Go to abstract

Samenvatting

Van 2000 tot en met 2009 zijn met behulp van een additionele methode, zogeheten bioassays, de effecten van giftige stoffen op het ecosysteem in Nederlands oppervlaktewater gemeten (toxische druk). Deze methode geeft meer informatie over de effecten van onbekende chemische stoffen in water dan de traditionele chemische technieken. Deze meten namelijk slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën dat in oppervlaktewater zit. Bovendien geven ze geen inzicht in het eventuele versterkende effect dat meerdere stoffen bij elkaar kunnen hebben. De bioassays bevestigen het vermoeden dat het ecosysteem in water het afgelopen decennium steeds minder door chemische stoffen is aangetast, waardoor de waterkwaliteit is verbeterd. De toxische druk in het water van de Rijn was in 2000 al gering en neemt verder af. In het water van de Maas en de Schelde was de toxische druk tien jaar geleden aanmerkelijk hoger, maar die is sindsdien flink afgenomen. Ook blijkt het oppervlaktewater in Nederland stroomafwaarts minder giftige stoffen te bevatten. Bioassays peilen de reactie van vijf levende waterorganismen op chemische stoffen in het water. Door alle gegevens van tien jaar metingen met bioassays te combineren, worden trends duidelijker zichtbaar. Bovendien zijn de resultaten nauwkeuriger, want de veelheid aan data verkleint de spreiding in de uitkomsten. De reacties van de bioassays geven inzicht in de soort chemische stof. Zo wordt duidelijk dat de Rijn voornamelijk 'niet-polaire' stoffen bevat, oftewel stoffen zonder specifieke werking en waardoor alle organismen erop reageren. In de andere rivieren zijn bestrijdingsmiddelen waarschijnlijk verantwoordelijk voor de waargenomen effecten. In 2002 bleek dat de Maas tijdens de zomer sterk verontreinigd moet zijn geweest met bekende (hoewel al meer dan tien jaar verboden) én onbekende onkruidbestrijdingsmiddelen. Dat laatste werd duidelijk door chemische metingen met bioassays te vergelijken.

Abstract

During the years 2000-2009, the effects of toxic substances on the ecosystem in Dutch inland waters were measured with a complementary method, i.e., by means of so-called bioassays. This approach provides information on the effects of unknown chemicals in water which are overlooked by traditional analytical techniques. The latter cover only a small portion of the large number of chemicals that are present in surface water. Moreover, classical chemical techniques do not provide any insight into the auxiliary effect that several toxic substances may have.
The results from the bioassays confirm that damage to the aquatic ecosystem during the last decade (2000-2009) due to the presence of toxic substances has decreased, with improved water quality as a result. Toxic pressure in the river Rhine in the year 2000 was already very low but has decreased yet further. Toxic pressure in the water of the rivers Meuse and Scheldt was significantly higher than that in the river Rhine 10 years ago, but has also decreased in the last decade. The results also indicate that the toxic pressure is higher upstream and decreases downstream.
Bioassays measure the reaction of several organisms to toxic chemicals in the water. Trends became apparent when the results of five bioassays in several water bodies collected over 10 years were combined. Information derived from these data is more accurate because the multitude of data has reduced the spread in the outcome.
Responses to the bioassays provided insight into the nature of the toxic compounds. The cocktail of toxic substances in the river Rhine was found to consist of non-polar chemicals, i.e., substances without a specific mode of action which affect all aquatic organisms. In the other rivers, pesticides are probably responsible for the observed effects. In the summer of 2002, the river Meuse must have been polluted by both known (albeit banned for more than 10 years at that time) and unknown herbicides, as revealed by a comparison of chemical measurement and bioassay results.

Resterend

Grootte
1.16MB