Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden Ouderen

Rijksvaccinatieprogramma

Kort en bondig
Doel en organisatie
Kosten
Bereik en effectiviteit

Kijk ook eens bij:

Kijk ook eens bij andere websites:

8 december 2008
Rijksvaccinatieprogramma
Rijksvaccinatieprogramma samengevat

Een programma voor alle kinderen

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) heeft tot doel de vaccinatie van alle kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 9 jaar die in Nederland wonen. De ziekten waartegen gevaccineerd wordt zijn: difterie, kinkhoest, tetanus en polio (dktp), infectie met Haemophilus Influenzae type B (Hib), bof, mazelen en rodehond (bmr), meningokokken C infecties (Men C), hepatitis B (Hep B) en pneumokokken infecties. Hepatitis B is in 2003 toegevoegd aan het RVP en is bedoeld voor een beperkte groep kinderen waarvan één van de ouders afkomstig is uit een land waar veel Hepatitis B voorkomt of waarvan de moeder drager is van het Hepatitis B virus. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (HPV-vaccinatie) bij meisjes van 12 jaar wordt vanaf 2010 opgenomen in het RVP.

RVP landelijk georganiseerd

Het vaccinatiebeleid wordt vastgesteld door de minister van VWS, op advies van de Gezondheidsraad. Zo wordt bijvoorbeeld bepaald welke vaccinaties in het RVP worden opgenomen en op welke leeftijd deze vaccinaties worden verstrekt. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is belast met het toezicht op de uitvoering. De vaccins worden door het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) geproduceerd of aangekocht en afgeleverd aan de Entadministraties (EA). Van hieruit vindt distributie plaats naar de jeugdgezondheidszorginstellingen. De vaccinaties worden verricht door de regionale thuiszorgorganisaties (op de consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters) en de GGD'en. De vaccinaties vinden plaats volgens een gestructureerd vaccinatieschema. De kosten van de uitvoering van het RVP worden gefinancierd vanuit de AWBZ.

Een programma met veel succes

Invoering van het RVP vanaf 1957 heeft in Nederland geleid tot het vrijwel verdwijnen van de meeste infectieziekten waartegen wordt ingeënt. Destijds vormden zij de belangrijkste ziekte- en doodsoorzaken bij kinderen. Nu wordt de sterfte aan infectieziekten bij kinderen en jongeren voornamelijk veroorzaakt door ziekten waartegen (nog) niet wordt gevaccineerd of (nog) niet kan worden gevaccineerd. De vaccinatiegraad in Nederland ligt boven de 95 procent. De effectiviteit van het RVP is hierdoor erg hoog. Deelname aan het RVP vindt plaats op vrijwillige basis. De vaccinatiegraad wordt daarom grotendeels bepaald door de bereidheid van de ouders om hun kinderen te laten vaccineren.

Meer aandacht voor bijwerkingen

Nu de infectieziekten en hun complicaties minder in beeld zijn, krijgen bijwerkingen van vaccinaties meer aandacht. De overheid bewaakt de veiligheid van het RVP nauwlettend op grond van meldingen van mogelijke bijwerkingen. Het melden van bijwerkingen is niet verplicht. Dat de uitvoerders van het RVP mogelijke bijwerkingen melden is van groot belang om kennis over en inzicht in de toegepaste vaccinaties te vergroten. Het aantal gemelde bijwerkingen stijgt jaarlijks, maar analyse van deze gegevens duidt voornamelijk op een beter meldgedrag.


8 december 2008
Rijksvaccinatieprogramma
Doel, organisatie en aanbod
Wat wordt er met de preventie beoogd?

Ernstige ziekten voorkómen

Het RVP is gericht op de preventie van infectieziekten en de complicaties van de ziekten waartegen wordt gevaccineerd. Difterie, tetanus, kinkhoest, polio, meningitis en hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging, veroorzaakt door een infectie met Haemophilus influenzae type b (Hib) of pneumokokken zijn voorbeelden van ernstige ziekten, waar mensen aan kunnen overlijden. Bof, mazelen, rodehond en Hepatitis B zijn voorbeelden van ziekten die meestal ongecompliceerd verlopen, maar in sommige gevallen een ernstig verloop kunnen hebben. Een rodehond-infectie bij een zwangere vrouw kan bijvoorbeeld aangeboren afwijkingen bij de baby veroorzaken terwijl de infectie voor de moeder doorgaans ongevaarlijk is.

HPV-vaccinatie ter voorkoming van baarmoederhalskanker

Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (HPV-vaccinatie) bij meisjes van 12 jaar wordt vanaf 2010 opgenomen in het RVP. Deze vaccinatie is erop gericht om het ontstaan van de voorstadia van baarmoederhalskanker tegen te gaan en zo baarmoederhalskanker te voorkomen (zie ook: Welke factoren beinvloeden de kans op baarmoederhalskanker?).

