ongewenste medische gebeurtenis waarvan vermoed wordt dat er een relatie bestaat met het vaccin.
Postvaccinale verschijnselen of AEFI (adverse event following immunisation): een gebeurtenis na vaccinatie, waarvan de relatie met de vaccinatie nog niet bepaald is.
Melding (bij Lareb): melding van één of meer ongewenste medische gebeurtenissen ofwel vermoede bijwerkingen na een vaccinatiemoment (www.lareb.nl/Vaccins/Bijwerkingen). 

10.2 De meest voorkomende bijwerkingen

Na vaccinaties kunnen bijwerkingen optreden. De meeste bijwerkingen beginnen op de dag van de vaccinatie en zijn binnen 2 dagen weer over. De volgende klachten komen vaak voor: koorts, hangerigheid, rode plek/zwelling en/of pijn op de plaats van inenting, last bij bewegen van ingeënte arm of been, onrustig of extra veel slapen (bij baby’s) en flauwvallen (vanaf 4 jaar). Ernstigere bijwerkingen zoals collaps, verkleurde benen, koortsstuipen en exanthemen komen veel minder frequent voor (Rümke 2014, Vermeer 2012).

Zie ook:

De niet-lokale bijwerkingen (zoals koorts en exanthemen) na de BMR-vaccinatie beginnen 5-12 dagen na de vaccinatie, soms nog later tot 21 dagen na vaccinatie.

Anafylactische reacties zijn uitermate zeldzaam. In het kader van het RVP wordt daarom niet geadviseerd dat doses adrenaline of een noodkit aanwezig moeten zijn tijdens het vaccineren van kinderen. In een noodsituatie moet 112 gebeld worden.

De jaarraportages met uitgebreide informatie over RVP-bijwerkingen staan op de website van het Bijwerkingencentrum Lareb, www.lareb.nl.

10.3 Het verminderen van bijwerkingen

Welke bijwerkingen kunnen optreden en wat ouders kunnen doen als hun kind last heeft van bijwerkingen na de vaccinatie staat in verschillende folders beschreven:

  • de algemene brochure Bescherm uw kind tegen 12 infectieziekten die met de eerste uitnodigingsset wordt meegestuurd;
  • de folders die bij de uitnodiging voor de 4-, 9- en 12-jarigen worden meegestuurd. Zie paragraaf 11.1.

 Voor het voorkomen of verminderen van de volgende ongewenste verschijnselen na vaccinatie kan paracetamol gegeven worden:

  • bij pijn;
  • bij lang/heftig huilen;
  • als profylaxe, als er klachten ontstonden na eerdere vaccinaties. Eerder onderzoek gaf aan  dat hierbij terughoudendheid geboden is, omdat uit onder­zoek is gebleken dat paracetamol een negatief effect op de immuunrespons kan hebben, vooral als het rond het moment van vaccineren wordt toegediend. Inmiddels is er meer onderzoek gedaan en er is niet aangetoond dat de geringe afname van antistoffen klinisch relevant is op individueel niveau. De eerste dosis paracetamol moet ongeveer een half uur voor de vaccinatie toegediend worden. Bij een BMR-vaccinatie is profylaxe overigens niet zinvol. Dus alleen zo nodig geven ter voorkoming van klachten na eerdere vaccinaties zoals bij heftige klachten met pijn of meer dan 3 uur ontroostbaar huilen (persistent screaming) (De Bont 2014, Doedée 2014Prymula 2009, Prymula 2014, Chen 2009, Rashmi 2014).

Behandeling met paracetamol is geen routine! 

De huisarts moet gewaarschuwd worden bij heftige, niet te duiden klachten of klachten die na paracetamolgebruik niet overgaan. Mogelijk is er sprake van een (andere) ziekte.
Koorts is in principe geen indicatie voor het toedienen van paracetamol. Koorts, ook hoge koorts, is niet gevaarlijk en heeft een belangrijke signaalfunctie die verloren gaat bij het onderdrukken ervan. Koorts is een fysiologisch afweermechanisme van het lichaam tegen pathogenen en maakt dus deel uit van de immuunreactie die juist nodig is voor de werkzaamheid van het vaccin. Het is belangrijk om een kind met koorts voldoende drinken te geven om uitdroging te voorkomen.

Zie voor de adviesdoseringen van paracetamol (op basis van gewicht en bij gebruik korter dan 3 dagen) het overzicht in de NHG-standaard kinderen met koorts). 

10.4 Melden van postvaccinale verschijnselen bij Lareb

Zorgverleners zijn conform de Geneesmiddelenwet artikel 78 verplicht om ernstige en onverwachte postvaccinale reacties te melden aan het Bijwerkingencentrum Lareb. Meld dus altijd, onder vermelding van het chargenummer van het betreffende vaccin, bij:

  • ernstige gebeurtenissen, zoals ziekenhuisopnames, blijvende invaliditeit of overlijden, ongeacht het vermeende causale verband;
  • onverwachte of bijzondere bijwerkingen;
  • twijfel over vervolgvaccinaties;
  • onrust of negatieve publiciteit;
  • alles wat u verder van belang vindt.

JGZ-professionals kunnen rechtstreeks contact opnemen met Lareb voor overleg en het melden van postvaccinale verschijnselen/bijwerkingen. Als zij een melding aan Bijwerkingencentrum Lareb willen doen, moeten zij de toestemming van de ouders te hebben om relevante (medische) informatie aan Bijwerkingencentrum Lareb door te kunnen geven. Noteer dit in het dossier. Vermeld bij het doen van een melding het chargenummer van het betreffende vaccin.

Ouders kunnen zelf ook bijwerkingen melden via het meldformulier op de website van Lareb. 

Bijwerkingencentrum Lareb
Telefoon 073 - 646 9700 (9.00-17.00 uur) (alleen voor zorgprofessionals)
E-mail info@lareb.nl  
Website www.lareb.nl

 

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / 10. Postvaccinale verschijnselen

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu