- Home
- Onderwerpen
- Baarmoederhalskanker
- Feiten en cijfers
Feiten en cijfers bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker
Kerncijfers bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker
Een overzicht van de belangrijkste feiten over baarmoederhalskanker en het bevolkingsonderzoek naar deze vorm van kanker:
De aandoening
• In Nederland krijgt 1 op de 170 vrouwen baarmoederhalskanker.
• 1,6% van alle vrouwen die kanker krijgen, heeft baarmoederhalskanker.
• Per jaar wordt bij ongeveer 700 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld.
• Per jaar overlijden ruim 200 vrouwen aan baarmoederhalskanker.
• Baarmoederhalskanker komt, in tegenstelling tot veel andere vormen, bij relatief jonge vrouwen voor. Vrouwen van 30 tot 45 jaar oud behoren tot de grootste risicogroep.
• Van de vrouwen bij wie baarmoederhalskanker is vastgesteld, leeft na 5 jaar ongeveer 70%, als de kanker vroeg is ontdekt 90-100%.
(Bronnen: www.ikcnet.nl en Zorgbalans 2010)
Het bevolkingsonderzoek
• Elke 5 jaar worden vrouwen tussen 30 en 60 jaar uitgenodigd voor het maken van een uitstrijkje.
• Per jaar worden ongeveer 800.000 vrouwen benaderd.
• De deelname aan het bevolkingsonderzoek is ruim 65 procent.
(Bron: LEBA, 2008)
Verwijzing
• Ongeveer 1 op de 100 gescreende vrouwen wordt voor nader diagnostisch onderzoek verwezen
• Bij 2,8% van de verwezen vrouwen wordt baarmoederhalskanker gediagnosticeerd.
• Het percentage bevolkingsonderzoekuitstrijkjes met een licht afwijkende uitslag, waarbij volgens de richtlijnen een herhalingsadvies wordt gegeven, bedroeg in 2008 iets meer dan 2,5%.
• Van deze deelnemers had 32% bij het eerste of het tweede herhalingsuitstrijkje een uitslag Pap 2 of hoger, een uitslag waaraan volgens de huidige richtlijnen een verwijsadvies gekoppeld is.
• Het percentage uitstrijkjes waarbij volgens de richtlijnen een direct verwijsadvies wordt gegeven, bedroeg in 2008 0,7%.
(Bronnen: PALGA en Kengetallen 2008)
Screeningsinterval
• In 2003 werd 18% van de uitstrijkjes gemaakt binnen 2 jaar sinds het vorige uitstrijkje in het kader van het bevolkingsonderzoek. Uitstrijkjes bij vrouwen die voor het eerst een uitstrijkje kregen, zijn hierbij niet meegerekend.
• In 2003 was bij meer dan 50% van de primaire uitstrijkjes het interval sinds het vorige uitstrijkje tussen de 4 en de 6 jaar en daarmee in overeenstemming met de huidige aanbeveling. Dit is vrijwel gelijk aan de 51% intervallen rond de destijds aanbevolen 3 jaar.
Relatie tussen baarmoederhalskanker en screening
• In totaal werden in Nederland in de periode 1998-2002 2.557 invasieve carcinomen in de analyse opgenomen bij vrouwen van 30-64 jaar (2.166 in de periode 1994-1997).
• Van deze carcinomen werd 51% gediagnosticeerd zonder een voorafgaande negatieve screening (62% in 1994-1997)
• 22% werd gediagnosticeerd na één voorafgaande negatieve screening (21% in 1994-1997)
• 27% werd gediagnosticeerd na twee of meer voorafgaande negatieve screeningen (17% 1994-1997).
Incidentie en baarmoederhalskankersterfte
De afgelopen 25 jaar is de sterfte ten gevolge van baarmoederhalskanker met meer dan de helft afgenomen. Het aantal nieuwe gevallen per jaar is ook afgenomen, maar minder dan de sterfte. Er is sprake van een sterke afname van incidentie en sterfte sinds 1970, door behandeling van voorstadia van kanker als gevolg van bevolkingsonderzoek. In de tweede helft van de jaren ’80 ontstaat een lichte stijging door een onderbreking van het bevolkingsonderzoek. De daling wordt hervat sinds de hernieuwde start half 1990, wat wordt vervolgd door een lichte stijging sinds 2003.
(Bronnen: www.ikcnet.nl)