Infectieziekten de wereld uit door vaccinatie

Een aantal ziekteverwekkers kunnen worden uitgeroeid door vaccinatie; het virus krijgt de kans niet meer zich te verspreiden wanneer voldoende mensen immuun zijn doordat ze zijn gevaccineerd. Tot op heden is pokken de enige ziekte in de wereld die door vaccinatie is uitgeroeid. Omdat pokken niet meer voorkomt, is het nu niet meer nodig om daartegen te vaccineren. Mocht het virus in de toekomst zich toch verspreiden, bijvoorbeeld door bioterroristische aanslagen, dan is er in Nederland voldoende vaccin aanwezig om weer te starten met de vaccinatie van de Nederlandse bevolking. De WHO streeft ernaar in de komende jaren polio (kinderverlamming) wereldwijd uit te roeien, dit zal waarschijnlijk lukken. Daarna staat uitroeiing van mazelen op de agenda.

Door RVP grote gezondheidswinst

Jaarlijks worden er rond de 200.000 kinderen geboren (zie ook: geboorte). Vaccinatie beschermt het gevaccineerde kind tegen de ernstige gevolgen van infectieziekten, en draagt er hierdoor aan bij dat zij gezond kunnen opgroeien. Door de hoge vaccinatiegraad worden ook niet-gevacineerde kinderen beschermt tegen de gevolgen van de ziekten. Hoewel vaccineren slechts één van de vele methoden is om infectieziekten te bestrijden en hoewel er maar tegen een beperkt aantal infectieziekten vaccins kunnen worden ingezet, is het belang van het RVP groot. Vaccinatie is één van de weinige medische interventies die na invoering een direct aantoonbaar effect heeft gehad op de zuigelingensterfte (Burgmeijer & Bolscher, 2002). Na introductie van stelselmatige vaccinatie tegen een bepaalde ziekte, daalt over het algemeen binnen enkele jaren het aantal ziektegevallen dramatisch (zie bijvoorbeeld: omvang en trend van tetanus).


15 april 2008
Rijksvaccinatieprogramma
Doel, organisatie en aanbod
Wie doet wat?

Vaccinatie door consultatiebureaus en GGD'en

De inentingen vinden plaats bij jeugdgezondheidszorginstellingen. In de meeste gevallen worden zuigelingen en peuters ingeënt op consultatiebureaus, die een onderdeel zijn van de thuiszorg (ActiZ) (zie tabel 1). De inenting van schoolkinderen vindt meestal plaats bij de GGD. De entadministraties dragen zorg voor de distributie, voor medisch toezicht op de uitvoering van het RVP en voor de registratie van de vaccinaties. Wanneer een entadministratie na een bepaalde periode niet het bericht (registratiekaart) heeft ontvangen dat een vaccinatie is gegeven, wordt een herinneringskaart gezonden aan (de ouders van) het kind. Het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) produceert de vaccins of koopt ze aan en levert ze aan de entadministraties (zie tabel 1).

Beleid respecteert vaccinatieweigeraars

Het vaccinatiebeleid wordt door de minister van VWS bepaald op advies van de Gezondheidsraad. De Inspectie van de Gezondheidszorg is belast met het toezicht op de uitvoering. Een continue evaluatie van het RVP zorgt ervoor dat het programma zo effectief mogelijk is. Vaccins worden toegelaten conform de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en worden gefinancierd vanuit de AWBZ. Burgers nemen op vrijwillige basis deel aan het vaccinatieprogramma. Dit houdt in dat het standpunt van vaccinatieweigeraars wordt gerespecteerd (Gezondheidsraad, 1995a). Wel wordt ernaar gestreefd deze groep van goede informatie te voorzien, zodat zij een goede keuze over vaccinatie kunnen maken (zie website: Rijksvaccinatieprogramma). Verder zijn landelijke protocollen en draaiboeken van kracht waarin de ziekte en de bestrijding wordt beschreven voor de uitvoerders van het RVP (zie ook: LCI, Landelijke Coördinatiestructuur Infectieziektenbestrijding). Deze protocollen en draaiboeken zijn erop gericht de introductie van infectieziekten in Nederland te voorkomen, of de verspreiding ervan te beperken.

Bewaking van bijwerkingen taak van de overheid

In 1962 is, gelijk met de introductie van het combivaccin dktp, besloten om een systematische bewaking van de bijwerkingen in te stellen. Het Nederlandse bewakingssysteem is een passief meldingssysteem. Dat betekent dat artsen en verpleegkundigen zelf het initiatief moeten nemen om verschijnselen die na vaccinatie kunnen optreden te melden bij het RIVM (Vermeer-de Bondt et al., 2002a; Vermeer-de Bondt et al., 2002b). De bijwerkingenbewaking voert het RIVM sinds 1984 uit in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad, die een onafhankelijke herbeoordeling van de meldingen doet. De laatste jaren is er ook steeds meer actief onderzoek naar bijwerkingen door het RIVM en het NVI. Elke fabrikant van vaccins heeft zelf ook de wettelijke taak om bijwerkingen te registreren en rapporteren. Uit rapportage is gebleken dat in 2006 in toaal 1.159 bijwerkingen zijn gemeld bij het RIVM. Hiervan is 76% beoordeeld als een bijwerking van vaccinatie. Bij de overige 24% was er geen relatie met de vaccinatie. Het aantal meldingen in 2006 is meer dan in 2005, maar minder dan in de jaren daarvoor (Van der Maas et al., 2007).

Tabel 1: Organisaties die een rol hebben in het Rijksvaccinatieprogramma.

Organisatie

Taak

Minister van VWS

bepaald het vaccinatiebeleid

Gezondheidsraad

adviseert de minister over besluiten aangaande het RVP

NVI

ontwikkeling en productie vaccins in opdracht van het ministerie van VWS

Entadministraties

distributie vaccins, medisch toezicht op de uitvoering van het RVP, registratie vaccinaties, versturen van herhalingsoproepen; 10 entadministraties

Consultatiebureau

inenting van kinderen tot 4 jaar op consultatiebureau; 1.465a consultatiebureaus

GGD

inenting van schoolkinderen van 9 jaar; 40b GGD'en

IGZ

toezicht op de uitvoering van het RVP

Bureau Uitvoering Programma's (BUP)c

ondersteuning bij het vaccinatieprogramma

a In 2000.

b Per 1 mei 2004.

c Per 1 januari 2008 heeft de afdeling Bureau Uitvoering Programma's (BUP) van het CIb van het RIVM de taken overgenomen van de Landelijke Vereniging van Entadministratie (LVE). BUP is verantwoordelijk voor de aansturing van landelijke programma's waaronder het RVP.


8 december 2008
Rijksvaccinatieprogramma
Doel en organisatie
Wat is het aanbod?

Vaccinatie via gestructureerd schema

In een regeling van de AWBZ is vastgesteld dat alle kinderen recht hebben op de vaccinaties uit het RVP en uit welke vaccinaties het RVP bestaat (zie tabel 1). De aanbevolen leeftijden waarop het vaccin wordt aangeboden staan in tabel 1. Kortere periodes tussen de vaccinaties kunnen de bescherming nadelig beïnvloeden. Soms is het nodig om af te wijken van het vaccinatieschema. Dit kan bijvoorbeeld gelden als een kind ziek is geweest of langdurig in het buitenland is verbleven. Voor deze gevallen heeft het RVP afwijkende schema’s. Hoewel de financiering anders verloopt, geldt voor asielzoekers en illegalen dat zij conform het RVP worden gevaccineerd. Het RVP is een aanbod van de overheid. De kinderen worden uitgenodigd voor het RVP maar de ouders zijn niet verplicht hun kinderen te laten vaccineren (zie website: Rijksvaccinatieprogramma).

Nieuw kinkhoest vaccin

Sinds 1996 is een toename van gevallen van kinkhoest waargenomen. De toename duidt, volgens de Gezondheidsraad, op een verminderde effectiviteit van het kinkhoestvaccin (Gezondheidsraad, 2004c). Vanwege de geringe en kortdurige bescherming van het kinkhoestvaccin is in 2001 besloten om ook bij vierjarigen een extra vaccinatie met een acellulair vaccin in te voeren, toegediend in het gecombineerde dktp-vaccin (zie ook: Kinkhoest, omvang en trends). Hierdoor is het aantal kinkhoestgevallen bij vierjarigen afgenomen, maar op het optreden van kinkhoest bij zuigelingen heeft deze vaccinatie geen effect gehad (De Greeff, 2004). Sinds januari 2005 is een dktp-Hib-combinatievaccin voor zuigelingen met een acellulair kinkhoestvaccin in het Rijksvaccinatieprogramma opgenomen. Verwacht wordt dat de dit acellulaire kinkhoestvaccin mogelijk een betere bescherming geeft dan het cellulaire kinkhoestvaccin. Hiernaast geeft het acellulaire vaccin waarschijnlijk minder vaak bijwerkingen dan het cellulaire kinkhoestvaccin (Gezondheidsraad, 2004c).

Per 1 april 2006 uitbreiding RVP met pneumokokkenvaccin

Per 1 april 2006 is de vaccinatie voor zuigelingen tegen pneumokokken opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Alle Nederlandse kinderen die geboren worden vanaf die datum komen voor deze vaccinatie in aanmerking. Op wetenschappelijke gronden is gekozen voor inenting volgens het 4-prikkenschema (net als dktp en Hib, zie tabel 1). Deze vaccinatie levert aanzienlijke gezondheidswinst op. Jaarlijks kunnen 78 sterfgevallen, 85 gevallen van hersenvliesontsteking, 308 gevallen van bloedvergiftiging, 1.800 gevallen van longontsteking en 52.000 gevallen van middenoorontsteking worden voorkomen (Gezondheidsraad, 2005e). De kosten die gepaard gaan met invoering van dit vaccin in het RVP, zijn lager dan de baten die het oplevert. Zie: kosten en financiering. Voor kinderen die voor 1 april 2006 zijn geboren is geen inhaalcampagne gehouden. De reden hiervoor is dat het grootste deel van de ziektelast in het eerste levensjaar ligt.

Vanaf 2010 vaccinatie tegen baarmoederhalskanker

Op basis van een advies van de Gezondheidsraad wordt vanaf 2010 de vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (HPV-vaccinatie) opgenomen in het RVP (Gezondheidsraad, 2008c). Deze vaccinatie zal gericht zijn op meisjes geboren op of na 1 januari 1997. Er komt een inhaalcampagne voor alle meisjes geboren in 1993 tot en met 1996 (zie ook: Rijksvaccinatieprogramma).

