U bevindt zich op: Home › Onderwerpen › L › Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit › Metingen: wat en hoe? Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit
Methode van werken, inrichting van meetpunten, methode en frequentie van bemonstering en analysepakket
Ieder meetpunt
(grondwaterput) is voorzien van drie filters op diepten van circa
10 m, 15 m en 25 m onder maaiveld, zie eventueel
details van de LMG-installatie
. Het filter op 15 m diepte is een reservefilter.
De bemonsteringsfrequentie is, afhankelijk van de kwetsbaarheid van het grondwater op het meetpunt, tussen de één en vier jaar voor de filters op 10 m en 25 m diepte .
Alle putten van het LMG zijn permanent geïnstalleerd. Voor de monsterneming wordt de beschermkap verwijderd waardoor de filterbuizen van de put bereikbaar worden. Daarna kan het grondwater in de verschillende filters bemonsterd worden.
In het grondwater wordt een groot aantal analyses uitgevoerd zowel direct in het veld als later in het laboratorium.
In het veld
In het laboratorium
Daarnaast worden er ook incidentele meetprogramma's
uitgevoerd waarbij o.a. bestrijdingsmiddelen, lanthaniden, seleen,
beryllium en borium geanalyseerd worden.
Meetresultaten van het LMG en de PMG's worden opgeslagen bij het RIVM en in DINO-grondwater , de nationale grondwaterdatabase die beheerd wordt door TNO-Bouw en Ondergrond.