U bevindt zich op: Home › Onderwerpen › R › Rijksvaccinatieprogramma › Inenten beschermt › Tegengeluiden Rijksvaccinatieprogramma
Een aantal groepen in de samenleving staat kritisch tegenover deelname aan vaccinatieprogramma’s. Strenggelovige mensen hebben soms religieuze bezwaren. Voorstanders van de natuurgeneeskunde en de homeopathie vinden dat vaccinatie onnatuurlijk is en dat het afweersysteem van het lichaam zelf zijn werk moet doen. De derde groep is die van verontruste ouders. Zij vinden dat er te weinig aandacht is voor de keerzijde van vaccinaties.
In de antroposofie vindt men dat het doormaken van kinderziekten
een zinvolle betekenis heeft in de ontwikkeling van het kind.
Antroposofen wijzen vaccinatie overigens niet in alle gevallen af.
Ze maken verschil tussen ‘gevaarlijke’ ziekten (difterie,
kinkhoest, tetanus,
polio en rodehond) en ‘minder gevaarlijke’ ziekten (bof,
mazelen en Hib-ziekten). Zij adviseren wel te vaccineren tegen
gevaarlijke ziekten en niet tegen de andere ziekten.
Aanhangers van de homeopathie geven geen eenduidige
vaccinatieadviezen. Een advies kan zijn: een kind niet vaccineren
en homeopathische middelen geven. Een advies kan ook zijn: een kind
wel vaccineren en daarbij ook homeopathische en alternatieve
middelen geven. Soms wordt een alternatief vaccinatieschema
geadviseerd waarin een aantal vaccinaties niet is opgenomen en een
aantal wel. Maar met een alternatief schema is de bescherming van
kinderen tegen de zieken waartegen ingeënt wordt minder goed dan
met de vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma.
Gewetensbezwaren tegen vaccinatie komen vooral voor onder leden van protestants-christelijke groeperingen. Zij wijzen vaccinatie af omdat zij dat strijdig vinden met hun geloof in Gods voorzienigheid. Overigens is sinds eind jaren zeventig de afwijzing ook vanuit vele orthodox protestants-christelijke kerken niet meer absoluut. Op de Zeeuwse eilanden, delen van Zuid-Holland en Utrecht, op de Noord-Veluwe en in de kop van Overijssel wonen veel mensen die om religieuze redenen vaccinatie afwijzen. Zij hebben hun maatschappelijke- en sociale contacten vaak vooral binnen de eigen kring en binnen die kring zijn slechts weinigen gevaccineerd. Dat is ongunstig als bijvoorbeeld een poliovirus binnenkomt. In een omgeving waar weinig mensen gevaccineerd zijn, kan gemakkelijker een epidemie ontstaan dan in een omgeving waar de vaccinatiegraad hoog is. Een voorbeeld is de polio-epidemie van 1992. De mensen die toen getroffen zijn, waren allemaal niet of onvolledig gevaccineerd tegen deze ziekte.
De laatste jaren is onder ouders de weerstand tegen vaccinaties gegroeid. In 1994 is de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (NVKP) opgericht door verontruste en kritische ouders. De vereniging vindt dat er te veel en op te jonge leeftijd wordt gevaccineerd en dat de voorlichting over risico's van ziekten en risico's van vaccinaties beter kan.
Ook als ouders hebben aangegeven dat ze bezwaren hebben tegen vaccinaties, ontvangen de kinderen altijd een oproep voor de vaccinaties voor de volgende fase. Als ouders in de babytijd aangeven dat ze bezwaren hebben tegen vaccinatie, komt er weer een oproep als het kind 4 jaar is. Als de bezwaren geuit zijn tijdens de kleuterjaren, komt er weer een oproep als het kind 9 jaar is. Dit wordt gedaan omdat het mogelijk is dat ouders in de loop der tijd van gedachten veranderen over vaccinatie of dat bepaalde medische redenen, die de vaccinatie in de weg stonden, zijn veranderd.