Informatievoorziening naar de ouders toe verbetert

Door de minister van VWS is in 2003 besloten om nieuw voorlichtingsmateriaal over het RVP te laten ontwikkelen. Dit was nodig omdat de bestaande publieksinformatie ten aanzien van het RVP onvolledig, verouderd en afkomstig was van verschillende partijen. Verder ontbrak het aan actuele folders over de infectieziekten waartegen wordt gevaccineerd en aan heldere informatie over bijwerkingen. Met het nieuwe voorlichtingsmateriaal wil de overheid beter tegemoet komen aan de informatiebehoefte van ouders. Het grootste deel van het materiaal is verkrijgbaar op de vaccinatielocaties of op het internet. Ook krijgen ouders informatie thuisgestuurd samen met de oproep tot vaccinatie. Het materiaal is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met de Landelijke Vereniging van Entadministraties (LVE) en het NVI (De Boer, 2004).

RVP gestart in 1957

In 1952 is de verstrekking van vaccins gestart om inwoners van Nederland (voor hen gratis) te beschermen tegen veel voorkomende infectieziekten. In 1957 is het RVP ingevoerd. Alle in Nederland wonende kinderen worden nu op rijkskosten gevaccineerd.

detailsOverzicht van de verstrekking van vaccins vanaf 1952.

Tabel 1: Het vaccinatieschema in het kader van het RVP.

Fase

Leeftijd

Injectie 1

Injectie 2

Injectie 3

Fase 1

0 maanden

Hep B a

2 maanden

dktp+Hib

pneumokokken

Hep B b

3 maanden

dktp+Hib

pneumokokken

4 maanden

dktp+Hib

pneumokokken

Hep B b

11 maanden

dktp+Hib

pneumokokken

Hep B b

14 maanden

bmr

Men C c

Fase 2

4 jaar

dktp

Fase 3

9 jaar

dtp

bmr

a Hepatitis B. Alleen voor kinderen van wie de moeder besmet is met het hepatitis B-virus (draagster), krijgen binnen 48 uur na de geboorte een hepatitis B-vaccinatie.

b Hepatitis B. Alleen voor kinderen met minstens een ouder die geboren is in een land waar Hepatitis B veel voorkomt en voor kinderen met een moeder die drager is van het virus.

c Meningokokken C


20 januari 2005
Rijksvaccinatieprogramma
Kosten en financiering
Hoeveel geld is er beschikbaar en hoe wordt het verdeeld?

RVP gefinancierd uit AWBZ

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt gefinancierd vanuit het budget van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Omdat elke inwoner van Nederland voor de AWBZ is verzekerd, hoeven de ouders van kinderen die voor het RVP in aanmerking komen, niets te betalen voor de vaccinaties. Ruim tweevijfde deel van het bedrag dat jaarlijks beschikbaar is voor het RVP wordt besteed aan de productie en aankoop van vaccins. Tweevijfde van het bedrag wordt besteed aan de uitvoering. In feite zijn dit de vergoedingen die de uitvoerende instanties krijgen voor het geven van de vaccinaties. Ongeveer éénvijfde deel van het budget wordt besteed aan kosten die de entadministraties maken voor medisch toezicht, het oproepen van de kinderen, de registratie van vaccinaties, de administratieve afhandeling van het RVP en de vaccinopslag en -distributie. Zoals in figuur 1 te zien is neemt het budget voor het RVP ieder jaar toe. Dit komt onder andere doordat het programma steeds uitgebreider wordt (zie figuur 1).

Bmr-vaccinatie kosteneffectief

Over de kosteneffectiviteit van de vaccinaties uit het RVP en het RVP als geheel is (nog) weinig bekend. Voor een van de onderdelen van het RVP, de bmr-vaccinatie, is wel onderzocht of deze kosteneffectief is. De opbrengsten van een enkelvoudige vaccinatie tegen de bof, mazelen en rodehond (bmr) wegen op tegen de kosten. Volgens Amerikaans onderzoek zijn de opbrengsten van de bmr vaccinatie zestien keer zo groot als de kosten, indien alleen gekeken wordt naar directe kosten. Als ook gekeken wordt naar indirecte kosten (kosten ten gevolge van productieverliezen) worden de opbrengsten van vaccinatie ten opzichte van de kosten nog gunstiger (opbrengsten zijn eenentwintig keer zo groot als de kosten). De enkelvoudige bmr-vaccinatie is dus een kostenbesparende maatregel (Hatziandreu et al., 1994). Of dit ook geldt voor een dubbele bmr-vaccinatie (zoals in Nederland op 14 maanden en 9 jaar) is niet bekend. Van andere vaccinaties zijn gegevens over de kosteneffectiviteit nog niet beschikbaar.

Pneumokokkenvaccin kosteneffectief

Het vaccineren van zuigelingen tegen pneumokokkeninfecties is kosteneffectief. Uit een recente beoordeling door de Gezondheidsraad van de kosteneffectiviteit van het nieuwe vaccin, blijkt dat het vaccineren van zuigelingen volgens het vier-prikkenschema een gunstige verhouding tussen kosten en baten heeft. Naast het voorkomen van aanzienlijke ziektelast bij gevaccineerde kinderen (zie: wat is het aanbod), blijkt vaccinatie ook gezondheidswinst bij niet-gevaccineerde kinderen op te leveren. Dit verschijnsel waarbij ziekte- en sterftegevallen worden voorkomen in andere leeftijdsgroepen dan de gevaccineerde zuigelingen, wordt ook wel groepsimmuniteit genoemd (Gezondheidsraad, 2005e).

Figuur 1: Budget voor het RVP binnen de AWBZ (VWS, 2000g, CVZ, 2004c).

Budget uit AWBZ voor RVP-programma (2000-2004)

8 december 2005
Rijksvaccinatieprogramma
Bereik en effectiviteit
Wat is het bereik en de effectiviteit?

Hoge vaccinatiegraad in Nederland

In het huidige programma worden kinderen gevaccineerd tegen 10 verschillende infectieziekten. Het grootste gedeelte van de 200.000 kinderen die elk jaar worden geboren krijgt de vaccinaties. De landelijke vaccinatiegraad voor de diverse infectieziekten is hoog. De vaccinatiegraad voor bijvoorbeeld dktp-Hib is ongeveer 96%. Voor bmr ligt die iets hoger; ongeveer rond de 97%. De vaccinatiegraad voor meningokokken C ligt ook boven de 95%. Het is echter wel zo dat er op regionaal niveau nog steeds verschillen zijn.

Zie voor regionale informatie over de vaccinatiegraad: Zijn er in Nederland verschillen naar regio?

Door vaccinatie miljoenen sterfgevallen voorkomen

Vaccinatie levert jaarlijks een grote bijdrage aan de bevordering van de volksgezondheid. Door vaccinatie worden wereldwijd jaarlijks miljoenen sterfgevallen voorkomen en nog veel meer ziekte.

  • Vlak voor de invoering van de poliovaccinatie in het RVP in 1957 werd er tijdens de epidemie in het jaar er voor bijvoorbeeld melding gemaakt van 2.206 mensen met kinderverlamming en stierven er 74 mensen. Nu komt polio in Nederland alleen nog sporadisch voor tijdens epidemieën (bijvoorbeeld: een epidemie in 1992, 24 gevallen van polio) onder ongevaccineerde groeperingen.
  • Ook mazelen komt alleen nog tijdens epidemieën voor. In 1999-2000 was de laatste epidemie. Van alle 3.292 gemelde gevallen, was 94% niet gevaccineerd, het merendeel om religieuze redenen. Tijdens deze twee jaar zijn ziekenhuisopnames van 133 patiënten geregistreerd (Bron: LMR), en drie kinderen zijn overleden als een gevolg van de mazeleninfectie (Van den Hof et al., 2001a).
  • Vlak voor invoering van de bof vaccinatie in het RVP in 1987 werden in Nederland jaarlijks 300 tot 600 patiënten opgenomen in het ziekenhuis voor complicaties van bof (voornamelijk meningitis). De afgelopen jaren zijn dat er slechts enkelen (maximaal zes kinderen met complicaties opgenomen) per jaar geweest.

Effectiviteit afhankelijk van soort vaccin

De kans op het ontstaan van immuniteit na vaccinatie en de duur van de bescherming is afhankelijk van het soort vaccin. Na bmr-vaccinatie kan immuniteit uitblijven (zie tabel 1 ). Men herhaalt de bmr-prik op negenjarige leeftijd om zodoende alsnog een kans op bescherming tegen bof, mazelen en rodehond te bieden. Ook de bescherming na kinkhoest-vaccinatie is niet volledig. Om de kans op het ontstaan van kinkhoest te beperken worden vierjarige peuters sinds juli 2001 gevaccineerd met een acellulair vaccin, gecombineerd in het dktp-vaccin (zie ook: Wat is het aanbod?).

Afname hersenvliesontsteking door vaccinatie

In juni 2002 heeft een landelijke vaccinatiecampagne tegen meningokokken C plaats gevonden. Alle kinderen van veertien maanden tot en met achtien jaar kregen een oproep voor een vaccinatie. Na deze vaccinatiecampagne is in september 2002 de vaccinatie tegen meningokokken C opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf dat moment is een afname van het aantal gevallen van hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken waargenomen (zie ook: Neemt het aantal mensen met hersenvliesontsteking toe of af?).

Tabel 1: Beschermingsgraad vaccins

Ziekte

Bescherming a (%)

Duur van de bescherming

difterie

95

15 jaar

kinkhoest

70

niet exact bekend

tetanus

100

15 jaar b

polio

95

15 jaar

Hib-ziekten

99

levenslang

bof

95

levenslang

mazelen

95

tientallen jaren

rodehond

99

levenslang

Hepatitis B

95

15 jaar


a Deze bescherming geldt bij volledige vaccinatiestatus.
b Voor tetanus geldt dat bij verwondingen tussen 1 en 15 jaar na vaccinatie een herhaling van de vaccinatie noodzakelijk is.

20 januari 2005
Rijksvaccinatieprogramma
Bereik en effectiviteit
Welke factoren beïnvloeden de effectiviteit?

Vaccinatiebereidheid onder ouders is hoog

Bijna alle ouders zijn bereid om hun jonge kinderen te laten vaccineren tegen de ziekten van het RVP. Dit is de conclusie van een onderzoek onder ongeveer 500 ouders van jonge kinderen (Paulussen et al., 2000). In hoeverre ouders bereid zijn blijkt onder meer te worden bepaald door:

  • Het risico dat ouders inschatten op de ernst en complicaties van de infectieziekte wanneer ongevaccineerde kinderen de ziekte oplopen;
  • De spijt die ouders denken te hebben wanneer kinderen de ziektes krijgen en niet zijn ingeënt;
  • De waargenomen betrouwbaarheid en veiligheid van vaccins.

De ouders uit dit onderzoek wensen vooral verbetering in de voorlichting over de bijwerkingen van vaccins, het voorkómen of beperken van reacties van een kind op een inenting, de beschermingsduur, de kosten van vaccineren en de risico's van niet-vaccineren.

Goede bewaking van bijwerkingen van belang voor vertrouwen

Wanneer bij kinderen na de vaccinatie klachten of bijverschijnselen optreden, roept dit bij de ouders soms vragen op over de veiligheid van de vaccins. De klachten en vragen over de veiligheid kunnen leiden tot onrust en vervolgens de motivatie in de weg staan van ouders en kinderen om vervolgvaccinaties te laten geven. Zorgvuldige registratie van mogelijke bijwerkingen heeft, samen met wetenschappelijk onderzoek en internationale samenwerking, inmiddels veel kennis opgeleverd over de mogelijke bijwerkingen en draagt bij aan het vertrouwen in het RVP. Uit de gegevens van de bijwerkingenregistratie van de afgelopen jaren komt naar voren dat door het beperkt aantal gemelde bijwerkingen het RVP een veilig programma is (Vermeer-de Bondt et al., 2001a; Vermeer-de Bondt et al., 2001b; Vermeer-de Bondt et al., 2001c.).

Aandacht voor bijwerkingen: twijfel bij ouders

De ziekten waartegen wordt ingeënt komen tegenwoordig nauwelijks meer voor door de grote effectiviteit van het Rijksvaccinatieprogramma. Mede doordat de ernst van de ziekte niet meer opvalt, vallen de bijwerkingen meer op. Bijwerkingen van vaccinaties krijgen hierdoor steeds meer aandacht en wegen steeds zwaarder mee bij de beslissing van ouders om hun kinderen te laten inenten. In de brochures en websites van groeperingen die kritisch tegenover vaccineren staan worden tal van ziektebeelden aan vaccinaties toegeschreven. Ook in de medische literatuur worden hypothesen over signalen van mogelijke bijwerkingen besproken. Deze signalen hebben geleid tot uitgebreid (internationaal) onderzoek naar veronderstelde relaties tussen vaccinatie en verschillende ziektebeelden. Zo konden bijvoorbeeld de vermeende verbanden van bmr met autisme (Fombonne & Chakrabarti, 2001) en van de vaccinaties met diabetes mellitus (DeStefano et al., 2001) worden weerlegd. Tot nu toe hebben verontrustende publicaties wel enige publieke onrust veroorzaakt, maar de bereidheid van ouders om hun kind te laten vaccineren blijft groot.

Bezwaren tegen inenten: bedreiging voor de hoge vaccinatiegraad?

Een aantal groepen in de samenleving staat kritisch tegenover deelname aan het vaccinatieprogramma. Deze groepen bedreigen de hoge vaccinatiegraad. Grofweg kunnen 3 groepen onderscheiden worden:

  • Groepen met godsdienstige overtuiging; gewetensbezwaren tegen vaccinatie komen vooral voor onder leden van bepaalde protestants-christelijke groeperingen. Vaccinatie gaat voor deze groepen in tegen de voorzienigheid van God. Deze groepen concentreren zich vooral in bepaalde gemeenten waar een lage vaccinatiegraad is.
  • Groepen met antroposofische overtuiging; In de antroposofie vindt men dat het doormaken van kinderziekten een zinvolle betekenis heeft in de ontwikkeling van het kind. Antroposofen wijzen vaccinatie overigens niet in alle gevallen af. Tegen een paar ziekten (difterie, kinkhoest, tetanus, polio en rodehond) mag wel gevaccineerd worden.
  • Kritische en verontruste ouders. Hierover staat meer in de alinea: Aandacht voor bijwerkingen: twijfel bij ouders.

Koelen belangrijk voor de kwaliteit van het vaccin

De kwaliteit van het RVP wordt voor een belangrijk deel bepaald door de 'cold chain', het gekoelde traject dat het vaccin aflegt van producent naar consument. Vaccins zijn producten die temperatuur gevoelig zijn en met zorg behandeld moeten worden, zodat de werkzaamheid niet vermindert of verloren gaat. Opslag bij de producent en distributie naar de afnemers maken deel uit van dit traject. Ook na aflevering bij de consultatiebureaus en GGD'en mag de 'cold chain' niet worden verbroken. De organisatie en de deskundigheid van personeel in die instellingen moeten aan hoge eisen voldoen om de werkzaamheid van het vaccin te kunnen garanderen tot het vaccin daadwerkelijk wordt toegediend. Er is veel geïnvesteerd in technische hulpmiddelen zoals koelkasten met alarmering.


