Reactie RIVM op rapport ‘Ammoniak in Nederland: Enkele kritische wetenschappelijke kanttekeningen’ van Hanekamp, Crok en Briggs

Het RIVM deelt niet de conclusie van Hanekamp, Crok en Briggs dat het ammoniakbeleid geen effect heeft gehad. De auteurs stellen dit in hun rapport ‘Ammoniak in Nederland: Enkele kritische wetenschappelijke kanttekeningen’. Zij baseren hun analyse voor een deel op informatie die zij van het RIVM gekregen hebben. Hieronder licht het RIVM de belangrijkste punten van kritiek op het onderzoek toe.

De auteurs geven een uitgebreide analyse van de ammoniakemissies en de ontwikkelingen in de atmosferisch concentraties van ammoniak. De analyse is voornamelijk gebaseerd op gegevens van de WUR en het RIVM. De RIVM-gegevens betreffen metingen van het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en van het Meetnet Ammoniak in natuurgebieden (MAN). De onderzoekers concluderen dat er geen noemenswaardige veranderingen (trends) aanwezig zijn in de meetwaarden van de ammoniakconcentraties. Op basis daarvan trekken zij de conclusie dat het ammoniakbeleid in Nederland niet effectief is (geweest).

Bevindingen RIVM

Op basis van dezelfde meetdata concludeert het RIVM echter dat het ammoniakbeleid wel degelijk effectief is geweest.  De ammoniakconcentratie in de lucht zijn in de periode 1993-2014 gedaald, voornamelijk in de eerste tien jaar (1993-2004). De daling in de ammoniakconcentraties in deze periode komt vrij goed overeen met de daling in de ammoniakemissies. Hierbij moet namelijk rekening worden gehouden met de onzekerheden in de gerapporteerde emissies en in de concentratiemetingen, en met de invloed van weersomstandigheden en atmosferisch chemische reacties op de trend. Dat de trends in de concentratie en emissie van ammoniak redelijk goed overeenkomen toont de effectiviteit van het beleid aan.

Na circa 2004 is de gemeten ammoniakconcentratie weer licht gaan stijgen hoewel de gerapporteerde ammoniakemissies dalen. De daling in de ammoniakemissies is aanzienlijk kleiner dan in de eerste periode (circa 20 procent tegenover 50 procent). De reden voor het huidige verschil tussen de trend in de ammoniakemissies en ammoniakconcentraties is niet duidelijk. Ook hier zijn onzekerheden in de gerapporteerde emissies, in de uitvoering van maatregelen, metingen en kennis van ‘gedrag’ van ammoniak in het milieu van invloed. De resultaten van bovenstaande analyse zijn gerapporteerd in een notitie , die eind oktober 2016 door de staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden is aan de Tweede Kamer. De analyses waarop deze notitie zijn gebaseerd, zijn gepubliceerd in twee wetenschappelijke artikelen en in een RIVM-rapport. Voor meer informatie verwijzen wij naar deze stukken.

Het verschil van inzicht is een gevolg van een aantal basiskeuzes voor de analyse van de meetdata. Wij lichten de belangrijkste twee hieronder toe.

Kanttekening 1 Representativiteit van de metingen

Volgens Hanekamp e.a. is er nauwelijks een verband tussen de uurwaarnemingen van de ammoniakconcentraties op de stations onderling. Daarom zou het volgens hen “zinloos” zijn om een gemiddelde van de stations te construeren. Volgens het RIVM kan dat wel omdat de stations door de jaren heen dezelfde ontwikkeling laten zien.

Het is juist dat het statistisch verband tussen uurwaarnemingen van de ammoniakconcentratie tussen stations zwak is. Dit is te verklaren door de grote variabiliteit in de landbouwpraktijk en in de atmosferische omstandigheden op de verschillende meetlocaties. Zo kan op een bepaald moment vlakbij een meetlocatie mest worden uitgereden, terwijl dit bij de andere locaties op een ander moment gebeurt. Maar ook de weersomstandigheden (neerslag, temperatuur, windsnelheid en zoninstraling) veroorzaken variaties in de ammoniakconcentraties. Juist om de grilligheid en de toevalligheid uit de concentratiemeting te halen wordt door het RIVM gekeken naar gemiddelden op langere tijdschaal, bijvoorbeeld maand en jaargemiddelden. Deze gemiddelden laten wel een duidelijk verband tussen de onderlinge stations zien.

Stations met verschillende ammoniakniveaus laten een vergelijkbaar verloop in de tijd zien (Figuur 3 in RIVM-notitie; Figuur 18 in het rapport van Hanekamp e.a.). Voor de vier stations met hogere ammoniakconcentraties (Vredepeel, Wekerom, Zegveld en Wieringerwerf) is dit relatief eenvoudig waarneembaar. Voor stations met lagere ammoniakconcentraties is dit een stuk lastiger door de lagere concentratieniveaus. Om het verloop van de concentraties op de verschillende stations met elkaar te kunnen vergelijken, worden de tijdsverlopen per station ‘geschaald’ (genormaliseerd) met de gemiddelde concentratie per station over de hele tijdserie (zie Figuur 1). Als we dan kijken naar het relatieve verloop van de jaargemiddelde concentraties op de verschillende meetstations, dan laten ook de stations met lage ammoniakconcentraties een zeer vergelijkbaar verloop zien. Aangezien de locaties van de stations goed verspreid zijn over het land, schetst het gemiddelde verloop over de stations een beeld dat representatief is voor grote delen van Nederland. In de figuur zijn de dalende concentraties in de eerste tien jaar van de meetreeks duidelijk terug te zien, net als de toename in de tweede helft.
Uit een statistische analyse over de hele periode blijkt dat het verloop in de tijd statistisch significant is. Deze verandering is met een kromme lijn weer te geven (parabool), maar een beschrijving via twee rechte lijnen met een ‘knip’ past beter bij de data en is makkelijker te interpreteren. Hanekamp e.a. stellen dat deze opdeling van de meetreeks van 1993-2014 volkomen “ad hoc” is. Het RIVM deelt deze visie niet. Wel zou het moment van de knip een jaar eerder of later kunnen worden gelegd.

 Figuur 1. Verloop in de jaargemiddelde ammoniakconcentraties voor de acht LML-stations  met het concentratieverloop genormaliseerd op het gemiddelde (voor 1993-2014) per station (Van Zanten et al., 2016).
Figuur 1. Verloop in de jaargemiddelde ammoniakconcentraties voor de acht LML-stations  met het concentratieverloop genormaliseerd op het gemiddelde (voor 1993-2014) per station (Van Zanten et al., 2016).

Kanttekening 2 Mediaan versus gemiddelde

Hanekamp e. a., stellen dat de LML-meetreeksen van de atmosferische ammoniakconcentraties op verschillende meetlocaties op een onjuiste en verouderde manier statistisch worden bewerkt. Zij werken met een ander statistische kengetal dan het RIVM, namelijk de mediaan. De keuze daarin is belangrijk voor het resultaat. Soms is de mediaan heel geschikt, zoals vaak bij inkomensverdelingen wordt gedaan om te voorkomen dat een enkele miljardair te grote invloed heeft. Het RIVM gebruikt het gemiddelde om de gemeten ammoniak concentraties te presenteren. Dit is de beste maat om emissies te volgen en komt het beste overeen met hoe het effect van ammoniak op de natuur internationaal in beeld wordt gebracht. De mediaan is minder geschikt omdat deze ongevoelig is voor de concentraties die bij piekemissies ontstaan (denk aan het uitrijden van mest). Deze pieken leveren echter een belangrijke bijdrage aan de totale emissie en depositie van ammoniak.

Het klopt dat de medianen van de ammoniakconcentraties op de LML-stations lager zijn dan de gemiddelde waarden. Het is echter onjuist om op basis daarvan te stellen dat de ammoniakconcentraties in de praktijk een stuk lager liggen dan is gerapporteerd. Er is overigens een vrij sterke relatie tussen de mediaan en het gemiddelde (zie Figuur 2). Ook als de mediaan wordt gebruikt is dezelfde trend zichtbaar, maar dan wat minder uitgesproken.
Figuur 2. Mediane jaarconcentratie versus gemiddelde jaarconcentratie voor de 8 verschillende LML-meetstations (verschillende kleuren) over de periode 1993 tot en met 2014.

Figuur 2. Mediane jaarconcentratie versus gemiddelde jaarconcentratie voor de 8 verschillende LML-meetstations (verschillende kleuren) over de periode 1993 tot en met 2014.

Aanvullende opmerkingen bij:

a. Trend in ammoniak

De concentratie van ammoniak in de atmosfeer wordt mede bepaald door weersomstandigheden en atmosferisch chemische reacties. Daarom moet met deze invloeden rekening worden gehouden. Een deel van de ammoniak in de lucht reageert met zwavel- en stikstofcomponenten waardoor de ammoniakconcentraties afnemen. Door de forse daling in de zwavel- en stikstofniveaus over de gehele periode ‘verdwijnt’ er nu veel minder ammoniak uit de atmosfeer dan vroeger. Een deel van de aanwezige trend in de emissie is hierdoor niet te zien, waardoor ze minder sterk lijken te dalen. Dit effect is door het RIVM met behulp van modelberekeningen ingeschat op 10 tot 20 procent (Wichink Kruit et al., 2017). De onderzoekers Hanekamp e.a. negeren deze effecten op de trend in de ammoniakconcentraties.

b. Het ammoniakgat

De conclusie die Hanekamp e.a. trekken over het zogeheten ammoniakgat (hier bedoeld: het verschil tussen de gerapporteerde emissies en de gemeten luchtconcentraties) is gebaseerd op een verkeerde veronderstelling. De onderzoekers stellen dat de mediaan hiervoor moet worden gebruikt. De modelberekeningen betreffen echter het jaargemiddelde. Wanneer modelberekeningen en metingen worden vergeleken, moet daarbij ook van jaargemiddelden worden uitgegaan om met gelijke maten te meten.

Referenties

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu