Lichamelijk functioneren betreft uitvoeren van lichamelijke en dagelijkse activiteiten
Lichamelijk functioneren betreft het uitvoeren van lichamelijke en dagelijkse routine-activiteiten, zoals lopen, eten, aan- en uitkleden en boodschappentassen dragen. Moeilijkheden hiermee duiden we aan met 'beperkingen'. Beperkingen die in deze bijdrage aan de orde komen zijn beperkingen in horen, zien, mobiliteit en in het vermogen om activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) uit te voeren.
Anderhalf miljoen mensen met beperkingen
In 2007 had bijna 11% van de mannen (ongeveer 587.000) en bijna 16% van de vrouwen (ongeveer 913.000) vanaf 12 jaar één of meerdere beperkingen te hebben in het horen, zien of bewegen, of in het uitvoeren van ADL-activiteiten.
Beperkingen scheef verdeeld over de bevolking
Vrouwen hebben vaker beperkingen in mobiliteit, ADL en het gezichtsvermogen dan mannen. Mannen hebben juist vaker beperkingen in het horen. Verder geldt: hoe ouder, hoe meer kans op beperkingen. Daarnaast hebben gescheiden personen vaker beperkingen dan gehuwden.
Beperkingen stabiel over de tijd
De prevalentie van beperkingen is redelijk stabiel over de periode 1997-2007. Als de trend wordt uitgesplitst naar soort beperking en naar verschillende leeftijdsgroepen, valt op dat de mobiliteitsbeperkingen zijn toegenomen in de groep van 25 tot 44-jarige vrouwen. Gezichtsbeperkingen zijn toegenomen in de groep van 45 tot 64-jarige mannen.
Beperkingen vooral door aandoeningen van het bewegingsapparaat
Naast ongevallen en 'veroudering', zijn ziekten en (aangeboren) aandoeningen de belangrijkste oorzaken van lichamelijke beperkingen. Het grootste deel van de ADL- en mobiliteitsbeperkingen in de bevolking is het gevolg van artrose of chronische gewrichtsontsteking en rugaandoeningen.
Nederland in Europese middenmoot
Het relatieve aantal mensen met beperkingen ligt in Nederland onder het Europese gemiddelde. Het relatieve aantal mensen met ernstige beperkingen in Nederland is gemiddeld in vergelijking met andere Europese landen uit de EU-27.
7 december 2009
Lichamelijk functioneren
Doel en definitie
Wat is lichamelijk functioneren en hoe wordt het gemeten?
Er bestaat een internationale classificatie van het menselijk functioneren
Er bestaat een internationale classificatie van het menselijk functioneren (in het Engels: International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF), voorheen de ICIDH). De ICF is ook in het Nederlands vertaald (WHO-FIC Collaborating Centre, 2002). Deze classificatie kent drie niveaus. Het eerste niveau beschrijft het menselijk functioneren in termen van lichamelijke functies en anatomische eigenschappen van het menselijk organisme (bijvoorbeeld spierfuncties). Het tweede niveau wordt gedefinieerd als activiteiten (bijvoorbeeld lopen), het derde als participatie of deelname aan het maatschappelijk leven (bijvoorbeeld het onderhouden van relaties). Als er moeilijkheden bestaan in het uitvoeren van deze functies, activiteiten, of in het participeren, spreken we achtereenvolgens van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen. De ICF gaat niet alleen over lichamelijk functioneren, ook mentale functies en activiteiten worden geclassificeerd.
Beperkingen door moeilijkheden bij uitvoering van activiteiten
Afgaande op de ICF richt deze Kompasbijdrage zich op het tweede niveau van het menselijk functioneren. Het gaat in op moeilijkheden bij het uitvoeren van lichamelijke en dagelijkse routine-activiteiten, zoals lopen, eten, aan- en uitkleden en boodschappentassen dragen. We spreken dan van beperkingen. Deze bijdrage aan het Kompas gaat over beperkingen in activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit en activiteiten van het dagelijks leven (ADL; zie ook de definities van indicatoren).
Effecten van beperkingen op het menselijk functioneren lopen sterk uiteen
Er is enorme variatie in de wijze waarop beperkingen zich voordoen in termen van ernst (mild of ernstig), aard (lichamelijk of zintuiglijk), tijd (tijdelijk of langdurig), verloop (constant of wisselend) en oorzaak. Deze factoren bepalen deels het effect dat beperkingen op iemands functioneren hebben. Andere factoren die hierbij van belang zijn, zijn de zichtbaarheid van beperkingen, de afhankelijkheid van zorg, persoonlijke hulp en/of hulpmiddelen, de mate waarin er sprake is van arbeidsongeschiktheid, en het moment in de levensloop waarop beperkingen ontstaan. Op jonge leeftijd zal het ontbreken van het vermogen om te lopen bijvoorbeeld een ander effect hebben, met mogelijk verdergaande consequenties voor opleiding, werk en vrijetijdsinvulling, dan een vermindering van het loopvermogen op hoge leeftijd.
Beperkingen kunnen worden gecompenseerd door hulpmiddelen
Beperkingen kunnen in zekere mate gecompenseerd worden met hulpmiddelen. Voorbeelden hiervan zijn visuele/auditieve hulpmiddelen, orthesen/schoenvoorzieningen, aanpassingen in de woning en hulpmiddelen voor de mobiliteit, zoals looprek en rolstoel (zie ook Medische hulpmiddelen). Indien beperkingen niet op succesvolle wijze gecompenseerd worden en leiden tot suboptimale deelname aan het maatschappelijk leven, ontstaan er participatieproblemen. Participatie komt echter niet ter sprake in deze bijdrage. Arbeidsongeschiktheid kan ook als een vorm van participatieprobleem worden beschouwd; zie daarvoor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Beperkingen gemeten met vier indicatoren
In deze bijdrage worden de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten onderscheiden: gehoorbeperkingen, gezichtsbeperkingen, mobiliteitsbeperkingen en ADL-beperkingen. In tabel 1 staan vier indicatoren van deze beperkingen gedefinieerd.
Tabel 1: Definities van vier indicatoren van beperkingen.
Gehoorbeperkingen
Beperkingen in het horen: grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
Gezichtsbeperkingen
Beperkingen in het zien: grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
Mobiliteitsbeperkingen
Langdurige beperkingen in de mobiliteit: grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen, bukken en iets van de grond te pakken of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
Beperkingen in de activiteiten van het dagelijks leven (ADL): grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel, in en uit bed stappen, en de trap op- en aflopen.
Cijfers over beperkingen gebaseerd op CBS gegevensbron
De hier gebruikte gegevensbron over het voorkomen van beperkingen is het Permanent Onderzoek Leef Situatie (POLS, gezondheid en welzijn) van het CBS onder respondenten van 12 jaar en ouder, in het bijzonder de basisenquête en de module gezondheid en arbeid. Het deel van de bevolking dat niet zelfstandig woont, wordt hierin buiten beschouwing gelaten. De gepresenteerde cijfers geven daarom een onderschatting van de omvang van lichamelijke beperkingen, met name bij ouderen. Over de omvang van de geïnstitutionaliseerde bevolking en hun gezondheid wordt in deze bijdrage apart gerapporteerd aan de hand van verschillende onderzoeken onder Ouderen In Instellingen (bijvoorbeeld OII-1996 en 2000).
De vragen uit POLS over horen, zien en mobiliteit, en de vragen over het vermogen om activiteiten van het dagelijkse leven uit te voeren zijn afgeleid van een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981) en geven een indruk van het tweede niveau van de ICF, het niveau van activiteiten.
Inzicht in oorzaken van beperkingen belangrijk voor behoud onafhankelijkheid
Hoe langer beperkingen kunnen worden voorkomen of verergering van beperkingen kan worden uitgesteld, des te langer zijn mensen in staat hun onafhankelijkheid en mobiliteit behouden (Satariano, 1997). Om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden voor preventie van beperkingen is het relevant na te gaan welke ziekten of klachten aan beperkingen ten grondslag liggen en of er beïnvloedbare leefstijlfactoren een rol spelen.
Niet iedere ziekte leidt tot beperkingen
Veelal worden beperkingen veroorzaakt door ziekten en aandoeningen, maar niet iedere ziekte of aandoening leidt tot beperkingen. Pas als de ziekte of aandoening negatieve invloed heeft op het uitvoeren van activiteiten is er sprake van een relatie tussen ziekte en beperkingen. Ook is niet iedere beperking toe te schrijven aan een (gediagnosticeerde) ziekte of aandoening.
Samenhang ziekte en beperkingen in de bevolking van belang voor volksgezondheid
Behalve het beperkend effect van aandoeningen op individueel niveau, is ook de mate waarin ziekten voorkomen van belang voor de volksgezondheid. Zeldzame aandoeningen die samengaan met veel beperkingen, zoals bijvoorbeeld een dwarslaesie, zijn dan ook niet verantwoordelijk voor veel beperkingen in de bevolking als geheel. Aan de andere kant kunnen ziekten die individueel licht beperkend zijn, veel beperkingen in de bevolking veroorzaken als ze veel voorkomen.
Slechtziendheid en rugaandoeningen op individueel niveau vaak beperkend
Aandoeningen die relatief vaak met ADL-beperkingen samengaan op individueel niveau zijn artrose en gewrichtsontstekingen, rugaandoeningen en slechtziendheid (OR's tussen 3,1 en 2,4; zie tabel 1). Aandoeningen die relatief vaak met mobiliteitsbeperkingen samengaan zijn slechtziendheid, rugaandoeningen en slechthorendheid (OR's tussen 3,1 en 2,7; zie tabel 1).
Beperkingen in bevolking grotendeels toe te schrijven aan artrose, gewrichtsontsteking en rugaandoeningen
Het grootste deel van de beperkingen in de bevolking is toe te schrijven aan klachten en aandoeningen van het bewegingsapparaat (zie tabel 1). Hier geldt: hoe hoger het populatie attributieve risico (PAR), hoe vaker de beperkingen in de bevolking toe te schrijven zijn aan deze ziekte. Artrose en gewrichtsontsteking zijn hiervan veruit de belangrijkste voor ADL-beperkingen, gevolgd door rugaandoeningen. Ook het grootste deel van de mobiliteitsbeperkingen is toe te schrijven aan klachten rugaandoeningen en artrose en gewrichtsontsteking.
Driekwart ADL- en mobiliteitsbeperkingen toe te schrijven ziekten en aandoeningen
Driekwart van de langdurige beperkingen in ADL en mobiliteit is toe te schrijven aan de chronische aandoeningen die hier gemeten zijn. Het resterende deel zal voor een belangrijk deel voor rekening komen van ongevallen, aangeboren afwijkingen, psychische problematiek en ‘veroudering’.
Tabel 1: Relatieve belang van afzonderlijke chronische aandoeningen voor de totale omvang van ADL- en mobiliteitsbeperkingen in de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder, gerangschikt op PAR a omvang van ADL-beperkingen (Bron: CBS POLS, gezondheid en welzijn 2006-2007).
a PAR’s (Populatie Attributief Risico) berekend met eliminatietechniek op basis van het logistische model, uitgedrukt in % van de totale omvang van beperkingen, bevolking van 12 jaar en ouder.
Noot: statistisch niet significante Odds Ratios zijn cursief weergegeven.
Samenhang in beperkingen
Driekwart van mensen met ADL-beperking heeft ook mobiliteitsbeperking
Ten opzichte van jongere leeftijden rapporteren mensen vanaf 65 jaar relatief vaker meer dan één beperking te hebben. Vanaf 80 jaar is de groep die aangeeft meer dan één beperking te hebben bijna twee keer zo groot als de groep die aangeeft één beperking te hebben (zie ook: Hoeveel mensen hebben lichamelijke beperkingen?). Wat opvalt aan het samen vóórkomen van beperkingen is dat van alle mensen met een ADL-beperking 72% ook nog een mobiliteitsbeperking heeft, 21% nog een gezichtsbeperking en 15% een gehoorbeperking (zie figuur 1). Van alle mensen met een gehoorbeperking heeft 34% ook nog een mobiliteitsbeperking, heeft 23% ook nog een gezichtsbeperking en 22% een ADL-beperking. Van alle mensen met een gezichtsbeperking heeft 37% ook nog een mobiliteitsbeperking, 19% nog een ADL-beperking en 15% een gehoorbeperking. Van alle mensen met een mobiliteitsbeperking heeft 36% ook nog een ADL-beperking, 20% nog een gezichtsbeperking en 12% een gehoorbeperking. Voor deze figuur geldt dat de weergegeven percentages van comorbide beperkingen niet zomaar opgeteld kunnen worden vanwege eventuele overlap bij drie of meer beperkingen.
Figuur 1: Samenhang in het voorkomen van beperkingen voor de totale omvang van beperkingen in de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007).
Anderhalf miljoen personen met beperkingen in 2007
In Nederland gaven in 2007 ongeveer anderhalf miljoen mensen aan beperkingen te ervaren in de domeinen horen, zien, mobiliteit en het uitvoeren van ADL-activiteiten. Bijna 11% van de mannen (106 per 1.000; absoluut circa 587.000) en bijna 16% van de vrouwen (156 per 1.000; absoluut circa 913.000) vanaf 12 jaar had één of meerdere beperkingen in het horen, zien of bewegen, of in het uitvoeren van ADL-activiteiten (zie tabel 1). Beperkingen komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De enige uitzondering vormen de gehoorbeperkingen: de prevalentie bij mannen is 3,1%, tegenover 2,6% bij vrouwen.
Beperkingen nemen sterk toe met de leeftijd
De kans op het rapporteren van beperkingen neemt voor vrouwen sterker toe naar leeftijd dan voor mannen (zie figuur 1). Voor beide geslachten geldt dat het deel met één of meerdere beperkingen per leeftijdscategorie bijna lijkt te verdubbelen, maar vrouwen rapporteren in elke leeftijdscategorie meer beperkingen dan mannen. Ruim 30% van de vrouwen van 65 tot 79 jaar rapporteert een of meerdere beperkingen te hebben ten opzichte van ruim 60% van de vrouwen van 80 jaar en ouder. Voor mannen zijn deze percentages respectievelijk ruim 20% en ruim 30%. Pas vanaf 80 jaar wordt de proportie mensen met een of meerdere beperkingen groter dan het aandeel mensen zonder beperkingen (zie figuur 2).
Tabel 1: Overzicht van beperkingen naar geslacht in 2007, gewogen naar de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Figuur 1: De prevalentie (percentage) van lichamelijke beperkingen naar leeftijd in 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007).
Figuur 2: Prevalentie (percentage) van aantallen lichamelijke beperkingen naar leeftijd in 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007).
Beperkingen in specifieke groepen
Lichamelijke beperkingen komen vaker voor bij alleenstaande personen
Zowel samenlevingsvorm als burgerlijke staat hangt samen met beperkingen in horen, zien, mobiliteit en activiteiten van het dagelijks leven (ADL). Voor samenlevingsvorm geldt dat alleenstaande vrouwen een hoog risicogroep vormen: zij hebben ruim twee keer vaker beperkingen dan samenwonende vrouwen. Dit geldt in mindere mate ook voor mannen (zie tabel 3).
Weduwen en weduwnaars hebben de hoogste prevalentie van beperkingen. Houden we echter rekening met hun gemiddeld oudere leeftijd, dan hebben verweduwden niet significant vaker beperkingen dan gehuwden. Gescheiden vrouwen rapporteren wel vaker beperkingen dan hun gehuwde seksegenoten.
Tabel 2: Enigerlei beperking (horen / zien / mobiliteit / ADL) naar samenlevingsvorm en burgerlijke staat, 25 jaar en ouder (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007).
Noot: cursief weergegeven Odds Ratios zijn na correctie voor leeftijd niet langer statistisch significant
Meer beperkingen onder laagopgeleiden
In alle domeinen van lichamelijke beperkingen is een verschil naar sociaaleconomische status waarneembaar. Met name op het domein van het bewegen zijn de tegenstellingen groot (zie figuur 3). De prevalentie van beperkingen in het bewegen onder mensen met een hbo of universitair diploma is 4%. Onder mensen met alleen lagere school is deze prevalentie 16%, het viervoudige. De prevalentie van tenminste een of meerdere beperkingen is onder mensen met alleen lagere school ruim het drievoudige vergeleken met mensen met een hbo of universitair diploma, respectievelijk 7% ten opzichte van 23%. Dit resultaat wordt vertekend doordat relatief veel oudere mensen slechts lagere school hebben genoten.
Veel beperkingen bij ouderen in verzorgings- en verpleeghuizen
Ouderen die in een verzorgings- of verpleeghuis verblijven, behoren tot de niet-zelfstandig wonende ouderen. De omvang van deze groep is vooral bij de hogere leeftijdsklassen niet te verwaarlozen, zie Vergrijzing: woonvorm. Specifieke studies bij de groep van geïnstitutionaliseerde ouderen laten zien dat de prevalentie van lichamelijke beperkingen hoog is, zie tabel 3. Naar verwachting is de gezondheidssituatie van personen in verpleeghuizen slechter dan die van verzorgingshuizen. Het grootste deel van de ouderen die in instellingen verblijven is meervoudig beperkt en hulpbehoevend (Van Herten et al., 2002a).
Tabel 3: Lichamelijke beperkingen van personen verblijvend in instellingen (% ernstige beperking in horen, zien, mobiliteit en/of ADL) naar geslacht en leeftijdsklasse (data afkomstig uit Van Herten et al., 2002a).
<74
75-79
80-84
85-89
>90
Verpleeghuizen a
mannen
72,9
66,4
74,2
75,0
80,6
vrouwen
72,4
78,2
75,3
86,3
89,4
Verzorgingshuizen b
mannen
55,8
55,0
52,6
53,6
64,4
vrouwen
59,0
60,8
64,2
71,8
80,4
a Gemiddelde van gegevens OII-’96 en OII-’00 (bewoners van verpleeghuizen).
b Gemiddelde van gegevens over OII-'96 en OII-’00 (bewoners van bejaardenoorden).
Figuur 3: Prevalentie (percentage) van lichamelijke beperkingen naar opleiding, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007).
7 december 2009
Lichamelijk functioneren
Omvang van het probleem
Neemt het aantal mensen met beperkingen toe of af?
Beperkingen overwegend stabiel over de tijd
Het percentage mensen van 65 jaar en ouder met één of meer beperkingen in het horen, zien of bewegen, of in ADL is nagenoeg stabiel gebleven in de periode 1997-2007 (zie figuur 1). Het percentage mensen van 45 tot 65 jaar met één of meer beperkingen is licht gestegen in de periode 2001-2007. Het percentage mensen van 25 tot 45 jaar met een of meerdere beperkingen is nagenoeg gelijk gebleven in de periode 2001-2007. Deze trends zijn gebaseerd op analyses van gegevens uit POLS uit de periode 1997-2007.
De stabiliteit van het niveau van beperkingen is ook gebleken uit een meta-analyse van beperkingen in (trap)lopen en aan- en uitkleden over de periode 1991 tot 2005 (Van Gool et al., 2008). In die studie werden zelfgerapporteerde gegevens over beperkingen onder mensen van 55 jaar en ouder verzameld en geharmoniseerd uit de LASA studie, de MAAS studie, de Doetinchem Cohort studie, het AVO onderzoek en uit de POLS, gezondheid en welzijn studie.
Percentage mensen met beperkingen in het horen stabiel
Het percentage mensen met beperkingen in het gehoorvermogen is stabiel gebleven over de periode 1997-2007 (zie figuren 2, 3 en 4). Dit geldt voor mannen en vrouwen uit alle leeftijdsklassen.
Percentage mensen met beperkingen in het zien neemt toe
Het percentage mensen met beperkingen in het gezichtsvermogen neemt sinds ongeveer 2001 toe (zie figuren 2, 3 en 4). Dit geldt met name voor mannen tussen 45 en 65 jaar en vrouwen vanaf 45 jaar.
Mobiliteitsbeperkingen kennen schommelend verloop onder vrouwen
Bij beperkingen in de mobiliteit is er in de periode 1997-2007 sprake van een schommelend verloop onder vrouwen (zie figuren 2, 3 en 4). Tot 2001 was er sprake van een daling in mobiliteitsbeperkingen onder vrouwen; daarna nemen deze weer toe, met een piek in 2004. Na 2004 nemen mobiliteitsbeperkingen weer af, behalve voor vrouwen uit de jongste leeftijdscategorie (25 tot 44 jaar).
ADL-beperkingen stabiel
Het voorkomen van beperkingen bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL) is voor de bevolking van 65 jaar en ouder vrijwel stabiel in de periode 1997-2007. Voor de bevolking van 25 tot 64 jaar geldt dezelfde trend, alleen betreft het de periode 2001- 2007 (zie figuren 2, 3 en 4). Pas vanaf 2001 vraagt het CBS in de POLS, gezondheid en welzijn naar ADL-beperkingen onder mensen beneden de 55 jaar.
Figuur 1: Gestandaardiseerde trend in enigerlei beperking onder mannen en vrouwen, naar leeftijd, 1997-2007 op basis van 3-jaars voortschrijdend gemiddelde (Bron: CBS- POLS, gezondheid en welzijn).
Geïnstitutionaliseerde bevolking steeds vaker met beperkingen
Lichamelijke beperkingen onder ouderen in verzorgingshuizen nemen toe. Indien verschillende onderzoeken met elkaar vergeleken worden blijkt dat er over de jaren 1982-2000 een significante toename van 2,5% per jaar bestaat. Deze toename geldt voor zowel gehoor-, mobiliteits-, als ADL-beperkingen. Gezichtsbeperkingen nemen niet toe (Van Herten et al., 2002a). Voor verpleeghuizen hebben we geen gegevens kunnen achterhalen.
Figuur 2: Gestandaardiseerde trends in beperkingen, onder mannen en vrouwen van 25 tot 45 jaar, gebaseerd op het 3-jaarlijks voortschrijdend gemiddelde in de periode 1997-2007 (Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn).
Figuur 3: Gestandaardiseerde trends in beperkingen, onder mannen en vrouwen van 45 tot 65 jaar, gebaseerd op het 3-jaarlijks voortschrijdend gemiddelde in de periode 1997-2007 (Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn).
Figuur 4: Gestandaardiseerde trends in beperkingen, onder mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder, gebaseerd op het 3-jaarlijks voortschrijdend gemiddelde in de periode 1997-2007 (Bron: CBS-POLS, gezondheid en welzijn).
Niet iedereen met beperkingen doet een beroep op zorgvoorzieningen (De Klerk & Schellingerhout, 2006). Veel mensen redden zich eerst zo lang mogelijk zonder hulp of doen een beroep op hun eigen netwerk. Dit geldt zeker voor de eerste paar maanden dat iemand hulp nodig heeft (er wordt dan gesproken over gebruikelijke zorg). Maar er kunnen ook andere redenen zijn om een voorziening wel nodig te vinden, maar deze niet aan te vragen. Zo kunnen mensen niet weten waar zij naartoe moeten met een bepaalde hulpvraag, zien ze op tegen de administratieve procedures of menen zij niet voor een voorziening in aanmerking te komen. Gezondheidskenmerken, persoons- (leeftijd) en situationele (woonvorm) kenmerken zijn van invloed op het gebruik van zorg.
Vooral langdurige zorg
Indien mensen met beperkingen een beroep doen op de zorg, betreft dit vooral langdurige zorg. Deze zorg kan in instellingen worden geleverd, maar ook in de eigen woongeving. Het merendeel van de mensen met een beperking verblijft buiten een instelling. De zorg voor deze mensen is erop gericht dat men zo goed mogelijk ondersteund wordt bij zijn beperkingen. Een belangrijk doel van deze ondersteuning is het bevorderen van de zelfredzaamheid. Voorbeelden van zorgvormen die vooral van toepassing zijn bij mensen met lichamelijke beperkingen zijn hulpmiddelen, hulp in het huishouden, persoonlijke verzorging, revalidatie, fysiotherapie, domotica en informele zorg. De zorgvorm en de duur ervan hangt af van de aard en de ernst van de beperking. Daarnaast hebben mensen met beperkingen ook contact met onder andere de huisarts en de specialist, omdat beperkingen vaak het gevolg van ziekten en aandoeningen zijn.
Hulpmiddelen ter compensatie van lichamelijke beperkingen
Hulpmiddelen kunnen in zekere mate beperkingen compenseren. Voorbeelden hiervan zijn visueel/auditieve hulpmiddelen, orthesen/schoenvoorzieningen, aanpassingen in de woning en hulpmiddelen voor de mobiliteit, zoals looprek en rolstoel (zie ook Medische hulpmiddelen). Tweederde van de mensen die gebruik maakt van medische hulpmiddelen zegt dat het verstrekte hulpmiddel het probleem, waarvoor het is bedoeld, oplost (Westert et al., 2008).
Zorggebruik
Hierna maken we een onderscheid tussen het gebruik van hulpmiddelen in de algemene bevolking (POLS, gezondheid en welzijn) en het zorggebruik van mensen met matige of ernstige beperkingen. De gegevens over deze laatste groep zijn afkomstig uit het Nationaal Chronisch Zieken en Gehandicaptenpanel (NPCG).
Drie op de vijf mensen heeft een bril of contactlenzen
In de algemene bevolking wordt het meest gebruik gemaakt van een hulpmiddel bij het zien of lezen (POLS, gezondheid en welzijn). Bijna 60% van de mensen ouder dan vier jaar had in 2008 een bril of contactlenzen (zie tabel 1). Vooral ouderen maken gebruik van hulpmiddelen. Van de personen ouder dan 65 jaar had een op de vijf in 2008 een hulpmiddel bij het bewegen zoals een rolstoel, looprek of stok en een op de zes een hulpmiddel bij het horen. Oudere vrouwen hadden in 2008 twee keer zo vaak een hulpmiddel bij het bewegen als oudere mannen. Oudere mannen hadden juist vaker een gehoorapparaat of een apparaat voor geluidsversterking (Wingen, 2009).
Medisch en paramedisch zorggebruik hoger dan in algemene bevolking
Mensen met matige of ernstige beperkingen maken gemiddeld meer gebruik van huisartsen-, specialisten- en ziekenhuiszorg dan mensen in de algemene bevolking (zie tabel 1). Dit geldt voor mensen met een ernstige beperking ook nog weer meer dan voor mensen met een matige beperking (Lemmens et al., 2008). Bijna de helft van de mensen met een beperking heeft contact met een fysiotherapeut. In 2006 had deze groep gemiddeld 26,2 fysiotherapiebehandelingen per persoon.
Bijna helft heeft professionele hulp aan huis
Van de mensen met matige of ernstige lichamelijke beperkingen maakt bijna de helft in 2007 gebruik van huishoudelijke hulp of andere professionele zorg (verpleging, verzorging of begeleiding) aan huis (Marangos et al., 2008). Gemiddeld hebben mensen met beperkingen vier uur per week professionele hulp thuis. Van de mensen met hulp bij het huishouden heeft de helft particuliere of informele hulp. Een kwart van de mensen met matige en ernstige lichamelijke beperkingen ontvangt huishoudelijke hulp via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Bijna helft maakt gebruik van informele zorg
In 2007 maakte bijna de helft van de mensen met matige of ernstige beperkingen gebruik van informele zorg (Marangos et al., 2008). In tweederde van de gevallen ging het om een periode langer dan drie maanden. De informele zorg betreft huishoudelijke hulp (39%), verzorging/verpleging (13%) en het regelen van zaken (16%). Tweederde van de informele zorg wordt door de partner geleverd eventueel aangevuld met hulp van onder andere uitwonende familieleden, buren, vrienden.
Merendeel heeft aanpassing of hulpmiddel
Vier op de vijf mensen met matige of ernstige beperkingen had in 2006 een aanpassing of hulpmiddel tot zijn beschikking (Lemmens et al., 2008). Visuele hulpmiddelen komen het vaakst voor, gevolgd door loophulpmiddelen en woningaanpassingen (zie tabel 3). Hulpmiddelen kunnen worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (bijvoorbeeld bril, rollator, prothesen), de AWBZ (bijvoorbeeld benodigdheden voor verpleging) en de Wmo (bijvoorbeeld woningaanpassingen, rolstoel, scootmobiel). Van de mensen met matige of ernstige beperkingen maakte in 2007 de helft gebruik van hulpmiddelen en aanpassingen via de Wmo (Marangos et al., 2008). Dit betreft vooral woningaanpassingen en scootmobiel/speciale fiets. Van de mensen met een beperking gebruiken mensen met een ernstige beperking, ouderen, hoger opgeleiden en alleenwonenden vaker een of meer van dergelijke voorzieningen dan mensen met een matige beperking, mensen jonger dan 65 jaar, midden en lager opgeleiden en mensen met een beperking uit een meerpersoonshuishouden.
Tabel 1: Percentage gebruikers van hulpmiddelen in de algemene bevolking in 2008 naar leeftijd (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
0-14
16-24
25-44
45-65
65+
Totaal
Auditieve hulpmiddelen a
0,1
0,1
0,6
2,2
17,2
3,4
Visuele hulpmiddelen a
13,0
33,3
43,3
90,0
97,8
59,3
Hulpmiddelen voor het bewegen b
0,9
0,5
0,5
2,6
20,5
4,8
Anatomische hulpmiddelen b
4,0
3,7
3,2
5,6
9,9
5,3
Incontinentiehulpmiddelen b
0,7
0,0
1,0
2,9
12,5
3,6
a Voor personen van vier jaar en ouder.
b Voor personen van twaalf jaar en ouder.
Tabel 2: Percentage mensen met matige of ernstige beperkingen en percentage van de algemene bevolking dat in 2006 contact had met een zorgaanbieder a (Bron: Lemmens et al., 2008, POLS, gezondheid en welzijn).
Zorgaanbieder
Mensen met beperking (in %)
Algemene bevolking (in %)
Huisarts
92
74
Medisch specialist
82
42
Ziekenhuisopname
24
8
Fysiotherapeut
47
18b
a Er is niet gecorrigeerd voor eventuele verschillen in sociaal-demografische kenmerken tussen de onderzoekspopulatie en de algemene bevolking, bijvoorbeeld in leeftijds- en geslachtsverdeling. De gegevens over de algemene bevolking betreffen personen van vijftien jaar en ouder.
b Dit is inclusief oefentherapie.
Tabel 3: Toptien van hulpmiddelen en aanpassingen van mensen met een beperking (Bron: Lemmens et al., 2008).
Soort hulpmiddel
%
1
Visueel hulpmiddel
54
2
Loophulpmiddelen
25
3
Woningaanpassingen
22
4
Scootmobiel of aangepaste fiets
19
5
Steunzolen
16
6
Incontinentiemateriaal
13
7
Aangepast meubilair
13
8
Elastische kousen
12
9
Orthopedische schoenen
11
10
Hulpmiddelen voor persoonlijke verzorging
11
7 december 2009
Lichamelijk functioneren
Geografische verschillen
Zijn er binnen Nederland verschillen naar regio?
In regio Amsterdam méér beperkingen dan elders in Nederland
Over de periode 2005 tot 2007 gezien heeft 12,6% van de personen van 12 jaar en ouder één of meerdere lichamelijke beperkingen. Het hoogste percentage heeft Amsterdam (17,5%). Deze regio scoort ook als enige significant boven het landelijk gemiddelde. Het kleinste aandeel inwoners met één of meer lichamelijke beperkingen heeft de regio Eemland, namelijk 9,6%. Behalve Eemland scoort alleen nog regio Kennemerland (10,2%) significant lager dan het landelijk gemiddelde.
De gegevens zijn afkomstig uit enquêtes van het CBS. Het CBS heeft aan mensen gevraagd om van zeven activiteiten in horen, zien en bewegen, aan te geven of ze deze zonder moeite, met enige moeite, met grote moeite, of niet kunnen verrichten (zogenaamde OECD-indicator). Personen die tenminste één activiteit niet of alleen met grote moeite kunnen verrichten, worden als lichamelijk beperkt beschouwd.
In regio´s rondom Amsterdam minder beperkingen in bewegen dan elders in Nederland
Over de periode 2005 tot 2007 gezien heeft 8,0% van de personen van 12 jaar en ouder één of meerdere beperkingen in bewegen. De hoogste percentages zijn te vinden in de regio's Amsterdam (11,2%), Rotterdam-Rijnmond (10,1%) en Groningen (10,0%). Vier regio's rondom Amsterdam scoren het laagst. Gooi en Vechtstreek heeft met 5,5% het laagste percentage, gevolgd door Hollands Midden (5,8%), Zaanstreek-Waterland (6,2%) en Kennemerland (6,2%). Behalve Zaanstreek-Waterland liggen deze regio's ook significant lager dan het landelijk gemiddelde.
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?
Minder Nederlanders met beperkingen dan gemiddeld in Europese Unie
Het percentage Nederlanders met beperkingen (zowel ernstig als licht) bij dagelijkse activiteiten is lager dan het gemiddelde van de EU-27 (zie figuur 1). In 2007 rapporteerden 16,9% van de Nederlandse mannen en 24,4% van de vrouwen beperkingen bij dagelijkse activiteiten. Het gemiddelde van de EU-27 lag op 21,5% bij mannen en 26,9% bij vrouwen. Mensen uit Malta, Griekenland en Roemenië rapporteren het minst beperkingen. Mensen uit Estland, Letland en Finland juist het meest (Eurostat, 2009).