20 januari 2005
Rijksvaccinatieprogramma
Bereik en effectiviteit
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Organisatie verschilt per land

In Nederland is deelname aan het RVP vrijwillig. Dit in tegenstelling tot andere landen, waar een aantal of alle vaccinaties verplicht zijn gesteld, zoals in België, Frankrijk en Italië. De organisatie van het programma is in Nederland en een aantal andere landen (zoals in de Scandinavische landen) in handen van de overheid en vaccins worden gratis verstrekt. In andere landen, zoals in Duitsland, moet men zelf de vaccinaties regelen bij een arts en moeten de ouders ze (grotendeels) zelf betalen. De vaccinaties die worden aanbevolen, zijn min of meer gelijk binnen de Europese landen. In enkele landen worden ook vaccinaties tegen Hepatitis B aanbevolen. Engeland voerde als eerste Europese land vaccinatie tegen meningokokken C in. Frankrijk volgde en per september 2002 is de vaccinatie tegen meningokokken C ook in het Nederlandse vaccinatieprogramma opgenomen.

Zie ook: Internationale vergelijkingen van preventie in het Kompas

Nederlands programma succesvol in vergelijking met andere landen

Nederland behoort tot de landen met de hoogste landelijke vaccinatiegraad in Europa. In Finland, een land met een nog net iets hogere vaccinatiegraad, is het gelukt om bof, mazelen en rodehond te elimineren. Deze ziekten komen dus alleen nog sporadisch voor na import van de infectie vanuit andere landen. Er zijn landen met een lagere vaccinatiegraad. Een voorbeeld hiervan is Griekenland, waar ongeveer de helft van de meisjes is gevaccineerd voor rodehond. Dit heeft ertoe geleid dat de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen een rodehondinfectie krijgen is gestegen. Het aantal zwangere vrouwen met dat met rodehond is besmet is hierdoor toegenomen en daarmee ook het aantal baby's dat met Congenitaal Rubella Syndroom geboren wordt.


9 maart 2006
Rijksvaccinatieprogramma
Zijn er in Nederland verschillen naar regio?

Laagste vaccinatiepercentages in de bible-belt

Het percentage gevaccineerde kinderen voor dktp, bmr, Hib en meningokokken C is in de meeste gemeenten hoger dan 95%. Gemeenten met een vaccinatiepercentage lager dan 95% vinden we vooral in de zogenaamde 'bible-belt'. Dit is een gebied dat zich uitstrekt van de Zeeuwse eilanden via het Zuid-Hollandse en Utrechtse platteland naar de Noord-Veluwe en de kop van Overijssel (Knippenberg et al., 1986, Knippenberg, 1992).

Zie ook:

atlasdktp-vaccinatiegraad per gemeente in 2009
atlasHib-vaccinatiegraad per gemeente in 2009
atlasBMR-vaccinatiegraad per gemeente in 2009
atlasMeningokokken C-vaccinatiegraad per gemeente in 2009

8 december 2004
Rijksvaccinatieprogramma
Organisatie en aanbod
Overzicht van de verstrekking van vaccins vanaf 1952

Tabel 1: Overzicht van de gebeurtenissen rond het RVP van 1952-2006.

Jaartal

Gebeurtenis

1952

Start verstrekking vaccins in vaccinatiecampagne

Vaccinatie tegen kinkhoest, difterie, tetanus (de dkt-vaccinatie) en pokken

1957

Vaccinatie tegen polio in programma opgenomen

1962

Gecombineerd vaccin in gebruik genomen (dktp-vaccinatie)

1974

Introductie rubellavaccinatie (rode hond) voor 11-jarige meisjes

1976

Toevoeging mazelenvaccinatie

Pokkenvaccinatie niet meer nodig in RVP, ziekte uitgeroeid

1987

Verandering vaccinatieprogramma rodehond en mazelen en toevoeging bofcomponent resulteert in gecombineerd bmr -vaccin voor jongens en meisjes

1993

Vaccinatie tegen Haemophilus influenzae type b (Hib) met een geconjugeerd vaccin mogelijk (voor kinderen geboren na 1 april 1993)

2001

Toevoeging vaccinatie acellulair kinkhoest (dktp-vaccin) op 4-jarige leeftijd (voor kinderen geboren na 1 januari 1998)

2002

Toevoeging van vaccinatie tegen meningokokken C op de leeftijd van 14 maanden (vanaf 1 september 2002). Landelijke inhaalcampagne voor kinderen tot 18 jaar

2003

Toevoeging vaccinatie tegen Hepatitis B op de leeftijd van 2, 3 en 11 maanden voor risicogroepen

2006

Toevoeging van de vaccinatie tegen pneumokokken per 1april 2006 op de leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden


Bronnen

Literatuur

Boer A de. Nieuw voorlichtingsmateriaal over het RVP.  Bilthoven: Infectieziekten Bulletin, 2004; 15(05): 174-175.
Burgmeijer RJF, Bolscher DJA. Vaccinaties bij kinderen. 4e druk.  Assen: Koninklijke Van Gorcum, 2002.
CVZ, College voor Zorgverzekeringen. Lasten en financiering AWBZ 2003-2004.  Diemen: CVZ, 2004c.
DeStefano F, Mullooly JP, Okoro CA, Chen RT, Marcy MS, Ward JI. Childhood Vaccinations, Vaccination Timing, and Risk of Type 1 Diabetes Mellitus.  Pediatrics 2001; 108(6): e112.
Fombonne E, Chakrabarti S. No Evidence for A New Variant of Measles-Mumps-Rubella-Induced Autism.  Pediatrics 2001; 108(4): 58.
Gezondheidsraad. Poliomyelitis.  Den Haag: Gezondheidsraad, 1995a; 19.
Gezondheidsraad. Vaccinatie tegen kinkhoest.  Den Haag: Gezondheidsraad, 2004c; 04.
Gezondheidsraad. Vaccinatie van zuigelingen tegen pneumokokkeninfecties.  Den Haag: Gezondheidsraad, 2005e.
Gezondheidsraad. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker.  Den Haag: Gezondheidsraad, 2008c.
Greeff SC de. Kinkhoest in Nederland na de introductie van een a-cellulaire booster voor 4 jarigen.  Bilthoven: Infectieziekten Bulletin, 2004; (3): 91-92.
Hatziandreu EJ, Brown RE, Halpern MT. A cost-benefit analysis of the measles-mumps-rubella (MMR) vaccine. Final report for National Immunization Program, Centers for Disease Control and Prevention.  Arlington: Center for Public Health Research and Evaluation, Battelle Memorial Institute, 1994.
Hof S van den, Kerkhof JHTC van den, Ham PBG ten, Binnendijk RS van, Conyn-van Spaendonck MAE, Steenbergen JE van. Mazelenepidemie in Nederland, 1999-2000.  Ned Tijdschr Geneeskd 2001a; 145: 2529-33.
Knippenberg H, Stoppelenburg CM, Wusten HH van der. De protestantenband van Nederland: de geografische spreiding der orthodox-protestanten in 1920 en 1985/86.  KNAG Geografisch Tijdschrift 1986; 23: 12-22.
Knippenberg H. De religieuze kaart van Nederland. Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de reformatie tot heden.  Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1992.
Maas NAT van der, Phaff TAJ, Wesselo C, Vermeer-de Bondt PE. Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XIII - Reports in 2006. RIVM-report no. 240071004.  Bilthoven: RIVM, 2007.
Paulussen TGW, Lanting CI, Buijs GJ. Ouders over het Rijksvaccinatieprogramma: tevredenheid en vaccinatiebereidheid van ouders van jonge kinderen in Nederland.  Leiden: TNO, 2000.
Vermeer-de Bondt PE, Labadie J, Rumke HC. Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands. Number II - Reports in 1995. RIVM-report nr. 000001002.  Bilthoven: RIVM, 2001b.
Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, Phaff TAJ. Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number V: Reports in 1998. RIVM-report no. 000001 004.  Bilthoven: RIVM, 2001a.
Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, Phaff TAJ. Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands. Numbers III-IV Reports in 1996 and 1997. RIVM-report nr. 000001003.  Bilthoven: RIVM, 2001c.
Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, Phaff TAJ. Post-vaccinale gebeurtenissen na vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma. Deel VI - Meldingen in 1999. RIVM-rapport nr. 000001005.  Bilthoven: RIVM, 2002a.
Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, Phaff TAJ. Post vaccinale gebeurtenissen na vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma. Deel VII - Meldingen in 2000. RIVM-rapport nr. 000001006.  Bilthoven: RIVM, 2002b.
VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zorgnota 2001.  Den Haag: Sdu Uitgeverij, 2000g.

Gegevensbronnen

LMR. Landelijke Medische Registratie (Prismant).

Begrippen

Afkortingen

AWBZ   Algemene wet bijzondere ziektekosten
bmr   Bof, mazelen, rodehond
dktp   Difterie, kinkhoest, tetanus, polio
GGD   Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst
Hib   Haemophilus influenza type b
HPV   Humaan papilloma virus
IGZ   Inspectie voor de gezondheidszorg
NVI   Nederlands Vaccin Instituut
RIVM   Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RVP   Rijksvaccinatieprogramma
VWS   Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WHO   World Health Organization

Definities

Immuniteit   De bescherming tegen infectieziekten door aanwezigheid van antistoffen en/of gerichte activiteit van witte bloedcellen.Immuniteit kan passief of actief verkregen zijn; passief via de placenta in de zwangerschap of door toedienen van gammaglobuline, zoals bij verwondingen of bloedtransfusies; actieve immuniteit kan verkregen worden bij het doormaken van ziektes of door vaccinaties.
Vaccinatiegraad   Het gedeelte van de bevolking dat is gevaccineerd ten opzichte van het totale aantal mensen dat in aanmerking komt voor de vaccinatie.
Vaccinatiestatus   In hoeverre heeft een persoon de vaccinaties gekregen die hij volgens het vaccinatieschema (in dit geval het RVP) op die leeftijd zou moeten hebben gehad.