Factsheet Screening op gonorroe

Screening op gonorroe (van Gils et al., 2009) Voor literatuurreferenties zie rapport. Nieuwe literatuur met hyperlink staat ondraan dit document

Het gezondheidsprobleem

Gonorroe, ook wel druiper genaamd, is de oudste bekende seksueel overdraagbare aandoening. Na een daling van de incidentie vanaf midden jaren tachtig, is in 2000 een forse (71 %) toename geconstateerd in aantal gonorroediagnoses op basis van de registratie bij GGD- en en soa-poliklinieken. In 2006 kregen 1757 mensen de diagnose gonorroe. Belangrijkste complicatie bij de vrouw is pelvic inflammatory disease (PID), een verzamelnaam voor infecties in het kleine bekken. Bij 30-60 % van de vrouwen treedt nauwelijks klachten op. Bij mannen is urethritis, een ontsteking van de plasbuis, het belangrijkste gevolg. Bij 90 % van de mannen treden klachten op, maar er zijn aanwijzingen dat asymptomatische infecties frequenter voorkomen dan tot voor kort werd aangenomen (LCI/RIVM, 2002; van Leent-Loenen & Koedijk, 2008a).

Huidig beleid

Indicaties voor laboratoriumonderzoek zijn: het hebben van klinische symptomen, het vertonen van risicogedrag, het hebben van een besmette partner en het bezoeken van een soapolikliniek (CBO, 2002e). Gonorroe is eenvoudig te behandelen met een antibioticumkuur (Koedijk et al., 2008b).

Twee interventies

Sreening via de urine of middels cervixuitstrijkje van alle vrouwen tussen de 15-29 jaar die een EHBO-post bezoeken (opportunistische screening) en indien nodig het geven van antibiotica. Het uitstrijkje wordt getest op gonorroe door middel van de nucleïnezuuramplificatietechniek (NAAT). Thuistest (uitstrijkje) voor hoogrisicovrouwen, gevolgd door de nucleïnezuuramplificatietechniek in het laboratorium en indien nodig het verstrekken van antibiotica. Hoogrisicovrouwen zijn vrouwen die of al eerder een soa hebben gehad, of wisselende seksuele contacten hebben.

Effectiviteit

In een systematische review concluderen Cook et al. dat de nucleïnezuuramplificatietechniek toegepast op een cervixuitstrijkje een hogere gepoolde sensitiviteit heeft dan toegepast op een urinemonster (94,2 % versus 55,6 %) (Cook et al., 2005). In een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek tonen Cook et al. aan dat de deelnamebereidheid aan een invasieve test hoger is, wanneer de participant de test zelf thuis kan doen (Cook et al., 2007a).

Kosteneffectiviteit

Aledort et al. beschrijven in hun economische evaluatie, gebaseerd op het doorrekenen van een cohort van 10.000 vrouwen tussen de 15 en 29 jaar met een levenslange tijdshorizon, dat 1247 gevallen van PID met behulp van urine-NAAT en medicatie voorkomen kunnen worden. In vergelijking met geen screening was dit kostenbesparend. Wanneer de NAAT is gebaseerd op een cervixuitstrijkje, worden nog eens 220 gevallen van PID extra voorkomen. De ICER is vergeleken met urine-NAAT $ 6490 per QALY (2007 € 6295). Uit de sensitiviteitsanalyse blijkt dat de uitkomst het meest beïnvloed wordt door aannames over de incidentie, hoe vaak er behandeld wordt na een positieve test en de kosten van screening (Aledort et al., 2005).

Smith et al. berekenen bij hoogrisicovrouwen de kosteneffectiviteit in kosten per extra uitgevoerde test, waarbij testen in de kliniek is vergeleken met een thuistest. De conclusie van deze economische evaluatie is dat thuis testen kostenbesparend was. De resultaten zijn robuust indien het thuistesten leidt tot een afname van testen in een klinische setting en tot een toename van gedetecteerde gonorroe (Smith et al., 2007a).

Economische evaluaties gepubliceerd na verschijnen factsheet

Smith et al., 2007

Home / Onderwerpen / K / Kosteneffectiviteit van preventie / Economische evaluaties / Factsheet Screening op gonorroe

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu