Geschiedenis bevolkingsonderzoek borstkanker

Het landelijk bevolkingsonderzoek naar borstkanker is gestart in 1989 op grond van ervaringen met gerandomiseerde screeningstrials in Zweden en proefbevolkingsonderzoeken in Nederland. Bij de invoering van het bevolkingsonderzoek is gestart in vijf nieuwe IKC-regio’s (integrale kankercentra). Tot 1998 werd de doelgroep 50-70 jaar gescreend. In 1998 is de doelgroep uitgebreid tot 75 jaar.

Screeningstrials
De mammografie deed zijn intrede in de kliniek rond de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werd in New York de eerste gerandomiseerde mammografische screeningstrial, de HIP-Study (Health Insurance Plan), uitgevoerd. In de jaren ’70 en ‘80 werd dit gevolgd door screeningstrials in Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Canada.

In alle trials werd de borstkankersterfte vergeleken tussen twee groepen vrouwen, de ene groep werd wel voor de mammografische screening uitgenodigd en de andere niet. De trials verschilden wat betreft de manier van randomiseren (individueel, op niveau van gemeente- of huisartspraktijkclusters), de leeftijdsrange van de uitgenodigde vrouwen (tussen 40 en 74 jaar), het screeningsinterval (12-33 maanden), het aantal screeningsronden (1-8), het aantal geïncludeerde vrouwen (20.000 tot 75.000) en de manier waarop de doodsoorzaak borstkanker werd vastgesteld. Het opkomstpercentage van de uitgenodigde vrouwen was 61-100%. Met uitzondering van de twee Canadese studies wezen de resultaten van de meeste trials in de richting van een beschermend effect door mammografie in de groep vrouwen van 50 jaar en ouder.

Een meta-analyse van vijf Zweedse screeningstrials in de beginjaren ’90 liet in de screen-arm, de voor mammografie uitgenodigde vrouwen, een significante reductie van de borstkankersterfte met 29% zien na 7 jaar follow-up. Na een follow-upperiode van 13 jaar was het effect onveranderd gunstig. Voor vrouwen onder de 50 jaar werd aanvankelijk geen significant effect van screenen op de borstkankersterfte gevonden. (RR 0,81, C.I. 0,65-1,01).

Proefbevolkingsonderzoeken
In Nederland was er al vroeg belangstelling voor mammografische screening. Na de gunstige resultaten van de New Yorkse HIP-study voelde men in Nederland meer voor een proefbevolkingsonderzoek dan voor een nieuwe screeningstrial. Doel was om na te gaan of een bevolkingsonderzoek in Nederland de borstkankersterfte gunstig zou kunnen beïnvloeden en hoe de screening het beste zou kunnen worden georganiseerd.

In 1974/1975 startten in Utrecht en in Nijmegen twee proefbevolkingsonderzoeken. Deze hadden bewust een verschillend design: terwijl in Nijmegen alle vrouwen van 40 jaar en ouder tweejaarlijks werden uitgenodigd, werd in Utrecht een cohort vrouwen van 50-64 jaar gedurende 5 rondes met verschillende intervallen gescreend. Daaruit bleek dat een screeningsinterval van 4 jaar te lang was om borstkanker in een wezenlijk vroeger stadium op te kunnen sporen. De effectmeting berustte op een case-control studiedesign met vrouwen die aan borstkanker waren overleden als cases en deelname aan het bevolkingsonderzoek als expositie.

Na 7 jaar follow-up bleek dat deelneemsters aan de screening maar ongeveer half zoveel kans hadden om aan borstkanker te overlijden in vergelijking met de niet-deelneemsters. Bij een case-controlstudie kan echter niet helemaal worden uitgesloten dat deelnemers aan preventieve programma’s gezondheidsbewuster leven, wat tot een gunstige vertekening van de resultaten kan leiden (selectiebias, healthy screenee effect).
 
Naar aanleiding van de uitkomsten van de proefbevolkingsonderzoeken begon men in Nederland serieus een landelijk bevolkingsonderzoek naar borstkanker te overwegen. Een proef in 1987 met een verplaatsbare screeningsunit had een gunstig effect op de opkomst en liet zien dat ook mobiele screening mogelijk was.

Meer informatie over de proefbevolkingsonderzoeken Utrecht:

Meer informatie over de proefbevolkingsonderzoeken Nijmegen:

Meer informatie over screeningstrials:


Laatst gewijzigd: 23 juni 2010

Afdrukken