Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden Ouderen

Baarmoederhalskanker

Kort en bondig
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Omvang van het probleem
Geografische verschillen

Kijk ook eens bij:

Kijk ook eens bij andere websites:

26 november 2008
Baarmoederhalskanker
Baarmoederhalskanker samengevat

Vóórkomen baarmoederhalskanker in Nederland onder EU-gemiddelde

Baarmoederhalskanker komt in Nederland relatief weinig voor in vergelijking met andere EU-landen en ook de sterfte door baarmoederhalskanker ligt onder het EU-gemiddelde. Het aantal gevallen is het hoogst in de Oost-Europese landen, evenals de sterfte aan deze vorm van kanker.

In 2003 waren er in Nederland 584 nieuwe gevallen van baarmoederhalskanker. Het betreft vooral vrouwen in de leeftijd van 30 tot 50 jaar. Het aantal vrouwen dat op 1 januari 2002 in leven was en in de 10 jaar daaraan voorafgaand baarmoederhalskanker heeft gekregen, wordt geschat op 5.400. In 2005 overleden 235 vrouwen aan baarmoederhalskanker.

Daling van het aantal nieuwe gevallen in periode 1989-2003

In de periode 1989-2003 is het aantal nieuwe gevallen van baarmoederhalskanker gedaald van 718 naar 584. Gecorrigeerd voor de omvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking, bedroeg deze afname 32%. De grootste daling (24%) trad op in de periode 1998-2003.

Ondanks de dalende trend in het aantal nieuwe gevallen, is het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 35-64 jaar dat baarmoederhalskanker heeft, toegenomen met circa 4% per jaar. Dit is toe te schrijven aan het feit dat de sterfte sterk is afgenomen en relatief laag is in vergelijking met het aantal nieuwe gevallen. De sterfte door baarmoederhalskanker is in de periode 1980-2005 met 51% afgenomen. De grootste afname (47%) trad op in de periode 1980-1997.

Daling aantal gevallen waarschijnlijk gevolg van bevolkingsonderzoek

De daling van het aantal nieuwe gevallen en de sterfte is waarschijnlijk toe te schrijven aan de invoering van het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Hierdoor worden voorstadia van de kanker eerder ontdekt en behandeld.

Baarmoederhalskanker veroorzaakt door humaan papilloma virus

Een hardnekkig aanhoudende infectie met humaan papilloma virus (HPV) is de veroorzaker van baarmoedrhalskanker. Het is echter niet voldoende om baarmoederhalskanker te laten ontstaan. Of een HPV-infectie ook daadwerkelijk leidt tot het ontstaan van baarmoederhalskanker, hangt voor een belangrijk deel af van de immuunstatus van de geïnfecteerde vrouw. Baarmoederhalskanker wordt gezien als een zeldzame complicatie van een zeer veel voorkomende infectie met HPV.

Bijna helft van kosten gaat naar openbare gezondheidszorg en preventie

De totale kosten van de zorg voor baarmoederhalskanker bedroegen 54,9 miljoen euro in 2005. Hiervan ging 41% naar de openbare gezondheidszorg en preventie door het bevolkingsonderzoek.

Vaccinatie in 2010 opgenomen in Rijksvaccinatieprogramma

Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker wordt vanaf 2010 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. De vaccinatie is bestemd voor meisjes van 12 jaar.

Geen stijging absoluut aantal nieuwe gevallen verwacht

Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal vrouwen dat baarmoederhalskanker krijgt, in de periode 2005-2025 zal stijgen met 7%. Echter, wanneer ook andere factoren dan demografie in de prognose worden meegenomen, zoals de effecten van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker en de effecten van vaccinatie, is de verwachting dat het absoluut aantal nieuwe gevallen van baarmoederhalskanker zal dalen.


29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat is baarmoederhalskanker en wat is het beloop?

Baarmoederhalskanker ontstaat uit langdurig voorstadium

De baarmoederhals (cervix uteri) is het onderste deel van de baarmoeder (uterus) dat in de vagina uitmondt (baarmoedermond). Baarmoederhalskanker (ICD-10-code C53) is een kwaadaardige (maligne of invasieve) afwijking van het oppervlakteweefsel op de grens van de baarmoederhals en de baarmoedermond. De kwaadaardige ziekte ontstaat uit een langdurig voorstadium, waarbij sprake is van een afwijking in de cellen van het oppervlakteweefsel. Het onderliggende weefsel is in dit voorstadium onveranderd. Onbehandeld kan uit het voorstadium uiteindelijk baarmoederhalskanker ontstaan. De tijd tussen het allereerste begin en het uiteindelijk ontstaan van baarmoederhalskanker kan wel 10-15 jaar bedragen.

Twee typen baarmoederhalskanker te onderscheiden

Baarmoederhalskanker kan men op basis van weefselonderzoek globaal verdelen in kanker van het plaveiselepitheel (planocellulaire carcinomen: 75-80%) en kanker van het cilinderepitheel (adenocarcinomen: 20-25%) (Bulkmans et al., 2004). Gebruikte screeningsmethoden geven vaker fout-negatieve uitslagen bij adenocarcinomen, waardoor een gunstig effect van screening op het vóórkomen van dit type baarmoederhalskanker minder groot is; zie ook: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Humaan papillomavirus speelt een sleutelrol

Baarmoederhalskanker is het gevolg van besmetting met het humaan papillomavirus (HPV). HPV is een seksueel overdraagbaar virus. Infecties met HPV kunnen leiden tot veranderingen in het oppervlakteweefsel van de baarmoedermond, die het voorstadium van baarmoederhalskanker vormen. Zie ook: Welke factoren beïnvloeden de kans op baarmoederhalskanker?

Verspreiding verloopt vooral via lymfestelsel

Verspreiding van de tumor verloopt in eerste instantie via het lymfstelsel naar de klieren, voornamelijk in het bekken. Doorgroei in het omliggende weefsel (vagina, blaas of darm) komt weinig voor. Verspreiding via de bloedsomloop treedt pas in een later stadium op.

Stadiumindeling op basis van uitgebreidheid tumor en uitzaaiingen

Baarmoederhalskanker wordt ingedeeld op basis van de anatomische doorgroei van baarmoederhalskanker (stadium). Dit gebeurt aan de hand van door de Fedération Internationale Gynaecologique et Obstétrique (FIGO) opgestelde criteria, of de Tumour-Nodes-Metastases (TNM) classificatie. Beide classificatiecriteria leiden tot eenzelfde indeling, die is gebaseerd op de aanwezigheid van uitzaaiingen in omliggend weefsel of elders in het lichaam. De diverse te onderscheiden stadia zijn weergegeven in tabel 1.

Klachten afhankelijk van doorgroei en uitzaaiingen

Soms wordt baarmoederhalskanker gevonden bij een vrouw zonder klachten. In een latere fase kunnen de volgende klachten optreden: contactbloedingen, abnormaal vaginaal bloedverlies of afscheiding. Indien de tumor ingegroeid is in een of meer omliggende organen, of indien er uitzaaiingen zijn, kunnen de volgende klachten voorkomen: stoornissen van blaas of darm, en pijn in de onderbuik, laag in de rug en/of de bilstreek, soms uitstralend in het been.

Tabel 1: Stadiumverdeling van baarmoederhalskanker op basis van FIGO-criteria en TNM-classificatie.

Stadium

Uitgebreidheid tumor en uitzaaiingen

I

Tumor beperkt zich tot de baarmoederhals

IA1

invasiediepte < 3 mm, lineaire extensie < 7 mm

IA2

invasiediepte < 5 mm, lineaire extensie < 7 mm

IB1

tumor beperkt zich tot de baarmoederhals, is groter dan stadium IA en kleiner dan 4 cm

IB2

tumor beperkt zich tot de baarmoederhals, is groter dan stadium IA en groter dan 4 cm

II

Tumor is doorgegroeid tot buiten de baarmoeder, maar reikt niet tot de bekkenwand of het onderste derde deel van de vagina

IIA

tumor is niet doorgegroeid tot in het naast de baarmoeder gelegen bindweefsel (parametrium)

IIB

tumor is doorgegroeid tot in het naast de baarmoeder gelegen bindweefsel (parametrium)

III

Tumor is doorgegroeid tot aan de bekkenwand of in het onderste deel van de vagina

IIIA

tumor is doorgegroeid tot in het onderste deel van de vagina, maar niet tot de bekkenwand

IIIB

tumor is doorgegroeid tot de bekkenwand

IV

Tumor is buiten het bekken gegroeid of doorgegroeid in de blaas of in de endeldarm. Ook bij uitzaaiingen in bijvoorbeeld longen of botten gaat het om stadium IV

Prognose van baarmoederhalskanker is verbeterd

De prognose van baarmoederhalskanker is in de periode vanaf halverwege de vorige eeuw tot begin jaren negentig aanzienlijk verbeterd. De relatieve 10-jaarsoverleving bij patiënten jonger dan 60 jaar in de IKZ-regio is toegenomen van ruim 50% in de periode 1955-1969 tot ruim 75% in de periode 1990-1994 (IKZ, 2005). De relatieve 10-jaarsoverleving in de IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland) voor patiënten jonger dan 65 jaar bedraagt eveneens ongeveer 75% voor de periode 1988-2003.

De prognose hangt sterk af van het stadium waarin baarmoederhalskanker wordt vastgesteld. De relatieve 5-jaarsoverleving in de IKA-regio varieert van 17% in TNM-stadium IV tot 94% in TNM-stadium I voor de periode 1988-2003.


12 december 2008
Baarmoederhalskanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op baarmoederhalskanker?

Sleutelrol humaan papillomavirus bij ontstaan baarmoederhalskanker

De laatste decennia is de kennis van de factoren die betrokken zijn bij de ontstaan van baarmoederhalskanker aanzienlijk toegenomen. Veroorzaker van baarmoederhalskanker is het humane papillomavirus (HPV). HPV is een seksueel overdraagbaar virus. Er zijn meer dan 100 varianten (Zur Hausen, 2002). Enkele typen van het virus hebben een sterke affiniteit met het epitheel in het gebied dat ligt tussen de baarmoedermond (bekleed met plaveiselweefsel) en de baarmoederhals (bekleed met cilinderweefsel). Deze HPV-typen worden onderscheiden in laag- en hoogrisico-varianten.
De laagrisico-typen (zoals typen 6 en 11) kunnen goedaardige veranderingen van het weefselbekleding van de baarmoedermond veroorzaken, maar ook genitale wratten.

De hoogrisico-typen (hrHPV), waarvan typen 16 en 18 de belangrijkste zijn, zijn kankerverwekkend. Zij spelen een doorslaggevende rol bij vrijwel alle gevallen van baarmoederhalskanker.

Meer dan 80 procent van de vrouwen raakt ooit met HPV geïnfecteerd

Het humaan papillomavirus is een algemeen voorkomend virus. Het virus verspreidt zich meestal door seksueel contact en kan worden overgedragen door genitaal huid-op-huid contact. Het virus komt zo algemeen voor, dat de meeste mannen en vrouwen ooit in hun leven door het virus worden geïnfecteerd. De kans dat een vrouw ooit in haar leven een hoogrisico-HPV-infectie oploopt is zelfs groter dan 80%. Jongvolwassenen worden regelmatig geïnfecteerd met hrHPV. Besmetting treedt het meest op tussen het twintigste en dertigste levensjaar. Ongeveer 80% van de hrHPV-infecties zijn van voorbijgaande aard en verlopen zonder klachten. Deze infecties veroorzaken ook geen cel- of weefselveranderingen. De gemiddelde duur van een voorbijgaande infectie is 6 tot 14 maanden. Zo’n 20% van de hrHPV-infecties leidt tot een verandering van het oppervlakteweefsel van de baarmoedermond, dat wil zeggen een voorstadium van baarmoederhalskanker. Van deze "premaligne" afwijkingen zal zich slechts 1%, zonder medisch ingrijpen, ontwikkelen tot baarmoederhalskanker (Helmerhorst & Meijer, 2002).

Baarmoederhalskanker is zeldzame complicatie van HPV-infectie

Een hardnekkig aanhoudende hrHPV-infectie is de veroorzaker van het voorstadium van baarmoederhalskanker (Nobbenhuis et al., 1999; Woodman et al., 2007). Een infectie met hrHPV is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van baarmoederhalskanker, maar is blijkbaar niet voldoende om het te laten ontstaan. De immuunstatus van de geïnfecteerde speelt hierbij een belangrijke rol, omdat deze van invloed is op het al dan niet aanhouden van de infectie. Baarmoederhalskanker is daarom geen seksueel overdraagbare ziekte, maar eerder een zeldzame complicatie van een veel voorkomende infectie met hrHPV (Helmerhorst & Meijer, 2002).

Overige risicofactoren gerelateerd aan blootstelling aan HPV-infectie

De pil heeft geen invloed op het ontstaan van baarmoederhalskanker, terwijl het gebruik van condooms het aantal premaligne afwijkingen met de helft vermindert (Hogewoning et al., 2003).

Roken heeft waarschijnlijk een risicoverhogend effect vanwege de nadelige beïnvloeding van de lokale immuniteit.

Vaccinatie tegen HPV-infectie opgenomen in Rijksvaccinatieprogramma

Er zijn vaccins tegen HPV-infecties op de markt. Ze bieden bescherming tegen ten minste de hoogrisico-typen HPV 16 en 18. Vaccinatie is het meest zinvol wanneer de gevaccineerde persoon nog niet seksueel actief is. Hierdoor is de kans klein dat deze persoon al een infectie met HPV heeft opgelopen. Voor een goede bescherming zijn drie inentingen tegen HPV nodig, die verspreid over een half jaar worden gegeven. De Gezondheidsraad heeft geadviseerd alle meisjes van 12 jaar te vaccineren en om eenmalig (bij wijze van inhaalcampagne) meisjes van 13 tot en met 16 jaar te vaccineren tegen HPV-infecties (Gezondheidsraad, 2008c). Op basis van en overeenkomstig dit advies van de Gezondheidsraad wordt HPV-vaccinatie vanaf 2010 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma.


29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?


Diagnostiek

Uitstrijkje veel gebruikte opsporingsmethode

Afwijkingen van de baarmoedermond behorend tot het voorstadium van baarmoederhalskanker (premaligne afwijkingen) veroorzaken zelden klachten. Dergelijke afwijkingen worden meestal gediagnosticeerd bij vrouwen bij wie in het kader van het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker een uitstrijkje is gemaakt. In het kader van het bevolkingsonderzoek voor baarmoederhalskanker worden alle vrouwen vanaf 30 tot 60 jaar elke vijf jaar opgeroepen voor een uitstrijkje (zie Preventie van baarmoederhalskanker).

Sommige vrouwen hebben wel klachten die kunnen wijzen op een al dan niet kwaadaardige afwijking, zoals onverwachts vaginaal bloedverlies (bijvoorbeeld na de coïtus, contactbloeding). Bij deze vrouwen is een uitstrijkje noodzakelijk. Bij vrouwen met een verminderde werking van het afweersysteem is extra aandacht noodzakelijk. Hiertoe behoren hiv-geïnfecteerden en vrouwen die afweerverminderende geneesmiddelen gebruiken.

Uitstrijkje heeft signalerende functie

Een uitstrijkje is een onderzoeksmethode, waarbij de arts cellen afstrijkt van het overgangsgebied tussen baarmoederhals en baarmoedermond. Meestal is een afwijkend uitstrijkje de enige aanwijzing dat er een premaligne afwijking bestaat. Het uitstrijkje heeft een signalerende functie.

De patholoog-anatoom beoordeelt de afgestreken cellen onder de microscoop. De cellen worden volgens het (oude) systeem van Papanicolaou beoordeelt, waarbij afwijkingen worden ingedeeld in zogenaamde "Pap-klassen". De indeling loopt van Pap I (geen afwijkingen) tot PAP V (kankercellen). Daarnaast past de Nederlandse Vereniging voor Pathologie beoordeling toe volgens het KOPAC-B-systeem. Hierbij wordt een meer exacte beschrijving van de geconstateerde afwijkingen gebruikt.

Diagnose alleen op basis van weefselonderzoek gesteld

De uiteindelijke diagnose, op grond waarvan een behandeling mag worden ingesteld, kan alleen op basis van weefselonderzoek worden gesteld. Als er afwijkingen zijn waargenomen, neemt de gynaecoloog een stukje "verdacht" weefsel (biopt) weg. Hierbij gebruikt de gynaecoloog een colposcoop. Dit is een binoculaire microscoop op statief waarmee, door middel van vergroting en goede verlichting, de baarmoedermond kan worden geïnspecteerd.
De patholoog-anatoom bekijkt het weggenomen weefsel onder de microscoop en stelt op basis van de microscopisch zichtbare afwijkingen in de weefselopbouw vast of het om premaligne afwijkingen gaat of om kankercellen.
Weefselonderzoek geeft informatie over het stadium van de ziekte, over het type en de mate van kwaadaardigheid van de kankercellen en helpt mee de beste behandeling te bepalen.

Diagnose baarmoederhalskanker gevolgd door nader onderzoek

Is er sprake van baarmoederhalskanker, dan vindt verder onderzoek plaats. Hiervoor zijn verschillende methoden beschikbaar:

  • inwendig onderzoek (eventueel onder narcose)
  • bloedonderzoek
  • aanvullend radiologisch onderzoek

Inwendig onderzoek: vaststellen omvang en doorgoei van de kanker

Soms is onder narcose beter te voelen hoe groot de baarmoederhalskanker is en of deze zich heeft uitgebreid naar de baarmoeder, de eierstokken of de eileiders. Tijdens de narcose kan ook door middel van een kijkoperatie in de blaas of in het laatste deel van de dikke darm worden gezocht naar doorgroei van de baarmoederhalskanker. Dit onderzoek onder narcose kan in dagbehandeling plaatsvinden; soms wordt de patiënt kort in het ziekenhuis opgenomen. Of nog ander onderzoek nodig is, hangt af van de mate waarin de baarmoederhalskanker zich heeft uitgebreid.

Bloedonderzoek vooral gericht op algemene gezondheid

Vaak zal de gynaecoloog bloedonderzoek laten verrichten naar de algemene gezondheid, zoals naar het ijzergehalte (Hb) en de werking van nieren en lever. Soms worden de waarden van een soort merkstoffen in het bloed bepaald die verband kunnen houden met baarmoederhalskanker (CA-125, CEA of SCC).

Verschillende radiologische technieken gericht op uitzaaiingen

Meestal wordt een röntgenfoto van de longen gemaakt om na te gaan of de baarmoederhalskanker zich heeft uitgebreid naar de longen.
Op grond van de plaats en de grootte van de tumor kan het vermoeden bestaan dat één van de urineleiders van de nier naar de blaas door de kanker is aangetast. Via de buik worden de nieren beoordeeld door middel van echografie.

Een CT-scan (computertomografie) en een MRI-scan (magnetic resonance imaging) zijn uitgebreide radiologische onderzoeken. Beide onderzoeken kunnen de plaats, de grootte en de eventuele uitbreiding van de baarmoederhalskanker en eventuele uitzaaiingen in de buik duidelijk zichtbaar maken. Deze onderzoeken gebeuren alleen op indicatie.


Behandeling voorstadia

Alleen ernstige voorstadia van baarmoederhalskanker behandeld

De behandeling van voorstadia van baarmoederhalskanker is afhankelijk van de localisatie, omvang en de graad van de (premaligne) afwijking.
Premaligne afwijkingen worden in zogenaamde CIN-klassen ingedeeld op basis van microscopisch zichtbare afwijkingen in de weefselopbouw. CIN staat voor Cervicale Intra-epitheliale Neoplasie; CIN I staat voor minimaal afwijkend, CIN II voor matig afwijkend en CIN III voor ernstig afwijkend.

CIN I wordt niet behandeld omdat de kans op regressie (verminderen of verdwijnen van de afwijking) zeer groot is: ongeveer 70%. Voor kleine CIN II-afwijkingen geldt hetzelfde. Behandeld worden dus de grotere CIN II/III-afwijkingen. De behandeling dient te bestaan uit het verwijderen of vernietigen van het gehele gebied dat gelegen is tussen de baarmoedermond en de baarmoederhals (transformatiezone). De effectiviteit van de behandeling is groot. Bij 80 tot 90% van patiënten treedt genezing op.

Baarmoedermondsparende techniek toegepast

In een voorstadium of een vroeg stadium van kanker is lisexcisie de behandeling van eerste keuze. Bij deze methode wordt met behulp van een metalen lus het overgangsgebied tussen baarmoederhals en baarmoedermond tot een diepte van maximaal 6 mm verwijderd. Bij deze techniek wordt de baarmoedermond gespaard, omdat slechts een oppervlakkig deel van het bekledende weefsel wordt verwijderd. Het verwijderde weefsel wordt onderzocht en zodoende krijgt de gynaecoloog een bevestiging of ontkenning van zijn eerder per biopsie gestelde (voorlopige) diagnose. De behandeling vindt poliklinisch plaats onder lokale anesthesie.

Een andere behandelingsmethode is exconisatie. Hierbij wordt onder algehele of plaatselijke anesthesie een kegelvormig stuk weefsel uit de baarmoedermond gesneden. Deze ingreep is primair gericht op het stellen van een diagnose (zie 'Diagnostiek'). Uit onderzoek van het weefsel kan blijken dat hiermee de afwijking compleet verwijderd is. In dit geval is de ingreep ook therapeutisch (genezend) geweest. Blijkt er echter sprake te zijn van invasieve groei (doorgroei), dan zal verdere behandeling volgen, afhankelijk van het vastgestelde stadium (zie 'Behandeling baarmoederhalskanker').

Resultaat behandeling vastgesteld met uitstrijkje

Het resultaat van de behandeling wordt vastgesteld met behulp van een uitstrijkje. Ter controle worden ook 6, 12 en 24 maanden na de behandeling uitstrijkjes gemaakt, waarna het bevolkingsonderzoek de controles overneemt.


Behandeling baarmoederhalskanker

Behandeling hangt af van stadium baarmoederhalskanker

Behandeling van baarmoederhalskanker hangt af van de mate van doorgroei in omliggend weefsel en uitzaaiingen elders in het lichaam. Op basis van de doorgroei en uitzaaiingen wordt baarmoederhalskanker in stadia ingedeeld. Voor een beschrijving van de diverse stadia wordt verwezen naar Ziektebeeld en -beloop.

De behandeling per stadium is weergegeven in tabel 1.

Stadium IA1/2

In stadium IA1/2 (micro-invasieve kanker) is de behandeling afhankelijk van weefselkenmerken en gericht op zo min mogelijk schade: soms kan het verwijderen van een kegelvormig stuk weefsel uit de baarmoedermond (exconisatie) volstaan. In andere situaties is een baarmoederoperatie, al dan niet aangevuld met verwijdering van de bekkenlymfklieren, afdoende.

Stadia IB1/2 en IIA

Patiënten met een tumor stadium IB1/2 en IIA worden doorgaans behandeld met een radicale operatie waarbij, naast de gehele baarmoeder ook de bekkenlymfklieren worden verwijderd. Een alternatief met gelijke genezingskans is radiotherapie. Beide methoden geven een relatieve 5-jaarsoverleving van ongeveer 85%. De keuze van de primaire behandeling wordt niet gemaakt op basis van tumorkenmerken, maar op grond van patiëntkenmerken zoals leeftijd en omstandigheden waardoor de patiënt niet in aanmerking komt voor chirurgie. Het voordeel van operatieve behandeling is dat bij premenopauzale vrouwen de eierstokfunctie gespaard blijft. Bovendien geeft het een exacte vaststelling van de tumoruitbreiding en daarmee de prognose. In het geval van een recidief (het na behandeling terugkomen van de kanker in het kleine bekken) kunnen patiënten aanvullend worden behandeld met radiotherapie. Een nadeel van radiotherapie is dat een verandering in het kleine bekken kan optreden, die kan leiden tot problemen bij de geslachtsgemeenschap.

Soms kan de baarmoederhals in het tumorstadium IB1/2 en IIA zodanig vergroot zijn dat men spreekt van een "tonvormige" tumor. Als de diameter groter is dan 4 cm wordt de voorkeur gegeven aan een gecombineerde behandeling, te beginnen met chemotherapie gevolgd door een operatie waarbij de baarmoeder volledig wordt verwijderd (radicale baarmoederoperatie).

Stadia IIB, IIIA en IIIB

Voor de stadia IIB en III is operatief ingrijpen niet mogelijk zonder vitale functies aan te tasten. Patiënten met deze kankerstadia worden primair behandeld met chemoradiatie. De 5-jaarsoverleving bij stadium IIB/III ligt tussen de 30 en 50%.

Stadium IV

De prognose van patiënten met baarmoederhalskanker in stadium IV is ongunstig (zie ook: Wat is baarmoederhalskanker en wat is het beloop?). Individueel zal bekeken worden wat de mogelijkheden zijn. Verzachting van het lijden en de kwaliteit van het resterende leven zijn daarbij de leidende criteria.

Radiotherapie bij voorkeur zowel uitwendig als inwendig

Indien radiotherapie als eerste (primaire) behandeling wordt gekozen, dan verdient een combinatie van uitwendige en inwendige bestraling de voorkeur. Vrijwel altijd wordt de radiotherapie gecombineerd met chemotherapie (chemoradiatie). De effectiviteit van de behandeling neemt hiermee toe, maar hetzelfde geldt voor het aantal complicaties. Bij inwendige bestraling wordt een metalen staafje in de baarmoederholte en twee metalen staafjes links en rechts van de baarmoederhals ingebracht. Deze staafjes zijn hol en kunnen met radioactief materiaal (cesium) gevuld worden. Op deze manier wordt via direct contact lokaal een extra hoge dosis straling aan de tumor toegediend, zonder dat de andere organen in het kleine bekken daar (te) veel nadeel van ondervinden. Desalniettemin ondervinden de eierstokken vaak (onherstelbare) schade van de behandeling.

Indicaties voor postoperatieve radiotherapie zijn:

  • Na de operatie blijkt ingroei van de tumor in het omliggend weefsel of in de snijranden van het preparaat.
  • Na de operatie blijkt er sprake van uitzaaiing naar de lymfklieren (lymfkliermetastasen).

Tabel 1: Behandeling per stadium.

Stadium

Behandeling

IA1/2

exconicatie

baarmoederoperatie, al dan niet aangevuld met verwijdering bekkenlymfklieren

IB1/2

radicale baarmoederoperatie, inclusief verwijdering bekkenlymfklieren

radiotherapie, vrijwel altijd gecombineerd met chemotherapie

IIB, IIIA en IIIB

chemotherapie (chemoradiatie)

IV

individueel bekeken, palliatieve behandeling

Verwarmen tumor kan de effectiviteit van van radiotherapie vergroten

Evenals chemotherapie, kan ook lokaal opwarmen (hyperthermie) van het tumorgebied tijdens de behandeling de effectiviteit van radiotherapie vergroten. Hyperthermie lijkt vooral meerwaarde te hebben bij een groot volume van de tumor.


29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
Omvang
Hoe vaak komt baarmoederhalskanker voor en hoeveel vrouwen sterven eraan?

584 nieuwe gevallen van baarmoederhalskanker in 2003

In 2003 bedroeg het aantal nieuwe gevallen (incidentie) van een invasieve vorm van baarmoederhalskanker 584 (0,07 per 1.000 vrouwen). Baarmoederhalskanker treft vooral vrouwen in de leeftijd van 30 tot 50 jaar oud (zie figuur 1; bron: NKR).

Ongeveer 5.400 vrouwen met baarmoederhalskanker

Het aantal vrouwen met baarmoederhalskanker (prevalentie) op 1 januari 2002 wordt op basis van de registratie in de IKZ- en IKA-regio geschat op 5.400 (0,66 per 1.000). Het betreft hier de 10-jaarsprevalentie. Dit wil zeggen het aantal vrouwen dat in de 10 jaar voorafgaand aan de peildatum (1 januari 2002) baarmoederhalskanker heeft gekregen en op de peildatum nog in leven is.

In 2005 overleden 235 vrouwen aan baarmoederhalskanker

In 2005 overleden 235 vrouwen (2,53 per 100.000 vrouwen) aan baarmoederhalskanker (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

detailsPrevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd

Figuur 1: Incidentie van baarmoederhalskanker in 2003, per leeftijdsklasse als percentage van het totale absolute aantal (bron: NKR).

Baarmoederhalskanker_inc_leeftijd_2003

29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
Omvang
Neemt het aantal vrouwen met baarmoederhalskanker toe of af?

Vanaf eind jaren negentig sterke daling van het aantal nieuwe gevallen

In de periode 1989-2003 is het absoluut aantal vrouwen dat per jaar baarmoederhalskanker krijgt, gedaald van 718 tot 584. Gecorrigeerd voor de omvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking, is de incidentie in deze periode gedaald met 32% (zie figuur 1). De grootste daling (24%) trad op in de periode 1998-2003. De incidentie van baarmoederhalskanker daalt al sinds de jaren zestig. Waarschijnlijk is deze daling het gevolg van behandeling van voorstadia van kanker die zijn ontdekt in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker (KWF, 2004b).

Prevalentie neemt toe in leeftijdsgroep 35 tot 64 jaar

Ondanks de afnemende incidentie neemt de prevalentie van baarmoederhalskanker aanzienlijk (circa 4% per jaar) toe bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 35 tot 64 jaar (KWF, 2004b). Dit is toe te schrijven aan het feit dat de sterfte door baarmoederhalskanker sterk is afgenomen en relatief laag is in vergelijking met de incidentie.

Sterfte gehalveerd in de periode 1980-2005

De sterfte als gevolg van baarmoederhalskanker is in de periode 1980-2005 afgenomen met 51% (zie figuur 2). De grootste afname (47%) trad op in de periode 1980-1997. Er zijn aanwijzingen dat de invoering van het bevolkingsonderzoek sterk heeft bijgedragen aan de daling van de sterfte aan baarmoederhalskanker. Zie ook: Preventie van baarmoederhalskanker.

Kleine stijging van nieuwe gevallen verwacht op basis van demografie

Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat de absolute incidentie van baarmoederhalskanker in de periode 2005-2025 met ongeveer 7% zal stijgen. Wanneer ook andere factoren dan demografie in de prognose worden meegenomen, zoals de effecten van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, is de verwachting dat het aantal gevallen van baarmoederhalskanker verder zal blijven dalen (KWF, 2004b).

Figuur 1: Incidentie van baarmoederhalskanker in de periode 1989-2003; gestandaardiseerd naar de Europese standaardbevolking en geïndexeerd (1989 is 100) (bron: NKR).

Baarmoederhalskanker_inc_trend_1989_2003

Figuur 2: Sterfte aan baarmoederhalskanker in de periode 1980-2005; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1980 is 100) (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Baarmoederhalskanker_sterfte_trend_1980_2005

19 augustus 2008
Baarmoederhalskanker
Omvang van het probleem
Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?


Zorggebruik

Zorg van huisarts tot in ziekenhuis

De belangrijkste zorgverleners voor het opsporen en behandelen van baarmoederhalskanker zijn de huisarts en de gynaecoloog. De huisarts zorgt ervoor dat een diagnose gesteld wordt door het afnemen van een uitstrijkje. Vrouwen waarbij 'onrustig' weefsel in het uitstrijkje wordt gevonden verwijst de huisarts naar een gynaecoloog. De gynaecoloog voert verdere diagnose en behandeling uit. De gynaecoloog neemt ook de controle na de behandeling op zich.

Zie ook: Preventie van baarmoederhalskanker

Chirurgie uitgevoerd door in oncologie geschoolde gynaecologen

De radicale baarmoederoperatie valt buiten het terrein van de algemeen gynaecoloog en wordt uitgevoerd door speciaal in de oncologie geschoolde gynaecologen in (universitaire) ziekenhuizen.

Gemiddelde opnameduur in ziekenhuis 5,3 dagen

In 2005 waren er 2.116 klinische opnamen voor baarmoederhalskanker met 11.120 opnamedagen. De gemiddelde opnameduur was 5,3 dagen. Het aantal dagbehandelingen in het ziekenhuis voor baarmoederhalskanker in 2005 was 600 (bron: LMR).

Toename ziekenhuisopnamen in 2004 en 2005

Het aantal personen dat in een jaar in het ziekenhuis is opgenomen voor een klinische opname of dagopname (ziekenhuisprevalentie) is in de periode 1995-2004 vrijwel constant gebleven. Het aantal klinische opnamen is in de periode 1995-2003 nauwelijks veranderd, maar ligt in 2004 en 2005 ongeveer een kwart hoger. De gemiddelde duur van een klinische opname (exclusief dagopnamen) is in de periode 1995-2001 met ruim 30% gedaald en daarna tot 2005 vrijwel gelijk gebleven. Het aantal dagopnamen is in de periode 1995-2005 verdrievoudigd (zie figuur 1). Bij al deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.

Figuur 1: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen met baarmoederhalskanker als hoofontslagdiagnose in de periode 1995-2005; gestandaardiseerd naar de bevolking van 1990 en geïndexeerd (1995 is 100) (bron: CBS StatLine, LMR).

Gergevens over ziekenhuiszorg voor baarmoederhalskanker (1995-2005)

Kosten

Kosten van zorg voor baarmoederhalskanker bijna 55 miljoen euro in 2005

In 2005 werden de totale zorgkosten voor baarmoederhalskanker geschat op 54,9 miljoen euro (Poos et al., 2008). Dit komt overeen met 0,1% van de totale kosten voor de Nederlandse gezondheidszorg. De zorgkosten voor vrouwen met baarmoederhalskanker omvat 2,1% van de totale kosten die gemaakt zijn voor nieuwvormingen (mannen en vrouwen) en 3,7% van de totale kosten voor nieuwvormingen bij vrouwen.

Openbare gezondheidszorg en preventie grootste kostenpost

Van de kosten van zorg voor baarmoederhalskanker gaat 40,9% naar openbare gezondheidszorg en preventie door de uitvoering van het bevolkingsonderzoek. Een andere grote kostenpost is de ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg (37,7%) (zie figuur 2). In de leeftijdsgroep 30- tot 65-jarigen wordt 90% van de kosten gemaakt voor de zorg voor baarmoederhalskanker (zie figuur 3). Dit hoge percentage in deze leeftijdsgroep kunnen we verklaren doordat in deze groep baarmoederhalskanker het meeste voorkomt en omdat deze mensen deelnemen aan het bevolkingsonderzoek.

Figuur 2: Kosten van de zorg voor baarmoederhalskanker naar sector in 2005 (bron: Kosten van Ziektenstudie).

Kosten van de zorg van baarmoederhalskanker naar sector in 2005

Figuur 3: Kosten van baarmoederhalskanker in 2005 voor vrouwen uitgesplitst naar leeftijd (bron: Kosten van Ziektenstudie).

Kosten van de zorg voor baarmoederhalskanker naar leeftijd in 2005


29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?


Incidentie

Incidentie van baarmoederhalskanker in Nederland laag

De incidentie van baarmoederhalskanker is in Nederland laag vergeleken met andere EU-landen. In het oosten van de Europese Unie is de incidentie het hoogst (zie figuur 1).

Incidentie daalt door screening

De afgelopen decennia is de incidentie van baarmoederhalskanker in veel Europese landen afgenomen. Bij jongere vrouwen wordt in sommige landen echter een toename gerapporteerd. De daling is een gevolg van de invoering van effectieve screeningsprogramma's. Screening identificeert voorstadia van baarmoederhalskanker nog voordat zich daadwerkelijk kanker heeft ontwikkeld. Daardoor daalt de incidentie. In een aantal Oost-Europese landen is de incidentie nog altijd hoog omdat daar vaak geen effectieve screening plaatsvindt (Bray et al., 2005a).

Ongeveer 75-80% van het aantal gevallen van baarmoederhalskanker betreft plaveiselcelcarcinomen en ongeveer 20-25% adenocarcinomen. Hoewel de incidentie van plaveiselcelcarcinomen in veel West-Europese landen de afgelopen decennia is gedaald, is de incidentie van adenocarcinomen in een aantal landen relatief toegenomen. Ook in Nederland lijkt er sprake te zijn van een toename van adenocarcinomen, vooral onder jonge vrouwen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor Nederland de trend in absolute zin is gebaseerd op een klein aantal gevallen (Bulk et al., 2005; Bray et al., 2005b). Een mogelijke oorzaak van de relatieve toename van adenocarcinomen ten opzichte van plaveiselcelcarcinomen is het feit dat de gebruikte screeningsmethoden vaker fout-negatieve uitslagen geven bij adenocarcinomen. Hierdoor is het gunstige effect van screening op de incidentie van dit type baarmoederhalskanker minder groot.

Figuur 1: EU-landen met de hoogste en laagste incidentie van baarmoederhalskanker; gestandaardiseerd naar de wereldbevolking (GLOBOCAN 2002).

EU-landen met hoogste en laagste incidentie van baarmoederhalskanker

Sterfte

Sterfte aan baarmoederhalskanker laag in Nederland

Ook de sterfte aan baarmoederhalskanker ligt in Nederland onder het gemiddelde van de EU-27 en EU-15. Net als de incidentie is ook de sterfte aan baarmoederhalskanker hoger bij landen in het oosten van de Europese Unie (zie figuur 2).

Sterfte aan baarmoederhalskanker in Europa neemt af sinds jaren 60

In de periode 1960-1998 nam de sterfte aan baarmoederhalskanker bij jonge vrouwen (20-44 jaar) af in alle West-Europese landen, behalve Ierland. In sommige Oost-Europese landen nam de sterfte ook af, terwijl deze in Roemenië en Bulgarije sinds 1980 toenam (Levi et al., 2000). Deze trends hebben zich voortgezet tussen 1995 en 2005 (WHO-HFA, 2007). De afname in sterfte bij jonge vrouwen komt grotendeels door screening. Screening leidt tot vroegere diagnose van een tumor, waardoor de genezingskans toeneemt. Het grote verschil in sterfte onder Europese landen benadrukt het belang van de invoering van screeningsprogramma's in Oost-Europa (Levi et al., 2000; Levi et al., 2004b).

Figuur 2: EU-landen met hoogste en laagste sterfte ten gevolge van baarmoederhalskanker (ICD-10-code C53) in 2004; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking (Bron: Eurostat, 2007).

EU-landen met hoogste en laagste sterfte ten gevolge van baarmoederhalskanker (ICD-10 C53) in 2004

Overleving

Overleving van baarmoederhalskanker in Nederland gunstig

De relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker in Nederland behoort tot de beste van Europa. De relatieve 5-jaarsoverleving is ook hoog in Zweden en Spanje. In Slovenië, Slowakije, Portugal, Estland en Polen is de overleving het laagst (zie figuur 3, Sant et al., 2003a). In de meeste Europse landen is de overleving tussen begin jaren 80 en eind jaren 90 toegenomen. In Estland, Polen, Slowakije en Slovenië is de overleving echter niet duidelijk toegenomen (Coleman et al., 2003).

Screening heeft effect op overleving

Screening kan zowel tot een toename als afname van overleving leiden. Screening leidt tot opsporing van de ziekte in een vroeg stadium waarin deze nog goed behandelbaar is en de kans op genezing toeneemt. Dit heeft een gunstig effect op de overleving. Screening leidt echter ook tot de opsporing en behandeling van voorstadia die nog niet kwaadaardig zijn. Hierdoor neemt de incidentie af. De overleving wordt dan vooral bepaald door de agressieve vormen van kanker die zich in de perioden tussen de momenten van screening ontwikkelen en niet tijdig opgespoord worden. Juist deze agressieve vormen hebben een ongunstige prognose en daarmee dus een negatief effect op overleving (Gatta et al., 1999).

Noord- en West-Europese landen hebben effectieve screeningsprogramma's waardoor de incidentie er laag is en overleving in die landen vooral betrekking heeft op de meer agressieve vormen van kanker. Desondanks is de overleving in deze landen hoger dan in Estland, Polen, Slowakije en Slovenië, die geen screeningsprogramma's hebben. Dit suggereert ook verschillen in de beschikbaarheid van effectieve behandelingen (Coleman et al., 2003).

Zie ook: Baarmoederhalskankerpreventie: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Figuur 3: Relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker (ICD-9-code 180) in een aantal EU-landen. De diagnose werd gesteld in de periode 1990-1994 (EUROCARE-3, 2003; Sant et al., 2003a).

Relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker in een aantal EU-landen

29 mei 2007
Baarmoederhalskanker
Omvang van het probleem
Prevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd

Prevalentie (per 1.000) op 01-01-2002

leeftijd

vrouwen

0-4

0,00

5-9

0,00

10-14

0,00

15-19

0,00

20-24

0,03

25-29

0,08

30-34

0,59

35-39

1,02

40-44

1,59

45-49

1,38

50-54

1,08

55-59

1,10

60-64

0,77

65-69

0,82

70-74

0,78

75-79

0,93

80-84

0,88

85+

0,60

IKZ/IKA

Incidentie (per 1.000 per jaar) in 2003

leeftijd

vrouwen

0-4

0,00

5-9

0,00

10-14

0,00

15-19

0,00

20-24

0,01

25-29

0,03

30-34

0,10

35-39

0,11

40-44

0,14

45-49

0,10

50-54

0,09

55-59

0,09

60-64

0,06

65-69

0,11

70-74

0,07

75-79

0,19

80-84

0,14

85+

0,12

NKR

Sterfte (per 100.000) in 2005 (ICD-10-code C53)

