Rapport in het kort
De gezondheidszorg komt dagelijks in het nieuws. Vaak
gaat het dan over de zorguitgaven. Want er wordt wel gezegd dat die
onhoudbaar zijn als de bevolking vergrijst, en dat daardoor ook de
solidariteit onder druk komt te staan.
Dit rapport nuanceert het gangbare beeld. Aan de hand van nieuwe gegevens
over het zorggebruik van individuele personen wordt een beeld geschetst van
de zorguitgaven over de levensloop. Deze uitgaven betreffen de intramurale
ziekenhuiszorg en de ouderenzorg, bestaande uit thuiszorg (inclusief
huishoudelijke verzorging), verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Uitgaande
van 2003 als peiljaar gaat het om 37,4% van de totale zorguitgaven.
Ziekenhuiszorg: Nederlander is solidair met zichzelf in de toekomst. Ieder
jaar wordt ongeveer 10% van de bevolking in het ziekenhuis opgenomen, en een
klein deel van deze patienten veroorzaakt hoge tot zeer hoge kosten.
Daardoor zijn de ziekenhuiskosten erg scheef over de bevolking verdeeld.
Over de levensloop gemeten is die ongelijkheid echter veel geringer. Dat
heeft twee oorzaken. Ten eerste wisselt de groep kleingebruikers van jaar
tot jaar van samenstelling. In een periode van tien jaar heeft al ongeveer
de helft van de bevolking in het ziekenhuis gelegen, en over de gehele
levensloop maakt nagenoeg iedereen gebruik van ziekenhuiszorg. Ten tweede
bestaat de groep mensen met zeer hoge ziekenhuiskosten voornamelijk uit
mensen die aan het einde van hun leven zijn gekomen. Comorbiditeit, het
hebben van meer dan een ziekte tegelijk, speelt daarbij een grote rol.
Omdat voor iedereen een keer het laatste levensjaar aanbreekt, zijn de
ziekenhuiskosten ook hierdoor veel minder scheef over de bevolking verdeeld
dan men op basis van een enkel kalenderjaar zou concluderen. Nederlanders
zijn dus niet alleen solidair met hun zorgbehoevende medemensen, maar ook
met zichzelf in de toekomst.
Ouderenzorg: mannen zijn solidair met vrouwen. Ook in de ouderenzorg valt
het grootste deel van de uitgaven in de laatste levensjaren. Maar, anders
dan in de ziekenhuiszorg, zijn er ook heel veel mensen die nooit in een
verpleeghuis of verzorgingshuis worden opgenomen en ook nauwelijks tot geen
gebruik maken van thuiszorg. Dit geldt met name voor mannen. Vrouwen
gebruiken uiteindelijk wel allemaal thuiszorg en meer dan de helft komt ook
in een verpleeghuis of verzorgingshuis terecht. Het verschil tussen mannen
en vrouwen blijkt vooral het gevolg te zijn van hun verschillende
levensverwachting. Gemiddeld leven vrouwen langer dan mannen, waardoor ze
verhoudingsgewijs vaker alleenstaand zijn en eerder zijn aangewezen op
formele zorg. Vrouwen zijn dus solidair in het geven van mantelzorg die ze
zelf niet ontvangen, en mannen in het financieren van de formele zorg die ze
zelf niet nodig hebben.
Ziekenhuiszorg: het dure laatste levensjaar wordt uitgesteld. Door de
vergrijzing nemen de zorgkosten toe. Er komen immers steeds meer oudere
mensen, en juist oudere mensen gebruiken veel zorg. Op basis van eenvoudige
demografische vooruitzichten wordt daarom wel gewaarschuwd voor exploderende
zorgkosten. Het verhaal is echter genuanceerder. Dat komt omdat er meer
demografische veranderingen zullen optreden. Er is immers sprake van een
dubbele vergrijzing. De verwachting is dat de levensverwachting verder zal
toenemen. Omdat de meeste kosten in het laatste levensjaar vallen, leidt
dit tot uitstel van zorguitgaven. Daardoor vallen de vergrijzingslasten
lager uit dan gewoonlijk wordt berekend. Dit geldt met name in de
ziekenhuiszorg. Een verdere afvlakking van de kostenontwikkeling zou kunnen
volgen als compressie van morbiditeit ook leidt tot een reductie van
zorgkosten. Speciale aandacht daarbij verdient de vermindering van
comorbiditeit. Het hebben van meer dan een ziekte leidt namelijk tot
substantieel hogere zorgkosten, zowel in het laatste levensjaar als aan de
jaren die daaraan voorafgaan.
Ouderenzorg: levensverwachting van mannen vermindert vergrijzingslasten.
Door de vergrijzing zullen de uitgaven voor ouderenzorg op zijn minst dubbel
zo hard stijgen als de uitgaven voor ziekenhuiszorg. Pas na 2040 zwakt de
uitgavenontwikkeling af. Tenminste, zolang wordt uitgegaan van eenvoudige
toekomstbeelden die alleen rekening houden met leeftijd en geslacht. Ook in
de ouderenzorg zijn echter nog meer demografische factoren van belang. Het
gaat dan niet om hoge kosten in het laatste levensjaar. Die zijn er wel,
maar bij de oudste bevolkingsgroepen die het meest gebruik maken van
ouderenzorg, wijken de kosten van overledenen veel minder af dan in de
ziekenhuiszorg. Juist bij de hoogste leeftijdsgroepen wordt een sterke
toename van de kosten waargenomen. Waar het wel om gaat is dat mensen met
een partner verhoudingsgewijs veel minder zorg gebruiken dan alleenstaanden.
Dat geldt niet alleen voor de thuiszorg, ze worden ook minder opgenomen in
een verpleeghuis of verzorgingshuis. Omdat in de komende decennia de
levensverwachting van mannen meer toeneemt dan die van vrouwen, zullen er
naar verhouding veel minder alleenstaande vrouwen zijn dan nu het geval is.
Meer vrouwen zullen nog een partner hebben waardoor ze minder afhankelijk
zijn van formele zorg. Het CBS verwacht dan ook dat er in de periode tot
2020 aanzienlijk minder vrouwen in een verpleeghuis of verzorgingshuis
zullen verblijven en dat ook het beroep op thuiszorg zal afnemen. De
uitgaven voor ouderenzorg zullen daardoor veel minder hard stijgen dan vaak
wordt voorgerekend. In de periode tot 2020 halveert de jaarlijkse
groeivoet, en het effect blijft in de volgende decennia goed merkbaar in
substantieel lagere kosten in vergelijking met de traditionele berekeningen.
Conclusie
Voor het eerst zijn voor Nederland de zorgkosten op persoonsniveau diepgaand
geanalyseerd. Dit is een vruchtbare exercitie gebleken. Er zijn
belangwekkende nieuwe inzichten naar voren gebracht die betekenis hebben
voor de grote beleidsthema's in de gezondheidszorg. In een vergrijzende
samenleving zijn solidariteit en de ontwikkeling van de zorgkosten erg
belangrijk. Dit rapport toont aan dat zowel de solidariteit als de
zorgkosten houdbaarder zijn dan doorgaans wordt gedacht.