Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden Ouderen

Gehoorstoornissen

Kort en bondig
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Omvang van het probleem

Kijk ook eens bij:

Kijk ook eens bij andere websites:

19 augustus 2008
Gehoorstoornissen
Gehoorstoornissen samengevat

Schattingen van aantal mensen met gehoorstoornissen lopen uiteen

Op basis van verschillende bronnen zijn schattingen gemaakt van het aantal mensen met gehoorstoornissen in Nederland. Afhankelijk van de gehanteerde definities en meetmethoden lopen deze schattingen uiteen:

  • Landelijke neonatale gehoorscreening: Bij 1 tot 1,5 op de 1.000 levend geboren kinderen treedt een perceptief gehoorverlies op dat groter is dan 40 dB.
  • Enquête: Ongeveer anderhalf miljoen mensen in Nederland hebben enige tot zeer grote moeite een gesprek te volgen in een groep van drie of meer mensen.
  • Onderzoek: Op basis van het meten van spraakverstaan in achtergrondruis, wordt het aantal slechthorenden van 60 jaar of ouder in Nederland geschat op ruim 1,2 miljoen.
  • Huisartsenregistraties: Op basis van door huisartsen geregistreerde gevallen, wordt het totaal aantal mensen met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid geschat op 533.600 (281.700 mannen en 251.900 vrouwen). Het geschatte aantal nieuwe patiënten met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in 2003 is 50.800 (25.800 mannen en 25.000 vrouwen).

Aantal mensen met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid constant

Gegevens uit een huisartsenregistratie laten zien dat het aantal mensen met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in de periode 1990-2004 vrijwel constant is gebleven. Dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Ook het aantal nieuwe gevallen bij vrouwen is in de genoemde periode vrijwel constant gebleven. Het aantal nieuwe gevallen bij mannen is in de periode 1990-2004 met bijna 40% gedaald.

Gehoorbeschadiging is een belangrijke beroepsziekte

Bij perceptieslechthorendheid speelt erfelijkheid een belangrijke rol. Geleidingsslechthorendheid is daarentegen voornamelijk verworven. Oorzaken van verworven en aangeboren slechthorendheid bij kinderen zijn divers. Vaak wordt het veroorzaakt door een infectie of ontsteking. Het kan ook het gevolg zijn van zuurstofgebrek tijdens de geboorte.
Gehoorschade door blootstelling aan geluid ontstaat bij jongeren vaak door het bezoeken van popconcerten en het luisteren naar harde muziek via hoofdtelefoons. Bij volwassenen wordt gehoorschade door blootstelling aan geluid vooral veroorzaakt door geluidsbronnen op het werk. Blijvende gehoorbeschadiging als gevolg van langdurige blootstelling aan geluid is één van de meest gemelde beroepsziekten in Nederland

Ouderdomsslechthorendheid wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren, waaronder een verminderde zuurstofvoorziening van de haarcellen in het binnenoor en degeneratie van haarcellen en andere structuren in het binnenoor. Hoge blootstelling aan geluid in de dagelijkse situatie kan het proces versnellen.

Ruim 700 miljoen euro voor de zorg van gehoorstoornissen in 2005

De totale kosten van de zorg voor gehoorstoornissen in 2005 waren 712 miljoen euro, wat overeenkomt met 1,0% van de totale kosten van de zorg. Ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg zijn verantwoordelijk voor 32% van de totale zorgkosten voor gehoorstoornissen en geneesmiddelen, hulpmiddelen en lichaamsmaterialen voor 29%. De kosten van ziekenhuiszorg zijn het hoogst op de leeftijd van 0-9 jaar. De kosten voor genees- en hulpmiddelen worden vooral door ouderen gemaakt.

Stijging gehoorstoornissen door vergrijzing

Het aantal mensen met slechthorendheid zal in de nabije toekomst toenemen. Dit is het gevolg van zowel de groei als de vergrijzing van de bevolking. Het vóórkomen van slechthorendheid of doofheid neemt sterk toe met de leeftijd. Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal mensen met slechthorendheid tussen 2005 en 2025 met ongeveer 35% zal toenemen. Waarschijnlijk zal de werkelijke stijging echter iets minder sterk zijn, vanwege een verwachte afname van het aantal mensen met lawaaidoofheid door minder blootstelling aan lawaai op de arbeidsplaats.


11 december 2006
Gehoorstoornissen
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn gehoorstoornissen en wat is het beloop?


Ziektebeeld en beloop

Indeling gehoorstoornissen mogelijk op basis van ernst en oorzaak

Gehoorstoornissen kunnen worden onderscheiden op basis van oorzaak en op basis van ernst. De internationale classificatie van ziekten (ICD) gaat bij de indeling van gehoorstoornissen uit van de oorzaak (zie tabel 1). Een indeling naar de ernst van het gehoorverlies kan gemaakt worden aan de hand van hoortesten, maar ook op basis van enquêtes waarin vragen over het gehoor zijn opgenomen.

Onderverdeling in geleidings- en perceptiestoornissen

De ICD-10-classificatie onderscheidt ondermeer:
  • Geleidingsstoornissen: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid;
  • Perceptiestoornissen: hierbij doet het probleem zich voor in het binnenoor (het slakkenhuis).

Bij geleidingstoornissen kan het geluid het binnenoor niet goed bereiken. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door vocht of een infectie in het oor. Ook problemen met het trommelvlies of de gehoorbeentjes kunnen de oorzaak zijn van geleidingstoornissen.
Bij perceptief gehoorverlies is er meestal sprake van een afwijking van het binnenoor, zoals niet goed functionerende haarcellen. Ook kan er een afwijking aan de gehoorzenuw zijn of een probleem met de overdracht van haarcellen naar de gehoorzenuw.

Er wordt gesproken van een gemengd gehoorverlies wanneer er zowel een geleidings- als een perceptieverlies bestaat.

Oorzaak hoorprobleem niet altijd bekend

Naast de genoemde geleidings- en perceptiestoornissen, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn. Mensen met een AVP hebben problemen met het uitvoeren van meer complexe hoortaken, zoals het selecteren van (spraak)signalen temidden van andere, het combineren en/of integreren van (spraak)signalen en het waarnemen of verwerken van gestoorde signalen (Neijenhuis et al., 2001).

Aangeboren, verworven, erfelijke en niet-erfelijke stoornissen

Slechthorendheid kan op elke leeftijd ontstaan en zelfs al voor of tijdens de geboorte. Met andere woorden: het kan verworven of aangeboren (congenitaal) zijn. Bij ongeveer de helft van de kinderen die met een gehoorstoornis worden geboren is de aandoening erfelijk. In de andere helft van de gevallen is het gehoor van het kind tijdens de zwangerschap of geboorte beschadigd. Infecties en het gebruik van medicijnen zijn bekende oorzaken van gehoorbeschadiging tijdens de zwangerschap.

Gehoorverlies door lawaai vaak pas in later stadium opgemerkt

Slechthorendheid kan het gevolg zijn van langdurige blootstelling aan lawaai. Het beginstadium van slechthorendheid door lawaai wordt door de betrokkene vaak niet opgemerkt. In dit stadium zijn met name hoge tonen niet goed hoorbaar. Slechthorendheid wordt erger naarmate de blootstelling aan lawaai in de loop van de jaren voortduurt. Het gehoorverlies breidt zich dan uit naar de lagere frequenties. Ook oorsuizen (tinnitus), dat kan optreden als gevolg van blootstelling aan lawaai, komt veel voor en wordt vaak als hinderlijker ervaren dan het gehoorverlies. Bij een akoestisch trauma (bijvoorbeeld als gevolg van een explosie) is sprake van een acute aantasting van het gehoor.

Tabel 1: Onderverdeling van gehoorstoornissen volgens de ICD-10-classificatie.

Omschrijving

ICD-10-code

lawaai-effecten op het binnenoor (door lawaai geïnduceerd gehoorverlies; akoestisch trauma)

H83.3

gehoorverlies door stoornissen in geleiding en perceptie (inclusief aangeboren doofheid)

H90

gehoorverlies door geleidingsstoornis

H90.0-H90.2

gehoorverlies door perceptiestoornis

H90.3-H90.5

gehoorverlies door combinatie van geleidings- en perceptiestoornis

H90.6-H90.8

overige vormen van gehoorverlies

H91

gehoorverlies door toxische stoffen

H91.0

ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis)

H91.1

acuut hoorverlies met onbekende oorzaak

H91.2

doofstomheid, niet elders geclassificeerd

H91.3

overige gespecificeerde vormen van gehoorverlies

H91.8

gehoorverlies, niet gespecificeerd

H91.9

Ouderdomsslechthorendheid heeft vooral betrekking op hoge tonen

Van ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis) is sprake wanneer bij een ouder iemand in beide oren een perceptief gehoorverlies wordt geconstateerd dat niet door andere oorzaken kan worden verklaard dan door fysiologische veroudering van het hoorzintuig. In een vroeg stadium is het gehoorverlies voor de lage tonen betrekkelijk klein en neemt het toe naar de hogere tonen. De eerste verschijnselen kunnen zich al openbaren rond het dertigste levensjaar. Als de gehoorscherpte geleidelijk vermindert, is dat door de persoon zelf vaak moeilijk te onderkennen, zeker wanneer er sprake is van hogetonen-verlies. Vanwege de relatief grote geluidssterkte in de lagere frequenties, blijft iemand de (spraak)geluiden wel horen, maar kan ze niet goed herkennen of verstaan. Hierdoor denkt hij of zij dat de spreker wel hoorbaar is, maar onduidelijk spreekt. Verliest iemand gevoeligheid voor lage tonen, dan zal hij of zij het gehoorverlies sneller onderkennen (Kapteyn et al., 1995).

Geen onderscheid in oorzaak, maar wel in ernst

Ouderdoms- en lawaaislechthorendheid kunnen veelal niet worden onderscheiden. Het gehoorverlies kan wel op basis van ernst in de volgende categoriën worden ingedeeld:

  • licht: gehoorverlies dat door betrokkene wordt opgemerkt in lawaaiige omgevingen;
  • matig: gehoorverlies waar betrokkene ook in een stille omgeving last van heeft;
  • ernstig: gehoorverlies dat met een hoortoestel slechts zeer ten dele is te compenseren;
  • zeer ernstig/doofheid: een zo ernstig gehoorverlies dat men zelfs met geluidsversterking niet via geluid kan communiceren; om te communiceren is aanvullende informatie nodig, bijvoorbeeld visuele informatie door het zien van gezichtsexpressie en spraakbeeld, gebaren en lichaamstaal of door tactiele informatie (tast).

Beperkingen

De beperkingen door slechthorendheid zijn divers

Vanwege de diverse functies van het gehoor(orgaan) zijn ook de beperkingen als gevolg van slechthorendheid divers. Iemand met een slecht functionerend gehoor kan op vijf verschillende hoorgebieden beperkingen ervaren (Kramer et al., 1995):

  • detecteren van geluiden;
  • herkennen en onderscheiden (discrimineren) van geluiden;
  • verstaan van spraak in een stille omgeving;
  • verstaan van spraak in rumoer;
  • lokaliseren van geluiden.

Verder hebben veel slechthorenden last van harde geluiden die voor een goedhorende niet hinderlijk zijn. Ten slotte komen tinnitus (oorsuizen) en evenwichtsklachten regelmatig voor bij slechthorenden.

Ernstige vroege slechthorendheid leidt tot verminderde spraak- en taalontwikkeling

De opvallendste gevolgen van ernstige slechthorendheid op jonge leeftijd zijn een vertraagde of afwezige ontwikkeling van spraak en (gesproken) taal. Daarmee samenhangende gevolgen zijn een beperkte of vertraagde ontwikkeling van kennis, problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling en verminderde deelname aan de samenleving. Ernstige slechthorendheid leidt verder tot een verhoogde kwetsbaarheid voor ongevallen in het verkeer.

Hoorproblemen leiden soms tot sociaal isolement

De beperkingen in het horen kunnen leiden tot een verminderde deelname aan maatschappelijke activiteiten en sociaal isolement (Danermark, 2005). In tal van studies is de samenhang tussen slechthorendheid en eenzaamheid, neerslachtigheid en een verkleind sociaal netwerk aangetoond (Kramer, 2005).


11 december 2006
Gehoorstoornissen
De ziekte de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op gehoorstoornissen?

Bij perceptieslechthorendheid speelt erfelijkheid een belangrijke rol

Ongeveer 40% van de perceptieslechthorendheid bij kinderen is erfelijk bepaald, 27% is verworven en van 34% is de oorzaak onbekend (Van Rijn, 1989). Geleidingsslechthorendheid is voornamelijk verworven. Ze wordt onder andere veroorzaakt door middenoorproblemen, zoals middenoorontsteking.

Soms maakt aangeboren doofheid deel uit van een samengesteld ziektebeeld. Een ernstige combinatie is doof-blindheid (syndroom van Usher).

Oorzaken van verworven en aangeboren slechthorendheid bij kinderen zijn (Van Rijn, 1989):

  • een infectie bij de moeder gedurende de zwangerschap met het rubella-virus (rode hond) of cytomegalievirus;
  • zuurstofgebrek tijdens de geboorte;
  • hyperbilirubinemie vlak na de geboorte. Dit is een verhoogde concentratie bilirubine (galkleurstof die ontstaat bij afbraak van rode bloedlichaampjes) in het bloed als gevolg van een schadelijke reactie tussen moederlijk bloed en het neonatale bloed;
  • hersenvliesontsteking;
  • geneesmiddelengebruik;
  • chronische middenoorontsteking.

Risicofactoren voor slechthorendheid door lawaai

Gehoorschade door blootstelling aan geluid ontstaat vooral door geluidsbronnen op het werk. Volgens schattingen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) staan in Nederland staan ongeveer 700.000 mensen (9% van de beroepsbevolking) bloot aan schadelijk geluid. Blijvende gehoorbeschadiging als gevolg van langdurige blootstelling aan geluid boven 80 dB(A) is nog steeds één van de meest gemelde beroepsziekten in Nederland. Adequate gehoorbescherming kan beschadiging voorkomen (NCvB, 2006). Zie ook het onderwerp Beroepsziekten.

Ook geluid buiten het werk kan leiden tot gehoorschade, zoals popmuziek. Geluid in het woonmilieu, afkomstig van weg-, rail- en vliegverkeer, industriële activiteiten en activiteiten van buurtgenoten veroorzaakt hoogstwaarschijnlijk geen lawaaislechthorendheid (Passchier-Vermeer & Vos, 1997; Passchier-Vermeer et al., 1998; Passchier-Vermeer et al., 2001).

Determinanten van ouderdomsslechthorendheid divers

Ouderdomsslechthorendheid is het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder:

  • een verminderde zuurstofvoorziening van de haarcellen in het binnenoor (slakkenhuis);
  • degeneratie van haarcellen en andere structuren in het binnenoor.

Hoge blootstelling aan geluid in de dagelijkse situatie kan het proces versnellen (NVA, 2006).


10 december 2009
Gehoorstoornissen
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?


Diagnostiek

Kinderen krijgen al enkele dagen na de geboorte een gehoortest

De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) neemt kinderen enkele dagen na de geboorte een gehoortest af. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM voert de regie over dit gehoorscreeningsprogramma voor pasgeborenen. Hierbij worden twee onderzoekstechnieken gebruikt:

  • het meten van oto-akoestische emissies (OAE screening);
  • de geautomatiseerde hersenstam audiometrie (AABR screening).

Voor een eerste screening wordt gebruikgemaakt van de OAE-methode. Als de eerste screening onvoldoende is (er wordt aan één of beide oren geen voldoende gehoor aangetoond), dan wordt in een tweede screening de OAE-methode herhaald. Als ook de tweede screening onvoldoende is, wordt een in een derde screening gebruikgemaakt van de AABR-methode. Als ook de derde screening onvoldoende is, wordt het kind verwezen naar een audiologisch centrum, voor nader onderzoek.

De bovenbeschreven neonatale gehoorscreening heeft de gehoorscreening op de leeftijd van negen maanden vervangen, zoals deze vanaf 1965 plaatsvond.

Zie ook: Preventie kort na de geboorte

    Alertheid op slechthorendheid bij kinderen blijft geboden

    Wanneer met de neonatale gehoorscreening voldoende gehoor bij het kind is vastgesteld, biedt dit geen garantie dat dit zo blijft. Op latere leeftijd kan alsnog slechthorendheid optreden, mogelijk al binnen het eerste levensjaar. Ouders of beroepsgroepen (huisartsen, crècheleidsters, consultatiebureau-artsen, JGZ-artsen) moeten daarom alert blijven op de symptomen van gehoorstoornissen. Ondanks voorlichtingsprogramma’s op dit gebied, blijven toch nog kinderen met gehoorstoornissen onopgemerkt.

    Definitie slechthorendheid bij volwassenen hangt af van meetmethode

    Slechthorendheid kan bij volwassenen vastgesteld worden aan de hand van verschillende methoden.
    Het toondrempelaudiogram en het spraakaudiogram zijn niet-objectieve standaard tests. Deze tests vormen vaak de basis voor verder onderzoek.

    Om het functioneren van een persoon in het dagelijkse leven te evalueren worden spraak-in-ruis-testen gebruikt (Plomp & Mimpen, 1979, Smits et al., 2004). Daarnaast bestaan er vragenlijsten om de eigen beleving van slechthorendheid in kaart te brengen (Kramer et al., 1995, Kramer et al., 1996). Elk van deze methoden meet verschillende aspecten van slechthorendheid. De definitie van slechthorendheid is dus mede afhankelijk van de methode waarop die gemeten is (Chorus et al., 1995; Passchier-Vermeer, 1995, Duijvestijn et al., 1999, NVA, 2006).


    Behandeling

    Bij slechthorendheid door geleidingsverlies is behandeling mogelijk

    Wanneer er sprake is van een geleidingsverlies, dan is dat vaak te verhelpen door een KNO-arts. Een veel voorkomende oorzaak van een geleidingsverlies is een gehoorgangontsteking. De behandeling daarvan hangt af van de ernst en kan variëren van een oortoilet (reiniging van de gehoorgang) tot een operatie. Een andere veel voorkomende oorzaak van geleidingsverlies is een ontsteking in het middenoor met vochtuittreding (Otitis Media met effusie), ook wel ‘lijmoor’ genoemd. Door de vochtophoping worden geluidstrillingen minder goed overgedragen naar het binnenoor. De behandeling bestaat uit het plaatsen van trommelvliesbuisjes.

    Behandeling perceptieve slechthorendheid richt zich op vermindering van beperkingen

    Perceptieve slechthorendheid is over het algemeen niet te verhelpen of te verminderen met medicamenten of chirurgie. De behandeling is gericht op het aanpassen van geluid aan het niet goed functionerend gehoor en/of het aanpassen van de omgeving waardoor de akoestiek verbetert. Hiervoor zijn verschillende hoortoestellen beschikbaar. Deze aanpassingen gaan slechthorendheid niet tegen, maar verminderen wel de mate waarin de slechthorendheid beperkend is.

    Hoortoestellen alleen effectief bij slechthorenden met restgehoor

    Slechthorenden met restgehoor kunnen door het gebruik van een hoortoestel signaalgeluiden, vooral van de gesproken taal, beter waarnemen. Hoortoestellen (ook wel gehoorapparaat of hoorapparaat genoemd) versterken het geluid. Het 'achter- het-oor' toestel (oorhanger) is het meest gangbaar. Daarnaast zijn er ook hoortoestellen die in het oor worden gedragen.

    De technische mogelijkheden van hoortoestellen zijn toegenomen

    De laatste jaren zijn de hoortoestellen verbeterd. Hoortoestellen kunnen worden aangepast aan het geconstateerde gehoorverlies. Er zijn toestellen die afhankelijk van de sterkte van het aangeboden geluid de toegepaste versterking automatisch regelen. Hoortoestellen met meer dan één versterkingsprogramma bieden de slechthorende, afhankelijk van akoestische omstandigheden, de meest geschikte aanpassing van het geluid. De meeste hoortoestellen die nu op de markt komen zijn digitaal, dat wil zeggen dat de geluidsaanpassing met verfijnde digitale technieken wordt uitgevoerd. Het is nog niet goed mogelijk een spreker uit omgevingsrumoer te selecteren. Het hoortoestel blijft een hulpmiddel; ernstige communicatieve beperkingen door gehoorstoornissen kunnen er maar voor een deel mee worden ondervangen (NVA, 2006).

    Bij zeer ernstige slechthorendheid directe stimulatie gehoorzenuw

    Heeft een slechthorende te weinig restgehoor, dan is een hoortoestel geen optie. In een dergelijk geval kan een cochleair implantaat (CI) uitkomst bieden. Een cochleair implantaat wordt direct onder de huid geïmplanteerd en stimuleert de gehoorzenuw via in het slakkenhuis (cochlea) aangebrachte elektrodes. Aangedane delen van het oor, zoals defecte haarcellen in het slakkenhuis, worden hierbij omzeilt. Dit stelt doven en/of zeer ernstig slechthorenden weer in staat geluiden op te vangen.

    De resultaten met CI zijn indrukwekkend, zeker bij heel jonge kinderen. Hoewel het hier om een relatief kleine groep kinderen gaat, is het potentieel belang van een vroege implantatie zeer groot. Sommige kinderen met audiometrische gehoorverliezen van meer dan 90 dB (traditioneel ‘doof’) kunnen dankzij het implantaat als ‘slechthorend’ worden aangemerkt (Van den Broek et al., 1998).


    11 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Hoe vaak komen gehoorstoornissen voor?

    Eén op de duizend jonge kinderen heeft een perceptief gehoorverlies

    Ongeveer 1 tot 1,5 per 1.000 levend geboren kinderen heeft een perceptief gehoorverlies groter dan 40 dB (Bachmann & Arvedson, 1998; Davis et al., 1997; Kennedy & Mc Cann, 2004; Fortnum et al., 2001). Dit beeld wordt bevestigd door uitkomsten van de neonatale gehoorscreening in Nederland (NSDSK). Het aantal kinderen met gehoorverlies neemt toe met de leeftijd. De grootste toename vindt plaats vóór het achtste levensjaar. Het betreft hier kinderen met bekende en onbekende risicofactoren.
    Een ontsteking in het middenoor met vochtuittreding (Otitis Media met effusie; OME) is de voornaamste veroorzaker van geleidingsverlies. De omvang van het aantal kinderen met OME en de grootte van het bijbehorende gehoorverlies is niet bekend. De meeste episodes van OME blijven onopgemerkt (Zielhuis et al., 1998). Geschat wordt dat ongeveer 80% van de kinderen van 1 tot 6 jaar OME krijgt. Bij ongeveer 35% van deze kinderen met OME gaat het om korte (één tot drie maanden) al dan niet herhaalde episodes van OME. Ongeveer 30% heeft langdurige (drie tot negen maanden) al dan niet herhaalde episodes en 10% van de kinderen maakt episodes door die langer dan een jaar duren (Zielhuis et al., 1990).

    OME komt vooral voor rond het tweede levensjaar en rond de leeftijd van 4-5 jaar (Zielhuis et al., 1990). Daarna neemt het af met de leeftijd. OME komt het minst voor vanaf de leeftijd van 9 jaar (Tharpe & Bess, 1999).

    Toename prevalentie bij jongeren boven de 8 jaar vooral door lawaaischade

    Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk heeft laten zien dat erfelijk en verworven gehoorverlies onder 6- tot 16-jarigen zich voor een groot deel manifesteert vóór de leeftijd van 8 jaar (Fortnum et al., 2001). De toename van het aantal kinderen met gehoorverlies boven de leeftijd van 8 jaar is voornamelijk toe te schrijven aan lawaaischade.

    Uit Nederlands onderzoek, dat eind jaren negentig is uitgevoerd, is bekend dat veelvuldige geluidsbelasting door bijvoorbeeld het bezoek van popconcerten en houseparty's en door luisteren naar harde muziek door hoofdtelefoons een zodanige belasting voor het gehoor vormt dat schade kan optreden. De ernst van het gehoorverlies lijkt echter niet zo groot. Van de mannen tussen de 12 en 30 jaar zou 0,5% een gehoorverlies hebben van 4 tot 10 dB bij 6.000 Hz. Wel is er een verband tussen het aantal popmuziekactiviteiten en de mate van het gehoorverlies. Daarnaast hangt het gehoorverlies samen met de aard van de popmuziekactiviteiten. Van het bezoeken van discotheken is niet aangetoond dat hierdoor gehoorschade ontstaat. Naar schatting 0,4% van de jongeren heeft een gehoorverlies van 30 dB of meer bij 4.000 en 6.000 Hz als gevolg van het beluisteren van harde muziek door hoofdtelefoons (Passchier-Vermeer & Steenbekkers, 2001).

    Huisartsenregistraties: ruim half miljoen mensen met slechthorendheid

    In 2003 waren er naar schatting 281.700 mannen (35,1 per 1.000 mannen) en 251.900 vrouwen (30,7 per 1.000 vrouwen) met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in Nederland. Deze schatting is gebaseerd op de cijfers afkomstig van huisartsenregistraties. Van de mensen met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid was 66% van de mannen en 75% van de vrouwen 60 jaar of ouder.
    Het geschatte aantal nieuwe patiënten met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid (incidentie) in 2003 was 50.800, waarvan 25.800 mannen (3,2 per 1000 mannen) en 25.000 vrouwen (3,0 per 1.000 vrouwen).

    In deze cijfers zijn lawaai- en ouderdomsslechthorendheid samengenomen, omdat de huisarts hierin niet altijd onderscheid maakt.

    Slechts een deel van slechthorenden geregistreerd door huisartsen

    Het totaal aantal mensen met slechthorendheid ligt waarschijnlijk vele malen hoger dan geschat op basis van registratie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid door huisartsen. Dit blijkt uit uit zowel bevolkingsenquêtes als bevolkingsonderzoeken.

    Enquête: bijna anderhalf miljoen mensen met gehoorproblemen

    Naar schatting 2,5% van de totale bevolking van 12 jaar en ouder heeft enige tot zeer grote moeite een gesprek te voeren met één ander persoon, terwijl 12,7% enige tot zeer grote moeite heeft een gesprek te volgen in een groep van drie of meer personen (al dan niet met een hoortoestel). Voor mensen van 75 jaar en ouder zijn deze percentages respectievelijk 9,2% en 39,7%. Dit blijkt uit de uitkomsten van de CBS-POLS, gezondheid en welzijn enquête van 2004.

    De uitkomsten van de enquête zijn grafisch weergegeven in: Figuren slechthorendheid CBS-POLS gezondheid en arbeid, 2004.

    Omgerekend naar de bevolkingsomvang van 12 jaar en ouder in 2004, ondervinden ongeveer 290.000 personen gehoorbeperkingen tijdens gesprekken met één ander persoon. Hiervan zijn ongeveer 63.000 personen 75 jaar of ouder.

    Ongeveer 1.462.760 personen ondervinden gehoorbeperkingen bij een gesprek in een groep van drie of meer personen. Hiervan zijn ongeveer 274.000 personen 75 jaar of ouder.

    Onderzoek: ruim een miljoen ouderen slechthorend

    Het totaal aantal mensen met slechthorendheid ligt waarschijnlijk vele malen hoger dan blijkt uit de registratie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid door huisartsen. Op basis van een onderzoek onder een representatieve groep van volwassenen van 60 jaar en ouder (LASA) wordt het aantal slechthorenden van 60 jaar of ouder in Nederland geschat op 1.256.000 (Smits et al., 2006). In dit onderzoek is het spraakverstaan in achtergrondruis gemeten.

    Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht

    Beschrijving gebruikte bronnen

    Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties


    11 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Neemt het aantal mensen met gehoorstoornissen toe of af?

    Enquête-onderzoek: in jaren negentig daling aantal ouderen met gehoorbeperkingen


    Het percentage mensen met een gehoorbeperking in de totale bevolking, zoals vastgesteld in de landelijke CBS-POLS, gezondheid en welzijn enquête, was redelijk stabiel in de periode 1989-2000. Wel nam het aantal mensen met gehoorbeperkingen in de oudste leeftijdsgroep (65+) af in periode 1989-1999 (zie figuur 1). In deze periode daalde het percentage voor deze leeftijdsgroep van 9,5% in 1989 tot 7,0% in 1999. In hoeverre deze daling is toe te schrijven aan een toegenomen gebruik van hoortoestellen en/of verbeterde hoortoestellen is niet bekend.

    De dalende trend voor de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder heeft zich in de periode 1999-2004 niet voortgezet (zie figuur 1).

    Huisartsenregistratie: geen verandering aantal ouderen met slechthorendheid in jaren tachtig en negentig

    In de periode 1990-2004 is de prevalentie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in de huisartsenregistraties CMR-Nijmegen e.o. en RNH zowel voor mannen als voor vrouwen vrijwel constant gebleven (zie figuur 2). Dit geldt ook voor het aantal nieuwe gevallen (incidentie). Uitzondering vormen de mannen in de registratie van CMR-Nijmegen e.o.. Hiervoor is het aantal nieuwe gevallen in de periode 1990-2004 met bijna 40% gedaald (zie figuur 3).

    Toename slechthorendheid door vergrijzing

    Omdat het vóórkomen van slechthorendheid of doofheid sterk toeneemt met de leeftijd, is de verwachting dat het aantal mensen met slechthorendheid in Nederland in de nabije toekomst zal toenemen. Dit als gevolg van de groei en vergrijzing van de bevolking. Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal mensen met slechthorendheid tussen 2005 en 2025 met ongeveer 35% zal toenemen. Waarschijnlijk zal de werkelijke stijging echter iets minder sterk zijn, vanwege een verwachte afname van het aantal mensen met lawaaidoofheid door minder blootstelling aan lawaai op de arbeidsplaats.

    Figuur 1: Trend in beperkingen in het gehoor a in de periode 1989-2004, voor leeftijdsgroepen 45-64 jaar en 65 jaar en ouder (CBS-GE en CBS-POLS, gezondheid en welzijn).

    gehoorbeperking_1989_2004_CBS

    a met grote moeite of niet in staat zijn een gesprek te voeren met één ander persoon of een gesprek te volgen in een groep van 3 of meer personen

    Figuur 2: Trend in jaarprevalentie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in de periode 1990-2004 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (bron: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).

    Trend in prevalentie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid (1990-2004)

    Figuur 3: Trend in incidentie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid naar geslacht in de periode 1990-2004 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (bron: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).

    Trend in incidentie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid (1990-2004)

    19 augustus 2008
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?


    Zorggebruik

    Behandeling patiënt vooral door huisartsen en KNO-artsen

    De huisarts en de KNO-arts geven voornamelijk zorg aan mensen met een gehoorstoornis. Voordat mensen met een gehoorstoornis naar een huisarts stappen zijn er tegenwoordig in veel steden en dorpen speciaalzaken die kunnen testen of er sprake is van een gehoorstoornis. Ook kunnen deze veelal de stoornis verhelpen, wanneer het gaat om ouderdomsslechthorendheid of lawaaidoofheid, met het aanmeten van een hoortoestel. Veel verzekeraars geven een vergoeding bij het aanmeten van een hoortoestel in een dergelijke speciaalzaak. De huisarts kan beoordelen of de stoornis wordt veroorzaakt door een eenvoudig weg te spuiten 'prop' in het oor. Ook kan hij bekijken of de patiënt in aanmerking komt voor een consult aan de KNO-arts.

    Bijna 1.000 opnamen voor gehoorstoornissen in 2004

    In 2004 waren er 988 ziekenhuisopnamen met 3.175 ligdagen en 1.380 dagbehandelingen in het ziekenhuis voor gehoorstoornissen ontstaan bij kinderen (verworven vroege slechthorendheid en aangeboren afwijkingen van het oor die gehoorverlies veroorzaken; ICD-9 code 389 en 744.0). Voor lawaaislechthorendheid en ouderdomsslechthorendheid vonden in 2004 een klein aantal ziekenhuisopnamen (minder dan 5) en ongeveer tien dagbehandelingen in het ziekenhuis plaats (bron: LMR).

    In de periode 1994-2004 is het aantal opnamen en het aantal dagbehandelingen in het ziekenhuis voor gehoorstoornissen ontstaan bij kinderen eerst met ongeveer 40% gedaald en daarna weer iets gestegen. Omdat de opnameduur met ongeveer 30% is gedaald, is het totaal aantal ziekenhuisopnamedagen nog meer gedaald (ongeveer 45%) dan het aantal ziekenhuisopnamen (zie figuur 1).

    Bij al deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.

    Figuur 1: Trends in ziekenhuisopnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen met verworven vroege slechthorendheid en aangeborenafwijkingen van het oor die gehoorverlies veroorzaken (ICD-9 code 389 en 744.0) als hoofdontslagdiagnose in de periode 1994-2004; gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking en geïndexeerd (1994 is 100) (Bronnen: LMR).

    Trends in gegevens over ziekenhuisopnamen voor gehoorstoornissen bij kinderen ontstaan (mannen, 1994-2005)

    Trends in gegevens over ziekenhuisopnamen voor gehoorstoornissen bij kinderen ontstaan (vrouwen, 1994-2004)

    Kosten

    712 miljoen euro aan zorg in 2005 voor alle gehoorstoornissen

    Gehoorstoornissen waren in 2005 met 712 miljoen euro voor 1,0% van de totale kosten van de zorg verantwoordelijk (Poos et al., 2008). Van de totale uitgaven aan gehoorstoornissen wordt 32,4% aan ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg uitgegeven en 29,0% aan genees-, hulpmiddelen en lichaamsmaterialen. Als we kijken naar leeftijd, dan blijken de kosten voor ziekenhuiszorg het hoogst te zijn op de leeftijd van 0-9 jaar, terwijl in de leeftijdscategorie 15-34 jaar het meest wordt uitgegeven aan gehandicaptenzorg. Bij ouderen met gehoorstoornissen zijn de kosten voor genees- en hulpmiddelen het hoogst (zie figuur 2).

    In bovenstaande kosten zijn de maatschappelijke kosten die bijvoorbeeld met ziekteverzuim gepaard gaan niet opgenomen. In de Kosten van Ziektenstudie wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende gehoorstoornissen, maar wordt alles als één groep berekend.

    Bij ziekenfondsverzekerden zijn de kosten van het gebruik van auditieve hulpmiddelen in de periode 2001-2005 gemiddeld met 10,1% gestegen (zie: kosten hulpmiddelen).

    Figuur 2: Verdeling van de kosten in 2005 aan alle gehoorstoornissen (ICD-9 code 380-389) naar leeftijd en zorgsector (bron: Kosten van Ziektenstudie).

