Biomarkers voor het verloop van Q-koorts

Projectleider: D.W. Notermans
Uitvoering: 2011-2015

Aanleiding en doel

Q-koorts is een infectieziekte die van dieren over kan gaan op mensen, veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. In Nederland zijn besmette melkgeiten en in mindere mate melkschapen de bron van deze ziekte bij mensen. De meeste mensen lopen Q-koorts op doordat ze tijdens de lammerperiode van geiten en schapen (februari tot en met mei) lucht inademen waar de bacterie in zit. Mensen kunnen dus besmet worden door dieren die de bacterie bij zich hebben. Sommige mensen die door Q-koorts-bacteriën besmet raken hebben helemaal geen klachten. Maar Q-koorts kan ook ernstige klachten geven en soms is er een chronisch beloop. Chronische Q-koorts kan vooral voorkomen bij patiënten met een afweerstoornis of met afwijkingen aan de hartkleppen of grote bloedvaten. Bij zwangere vrouwen kan een eerder doorgemaakte Q-koortsinfectie tot chronische Q-koorts leiden. Tussen 2007 en 2010 was in Nederland sprake van een Q-koortsepidemie, een van de grootste ooit in de wereld beschreven. Er was behoefte aan meer kennis over factoren die het beloop van de ziekte bepalen. Daarom is deze studie gestart naar biomarkers die het ontstaan en beloop van de ziekte beïnvloeden.

Resultaten en betekenis

In dit project zijn een aantal stoffen gevonden die waarde kunnen hebben als indicator voor het beloop van Q-koorts. Er werd een significant verband gevonden tussen de aanwezigheid van acute Q-koorts en een verhoogd gehalte van het eiwit Interleukine-6. Daarbij werd vooral een verhoogd gehalte gevonden bij patiënten die waren opgenomen in ziekenhuizen: patiënten met een ernstiger vorm van Q-koorts. Patiënten die niet waren opgenomen met een even hoog bacteriegehalte vertoonden een minder verhoogd gehalte Interleukine-6. Vergelijking van bloedmonsters van patiënten met acute en chronische Q-koorts suggereerde daarnaast dat het bacteriegehalte niet bepalend is voor de ernst van de ziekte, maar dat factoren die aan de gastheer zijn gekoppeld (de patiënt zelf) invloed hebben op het beloop van de ziekte.

Ook is gekeken naar mogelijke genetische factoren die de ernst van het ziekteverloop kunnen bepalen. Er zijn inderdaad correlaties gevonden tussen genetische factoren (zogenaamde SNPs, single nucleotide polymorphismen) en de aanwezigheid van Q-koorts symptomen.

Bij de studie naar het ontstaan van chronische Q-koorts is gekeken naar immuniteitsmechanismen die de ziekteverwekker effectief opruimen. En of patiënten die chronische Q-koorts krijgen, die bescherming niet hebben. Er zijn inderdaad aanwijzingen gevonden welke stoffen correleren met immuniteit, en deze zouden dus als biomarker kunnen fungeren. De bewijsvoering daarvoor is echter nog niet sterk genoeg om dit al in de praktijk te kunnen toepassen.

Tot slot is ook onderzoek aan de ziekteverwekker zelf gedaan, met als hypothese dat acute en chronische Q-koorts mogelijk door verschillende stammen worden veroorzaakt. Daarvoor was het nodig om de ziekteverwekker in het laboratorium te kweken. Dit bleek geen gemakkelijke opgave. Uiteindelijk is dit wel gelukt, maar het onderzoek werd daardoor wel vertraagd. Voorlopige resultaten wijzen niet op verschillen tussen de verwekkers van acute of chronische Q-koorts. Dit betekent dat vermoedelijk niet de bacteriestam bepalend is voor het al dan niet ontstaan van een chronisch beloop, maar dat dit wordt bepaald door andere factoren zoals de weerstand van de patiënt.

Het onderzoek heeft interessante resultaten opgeleverd. Inmiddels zijn er een aantal effectieve maatregelen genomen ter voorkoming van Q-koorts, waaronder enting van geiten en melkschapen, waardoor de epidemie gestopt is. Wel zijn er nog vragen over de beste preventie en behandeling van chronische Q-koorts.

Samenwerking

In dit project is samengewerkt tussen het RIVM en het Jeroen Bosch Ziekenhuis, Den Bosch en het Centraal Veterinair Instituut (CVI), Lelystad.

Meer informatie

http://www.rivm.nl/Onderwerpen/Q/Q_koorts

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu