English Abstract Several laboratory models exist for assessing the
amount of lead that is released from soil and available for absorption by
the gastrointestinal tract of children. Both the static in vitro digestion
model (IVD) of the National Institute for Public Health and Environment
(RIVM) and the dynamic Tiny-Tim model of the Netherlands Organisation for
Applied Scientific Research (TNO) mimic the physiological conditions of the
gastrointestinal tract of a child. However, the IVD model estimates a
higher risk than the Tiny-Tim model. Exposure to too high levels of lead
poses a particular health risk to children, one of which is a negative
impact on IQ development.
The soil in the historical inner (city) areas of many Dutch cities and
villages is often polluted with lead. This lead originates from several
sources, including the accumulation of lead-containing waste products and
building rubble associated with centuries of urban development and
industrial activities. This has resulted in a rubble layer that is referred
to as made ground.
Made grounds from different sources appear to have rather uniform soil
characteristics, despite differences in the original soil lithology (clay,
sand, loess). Possibly because of this uniformity, no relation has been
observed between the release of lead from made grounds and soil
characteristics. Results obtained using the IVD model, however, do indicate
a qualitative relation between lead mineralogy and the release of lead from
made grounds.
The results of prior comparisons of the IVD and Tiny-TIM models using human
and animal data are in close agreement. To obtain a definitive answer on
the usability of these models in risk assessment, however, the RIVM
recommends that additional validation tests be run using relevant human or
animal data.
This report offers policy-makers useful information on how to deal with lead
bioavailability in the soil which allows a more precise risk
assessment.
Rapport in het kort
Er bestaan meerdere laboratoriummodellen die schatten
hoeveel lood uit de bodem vrijkomt en bij kinderen in het maagdarmkanaal
vrijkomt. Het model van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) schat het risico echter hoger in dan het model van de Nederlandse
Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO). Beide
modellen, het Tiny-TIM-model van TNO en het in-vitrodigestie(IVD)model van
het RIVM, bootsen in laboratoria de condities van het menselijke
maagdarmkanaal na. Vooral kinderen zijn gevoelig voor de toxische effecten
van lood. Een te hoge concentratie kan het IQ verminderen.
De bodem van Nederlandse oude binnensteden is vaak verontreinigd met lood.
Dat komt doordat veel Nederlandse dorpen en steden eeuwenlang zijn bewoond
en de bewoners al heel lang lood in allerlei producten gebruiken. Deze
bodem wordt de stedelijke ophooglaag genoemd.
Er is geen relatie gevonden tussen bodemeigenschappen van de stedelijke
ophooglagen en de mate waarin lood vrijkomt. Dat komt waarschijnlijk
doordat de stedelijke ophooglaag vrij uniforme bodemeigenschappen heeft,
ondanks de verschillen in de oorspronkelijke ondergrond (zand, klei, loss).
Met het IVD-model is wel een verband gevonden tussen de chemische vorm van
lood en de geschatte mate waarin het in het lichaam wordt opgenomen.
Eerdere vergelijkingen tussen de modellen met gegevens van mensen of dieren
kwamen wel overeen. Om uitsluitsel te krijgen over de bruikbaarheid van de
modellen adviseert het RIVM om enkele testen in mens of dier uit te voeren,
en deze resultaten te vergelijken met de resultaten van de modellen. Het
rapport doet enkele handreikingen voor de manier waarop beleidsmakers kunnen
omgaan met biobeschikbaarheid van lood in de bodem voor een humane
risicobeoordeling.