    Kosten van de zorg van gehoorstoornissen naar sector en leeftijd in 2005

    7 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Beschrijving van gebruikte bronnen

    Huisartsenregistraties

    Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van gehoorstoornissen worden cijfers gepresenteerd op basis van huisartsenregistraties. Over het algemeen zullen dergelijke contactregistraties het vóórkomen flink onderschatten omdat veel ouderen ontkennen dat zij slecht horen. Hoewel ze regelmatig op het spreekuur van de huisarts komen in verband met andere chronische ziekten, vertellen zij niet dat ze slechter horen.

    De volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:

    De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van gehoorstoornissen specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: detailsAchtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.

    Trends in het voorkomen van slechthorendheid in de huisartspraktijk zijn afkomstig van de CMR-Nijmegen e.o. en RNH.

    Enquête: CBS-POLS, gezondheid en arbeid

    In de CBS-POLS, gezondheid en welzijn-enquête worden vragen gesteld over het vóórkomen van lichamelijke beperkingen, waaronder beperkingen in het horen. De vragen worden afgenomen bij zelfstandig wonende personen van 12 jaar en ouder. Dit gebeurt met een schriftelijke vragenlijst, waarin twee vragen over slechthorendheid zijn opgenomen:

    • Vraag 1: Kunt u een gesprek volgen in een groep van 3 of meer personen? (Zo nodig met hoorapparaat)
    • Vraag 2: Kunt u met één andere persoon een gesprek voeren? (Zo nodig met hoorapparaat)

    De antwoordcategorieën waaruit gekozen kan worden, zijn:

    • ja, zonder moeite
    • ja, met enige moeite
    • ja, met grote moeite
    • nee, dat kan ik niet

    In het Kompas worden de resultaten voor 2004 gepresenteerd, alsook de trend over de periode 1989-2004.

    Landelijke neonatale gehoorscreening

    Schattingen van slechthorendheid bij kinderen zijn afkomstig van de landelijke neonatale gehoorscreening. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen perceptieve gehoorverliezen en (tijdelijke en langdurige) conductieve verliezen.

    De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) neemt kinderen enkele dagen na de geboorte een hoortest af. De Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende kind (NSDSK) voert de regie over het screeningsprotocol, dat maximaal drie screeningssessies beslaat. Hierbij worden twee onderzoekstechnieken gebruikt:

    • Het meten van oto-akoestische emissies (OAE-screening).
    • De geautomatiseerde hersenstam audiometrie (AABR-screening).

    De eerste en tweede sessie bestaan uit een OAE-screening. Bij de derde screeningssessie wordt de AABR-methode gebruikt. Indien na drie sessies minimaal één oor onvoldoende scoort, wordt het kind doorverwezen naar een audiologisch centrum voor nader onderzoek.


    7 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties

    Meerdere oorzaken voor verschillen in de cijfers

    De prevalentie- en incidentiecijfers op basis van verschillende huisartsenregistraties variëren vaak aanzienlijk. De oorzaak kan zijn dat het vóórkomen van ziekten in de praktijkpopulaties verschilt. Het kan ook het gevolg zijn van verschillen in de algemene werkwijze van de registraties en de wijze waarop prevalentie- en incidentiecijfers worden berekend. Bovendien kunnen registraties voor bepaalde ziekten specifieke (al dan niet vastgelegde) regels hanteren. Daarom zijn hieronder allereerst de kenmerken van ouderdoms- en lawaaislechthorendheid beschreven en de kenmerken van de gebruikte huisartsenregistraties. Daarbij gaat het om kenmerken die van invloed zijn op de wijze waarop huisartsen ouderdoms- en lawaaislechthorendheid registreren.

    Kenmerken van ouderdoms- en lawaaislechthorendheid in de huisartspraktijk

    Ouderdoms- en lawaaislechthorendheid zijn chronische aandoeningen. Het zijn aandoeningen die door de patiënt én huisarts vaak niet onderkend worden en dus lang verborgen blijven. Na diagnose en eventueel aanmeten van een hoortoestel heeft de huisarts over het algemeen nog weinig bemoeienis met de patiënt over het gehoorprobleem.

    Voor alle registraties is ook de diagnose ‘doofheid niet elders geclassificeerd’ meegenomen. Dit zal mogelijk voor een groot deel ook ouderdoms- of lawaaislechthorendheid of -doofheid zijn (hoewel ook op oudere leeftijd slechthorendheid kan ontstaan door concrete oorzaken anders dan leeftijd). Een beperkt aantal oorzaken van slechthorendheid, zoals middenoorontsteking en overmatig oorsmeer, wordt onder andere codes geregistreerd.

    Specifieke regels van de registraties voor het vastleggen van ouderdoms- en lawaaislechthorendheid

    Hieronder worden enkele specifieke regels vermeld die de registraties hanteren bij het vastleggen van ouderdoms- en lawaaislechthorendheid. Algemene gegevens over de registraties worden zichtbaar als u op de desbetreffende registratie klikt.

    CMR-Nijmegen e.o. (2000-2004)

    • De slechthorendheid blijft over het algemeen het verdere leven als prevalent geregistreerd staan.

    LINH (2004)

    • Omdat de huisarts over het algemeen weinig bemoeienis heeft met slechthorendheid, zullen de incidentie en prevalentie waarschijnlijk onderschat worden.

    RNH-Limburg (2001-2004)

    • Het RNH gaat uit van probleemlijsten. Over het algemeen worden daarop alleen langdurige problemen geregistreerd. Het probleem blijft over het algemeen het verdere leven als prevalent geregistreerd staan.

    RNUH-LEO (2001-2004)

    • Er zijn twee soorten cijfers: cijfers gebaseerd op de contactregistratie en cijfers gebaseerd op probleemlijsten.
    • Op de probleemlijst worden alleen langdurige problemen geregistreerd. Als ouderdomsslechthorendheid hierop geregistreerd wordt, blijft het over het algemeen het verdere leven hierop staan.
    • Voor de incidentie en prevalentie op basis van de contactregistratie gaat het om de som van het aantal patiënten met lawaai- en/of ouderdomsslechthorendheid en het aantal gevallen van niet nader gespecificeerde vormen van slechthorendheid. Voor de prevalentie op basis van de probleemlijst gaat het om de som van het aantal patiënten met lawaai- en/of ouderdomsslechthorendheid en het aantal patiënten met niet nader gespecificeerde vormen van slechthorendheid.

    Transitieproject (2000-2004)

    • Omdat de huisarts over het algemeen weinig bemoeienis heeft met slechthorendheid, zal de zorgepisode meestal van korte duur zijn (met als gevolg een vrij lage prevalentie).

    De cijfers op basis van de huisartsenregistraties

    De prevalentie- en incidentiecijfers zijn weergegeven in onderstaande tabel. Het betreft informatie die medio 2005 beschikbaar was. De Kompas-schattingen zijn gemiddelden van enkele registraties, soms de cijfers van een enkele registratie. Voor de keuze van de registraties, zie detailsAchtergrond bij keuze van huisartsenregistraties voor incidentie- en prevalentieschatting.

    Gebruikte codes uit de CMR-Nijmegen: E-code 1890 voor doofheid. Uit het LINH, het RNH, het RNUH-LEO en het Transitieproject een cluster van ICPC-codes H84 (ouderdomsslechthorendheid/-doofheid), H85 (lawaaislechthorendheid/-doofheid) en H86 (overige vormen van slechthorendheid/-doofheid). Hierbij is dus ontdubbeld.

    Tabel 1: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van ouderdoms- en lawaaislechthorendheid in vijf huisartsenregistraties; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.

    Jaarprevalentie

    Incidentie

    mannen

    vrouwen

    mannen

    vrouwen

    CMR-Nijmegen e.o.

    37,47

    37,57

    3,08

    3,41

    LINH

    3,87

    3,77

    2,14

    2,06

    RNH (probleemlijst)

    45,59

    34,75

    2,48

    1,95

    RNUH-LEO (contactregistratie)

    7,88

    7,67

    4,43

    4,01

    RNUH-LEO (probleemlijst)

    22,16

    19,89

    0,47

    0,42

    Transitieproject

    5,44

    6,01

    2,84

    2,81

    Kompas-schatting relatief a

    35,07

    30,74

    3,21

    3,05

    Kompas-schatting absoluut a

    281.700

    251.900

    25.800

    25.000

    a De huidige Kompas-schatting voor de prevalentie is het gemiddelde van de CMR-Nijmegen, het RNH en het RNUH-LEO (probleemlijstgegevens), voor de incidentie het gemiddelde van de CMR-Nijmegen, het RNH, het RNUH-LEO (gegevens van de contactregistratie) en het Transitieproject.

    detailsPrevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht


    11 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht


    Prevalentie en incidentie lawaai- en ouderdomsslechthorendheid

    Jaarprevalentie en incidentie lawaai- en ouderdomsslechthorendheid in 2003

    Jaarprevalentie (per 1.000)

    Incidentie (per 1.000 per jaar)

    leeftijd

    mannen

    vrouwen

    mannen

    vrouwen

    0-4

    1,0

    1,2

    0,5

    0,8

    5-9

    3,0

    4,1

    1,3

    1,9

    10-14

    6,8

    4,8

    0,4

    0,3

    15-19

    6,1

    7,6

    0,6

    0,4

    20-24

    6,2

    7,4

    0,3

    0,6

    25-29

    10,1

    4,1

    0,7

    0,1

    30-34

    11,5

    7,0

    0,7

    0,7

    35-39

    11,9

    8,6

    1,2

    0,3

    40-44

    12,6

    8,7

    1,1

    0,7

    45-49

    21,7

    15,3

    2,0

    1,1

    50-54

    31,8

    16,7

    3,0

    1,9

    55-59

    43,0

    29,0

    4,6

    3,5

    60-64

    63,4

    45,9

    6,4

    4,9

    65-69

    97,5

    53,6

    12,3

    7,0

    70-74

    150,6

    88,6

    13,7

    9,9

    75-79

    213,0

    121,4

    19,5

    15,0

    80-84

    269,6

    206,9

    18,2

    18,8

    85+

    376,8

    286,9

    15,4

    16,9

    Bovenstaande schatting voor de prevalentie is het gemiddelde van de CMR-Nijmegen e.o., het RNH en het RNUH-LEO (probleemlijstgegevens), voor de incidentie het gemiddelde van de CMR-Nijmegen e.o., het RNH, het RNUH-LEO (gegevens van de contactregistratie) en het Transitieproject. Zie ook detailsAchtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.


    Gesprek met één ander persoon kunnen voeren

    Prevalentie van slechthorendheid in 2004: de mate waarin men een gesprek kan voeren met één ander persoon

    mannen

    vrouwen

    leeftijd

    enige moeite %
    grote moeite %
    kan niet %
    enige moeite %
    grote moeite %
    kan niet %

    12-14

    0,39

    0,00

    0,00

    1,40

    0,00

    0,00

    15-19

    0,28

    0,00

    0,00

    2,26

    0,00

    0,00

    20-24

    0,37

    0,00

    0,00

    1,05

    0,00

    0,00

    25-29

    0,54

    0,00

    0,00

    0,34

    0,00

    0,00

    30-34

    0,69

    0,00

    0,00

    2,14

    0,00

    0,22

    35-39

    1,23

    0,26

    0,00

    1,32

    0,26

    0,19

    40-44

    0,55

    0,75

    0,00

    0,92

    0,33

    0,00

    45-49

    1,51

    0,00

    0,00

    0,90

    0,00

    0,31

    50-54

    2,88

    0,00

    0,00

    2,88

    0,83

    0,00

    55-59

    2,59

    0,42

    0,00

    1,84

    0,00

    0,00

    60-64

    3,16

    0,00

    0,38

    4,47

    0,00

    0,00

    65-69

    7,91

    0,00

    0,00

    3,66

    0,00

    0,00

    70-74

    5,37

    0,70

    0,00

    5,17

    0,00

    0,00

    75-79

    4,50

    2,48

    0,00

    6,97

    0,66

    0,00

    80-84

    16,23

    0,00

    0,00

    6,13

    0,00

    0,00

    85+

    8,69

    0,00

    0,00

    15,08

    0,00

    0,00

    Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn 2004


    Gesprek in groep kunnen volgen

    Prevalentie van slechthorendheid in 2004: de mate waarin men een gesprek kan volgen in een groep van drie of meer personen

    mannen

    vrouwen

    leeftijd

    enige moeite %
    grote moeite %
    kan niet %
    enige moeite %
    grote moeite %
    kan niet %

    12-14

    2,86

    0,49

    0,00

    3,35

    0,00

    0,00

    15-19

    4,66

    0,00

    0,00

    4,15

    0,00

    0,00

    20-24

    1,23

    0,00

    0,00

    4,37

    0,52

    0,00

    25-29

    4,49

    0,56

    0,54

    3,44

    0,00

    0,00

    30-34

    5,70

    0,32

    0,00

    4,51

    1,09

    0,22

    35-39

    8,08

    0,58

    0,00

    7,20

    1,06

    0,17

    40-44

    9,89

    1,65

    0,00

    6,44

    0,69

    0,28

    45-49

    11,09

    2,59

    0,35

    7,49

    0,90

    0,78

    50-54

    15,44

    1,16

    1,34

    10,14

    1,40

    1,39

    55-59

    17,55

    3,43

    1,36

    14,12

    0,57

    0,00

    60-64

    17,94

    1,54

    0,82

    13,97

    2,61

    0,42

    65-69

    21,68

    7,12

    1,01

    7,74

    3,09

    0,96

    70-74

    31,04

    6,02

    1,69

    12,42

    2,95

    1,19

    75-79

    28,80

    8,00

    0,00

    21,94

    4,80

    2,60

    80-84

    29,26

    7,21

    7,55

    26,68

    10,13

    5,88

    85+

    29,53

    7,47

    12,72

    45,19

    10,87

    6,92

    Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn 2004


    7 december 2006
    Gehoorstoornissen
    Omvang van het probleem
    Figuren van prevalentie van gehoorbeperkingen uit CBS-POLS, 2004

    Figuur 1: Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan voeren met één andere persoon (Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn, 2004).

    Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan voeren met één andere persoon (mannen, 2004)

    Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan voeren met één andere persoon (vrouwen, 2004)

    Figuur 2: Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan volgen in een groep van drie of meer personen (Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn, 2004).

    Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan volgen in een groep van drie of meer personen (mannen, 2004)

    Prevalentie van gehoorbeperkingen: de mate waarin men een gesprek kan volgen in een groep van drie of meer personen (vrouwen, 2004)

    Bronnen

    Literatuur

    Bachmann KR, Arvedson JC. Early identification and intervention for children who are hearing impaired.  Pedriatric Rev, 1998; 19: 155-165.
    Broek P Van den, Vermeulen A, Brokx J, Snik A. Cochlear Implantation in Deaf Children.  Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, 1998; 142(47): 2581-6.
    Chorus AMJ, Kremer A, Oortwijn WJ, Schaapveld K. Slechthorendheid in Nederland. Achtergrondinformatie bij een knelpuntennotitie. TNO-rapport nr. 95.076.  Leiden: TNO, 1995.
    Danermark B. A review of the psychosocial effects of hearing impairment in the working-age population. In: Stephens D, Jones L, eds. The impact of genetic hearing impairment.  London and Philadelphia: Whurr Publishers, 2005: 106-136.
    Davis AJ, Bamford J, Wilson I, Ramkalawan T, Forshaw M, Wright S. A critical review of the role of neonatal hearing screening in the detection of congenital hearing impairment.  Health Technol Assess, 1997; 1(10): 1-176.
    Duijvestijn JA, Anteunis LJ, Hendriks JJ, Manni JJ. Definition of hearing impairment and its effect on prevalence figures. A survey among senior citizens.  Acta Otolaryngolog, 1999; 119(4): 420-423.
    Fortnum HM, Summerfield AQ, Marshall DH, Davis AC, Bamford JM. Prevalence of permanent childhood hearing impairment in the United Kingdom and implications for universal neonatal hearing screening: questionnaire based ascertainment study.  BMJ, 2001; 323: 1-6.
    Kapteyn TS, Hackenitz E, Wijkel D. Maatregelen ter beïnvloeding van het gebruik van een hoortoestel. Een geprotocolleerde voorschrijfprocedure en een aanvullend huisbezoek.  Huisarts Wet 1995; 38: 535-538.
    Kennedy C, Mc Cann D. Universal neonatal hearing screening moving from evidence to practice.  Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed, 2004; 89: 378-383.
    Kramer SE, Kapteyn TS, Festen JM, Tobi H. Factors in subjective hearing disability.  Audiology, 1995; 34: 311-320.
    Kramer SE, Kapteyn TS, Festen JM, Tobi H. The relationships between self-reported hearing disability and measures of auditory disability.  Audiology, 1996; 35: 277-287.
    Kramer SE. The psychosocial impact of hearing loss among elderly people: a review. In: Stephens D, Jones L, eds. The impact of genetic hearing impairment.  London and Philadelphia: Whurr Publishers, 2005: 137-164.
    NCvB, Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Signaleringsrapport Beroepsziekten 2006. http: //www.beroepsziekten.nl.  Amsterdam: NCvB, 2006.
    Neijenhuis CAM, Stollman M, Snik A, Broek P van den. Development of a central auditory test battery for adults.  Audiology, 2001; 40: 69-77.
    Passchier-Vermeer W, Kluizenaar Y de, Steenbekkers JHM, Dongen JEF van, Wijlhuizen GJ, Miedema HME. Milieu & Gezondheid 2001: overzicht van risico's, doelen en beleid. TNO-publicatie nr. 2001.95.  Leiden: TNO, 2001.
    Passchier-Vermeer W, Steenbekkers JHM. Gehoorschade door popmuziek; popconcerten, houseparty's en discotheken. TNO-publicatie nr. 2001-149.  Leiden: TNO, 2001.
    Passchier-Vermeer W, Vos H, Steenbekkers JHM. De relatie tussen popmuziek via hoofdtelefoons en gehoorverlies bij jongeren. TNO-publicatie nr. 98.016.  Leiden: TNO, 1998.
    Passchier-Vermeer W, Vos H. Popmuziek: landelijke inventarisatie expositiepatronen. TNO publicatie nr. 97.001.  Leiden: TNO, 1997.
    Passchier-Vermeer W. Uncertainties in noise-induced permanent treshold shift. TNO-publication no. 95.008.  Leiden: TNO, 1995.
    Plomp R, Mimpen AM. Improving the reliability of testing the speech reception threshold for sentences.  Audiology, 1979; 18(1): 43-52.
    Poos MJJC, Smit JM, Groen J, Kommer GJ, Slobbe LCJ. Kosten van ziekten in Nederland 2005. RIVM-rapport nr. 270751019.  Bilthoven: RIVM, 2008.
    Rijn PM van. Causes of early childhood deafness [thesis].  Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1989.
    Smits C, Kapteyn TS, Houtgast T. Development and validation of an automatic speech-in-noise screening test by telephone.  Int J Audiol, 2004; 43(1): 15-28.
    Smits C, Kramer SE, Houtgast T. Speech reception thresholds in noise and self-reported hearing disability in a general adult population.  Ear and Hearing, 2006; 27: 538-549.
    Tharpe AM, Bess FH. Minimal, progressive, and fluctuating hearing losses in children. Characteristics, identification, and management.  Pediatr. Clin. North Am., 1999; 46(1): 65-78.
    Zielhuis GA, Gerritsen AAM, Gorissen WHM, Dekker LJ, Rovers MM, Wilt G van der, et al. Hearing deficits at school age; the predictive value of otitis media in infants.  Int. J. of Pediatr. Otorhinolaryngology, 1998; 44: 227-234.
    Zielhuis GA, Rach GH, Broek P van den. The occurrence of otitis media with effusion in Dutch preschool children.  Clin. Otolaryngol., 1990; 15: 147-153.

    Gegevensbronnen

    CBS-GE. Gezondheidsenquête (CBS). Sinds 1997 overgegaan in POLS, gezondheid en welzijn.
    CMR-Nijmegen e.o.. Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen (UMC St. Radboud, afdeling Huisartsgeneeskunde, Nijmegen)
    LASA. Longitudinal Aging Study Amsterdam (VU)
    LINH. Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (NIVEL)
    LMR. Landelijke Medische Registratie (Prismant).
    NSDSK. Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind.
    NVA, 2006. Nederlands Leerboek Audiologie(www.audiologieboek.nl)
    POLS, gezondheid en welzijn. Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
    RNH. Registratienet Huisartsenpraktijken (Universiteit Maastricht, capaciteitgroep Huisartsgeneeskunde)
    RNUH-LEO. Registratie Netwerk Universitaire Huisartspraktijken Leiden en Omstreken (LUMC).
    Transitieproject. Transitieproject (UvA, Vakgroep Huisartsgeneeskunde).

    Begrippen