Verschil in vraagstelling veroorzaakt verschil in percentages voor Nederland
Door verschillen in vraagstelling tussen Europese en Nederlandse onderzoeken verschillen de hier gepresenteerde Nederlandse cijfers van die in het document: Hoeveel mensen hebben lichamelijke beperkingen?
Nederland gemiddeld met aantal ernstige beperkingen
Het aantal mensen met ernstige beperkingen in Nederland verschilt niet veel van het EU-27 gemiddelde (zie figuur 1). Van de Nederlandse mannen rapporteert 6,9% ernstige beperkingen en van de vrouwen 8,9%. In de EU-27 is dat respectievelijk 7,0% en 8,7%. Mannen en vrouwen uit Portugal en Hongarije rapporteren het vaakst ernstige beperkingen. Malta en Tsjechië scoren juist opvallend laag, namelijk voor zowel mannen als vrouwen onder de 6% (Eurostat, 2009).
Verschillen tussen mannen en vrouwen in Nederland groter dan in andere landen
In alle landen komen beperkingen meer voor bij vrouwen dan bij mannen. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn in Nederland echter wel groter dan in de andere EU-27 landen. Net als in Nederland hebben ook in de meeste andere EU-landen mensen met een hogere opleiding minder lichamelijke beperkingen (Eurostat, 2009).
De periode waarover gegevens beschikbaar zijn, is te kort om een uitspraak over trends in beperkingen bij de algemene bevolking te doen (Eurostat, 2009).
Geen uniforme trends in beperkingen bij ouderen
Er is in Europa een grote variatie in trends in beperkingen bij ouderen. Een studie van de OECD vond een afname van beperkingen bij dagelijkse activiteiten bij ouderen van 65 jaar en ouder in vier van de acht bestudeerde EU-landen (Nederland, Denemarken, Finland en Italië). In België en Zweden was er een toename terwijl verschillende onderzoeken in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk verschillende trends lieten zien (Lafortune & Balestat, 2007). Ook binnen Nederland laten studies tegenstrijdige resultaten zien over het wel of niet gezonder worden van Nederlandse ouderen (Van Gool et al., 2008).
Figuur 1: EU-27 landen met het hoogste en laagste percentage personen met beperkingen bij dagelijkse activiteiten in 2007 (Bron: EU-SILC; Eurostat, 2009). Landen zijn gesorteerd op volgorde van totale prevalentie (mannen en vrouwen samen).
Achtergrondgegevens bij internationale verschillen in beperkingen en gezonde levensverwachting
Europese vragenlijst meet beperkingen en gezonde levensverwachting
Voor de internationale vergelijking van lichamelijk functioneren en de gezonde levensverwachting is gebruik gemaakt van gegevens over de aan- of afwezigheid van beperkingen uit de jaarlijkse EU-SILC survey (European Statistics on Income and Living Conditions) die sinds 2006 in alle EU-27 landen wordt afgenomen. Daarin wordt de aan- of afwezigheid van beperkingen bepaald met de vraag of men zich voor een periode van minimaal de afgelopen zes maanden ernstig, in enige mate of niet beperkt voelde in dagelijkse activiteiten (severly, to some extent of not hampered).
Nederlandse cijfers niet direct vergelijkbaar met Europese maat
De vraagstelling in de EU-SILC verschilt van de vraagstelling in de Nederlandse POLS, gezondheid en welzijn-enquête. Hierdoor zijn de gegevens op basis van de POLS niet direct vergelijkbaar met de gegevens die voor internationale vergelijkingen worden gebruikt. Voor internationale vergelijkingen gaat de voorkeur uit naar de EU-SILC survey boven de POLS, omdat in de EU-SILC gestreefd wordt naar eenvormige methoden van dataverzameling tussen landen. Dat is nodig omdat landen vaak verschillende methoden en verschillende begrippen (concepten) van gezondheid hanteren. In de praktijk blijven er echter, onder andere als gevolg van vertaling, toch verschillen in vraagstelling en antwoordcategorieën (Eurostat, 2008c; Ekholm & Bronnum-Hansen, 2009). Daarom moeten de cijfers voorzichtig worden geïnterpreteerd. Denemarken is zelfs helemaal uit de figuren weggelaten omdat twee afwijkingen in de vraagstelling leiden tot een onderschatting van het aantal respondenten met beperkingen. Zo is de vraag over beperkingen bij het functioneren alleen gesteld aan mensen die de voorafgaande vraag over het hebben van een chronische ziekte of aandoening met ja hebben beantwoord. Ook waren er in Denemarken slechts twee in plaats van drie antwoordcategorieën.
Structurele indicator Healthy Life Years vergelijkt gezonde levensverwachting
Voor de internationale vergelijking van gezonde levensverwachting is binnen de EU de structurele indicator Healthy Life Years (HLY) ontwikkeld (EHEMU, 2005). De HLY meet het gemiddelde aantal jaren dat een persoon op een bepaalde leeftijd nog kan verwachten te leven in goede gezondheid. Deze gezondheidsmaat combineert lengte en kwaliteit van het leven in één getal. Bij de HLY wordt een goede gezondheid gedefinieerd als de afwezigheid van beperkingen bij dagelijkse activiteiten gedurende de afgelopen zes maanden. Omdat er veel verschillende manieren zijn om gezondheid te meten zijn er ook veel verschillende typen ‘gezonde levensverwachting’. Andere vormen van gezonde levensverwachting zijn gebaseerd op ziekte, goede ervaren gezondheid of goede psychische gezondheid. Een voorbeeld van zo’n andere vorm is de Health-Adjusted Life Expectancy (HALE) indicator van de WHO.
EHEMU, European Health Expectancy Monitoring Unit.
Are we living longer, healthier lives in the EU? Disability-Free Life Expectancy (DFLE) in EU Countries from 1991 to 2003 based on the European Community Household Panel (ECHP).
Montpellier: EHEMU, 2005.
Ekholm O, Bronnum-Hansen H.
Cross-national comparisons of non-harmonised indicators may lead to more confusion than clarification.
Scand J Public Health 2009.
Eurostat.
Note on the harmonisation of SILC and EHIS questions on health.
Luxemburg: Eurostat, 2008c.
Herten LM van, Oudshoorn K, Perenboom RJM, Mulder YM, Hoeymans N.
Gezondheidstoestand van bewoners van instellingen. TNO-Rapport PG/VGZ/2002.041.
Leiden: TNO, 2002a.
Klerk M de, Schellingerhout R.
Ondersteuning gewenst. Mensen met lichamelijke beperkingen en hun voorzieningen op het terrein van wonen, zorg, vervoer en welzijn.
Den Haag: SCP, 2006.
Lafortune G, Balestat G.
and the Disability Study Expert Group Members. Trends in severe disability among elderly people: assessing the evidence in 12 OECD countries and the future implications.
Paris: OECD 2007.
Lemmens L, Spreeuwenberg P, Rijken M.
Kerngegevens Zorg 2007: Nationaal Panel Chronisch zieken en gehandicapten.
Utrecht: NIVEL, 2008.
Marangos A, Cardol C, Klerk M de.
Een jaar na de invoering van de Wmo. Ondersteuning en participatie van mensen met een lichamelijke beperking. Tweede tussenrapportage Wmo-evaluatie.
Den Haag/Utrecht: SCP/NIVEL, 2008.
McWhinnie JR.
Disability assessment in population surveys: Results of the OECD common development effort.
Revue d'Épidemiologie et de Santé Publique, 1981; 29: 413-419.
Satariano WA.
The disabilities of aging - Looking to the physical environment.
Am J Public Health 1997; 87: 331-332.
Van Gool CH, Picavet HSJ, Deeg DJH, De Klerk MMY, Nusselder WJ, Hoeymans N.
Oudere van nu gezonder dan 15 jaar geleden? Trends in lichamelijke beperkingen.
Tijdschrift voor gerontologie en geriatrie 2008; 39(4): 31
WHO-FIC Collaborating Centre, World Health Organization.
ICF. Internationale classificatie van het menselijk functioneren.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002.
Doetinchem.Monitoringsstudie onder bewoners van Doetinchem. Voortzetting van Peilstation HVZ en MORGEN. Uitgevoerd door het RIVM vanaf 1998
Eurostat.Statistische Database van de Europese Unie
LASA.Longitudinal Aging Study Amsterdam (VU)
NPCG.Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten (NIVEL)
OII.Onderzoek Ouderen In Instellingen (SCP)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
Literatuur
Maastricht Aging Study.
.
EHEMU, European Health Expectancy Monitoring Unit.
Are we living longer, healthier lives in the EU? Disability-Free Life Expectancy (DFLE) in EU Countries from 1991 to 2003 based on the European Community Household Panel (ECHP).
Montpellier: EHEMU, 2005.
Ekholm O, Bronnum-Hansen H.
Cross-national comparisons of non-harmonised indicators may lead to more confusion than clarification.
Scand J Public Health 2009.
Eurostat.
Note on the harmonisation of SILC and EHIS questions on health.
Luxemburg: Eurostat, 2008c.
Herten LM van, Oudshoorn K, Perenboom RJM, Mulder YM, Hoeymans N.
Gezondheidstoestand van bewoners van instellingen. TNO-Rapport PG/VGZ/2002.041.
Leiden: TNO, 2002a.
Klerk M de, Schellingerhout R.
Ondersteuning gewenst. Mensen met lichamelijke beperkingen en hun voorzieningen op het terrein van wonen, zorg, vervoer en welzijn.
Den Haag: SCP, 2006.
Lafortune G, Balestat G.
and the Disability Study Expert Group Members. Trends in severe disability among elderly people: assessing the evidence in 12 OECD countries and the future implications.
Paris: OECD 2007.
Lemmens L, Spreeuwenberg P, Rijken M.
Kerngegevens Zorg 2007: Nationaal Panel Chronisch zieken en gehandicapten.
Utrecht: NIVEL, 2008.
Marangos A, Cardol C, Klerk M de.
Een jaar na de invoering van de Wmo. Ondersteuning en participatie van mensen met een lichamelijke beperking. Tweede tussenrapportage Wmo-evaluatie.
Den Haag/Utrecht: SCP/NIVEL, 2008.
McWhinnie JR.
Disability assessment in population surveys: Results of the OECD common development effort.
Revue d'Épidemiologie et de Santé Publique, 1981; 29: 413-419.
Satariano WA.
The disabilities of aging - Looking to the physical environment.
Am J Public Health 1997; 87: 331-332.
Van Gool CH, Picavet HSJ, Deeg DJH, De Klerk MMY, Nusselder WJ, Hoeymans N.
Oudere van nu gezonder dan 15 jaar geleden? Trends in lichamelijke beperkingen.
Tijdschrift voor gerontologie en geriatrie 2008; 39(4): 31
WHO-FIC Collaborating Centre, World Health Organization.
ICF. Internationale classificatie van het menselijk functioneren.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002.