RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: Nematodenfauna. Deel 2: Bemonstering 1994 (boslocaties op zandgrond)

Soil Quality Monitoring Programme: Nematode fauna. Part 2: Sampling in 1994 (forest sites on sandy soils)

Publiekssamenvatting

Het tweede rapport over jaarlijkse bodembiologische metingen in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit geeft een beschrijving van de nematodenfauna in twee verschillende lagen, strooisel en minerale bodem, van 20 boslocaties op zandgrond in Nederland. Het gaat hier om loof-, naald- en gemengde bossen. Deze locaties worden in principe vanaf 1994 iedere vijf jaar bemonsterd. Het doel is om eventuele trends te onderscheiden in de verandering van bodemkwaliteit. De locaties zijn zo gekozen dat ze een representatief beeld geven van een bepaald grondgebruik in Nederland, in dit geval "bos". De nematodendichtheden zijn in het strooisel veel hoger dan in de minerale bodem. In beide horizonten van alle bossen wordt het taxon Aphelenchoides gevonden. Op een enkel bos na worden ook in beide lagen de taxa Plectus, Wilsonema, Acrobeloides, en Filenchus gevonden. De volgende taxa lijken een ecologische preferentie te hebben: voor strooisel zijn dat Bunonema, Mesodorylaimus, Metateratocephalus, Plectus, Teratocephalus en Wilsonema schuurmans-stekhoveni en voor de minerale bodem zijn dat Acrobeloides, Cephalenchus en Cervidellus serratus. Het aantal taxa en de verschillende diversiteitsindices (H', SR, J') en de 'maturity'indices (PPI, MI en SigmaMI) vertonen slechts geringe verschillen tussen de beide lagen. De indices in het strooisel liggen iets hoger dan in de minerale bodem, behalve de PPI die in de minerale bodem hoger is. De verdeling in trofische groepen laat zien, dat bacterie-eters in hogere aantallen in het strooisel voorkomen en dat planteneters en schimmeleters vooral voorkomen in de minerale bodem. De daarvan afgeleide trofische diversiteitsindex (T) is hoger in de minerale bodem. Op basis van de soortensamenstelling is een zeker onderscheid tussen de bostypen herkenbaar. De diversiteit aan locaties is echter groot (geografische ligging, leeftijd opstand en ondergroei) en hiermee ook de variatie in soortensamenstelling. Significante verschillen in nematodendichtheden, indices en trofische verdeling tussen de verschillende bostypen zijn in deze steekproef van 20 boslocaties niet gevonden.
 

Gerelateerde onderwerpen

Home / Documenten en publicaties / Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: Nematodenfauna. Deel 2: Bemonstering 1994 (boslocaties op zandgrond)

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu