Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden Ouderen

Ziekten in het Rijksvaccinatieprogramma

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) is door de overheid ingesteld om kinderen te beschermen tegen ernstige infectieziekten die kunnen leiden tot de dood of blijvend ernstige gevolgen als hersenbeschadiging, spierverlamming of doof- en blindheid.

Het Rijksvaccinatieprogramma richt zich op de volgende elf ziekten: bof, difterie, Hib, hepatitis B, kinkhoest, mazelen, meningokokken C, pneumokokken, polio, rodehond en tetanus. Kinderen tussen twee maanden en negen jaar worden uitgenodigd om zich te laten inenten.

Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (HPV-vaccinatie) wordt vanaf 2010 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma, voor meisjes van 12 jaar.

De uitvoering van het RVP is in handen van de consultatiebureaus en GGD'en.

    Verleden en heden

    Kijk ook eens bij:

    Kijk ook eens bij andere websites:

    9 december 2008
    Ziekten in het Rijksvaccinatieprogramma
    Ziekten in het Rijksvaccinatieprogramma, voor en na introductie van vaccinatie

    Tot invoering vaccinatie kwamen RVP-ziekten vrij algemeen voor

    Vaccinaties tegen elf ziekten zijn opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) (zie: Kompas Preventie). Vóór de invoering van vaccinatie kwamen met name difterie, kinkhoest, polio, bof, mazelen en rodehond vrij algemeen voor (zie tabel 1):
    • Difterie kwam gedurende de Tweede Wereldoorlog veel voor, daarna daalde de incidentie. In 1950 waren er ongeveer 3.000 ziektegevallen en 200 sterftegevallen.
    • Kinkhoest werd zeer veel (ongeveer 150.000 keer per jaar) gezien en in 1950 overleden 145 patiënten aan deze ziekte.
    • Polio vormde een groot probleem. In 1956/1957 was er sprake van een landelijke epidemie met ruim 2.000 patiënten en ruim 70 sterftegevallen.
    • Mazelen kreeg vrijwel elk kind, in 1950 overleden hieraan 65 patiënten.
    • De meeste kinderen kregen bof, in 1950 overleden hieraan 9 patiënten.
    • De meeste of alle kinderen kregen ook vroeg of laat rodehond en in 1950 overleden hieraan 2 patiënten.

    Tetanus kwam relatief weinig voor, maar alle patiënten die erdoor werden getroffen (in 1950 waren dat er 26) stierven als gevolg van de ziekte.

    Aantal in Rijksvaccinatieprogramma opgenomen ziekten breidt zich uit

    Vaccinaties tegen Haemophilus influenzae-type-b, hepatitis B, meningokokken C en pneumokokken zijn later aan het RVP toegevoegd. Deze ziekten kwamen minder vaak voor dan de meeste ziekten van ‘het oude RVP’. Ze gaven echter, ondanks de beschikbaarheid van antibiotica en geavanceerde behandeling, een aanzienlijke ziektelast en hadden een relatief hoge sterfte tot gevolg.

    Rijksvaccinatie heeft geleid tot sterke afname in het vóórkomen van RVP-ziekten in Nederland

    De polio-epidemie van 1956/1957 vormde de aanleiding voor een massale poliovaccinatie, die het begin van het Rijksvaccinatieprogramma markeert. De RVP-ziekten zijn als gevolg van de vaccinaties verdwenen of tot een laag niveau teruggedrongen en grotendeels onder controle (zie tabel 1). Wereldwijd komen de meeste ziekten nog wel vaak voor en veroorzaken zij nog veel sterfte, vooral in de ontwikkelingslanden (WHO, 2002f). Deze landen blijven hierdoor een mogelijke bron van besmetting vormen.

    Difterie en tetanus nagenoeg verdwenen uit Nederland

    Sinds de opname in het RVP zijn difterie en tetanus nagenoeg geheel verdwenen uit Nederland. De laatste patiënten met difterie werden in de jaren zestig van de vorige eeuw gezien. Daarna waren er sporadisch nog importgevallen, wat wil zeggen dat de infectie in het buitenland is opgelopen.

    In regio's met lage vaccinatiegraad komen nog RVP-ziekten voor

    Polio, mazelen, bof en rodehond steken af en toe nog de kop op. Sinds de introductie van de poliovaccinatie in 1957 waren er enkele polio-epidemieën, met in totaal 220 patiënten, van wie er 8 overleden. Sommigen hadden langdurige restverschijnselen. Vrijwel alle patiënten in deze epidemieën behoorden tot enkele kerkgenootschappen die om godsdienstige redenen tegen vaccinatie zijn.

    In 1999/2000 werden 3.292 patiënten met mazelen gemeld, bijna allen uit regio’s met een lage vaccinatiegraad en vrijwel uitsluitend onder sociaal-geografisch geclusterde personen die op grond van hun religie vaccinatie afwijzen. Recenter (2008) werden ook nog mazelenpatiënten gemeld. Het betrof voornamelijk personen die om antroposofische redenen ongevaccineerd waren tegen mazelen. Ook verheffingen van het aantal bof- en rodehondgevallen concentreren zich rond regio's met een lage vaccinatiegraad (zie ook: Nationale Atlas Volksgezondheid: infectieziekten).

    Kinkhoest komt nog regelmatig voor

    Kinkhoest komt nog regelmatig voor, ook onder gevaccineerde kinderen. Kinkhoestvaccinatie beschermt niet levenslang. Ook zijn er aanwijzingen dat de kinkhoestbacterie onder druk van vaccinatie is veranderd. De ziekte verloopt bij gevaccineerde personen minder erg, maar gevaccineerde personen met kinkhoest kunnen zuigelingen besmetten bij wie de ziekte wél vaak ernstig verloopt. Vaccinatie met dktp-Hib-vaccin begint daarom op de leeftijd van 2 maanden en er is een extra vaccinatie voor kleuters om een langduriger immuniteit te geven.

    Tabel 1: Vóórkomen van ziekten waartegen wordt gevaccineerd in het Rijksvaccinatieprogramma a (overgenomen uit Rümke & Visser, 2004).

    Aantal ziektegevallen (aantal sterftegevallen)

    Ziekte

    Jaar waarin is gestart met vaccinatie

    Periode voor invoering vaccinatie

    Periode na invoering vaccinatie b

    Wereldwijd c

    Difterie d

    1952/1953

    2.985 (196)

    0

    30.000 (3.000)

    Tetanus e

    1953

    26 (26)

    2,1

    109.000 (n.b.)

    Neonatale tetanus f

    1953

    0

    0

    239.000 (200.000)

    Kinkhoest g

    1953

    circa 150.000 (145)

    5.877

    39.243.000 (297.000)

    Polio h

    1957

    2.206 (74)

    0

    3.500 (350)

    Mazelen i

    1976

    circa 200.000 (65)

    17

    39.000.000 (777.000)

    Bof j

    1987

    circa 190.000 (9)

    30-50

    n.b. (n.b.)

    Rodehond k

    1974: meisjes

    1987: meisjes en jongens

    circa 180.000 (2)

    3

    100.000 (n.b.)

    Congenitale rodehond l

    1974

    60 (n.b.)

    0

    n.b. (n.b.)

    n.b. = gegevens niet beschikbaar.

    a) De ‘nieuwe RVP-ziekten’ zoals hepatitis B en meningokokken-C zijn in deze tabel buiten beschouwing gelaten.

    b) Cijfers uit 2002, tenzij anders is aangegeven.

    c) WHO-schattingen op grond van (soms onnauwkeurige) rapportages van lidstaten.

    d) Difterie: gebaseerd op aangiftecijfers van de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid (GHI) en sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 1950.

    e) Tetanus: gebaseerd op aangiftecijfers GHI en sterftecijfers CBS 1950; tetanus is niet meer aangifteplichtig, in de laatste jaren waarin nog werd aangegeven (1993-1998) werd tetanus 2,1 keer per jaar gemeld.

    f) Neonatale tetanus komt en kwam in Nederland niet voor.

    g) Kinkhoest: de incidentie voor de invoering van vaccinatie berust op schattingen: afhankelijk van de besmettelijkheid van het micro-organisme kregen de meeste of alle kinderen vroeg of laat kinkhoest; sterftecijfers CBS 1950.

    h) Poliomyelitis: gebaseerd op aangiftecijfers GHI en sterftecijfers CBS 1956.

    i) Mazelen: de incidentie voor invoering van vaccinatie berust op schattingen: afhankelijk van de besmettelijkheid van het micro-organisme kregen de meeste of alle kinderen vroeg of laat mazelen; sterftecijfers CBS 1950.

    j) Bof: de incidentie voor invoering van vaccinatie berust op schattingen: afhankelijk van de besmettelijkheid van het micro-organisme kregen de meeste of alle kinderen vroeg of laat bof; bof is niet meer aangifteplichtig; in de laatste jaren waarin nog werd aangegeven (1993-1998), werd bof 30-50 keer per jaar gemeld; sterftecijfers CBS 1950. Voor vaccinatie waren er jaarlijks gemiddeld 400 ziekenhuisopnamen wegens bofmeningitis, na vaccinatie niet meer.

    k) Rodehond: de incidentie voor invoering van vaccinatie berust op schattingen: afhankelijk van de besmettelijkheid van het micro-organisme kregen de meeste of alle kinderen vroeg of laat rodehond; sterftecijfers CBS 1950.

    l) Congenitale rubella: bij de invoering van BMR-vaccinatie werd, onder andere gebaseerd op virologische diagnostiek, van gemiddeld 60 patiënten met congenitale rodehond per jaar uitgegaan.


    Bronnen

    Literatuur

    Rümke HC, Visser HKA. Vaccinaties op de kinderleeftijd anno 2004. I. Effectiviteit en acceptatie van het Rijksvaccinatieprogramma.  Ned Tijdschr Geneesk, 2004; 148(8): 356-363.
    WHO, World Health Organisation. Vaccines and biologicals. WHO vaccine preventable diseases: monitoring system. Global Summary.  Genève, 2002f.

    Begrippen

    Afkortingen

    dktp   Difterie, kinkhoest, tetanus, polio
    Hib   Haemophilus influenza type b
    HPV   Humaan papilloma virus
    RVP   Rijksvaccinatieprogramma

    Definities

    Incidentie   Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.