RIVM_Logo_Engels

Composition and Origin of Airborne Particulate Matter in the Netherlands

Publiekssamenvatting

Fijn stof in de buitenlucht met een diameter kleiner dan 10 um (PM10) blijkt op een consistente wijze geassocieerd te zijn met ernstige humane gezondheidseffecten. Dergelijke gezondheidseffecten zijn over de hele wereld gevonden, inclusief in Nederland. Dit was voor de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) reden om fijn stof op te nemen in de "Air Quality Guidelines". De Europese Unie wijdde een aparte dochter-richtlijn aan fijn stof (1999/30/EC, onderdeel van de kaderrichtlijn luchtkwaliteit 96/62/EC). Voor de EU is dit een dubbele norm geworden met een jaargemiddelde waarde van 40 ug/m3 en een dagelijks gemiddelde van 50 ug/m3 met 35 toegestane overschrijdingen per jaar (het 90-percentiel van de daggemiddelde waarden) beide in 2005. De indicatieve waarden voor 2010 zijn 20 ug/m3 als jaargemiddelde met 7 toegestane overschrijdingen voor het daggemiddelde van 50 ug/m3. Voor de Nederlandse overheid leidden de nieuwe luchtkwaliteitsnormen tot een aantal vragen over de huidige niveaus van fijn stof, de deeltjesgrootte-verdeling, chemische samenstelling, en de bijdragen van natuurlijke en antropogene bronnen (zowel lokale als buitenlandse) aan de huidige PM-niveaus in Nederland. Meer in het bijzonder zou het in het verleden gevonden "gat "van 50% tussen modellen en metingen beter verklaard en zo mogelijk verkleind moeten worden. De ratio tussen metingen en modellen (waarbij alleen het antropogene deel van de bronnen is meegenomen) bedroeg in 1995 slechts 0,50. Dit rapport gaat in op de bovenstaande vragen. Op zes plaatsen in Nederland zijn gedurende de jaren 1998 en 1999 een groot aantal metingen uitgevoerd. We hebben naast PM10 ook de fijne fractie (PM2.5) gemeten en de grove fractie (PM10 - PM2.5). Verder zijn de concentraties van secundaire anorganische zouten: ammonium, nitraat en sulfaat; elementair koolstof en organisch koolstof, natrium en chloride als tracers voor zeezout en 16 verschillende chemische elementen bepaald. Ook werden er nog bronprofielen verzameld van wegverkeer in de IJ-tunnel in Amsterdam. De kwaliteitscontrole op het veldwerk werd uitgevoerd door OMEGAM. De kwaliteitscontrole op de filtermetingen werd uitgevoerd door het RIVM. Een van de conclusies van deze studie is dat er geen significant verschil bestaat tussen gemeten PM10-concentraties en gemodelleerde PM10-concentraties in combinatie met de bijdrage van natuurlijke bronnen. De gemiddelde ratio van de gemodelleerde versus gemeten concentraties bedraagt 0,94 (bij een uniforme correctiefactor voor de FAG-meetinstrumenten) of 0,91 (bij een locatie-specifieke correctiefactor). Wanneer ook rekening gehouden wordt met de verschillende onzekerheden, bedraagt 1 keer de standaardafwijking van de bovengenoemde ratio 0,20. Daaruit concluderen we dat het 'gat' tussen metingen en modellen adequaat is gesloten. Aan de hand van de berekeningen met OPS/SIGMA en de resultaten van deze studie hebben we ons een indruk kunnen vormen van datgene wat met behulp van maatregelen te verbeteren zou zijn aan de concentraties van fijn stof. We vonden daarbij dat het maximale deel van PM10 dat door binnenlandse maatregelen te beinvloeden zou zijn in Nederland, variabel is: 6 tot 18 ug/m3. Het maximale deel dat door buitenlandse maatregelen (EU) te beinvloeden is, varieert van 10 tot 15 ug/m3. Jaargemiddeld is ongeveer 7 tot 9 ug/m3 van het fijn stof in Nederland van natuurlijke oorsprong. Deze cijfers zijn indicatief: ze kunnen van jaar tot jaar varieren ten gevolge van meteorologische condities.

Synopsis

Particulate Matter (PM) in ambient air has consistently and coherently been associated with serious human health effects. The new EU air quality standards have, for the Dutch government, led to a number of questions concerning current levels, particle size and chemical composition of PM in the Netherlands, along with the sources influencing the Dutch ambient PM levels. In 1998 and 1999 measurements were performed at six sites in the Netherlands .We measured PM10, its fine and coarse fractions, the secondary inorganic aerosols, elemental and organic carbon, tracers for sea salt and the elemental composition of aerosol. One conclusion of this study is that there is no significant difference between measured PM10 concentrations and modelled PM10 concentrations in combination with the contribution of natural sources. The average fraction of model estimates and measured concentrations is 0.94 or 0.91 (depending on the correction factors). Taking the uncertainty in the various estimates into account, we found a 1-s confidence limit of +- 0.20 for the fraction . After combining model calculations and results from this study to get an impression of what abatement could achieve, we found the maximum level of PM10 that can be influenced by domestic abatement measures within the Netherlands to be highly variable: from to 6 to 18 ug/m3. The maximum level of PM10 that can be influenced by foreign abatement measures (EU) varies from 10 to 15 ug/m3. The PM10 in the Netherlands from a natural origin is estimated at between 7 and 9 ug/m3. All these figures are indicative.
 

Home / Documents and publications / Composition and Origin of Airborne Particulate Matter in the Netherlands

RIVM Committed to health and sustainability
Menu