- Home
- Onderwerpen
- Verder onderzoek
Verder onderzoek na het bevolkingsonderzoek
- Verder onderzoek bij kleine afwijkingen (huisarts)
- Verder onderzoek bij ernstige afwijkingen (gynaecoloog)
1. Verder onderzoek bij kleine afwijkingen
Vervolgonderzoek met de humaan papillomavirus-test (HPV-test)
Steeds vaker wordt op het tweede uitstrijkje na 6 maanden ook een HPV-test gedaan. Er wordt dan ook gekeken of het HPV-virus aanwezig is. Hierdoor kan eerder gekeken worden of verder onderzoek nodig is. Is er een HPV-test gedaan op uw uitstrijkje? Dan kunt u de volgende uitslagen krijgen:
• Het uitstrijkje na 6 maanden is normaal (PAP 1). Er is ook geen HPV-virus aanwezig. Een uitstrijkje na 12 maanden is niet nodig. U kunt weer meedoen aan het bevolkingsonderzoek. U krijgt dan automatisch een uitnodiging.
• Het uitstrijkje na 6 maanden is normaal (PAP 1). Maar het HPV-virus is wel aanwezig. Bij deze uitslag wordt voor de zekerheid na 12 maanden een derde uitstrijkje gemaakt. Als dit ook normaal is, kunt u weer meedoen aan het bevolkingsonderzoek. U krijgt dan automatisch een uitnodiging.
• De afwijking in het uitstrijkje na 6 maanden is hetzelfde als het eerste uitstrijkje (PAP2 of PAP 3a1). Er is geen HPV-virus aanwezig. Er wordt na 12 maanden een derde uitstrijkje gemaakt. Is de uitslag hetzelfde als bij het tweede uitstrijkje, of is het uitstrijkje normaal? Dan kunt u weer meedoen aan het bevolkingsonderzoek. Is de uitslag hetzelfde, maar is het HPV-virus aanwezig? Dan krijgt u het advies om voor verder onderzoek naar de gynaecoloog te gaan.
• De afwijking in het uitstrijkje na 6 maanden is hetzelfde als het eerste uitstrijkje (PAP2 of PAP 3a1). En er is wel een HPV-virus aanwezig. Bij deze uitslag krijgt u het advies om voor verder onderzoek naar de gynaecoloog te gaan.
• Het uitstrijkje na 6 maanden laat zien dat de afwijking erger is geworden (PAP 3a2 of hoger). Het is belangrijk dat u verder onderzoek bij de gynaecoloog laat doen.
Vervolgonderzoek zonder HPV-test
Vervolgonderzoek bij de huisarts vindt plaats als er in het uitstrijkje kleine afwijkende cellen zijn gevonden. Dit zijn geen kankercellen. Vaak verdwijnen de afwijkende cellen vanzelf. Het afweersysteem van het lichaam ruimt de cellen zelf op. Dit kan één tot anderhalf jaar duren. Daarom krijgt u het advies om na 6 en 12 maanden een uitstrijkje te laten maken. De huisarts kan dan kijken of de afwijkende cellen weg zijn.
Deze verdere onderzoeken zijn geen bevolkingsonderzoek. Daarom zijn ze niet gratis. Uw zorgverzekeraar betaalt het onderzoek. Dit hangt wel af van de hoogte van uw eigen risico. U betaalt dus misschien zelf een deel.
Na het eerste verdere onderzoek kunt u de volgende adviezen krijgen:
• De afwijking in het uitstrijkje is minder geworden. Het uitstrijkje is normaal (PAP 1). Bij deze uitslag wordt voor de zekerheid na 12 maanden een derde uitstrijkje gemaakt. Als dit ook normaal is, kunt u weer meedoen aan het bevolkingsonderzoek. U krijgt dan automatisch een uitnodiging.
• De afwijking in het uitstrijkje na 6 maanden is hetzelfde als het eerste uitstrijkje (PAP2 of PAP 3a1). U krijgt het advies om voor verder onderzoek naar de gynaecoloog te gaan.
• Het uitstrijkje na 6 maanden laat zien dat de afwijking erger is geworden (PAP 3a2 of hoger). U krijgt het advies om voor verder onderzoek naar de gynaecoloog te gaan.
2. Verder onderzoek bij ernstige afwijkingen
Bij ernstige afwijkingen gebeurt verder onderzoek bij de gynaecoloog. Meestal schrikt u als u deze uitslag krijgt. U bent misschien bang dat u baarmoederhalskanker hebt. Maar dat is bijna nooit zo.
De gynaecoloog kan het volgende onderzoek doen:
• Een lichamelijk onderzoek. De gynaecoloog kan uw baarmoeder vanaf de buitenkant onderzoeken. Dit gaat via uw buik. De gynaecoloog onderzoekt ook uw baarmoeder via uw vagina.
• Nog een uitstrijkje.
• Colposcopie. Met dit onderzoek bekijkt de gynaecoloog de baarmoederhals met een
colposcoop. Dit is een soort microscoop.
Na dit onderzoek krijgt u misschien een behandeling. Of en welke behandeling u krijgt, hangt af van hoe ernstig de afwijkingen zijn. Hieronder wordt dit uitgelegd.
• PAP 3a2 of KOPAC P5/A4-5
Er zijn cellen gevonden met een matig ernstige afwijking. De gynaecoloog onderzoekt of en wat er aan de hand is. Bij de helft van de vrouwen is geen behandeling nodig. De andere helft heeft een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals nodig.
• PAP 3b of KOPAC P6/A5/C6
De cellen zijn iets meer afwijkend dan bij een PAP 3a. De gynaecoloog onderzoekt of en wat er aan de hand is. U hebt ook meer kans dat een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals nodig is dan bij PAP 3a.
• PAP 4 of KOPAC P7/A6/C7
De cellen zijn nog meer afwijkend dan bij een PAP 3a of een PAP 3b. De gynaecoloog onderzoekt wat er aan de hand is. U hebt een grote kans dat u een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals nodig hebt. Die kans is ongeveer 90%.
• PAP 5 of KOPAC P8-9/A7-8/C9
De cellen zijn erg afwijkend. Bij deze uitslag kunt u baarmoederhalskanker hebben. Soms is er toch geen kanker. Hebt u wel baarmoederhalskanker? Dan wordt u eerst onderzocht om te kijken hoe ver de ziekte zich heeft ontwikkeld. Welke behandeling u krijgt hangt af van de uitslag. Wilt u hierover meer informatie? Kijk dan ook op de websites van KWF Kankerbestrijding en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie.