leeftijd

vrouwen

0-4

0,00

5-9

0,00

10-14

0,00

15-19

0,00

20-24

0,00

25-29

0,61

30-34

1,39

35-39

1,86

40-44

2,32

45-49

2,33

50-54

4,52

55-59

4,83

60-64

4,10

65-69

4,53

70-74

8,29

75-79

7,38

80-84

12,95

85+

13,42

CBS Doodsoorzakenstatistiek


Bronnen

Literatuur

Bray F, Loos AH, McCarron P, Weiderpass E, Arbyn M, Moller H. Trends in cervical squamous cell carcinoma incidence in 13 European countries: changing risk and the effects of screening.  Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 2005a; 14(3): 677-86.
Bray F, Carstensen B, Moller H, Zappa M, Zakelj MP, Lawrence G, et al. Incidence trends of adenocarcinoma of the cervix in 13 European countries.  Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 2005b; 14(9): 2191-9.
Bulk S, Visser O, Rozendaal L, Verheijen RHM, Meijer CJLM. Cervical cancer in the Netherlands 1989-1998: Decrease of squamous cell carcinoma in older women, increase of adenocarcinoma in younger women.  Int J Cancer, 2005; 113: 1005-9.
Bulkmans NW, Rozendaal L, Snijders PJ, Voorhorst FJ, Boeke AJ, Zandwijken GR, et al. POBASCAM, a population-based randomized controlled trial for implementation of high-risk HPV testing in cervical screening: design, methods and baseline data of 44,102 women.  Int J Cancer, 2004; 110: 94-101.
Coleman MP, Gatta G, Verdecchia A, Esteve J, Sant M, Storm H, et al. EUROCARE-3 summary: cancer survival in Europe at the end of the 20th century.  Ann Oncol, 2003; 14(Suppl 5): v128-49.
Gatta G, Capocaccia R, Hakulinen T, Sant M, Verdecchia A, De Angelis G, et al. Variations in survival for invasive cervical cancer among European women, 1978-89. EUROCARE Working Group.  Cancer Causes Control;, 1999; 10(6): 575-81.
Gezondheidsraad. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker.  Den Haag: Gezondheidsraad, 2008c.
Hausen H zur. Papillomaviruses and cancer: from basic studies to clinical application.  Nature Reviews Cancer, 2002; 2(5): 342-350.
Helmerhorst THJM, Meijer CJLM. Cervical cancer should be considered as a rare complication of oncogenic HPV infection rather than a STD.  Int J Gyn Cancer, 2002; 12: 235-236.
Hogewoning CJ, Bleeker MC, Brule AJ van den, Voorhorst FJ, Snijders PJ, Berkhof J, et al. Condom use promotes regression of cervical intraepithelial neoplasia and clearance of human papillomavirus: a randomized clinical trial.  Int J Cancer, 2003; 107: 811-816.
IKZ, Integraal Kankercentrum Zuid. Van meten naar weten; 50 jaar kankerregistratie.  Eindhoven: IKZ, 2005.
Levi F, Lucchini F, Negri E, Boyle P, La Vecchia C. Cancer mortality in Europe, 1995-1999, and an overview of trends since 1960.  Int J Cancer, 2004b; 110(2): 155-69.
Levi F, Lucchini F, Negri E, Franceschi S, La Vecchia C. Cervical cancer mortality in Young woman in Europe: patterns and trends.  Eur. J. Cancer, 2000; 36(17): 2266-71.
Nobbenhuis MAE, Walboomers JMM, Helmerhorst TJM, et al. Relation of human papillomavirus status to cervical lesions and consequences for cervical-cancer screening: a prospective study.  Lancet 1999; 354: 20-25.
Poos MJJC, Smit JM, Groen J, Kommer GJ, Slobbe LCJ. Kosten van ziekten in Nederland 2005. RIVM-rapport nr. 270751019.  Bilthoven: RIVM, 2008.
Sant M, Aareleid T, Berrino F, Bielska Lasota M, Carli PM, Faivre J, et al. EUROCARE-3: survival of cancer patients diagnosed 1990-94. Results and commentary.  Ann Oncol, 2003a; 14(Suppl 5): v61-118.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding. Kanker in Nederland; Trends, prognoses en implicaties voor zorgvraag.  Amsterdam: KWF Kankerbestrijding, 2004b.
Woodman CBJ, Collins SI, Young LS. The natural history of cervical HPV infection: unresolved issues.  Nature Reviews cancer, 2007; 7(1): 11-22.

Gegevensbronnen

CBS Doodsoorzakenstatistiek. Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
CBS StatLine. De elektronische databank van het CBS. Bevat statistische informatie over vele maatschappelijke en economische onderwerpen in de vorm van tabellen en grafieken.
EUROCARE. EUROCARE (IARC)
Eurostat. Statistische Database van de Europese Unie
GLOBOCAN 2002. Cancer Incidence, Mortality and Prevalence Worldwide. IARC CancerBase No. 5, version 2.0.
IKA. Kankerregistratie IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland).
IKZ. Kankerregistratie IKZ-regio (Noord-Brabant en Noord-Limburg).
LMR. Landelijke Medische Registratie (Prismant).
NKR. Nederlandse Kanker Registratie (VIKC).
WHO-HFA. WHO - Health For All database

Begrippen

Afkortingen

EU   Europese unie
EU-15   De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
EU-27   De 27 landen die vanaf 1 januari 2007 de Europese Unie vormen.
FIGO   International Federation of Gynecology and Obstetrics
HPV   Humaan papilloma virus
ICD-10   International Classification of Diseases, tenth revision
ICD-9   International Classification of Diseases, ninth revision
IKA   Integraal Kankercentrum Amsterdam
IKZ   Integraal Kankercentrum Zuid
Relatieve 5-jaarsoverleving   Relatieve 5-jaarsoverleving
TNM   Tumor, Node, Metastase

Definities

10-jaarsprevalentie   Het aantal mensen dat op 1 januari van een bepaald jaar nog in leven is en bij wie in de 10 jaar daaraan voorafgaand, de ziekte is gediagnosticeerd. Gebruikelijke maat in kankerregistratie.
Recidief   Het opnieuw optreden van de (verschijnselen van de) ziekte.
Relatieve n-jaarsoverleving   De kans dat iemand een vastgesteld aantal jaren (n) na diagnose van een bepaalde ziekte niet aan die ziekte overleden is. Deze kans wordt als volgt geschat: de geobserveerde overleving (onafhankelijk van doodsoorzaak) van de patiëntengroep gedeeld door de verwachte overleving van een groep met een zelfde leeftijds- en geslachtsopbouw uit de algemene populatie (op basis van sterftetafels van de algemene bevolking).