U bevindt zich op: Home › Onderwerpen › B › Bevolkingsonderzoek FH › Opsporingsproces Bevolkingsonderzoek FH
Mensen met FH hebben 50 procent kans om het afwijkende gen door te geven aan hun kind(eren). Het bevolkingsonderzoek richt zich daarom op familieleden van een gediagnosticeerde FH-patiënt (de zogenoemde indexpatiënt).
Een schematische weergave van het opsporingsproces vindt u rechts op deze pagina in de bibliotheek.
Het opsporingsproces bestaat uit vier stappen:
De huisarts of specialist stuurt het bloed van een mogelijke
FH-patiënt naar de Sectie Moleculaire Diagnostiek van
het Laboratorium Experimentele Vasculaire Geneeskunde (MEVG)
van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Daar wordt
vastgesteld of er sprake is van een DNA-afwijking die tot
FH leidt. Dit onderzoek is belegd in de reguliere zorg
en geen onderdeel van het bevolkingsonderzoek.
Is er sprake van een DNA-afwijking, dan meldt het laboratorium dit
aan de StOEH.
De opsporing van een indexpatiënt wordt opgevolgd door het
familiecascadeonderzoek. Op dit punt start het
bevolkingsonderzoek.
Een Genetic Fieldwerker (GFW’er) van de StOEH neemt contact op met de indexpatiënt. Met zijn toestemming worden vervolgens zijn eerstegraads verwante familieleden en zo nodig ook zijn tweedegraads verwanten benaderd. Na inlichting over FH en het bevolkingsonderzoek FH door een GFW’er wordt gevraagd of ze willen deelnemen aan het onderzoek.
De GFW’er bezoekt familieleden thuis, geeft
informatie over FH en het DNA onderzoek. Na het
invullen van een informed consent wordt bloed afgenomen en het
cholesterolgehalte in het bloed bepaald. Het bloed wordt verstuurd
naar het MEVG. Het MEVG stelt vast of de
DNA-afwijking bij het familielid aanwezig is en meldt de uitkomst
aan de StOEH. De StOEH stuurt het
onderzochte familielid een brief met de uitslag van het onderzoek.
Is het onderzochte familielid drager van de DNA-afwijking? Dan
voegt de StOEH aan de brief het advies toe zich onder
begeleiding te stellen van een arts, en informatie voor die arts.
En benadert de StOEH diens familieleden voor verder
familie-cascade-onderzoek.
De patiënt neemt vervolgens zelf contact op met zijn huisarts of specialist. Wilt u weten of DNA-onderzoek naar FH zinvol is voor uw patiënt? Maak dan gebruik van het beslisschema FH diagnostiek van de StOEH. Die vindt u rechts in de biobliotheek.