Mensen met een lage sociaal-economische status leven gemiddeld bijna vier jaar korter en zij brengen tien tot vijftien jaar minder lang door in goede gezondheid dan mensen met een hoge sociaal-economische status (Van Herten et al., 2002). In deze studie is opleidingsniveau gebruikt als maat voor de sociaal-economische status (ses). Een andere veelgebruikte indicator is de hoogte van het inkomen. Ook onder allochtonen in Nederland komen over het algemeen meer gezondheidsproblemen voor dan onder autochtonen. Tussen beide groepen bestaat overigens in Nederland nogal wat overlap. Zo is de inkomenspositie van niet-westerse allochtonen ongunstig: een groot deel van de allochtone groepen bevindt zich onderaan de inkomensverdeling (Vrooman et al., 2005). Hier volgt allereerst een beschrijving van in Nederland bestaande sociaal-economische gezondheidsverschillen en mogelijke verklaringen daarvoor. Ook gaan we in op de ontwikkelingen in de afgelopen tien jaar, waarbij we een antwoord willen krijgen op de vraag of de verschillen tussen sociaal-economische groepen toe dan wel afnemen. Daarna beschrijven we de gezondheidsverschillen tussen etnische groepen in Nederland en een aantal verklaringen voor deze verschillen. We eindigen met een korte beschrijving van de problematiek onder asielzoekers, illegalen en dak- en thuislozen in Nederland. Laagopgeleiden zijn ongezonder Mensen met een lage opleiding zijn over het algemeen ongezonder dan hoogopgeleiden (zie tabel 3.4). Zo hebben laagopgeleiden vaker een chronische aandoening en zelfs veel vaker meerdere aandoeningen. Relatief grote verschillen tussen opleidingsgroepen zijn er voor lichamelijke beperkingen, ervaren gezondheid en gewrichtsaandoeningen. Er is ook een aantal chronische aandoeningen die even vaak voorkomen onder laag- als onder hoogopgeleiden, namelijk chronisch eczeem, psoriasis, kanker en darmstoornissen. Geen van de onderzochte aandoeningen komt vaker voor onder hoogopgeleiden. De in tabel 3.4 weergegeven gezondheidsachterstanden onder laagopgeleiden zijn gebaseerd op zelfrapportages. Andere studies die ook gebaseerd zijn op zelfrapportages, zoals de GLOBE Studie (Van Lenthe et al., 2004) en de Tweede Nationale Studie (Westert et al., 2005) bevestigen het hiervoor geschetste beeld. Het NEMESIS onderzoek laat zien dat er ook een grotere kans is op psychische stoornissen bij mensen met een lage opleiding en/of een laag of gemiddeld inkomen (Vollebergh et al., 2003). Ook niet zelfgerapporteerde gegevens over sociaal-economische status (ses) en gezondheid laten gezondheidsachterstanden onder mensen met een lage ses zien. In een studie op basis van het zogenaamde gezondheidsstatistisch bestand zijn gegevens over inkomstenbelasting gekoppeld aan diagnoses afkomstig uit de landelijke ziekenhuisregistraties. De resultaten van deze studie laten zien dat de meeste chronische ziekten vaker voorkomen onder lage ses-groepen (30% mensen met het laagste inkomen) dan onder hoge ses-groepen (30% mensen met het hoogste inkomen; Kunst et al., 2005). De belangrijkste uitzondering is kanker, dat bij mannen in alle ses-groepen even vaak voorkomt en bij vrouwen zelfs (iets) vaker in de hogere ses-groep. Tabel 3.4: Verschillen in gezondheid en leefstijl naar opleiding (Bron: POLS, gezondheid en arbeid, 2003).
a Zie ook Monitor Gezondheidsachterstanden (tekstblok 3.10). b Gezondheid van laag opgeleiden in verhouding tot die van hoog opgeleiden: 0 = geen verschil met de gezondheid van hoog opgeleiden; - = laag opgeleiden ongezonder dan hoog opgeleiden (1 > RII <2); -- = laag opgeleiden veel ongezonder dan hoog opgeleiden (RII ≥2) RII (Relative Index of Inequality) geeft de verhouding van kansen op een aandoening van laag opgeleiden ten opzichte van hoog opgeleiden, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tekstblok 3.10: Monitor Gezondheidsachterstanden.
Medio 2006 is het Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl) uitgebreid met de Monitor Gezondheidsachterstanden. Deze monitor bevat gedetailleerde informatie over verschillen naar opleidingsniveau voor diverse gezondheidsindicatoren (ziekten en aandoeningen, ervaren gezondheid en lichamelijke beperkingen), leefstijlfactoren, omgevingsfactoren en zorggebruik. | De eerste versie van de Monitor Gezondheidsachterstanden is voornamelijk gebaseerd op de gezondheidsenquêtes van het CBS (vanaf 1997 POLS, gezondheid en arbeid) zal de informatie afkomstig zijn van de Lokale en nationale monitor volksgezondheid waarin het RIVM samen met de GGD’en periodiek informatie over (determinanten van) de gezondheid verzamelt. | |
Waarom zijn lagere ses-groepen ongezonder? Mogelijke verklaringen voor de relatief slechte gezondheid van mensen met een lage ses zijn dat zij relatief vaak in een ongezonde omgeving wonen en werken, een ongezondere leefstijl hebben, minder (kwalitatief goede) zorg ontvangen en/of dat er sprake is van een ongunstige invloed van biologische of genetische factoren (zie ook Welke factoren bepalen onze gezondheid?). Deze verschillende oorzaken van ongezondheid komen bovendien vaker in combinatie voor onder lagere ses-groepen. Minder gunstige woon- en werkomstandigheden Gezondheidsachterstanden concentreren zich vooral in bepaalde wijken van grote steden (zie Geografische verschillen in gezondheid). De meest kwetsbare groepen, waaronder laagopgeleiden, hebben de minste keuzevrijheid als het gaat om de wijk waar ze wonen. Zij wonen dan ook vaker in achterstandswijken, waar zowel de sociale als fysieke omgeving te wensen overlaat. In achterstandswijken zijn bijvoorbeeld de woonomstandigheden relatief slecht en er komt meer sociale desintegratie en ongezond gedrag voor dan in de rijkere wijken (Bosma et al., 2001). Op het werk worden mensen met een lage ses vaker blootgesteld aan zware, fysieke arbeidsomstandigheden met minder mogelijkheden tot autonomie of zelfbeschikking in het werk (Schrijvers et al., 1998). Een ongezondere leefstijl Laagopgeleiden gedragen zich over het algemeen ongezonder dan hoogopgeleiden. Onder laagopgeleiden komen de ongunstige leefstijlfactoren ‘excessief alcoholgebruik’, ‘niet sporten’, ‘overgewicht’ en ‘(zwaar) roken’ vaker voor dan onder hoogopgeleiden (zie tabel 3.4). Laagopgeleiden zijn bovendien minder succesvol in het stoppen met roken dan hoogopgeleiden (Droomers et al., 2002). Opvallend is dat onder laagopgeleiden zowel meer mensen zijn die te veel drinken als meer mensen die helemaal niet drinken. Juist de meest gezonde categorie ‘matig alcoholgebruik’ komt bij hen het minst vaak voor. Zorggebruik past bij slechtere gezondheid Sociaal-economische gezondheidsverschillen kunnen ook ontstaan door verschillen in zorggebruik tussen mensen met een hoge en mensen met een lage ses. Dit is onderzocht door het Erasmus MC in samenwerking met het RIVM en het CBS (Kunst et al., 2006). Analyses op basis van de POLS-enquête (POLS, gezondheid en arbeid) voor de jaren 2001 tot en met 2003 laten zien dat zorggebruik sterk samenhangt met opleiding, bijvoorbeeld als het gaat om huisartsbezoek. Wanneer alle bezoeken aan de huisarts in de afgelopen twee maanden worden opgeteld, blijkt de bezoekfrequentie onder lagere opleidingsgroepen 84% hoger te liggen dan onder hogere opleidingsgroepen. Ook voor andere vormen van zorggebruik zijn de verschillen groot (zie figuur 3.12). Zo gebruiken mensen met een lagere opleiding meer medicijnen op recept (30%), gaan vaker naar de fysiotherapeut (50%) of het ziekenhuis (50%), gebruiken ongeveer tweemaal zo vaak gezinsverzorging en wijkverpleging, en bezoeken minstens vijf maal zo vaak het RIAGG en sociale werk. De frequentie van bezoek aan de specialist blijkt onder lager opgeleiden maar heel weinig hoger te liggen (8% meer). Alleen de tandarts wordt door lager opgeleiden iets minder vaak bezocht (9%) dan door hoger opgeleiden. Een hoger zorggebruik hangt in Nederland niet alleen samen met een lage opleiding, maar ook met andere vormen van sociaal-economische achterstand. Ook wanneer we kijken naar bijvoorbeeld beroepspositite en huishoudinkomen, komen we de bovengenoemde verschillen tegen. Wel zijn de patronen iets anders. Mensen met een laag inkomen bezoeken vaker de huisarts, maar meer nog kennen zij een fors verhoogde frequentie van ziekenhuisopnamen (100%) (zie figuur 3.13, blauwe staven). Bovendien is zowel het geneesmiddelengebruik als het bezoek aan de specialist bij lagere inkomensgroepen aanzienlijk hoger dan bij hogere inkomensgroepen (ongeveer 35%). Deze verschillen kunnen deels worden verklaard door de effecten van opleiding en beroepspositie. Maar ook als we hiermee rekening houden is een samenhang zichtbaar tussen inkomen en zorggebruik (zie figuur 3.13, rode staven). Inkomen heeft dus wel zeker een zelfstandige invloed op zorgconsumptie. Deze sociaal-economische verschillen in zorggebruik kunnen voor een groot deel worden toegeschreven aan verschillen in het optreden van gezondheidsproblemen. Indien rekening wordt gehouden met de gemiddeld genomen slechtere gezondheid van lagere inkomensgroepen, blijkt het volume van zorggebruik veel minder duidelijk samen te hangen met het inkomen van mensen. Rekening houdend met het feit dat mensen met lagere inkomens vaker gezondheidsproblemen hebben, bezoeken ze toch nog iets vaker de huisarts en worden ze ook iets vaker opgenomen in het ziekenhuis dan mensen met hogere inkomens. Hun specialistenbezoek en medicijngebruik is juist weer iets lager (zie figuur 3.13, groene staven). Kortom, arme mensen gebruiken deze zorgvoorzieningen ongeveer even vaak als rijke mensen met dezelfde gezondheidstoestand. Of er verschillen zijn in andere aspecten van de zorg, zoals toegankelijkheid, kwaliteit, of tevredenheid is niet bekend. Figuur 3.12: Verschillen in het volume van zorggebruik naar opleidingsniveau, per vorm van zorggebruik (Bron: Kunst et al., 2006). ![]() Figuur 3.13: Verschillen in zorggebruik naar inkomen (laagste versus hoogste inkomensdeciel): de rol van overige ses-factoren (opleiding, beroep) en van gezondheid (Bron: Kunst et al., 2006). ![]() Sociaal-economische gezondheidsverschillen behoorlijk stabiel De meeste verschillen in gezondheid en leefstijl tussen opleidingsniveaus zijn noch groter noch kleiner geworden in de periode 1990-2003 (zie tabel 3.5). Dit betekent niet dat er geen veranderingen in de gezondheidstoestand en leefstijl van de verschillende opleidingsgroepen hebben plaatsgevonden. Diabetes is bijvoorbeeld sterk toegenomen. Deze toename vond echter onder alle opleidingsniveaus in gelijke mate plaats en hierdoor zijn de verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden gelijk gebleven. Voor een aantal chronische aandoeningen en leefstijlfactoren is er sprake van een toename van de sociaal-economische gezondheidsverschillen, maar er zijn ook indicatoren waar de verschillen juist kleiner zijn geworden. Deze afname is dan in alle gevallen het resultaat van een grotere verslechtering van de gezondheid of leefgewoonten onder hogere sociaal-economische groepen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij overgewicht dat bij hoogopgeleiden meer is toegenomen dan bij laagopgeleiden (zie tekstblok 3.11). Tabel 3.5: Ontwikkeling in verschillen in gezondheid en leefstijl naar opleidingsniveau tussen 1990 en 2003. Bron: POLS, gezondheid en arbeid, 2003)a.
a De indicatoren in tabel 3.5 komen niet geheel overeen met de indicatoren gepresenteerd in tabel 3.3, omdat niet voor alle indicatoren trends konden worden berekend. b 0 = stabiel, + = toename gezondheidsverschillen, - = afname gezondheidsverschillen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tekstblok 3.11: Ongelijke trends in overgewicht.
Overgewicht komt vaker voor onder lager opgeleiden dan onder hoger opgeleiden. Dit algemene patroon is niet veranderd over de jaren maar het verschil tussen de opleidingsniveau’s neemt wel af. Achter deze – ogenschijnlijk gunstige ontwikkeling – gaan echter ongunstige trends schuil: overgewicht nam toe in alle opleidingsklassen en in verhouding meer in de hoogste dan in de laagste opleidingsklasse (vooral in de periode tot 2000) (zie figuur 3.14). Deze trend geldt voor zowel mannen als vrouwen en voor alle leeftijdscategorieën tot 65 jaar. Boven de 65 jaar neemt overgewicht nog steeds toe in alle opleidingscategorieën, maar dit is evenredig in alle opleidingsklassen. Het lijkt er overigens op dat de stijging van overgewicht in de hoogste opleidingsklasse sinds 2000 aan het afvlakken is. | Figuur 3.14: Prevalentie van overgewicht naar opleidingsniveau, 1990-2003 (Bron: CBS POLS gezondheid en arbeid, 2003). ![]() | |
Allochtonen zijn ongezonder Tot de kwetsbare groepen rekenen we ook een deel van de allochtone bevolking van Nederland. Allochtonen in Nederland zijn over het algemeen ongezonder dan autochtonen. Dit blijkt uit een vergelijking van de gezondheid van de vier grootste groepen allochtonen (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen) in Nederland met de gezondheid van autochtone Nederlanders en geldt voor verschillende gezondheidsmaten (zie tabel 3.6). De vergelijking voor Antillianen is slechts beperkt te maken, omdat we relatief weinig weten over de gezondheidstoestand van deze groep (zie tekstblok 3.12). Sterfte onder baby's, kinderen en volwassen allochtonen hoger dan onder autochtonen, met uitzondering van Marokkanen De perinatale sterfte is hoger onder baby’s uit de vier grote groepen allochtonen dan onder autochtone baby’s (Garssen & Van der Meulen, 2004). De sterfte is eveneens hoger onder allochtone zuigelingen en kinderen dan onder autochtone kinderen (Garssen et al., 2003; Van Duin, 2002; Van Driel et al., 1999). Onder Turkse, Surinaamse en Antilliaanse mannen is de sterfte ongeveer 25% hoger dan onder autochtone mannen. Onder Marokkaanse mannen is de sterfte juist 15% lager. Onder vrouwen is er een verhoogd sterfterisico onder Surinaamse en Antilliaanse vrouwen vergeleken met autochtone vrouwen (Bos et al., 2004a). Deze verschillen hangen deels samen met de over het algemeen lagere sociaal-economische status van allochtonen. Wanneer hiervoor wordt gecorrigeerd, worden de verschillen in sterfte wat kleiner. Bij de Surinaamse en Antilliaanse mannen worden de verschillen ook beïnvloed door de burgerlijke staat: aleenstaande mannen leven korter (Bos et al., 2004a). Allochtonen hebben ander ziektepatroon dan autochtonen Uit diverse Nederlandse studies blijkt dat de prevalentie van diabetes mellitus hoger is bij allochtonen dan bij autochtonen (zie tabel 3.6; Weijers et al., 1998; Dijkshoorn et al., 2003; Kriegsman et al., 2003; Middelkoop et al., 1999). De prevalentie is het hoogst onder personen van Hindoestaans-Surinaamse afkomst, vooral in de hogere leeftijdsgroep (37% bij personen ouder dan 60 jaar). De prevalentie van diabetes mellitus bij personen van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse afkomst is ongeveer gelijk en ligt tussen de drie en zes keer hoger dan onder de blanke bevolking. Ook voor hart- en vaatziekten zijn er verschillen. Deze aandoeningen komen vaker voor bij Turken en Surinamers, maar niet vaker bij Marokkanen. Ook gegevens over ziekenhuisopnamen naar herkomstgroepering laten zien dat niet alle ziekten vaker voorkomen bij allochtonen. Zo zijn er bijvoorbeeld minder dagopnamen voor hart- en vaatziekten onder Marokkanen en minder dagopnamen voor kanker voor zowel Marokkanen als Turken. Vooral borstkanker komt veel minder vaak voor onder allochtonen (Verweij et al., 2004). Allochtonen ervaren hun gezondheid vaker als slecht dan autochtonen (Reijneveld, 1998; Van Bergen et al., 2003; Struben & Middelkoop, 2002). Surinamers, Antillianen en Marokkanen lijden vaker aan schizofrenie dan autochtonen, terwijl het bij Turken vergelijkbaar is met autochtonen (Selten & Sijben, 1994; Selten et al., 1997; Schrier et al., 1996; Selten et al., 2001). Uit een Amsterdams onderzoek blijkt dat Turkse en Marokkaanse ouderen vaker depressief zijn dan autochtone ouderen. Overigens is het verschil tussen Turken en Marokkanen onderling ook nog aanzienlijk: Turkse ouderen zijn veel vaker depressief dan Marokkaanse. De hoogste prevalentie wordt gevonden bij Turkse vrouwen boven de 65 jaar (Van der Wurff et al., 2004; Spijker et al., 2004). De geestelijke gezondheid van kinderen, gemeten als teruggetrokkenheid, angst, depressiviteit (internaliserende klachten) en als delinquent of agressief gedrag (externaliserende klachten) is slechter onder Turkse en Marokkaanse dan onder autochtone kinderen (Stevens et al., 2003). Tabel 3.6: Verschillen a in gezondheid en leefstijl tussen de vier grootste allochtone groepen in Nederland ten opzichte van autochtonen. Bronnen: zie verwijzingen in tekst ‘allochtonen zijn ongezonder'.
a 0 = gezondheidsniveau is gelijk aan dat van autochtonen; - = ongezonder dan autochtonen; + = gezonder dan autochtonen; ? = geen informatie. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tekstblok 3.12: Informatie over gezondheid allochtonen nog steeds schaars.
