U bevindt zich op: Home › Onderwerpen › R › Rijksvaccinatieprogramma › Inenten beschermt › Waarom inenten? Rijksvaccinatieprogramma
In Nederland is 95% van de kinderen ingeënt. We noemen dat de vaccinatiegraad. Een hoog percentage is belangrijk om de infectieziekten buiten de deur te houden. Als er namelijk veel ongevaccineerde kinderen en volwassenen zijn, kunnen ronddwalende ziektekiemen vatbare mensen besmetten.
Als meer dan 90 procent van de kinderen en volwassenen is ingeënt wordt de mogelijke verspreiding door die overige 10 procent geneutraliseerd door de 90 procent eromheen. Dat effect heet groepsimmuniteit.
Ziekten als difterie, kinkhoest, tetanus, polio, bof en mazelen komen in Nederland nog maar zelden voor. Daardoor vergeten we bijna dat ze vroeger veel leed veroorzaakten. Die tijd is gelukkig voorbij, maar nog steeds is het belangrijk dat bijna alle kinderen worden ingeënt.
Vóór de Tweede Wereldoorlog eisten besmettelijke ziekten als difterie, kinkhoest, tetanus (‘kaakklem’), polio (‘kinderverlamming’) en mazelen in ons land talrijke slachtoffers. Tussen 1900 en 1950 kregen gemiddeld 3.000 mensen per jaar difterie. Na invoering van de vaccinatie tegen difterie in de jaren vijftig daalde dat aantal snel tot vrijwel nul. Polio kwam na de introductie van het vaccin nog in kleine epidemieën voor onder niet-gevaccineerde kinderen en jongeren. Hetzelfde geldt voor mazelen en rodehond.
In landen waar niet of onvoldoende wordt gevaccineerd, blijven infectieziekten veel slachtoffers eisen. Zo sterven wereldwijd elk jaar tussen de 300.000 en 400.000 kinderen aan mazelen. Vaccinatie geeft een goede en veilige bescherming tegen deze infectieziekten.
Wat er kan gebeuren als vaccinatie achterwege blijft, valt op te
maken uit een ervaring in Zweden. Daar stopte in 1979 de vaccinatie
tegen kinkhoest. Dat ging drie jaar goed, maar daarna steeg het
aantal kinkhoestgevallen explosief. In 1983 en 1985 braken zelfs
epidemieën uit. Het aantal kinkhoestgevallen bij kinderen onder de
6 jaar nam toe van 700 gevallen per 100.000 kinderen in 1981 tot
3.200 gevallen per 100.000 kinderen in 1985.
In Nederland kwam in 1999/2000 een mazelenepidemie voor. Van de
mensen die besmet raakten, had 94 procent zich niet tegen deze
ziekte laten vaccineren. De epidemie kostte aan drie kinderen het
leven. In 2004/2005 heerste in Nederland rodehond onder mensen die
niet tegen de ziekte waren gevaccineerd. Minstens 387 mensen kregen
de ziekte. Hieronder bevonden zich 32 zwangere vrouwen.
Inenten blijft dus noodzakelijk om deze ernstige ziekten te
bestrijden.
Ook al lijken sommige ziekten uit Nederland verdwenen, dat zijn
ze vaak niet helemaal. Ziekten kunnen ook weer opduiken via mensen
die terugkomen van reizen naar landen waar deze ziekten nog volop
heersen. Alleen als een infectieziekte wereldwijd is uitgeroeid,
vervalt de noodzaak van vaccinatie. Dat is het geval met pokken.
Die ziekte heeft eeuwenlang grote epidemieën veroorzaakt waarbij
miljoenen mensen zijn overleden. De Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) heeft in 1980 de wereld pokkenvrij verklaard. Sindsdien wordt
tegen deze ziekte niet meer ingeënt. Datzelfde hoopt de WHO in 2013
te bereiken met polio.
Niet tegen alle infectieziekten kan worden ingeënt. Helaas zijn er
veel meer infectieziekten dan waartegen gevaccineerd kan worden.
Tegen ziekten als aids en malaria zijn, ondanks vele pogingen, tot
nu toe geen effectieve en veilige vaccins ontwikkeld.