EHEC en verse groenten

Projectleider: Dr. H.J.M. Aarts
Uitvoering: 2013-2014

Aanleiding en doel

In de afgelopen jaren nam de consumptie van ongekookte groente toe. In de schappen van de supermarkt is het hele jaar een diversiteit aan groenten verkrijgbaar, afkomstig uit verschillende werelddelen. Hoewel rauw te consumeren groenten over het algemeen veilig zijn en een relatief lage ziektelast veroorzaken, zijn er af en toe uitbraken met grote effecten op de volksgezondheid en economie. Een voorbeeld is de EHEC-uitbraak van 2011 in Duitsland, welke geassocieerd was met kiemgroenten. De EHEC-bacterie is een van de varianten van de bekende E.coli-bacterie, die normaal bij mensen in de darmen voorkomt. De EHEC-bacterie maakt in de darm een giftige stof aan. Daardoor kan dikke-darmontsteking ontstaan. 

Het is belangrijk om meer kennis te vergaren over hoe groenten worden besmet. Met deze kennis kunnen plannen worden ontwikkeld voor het voorkómen van deze besmettingen.

Resultaten en betekenis

Omdat het rauw te consumeren producten betreft is het heel belangrijk om besmetting tijden de primaire productie te vóórkomen. Het gebruik van -niet gecomposteerde- dierlijke mest, irrigatiewater van onvoldoende microbiologische kwaliteit en (wilde) dieren die toegang hebben tot productievelden, werden in dit project geïdentificeerd als de belangrijkste potentiële besmettingsroutes. Voor de sector zijn er hygiënecodes, zoals Good Agricultural Practices (GAP), maar het is zaak dat deze onder brede aandacht van telers komt. 

Er bestaan verschillende varianten van EHEC-bacteriën, ook wel stammen genoemd. Deze worden onderscheiden met nummers. Experimenteel werk in dit onderzoek toonde aan dat EHEC O104:H4 (de Duitse uitbraak stam) ongeveer drie maanden in de bodem kan overleven. Dit is een aanzienlijke risicofactor voor (her)besmetting in de primaire productie. 

De eigenschappen van de verschillende stammen zijn genetisch vastgelegd. In eerdere projecten heeft het RIVM het gen rpoS (regulator voor stress response) geïdentificeerd als een zeer belangrijke determinant voor bodemoverleving van EHEC O157. Ook de experimenten met EHEC O104 lieten zien dat stammen die mutaties in dit gen hebben minder goed overleven. Om de rol van dit gen te bewijzen zijn de experimenten over bodemoverleving uitgevoerd met een stam die beschikt over een volledig functioneel rpoS en een stam waarbij dit gen geheel was uitgeschakeld. In het laatste geval is de overleving drastisch minder, wat aangeeft dat rpoS een hele goede indicator is voor de mate waarin EHEC stammen in de bodem kunnen overleven. 

Tot slot is onderzocht of EHEC stammen die geïsoleerd zijn uit plantaardig materiaal genetisch anders zijn dan stammen die geïsoleerd zijn uit dieren of dierlijke producten. Het doel hiervan was om genetische markers te vinden voor EHEC bacteriën die alleen of vooral op planten voorkomen. Hiertoe zijn 171 stammen onderworpen aan whole-genome-sequencing.  Met whole-genome sequence wordt het gehele genetisch materiaal van de bacterie in kaart gebracht. Uit de gevolgde analyses bleek echter dat EHEC afkomstig van planten geen aparte populatie vormen. Dit betekent dat er waarschijnlijk geen specifieke typen zijn aangepast zijn aan een plantaardig milieu en dat het vooral op toeval berust welk type via een bepaalde besmettingsroute op een plant terecht komt. Dit benadrukt dat EHEC besmetting van groenten niet via een bepaalde bron en route loopt en een brede aanpak van preventie noodzakelijk is om uitbraken te voorkomen.

Samenwerking

Dit project was onderdeel van het internationale, door de EU gefinancierde INTERREG (Euregio Rijn-Waal) project eH@C-HUPAction. Partners in dit project waren de universiteit van Münster (Duitsland), Plant Research International van de Wageningen Universiteit en Research Centre, Ministerie van Economische Zaken, Provincie Gelderland, Ministerie Nordrhein-Westfalen, Universteit Bonn.

Meer informatie

http://giqs.org/projekte/hupaction/

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu