U bevindt zich op: Home › Onderwerpen › F › Fijn stof › Meten Fijn stof
In de eerste Europese dochterrichtlijn voor luchtkwaliteit is de meetverplichting en de meetmethode voor fijn stof voorgeschreven. In het Nederlandse besluit luchtkwaliteit is dit vertaald naar de Nederlandse situatie. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voert metingen uit aan fijn stof. Het meetnet voor fijn stof is in de afgelopen jaren bijna verdubbeld.
Het RIVM
verricht metingen aan de luchtkwaliteit zowel in de binnen- als
buitenlucht. De meetmethodiek die hierbij gebruikt wordt kan nogal
van elkaar verschillen afhankelijk van de vraagstelling. Een
component waarvoor zowel metingen in de binnen- als buitenlucht
worden gedaan is fijn stof.
Het Landelijk
Meetnet Luchtkwaliteit meet conform de Europese regelgeving de
luchtkwaliteit in Nederland, naast fijn stof nog diverse andere
stoffen zoals ozon en stikstofdioxide. In de Europese regelgeving
is vastgelegd wat, waar en hoe er gemeten moet worden. Voor fijn
stof moet PM10 en
PM2,5 gemeten worden.
Het RIVM doet dit door permanent op 39 locaties te
meten met apparatuur die werkt volgens het Beta-stof principe. Het
fijnstofgehalte wordt ieder uur automatisch bepaald, dit bespaart
tijd en geld. De methode is volgens een vastgesteld protocol,
equivalent (gelijkwaardig) bevonden aan de methode die door de
Europese regelgeving wordt voorgeschreven. Dit moet, wil Nederland
de metingen kunnen gebruiken in de verplichte rapportages aan de
EU over luchtkwaliteit.
Voor het meten van fijnstofgehalten in de binnenlucht zijn geen
Europese regels opgesteld. De geschikte apparatuur wordt gekozen
afhankelijk van de onderzoeksvraag. Criteria als hoe fijn is het
stof dat wordt gemeten, betrouwbaarheid van een apparaat,
hanteerbaarheid van een apparaat en dergelijke spelen een rol bij
deze keuze. Vaak is hierbij het betrouwbaar kunnen functioneren van
de apparatuur op een onbeheerde locatie geen vereiste, terwijl dit
bij meten in de buitenlucht van groot belang is. RIVM
heeft voor het onderzoek naar fijn stof (o.a. door tabaksrook) in
binnenruimten gekozen voor een hanteerbaar apparaat, een laser
fotometer. Dit geeft voor de onderzoeksdoelstelling betrouwbare en
bruikbare metingen.
Doordat het type apparaat en de wijze van gebruik van het apparaat
voor het bepalen van fijnstof gehalten in buiten- en binnenlucht
verschillend zijn, zijn de metingen niet vergelijkbaar.
In 2003-2006 heeft het RIVM een equivalentieonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de automatische meetmethode van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit vergeleken met de meetmethode voorgeschreven door de EU dochterrichtlijn. Aan de hand van dit onderzoek is een kalibratie voor de fijnstofmetingen bepaald waardoor de meetonzekerheid kleiner is geworden. Begin 2007 is deze kalibratie in het meetnet geïntroduceerd en zijn alle historische fijnstof-meetwaarden opnieuw gevalideerd en herberekend aan de hand van de nieuwe kalibratie. De kalibratie wordt jaarlijks gecontroleerd en eventueel aangepast.
De richtlijn voor de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (Clean Air for Europe: CAFE) is herzien in juni 2008. Hierin staan eisen aan de niveaus van PM2,5 en aan de uit te voeren metingen. Het RIVM heeft in samenwerking met diverse partners onderzoek verricht aan het meten van PM2,5. Dit onderzoek was gericht op:
Op basis hiervan is een automatische PM2,5 monitor geselecteerd en aangeschaft. Een automatische methode is belangrijk om het publiek direct te kunnen informeren. De meetlocaties zijn representatief voor de Nederlandse stedelijke achtergrond. Actuele resultaten worden direct gerapporteerd via de website van het RIVM.