Geschiedenis bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

Proefbevolkingsonderzoeken naar baarmoederhalskanker aan het begin van de jaren ’70 zijn in de loop van dat decennium uitgebreid naar een vrijwel landelijk aanbod door gemeenten. In 1985 is besloten tot landelijke invoering van een bevolkingsonderzoek met medewerking van de huisarts. In 1996 is het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker geherstructureerd.

Verbeteringen van de herstructurering
Met de herstructurering in 1996 is een aantal grote verbeteringen doorgevoerd, o.a. om de kosteneffectiviteit van het bevolkingsonderzoek te verbeteren.

• Het programma werd landelijk dekkend met een combinatie van centrale coördinatie en regionale uitvoering.
• De leeftijd waarop vrouwen worden gescreend, is veranderd van 35 tot 53 jaar naar 30 tot 60 jaar.
• De screeningsinterval is verlengd van 3 jaar naar 5 jaar.
• Wie niet deelneemt, ontvangt voortaan een herinnering.
• Uitstrijkjes buiten het bevolkingsonderzoek om worden niet meer vergoed.
• Er zijn nieuwe pathologierichtlijnen ingevoerd om de specificiteit te verbeteren (ontsteking en ECC-uitslag werden Pap 1 in plaats van Pap 2).

Resultaten van de herstructurering
• De verbeteringen hebben geleid tot een daling van de kosten per gewonnen levensjaar met 38%.
• De geschatte kosten per gewonnen levensjaar zijn tussen 1994 en 2004 afgenomen van € 15.000,- naar € 9.000,- (3% discontering).
• Het percentage deelnemers dat per screeningsronde werd doorverwezen, is gedaald van 19% in 1994 naar 3% in 2003.
• Het opvolgen van advies naar aanleiding van het uitstrijkje is verbeterd. In vergelijking met 1994 was het totaal aantal uitstrijkjes in 2003 afgenomen met 20%.

Proefbevolkingsonderzoeken
In het begin van de jaren zeventig is in drie proefregio’s (Nijmegen, Rotterdam en Utrecht) een experiment begonnen met het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. De screening vond iedere drie jaar plaats in een speciale screeningseenheid. Na drie jaar zijn deze experimenten gestopt.

Landelijke invoering
Onder politieke druk is namelijk vroegtijdig begonnen met de invoering van screening op grote schaal. Gemeenten zijn met subsidie van de overheid gestart. De screening vond nog steeds plaats in speciale units. In 1985 is besloten om de huisartsen te betrekken. Reden was de geconstateerde overlapping van activiteiten die in de preventieve en curatieve sector plaatsvonden. Vrouwen tussen de 35 tot 55 jaar werden door meestal de GGD’en iedere drie jaar uitgenodigd.

In 1988 heeft Erasmus MC een rapport uitgebracht over de evaluatie van het bevolkingsonderzoek (Kosten en effecten van bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker). De belangrijkste conclusies:
 
• Het screeningsinterval was niet ideaal.
• Het aantal opportunistische screeningen was hoog en erg ineffectief. Deze vorm van onderzoek was erg ondoelmatig; de kosten per gewonnen levensjaar waren tweemaal zo hoog als de georganiseerde screening.

In 1991 heeft de Ziekenfondsraad een rapport uitgebracht over de organisatie van het bevolkingsonderzoek (Advies inzake organisatie bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, november 1991, rapport op te vragen bij het RIVM). De coördinatie van het bevolkingsonderzoek, de voorlichting en monitoring van de deelnamebereidheid zijn in het onderzoek meegenomen. De conclusie was dat het bevolkingsonderzoek in een betere organisatievorm voortgezet diende te worden met een goed functionerend oproepsysteem, stelselmatige voorlichting en een registratiesysteem ten behoeve van de uitvoering en kwaliteitsbewaking.

(Bronnen: Rebolj et al. ‘Monitoring a national cancer prevention programme: Successful changes in cervical cancer screening in the Netherlands.’ (Int J Cancer 2007) en De effecten en kosten van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker in Nederland na de herstructurering, rapport RIVM december 2006)

Laatst gewijzigd: 23 juni 2010

Afdrukken