Kennis over de gezondheid en het zorggebruik van allochtonen is voornamelijk beschikbaar voor de vier grootste groepen allochtonen in Nederland, te weten Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen. Maar ook over deze groepen allochtonen zijn de gegevens relatief schaars, waardoor nuances binnen etnische groepen nauwelijks gemaakt kunnen worden. Zo zijn er waarschijnlijk belangrijke verschillen tussen eerste en tweede generatie allochtonen, en het verschil tussen mannen en vrouwen kan niet altijd gemaakt worden. Van deze vier groepen is overigens over de Antillianen het minst bekend. Een ander probleem is dat vergelijking van verschillende informatiebronnen over de gezondheid van allochtonen wordt bemoeilijkt doordat onderzoekers verschillende definities van etniciteit gebruiken. | Veel gegevens over de gezondheid van allochtonen zijn afkomstig uit enquêtes. Van veel van de gebruikte enquêtevragen is echter onvoldoende bekend of allochtonen bij het beantwoorden hiervan wel dezelfde betekenis hanteren voor de genoemde begrippen als autochtonen (denk aan het begrip ‘gezondheid’). Doordat de informatie door de respondenten zelf gerapporteerd wordt, kunnen de antwoorden en dus de resultaten vertekend zijn door verschillen in perceptie, sociaal wenselijke antwoorden of verschillende (cultureel bepaalde) opvattingen over problematisch of aanvaardbaar gedrag, gezondheid en ziekte, ziektegedrag en ziektebeleving. | |
Waarom zijn allochtonen ongezonder dan autochtonen? Mogelijke verklaringen voor de relatief slechte gezondheid van de grootste groepen allochtonen zijn grotendeels dezelfde als de verklaringen voor sociaal-economische gezondheidsverschillen. Er kan sprake zijn van de invloed van ongunstige woon- en werkomstandigheden en van een relatief ongezonde leefstijl. Ook kan er sprake zijn van minder (kwalitatief goede) zorg die allochtonen ontvangen of van een ongunstige invloed van biologische of genetische factoren. Hierna beschrijven we de leefstijl van allochtonen in vergelijking met autochtonen en de relatie tussen etniciteit en zorggebruik. Roken, bewegen en overgewicht relatief ongunstig bij allochtonen Allochtone mannen roken vaker dan autochtone Nederlanders. Dit geldt vooral voor Turkse mannen, gevolgd door Surinamers en Antillianen. Het rookgedrag van allochtone vrouwen komt voor de grootste allochtone groepen grotendeels overeen met dat van autochtone Nederlandse vrouwen. Marokkaanse mannen en vrouwen roken echter minder vaak dan Nederlanders (Nierkens, 2006; Van Leest et al., 2002a; Van Lindert et al., 2004). Excessief alcoholgebruik komt even vaak voor onder allochtonen als onder autochtonen, terwijl allochtonen vaker geheelonthouder zijn dan autochtonen (Van Lindert et al., 2004; Dijkshoorn et al., 2001). Allochtonen bewegen en sporten minder dan autochtone Nederlanders (Uitenbroek et al., 2006; Dijkshoorn, 2006; Van Lindert et al., 2004; Keuzenkamp & Merens, 2006). Net als autochtone Nederlanders voldoen ook veel allochtonen niet aan de normen voor gezonde voeding, wat betreft fruit-, groente- en vetconsumptie. Wel zitten ze in sommige gevallen dichter bij deze norm. Zo eten Turken bijvoorbeeld meer groente en fruit dan allochtonen (Van Leest et al., 2002a). Overgewicht komt veel vaker voor onder de Turkse en Marokkaanse jeugd dan onder de Nederlandse. Van alle Turkse jongens en meisjes van 0-21 jaar was respectievelijk 23 en 30% te zwaar, van de Marokkaanse jongens en meisjes was dit 16 en 25%. Ter vergelijking: van alle Nederlandse jongens en meisjes is 9% respectievelijk 11% te dik en van alle kinderen in de grote steden 13 en 17% (Fredriks et al., 2005). Meer bezoeken aan huisarts, maar mogelijk onderconsumptie medisch specialist en ziekenhuis Onder Nederlanders van niet-westerse afkomst is het gebruik van sommige gezondheidsvoorzieningen zeer hoog (zie figuur 3.15) (Kunst et al., 2006). In vergelijking tot de autochtone Nederlandse bevolking bezoeken niet-westerse allochtonen de huisarts ongeveer tweemaal zo vaak. Ook de RIAGG en het sociale werk worden door hen veel vaker bezocht. Toch is het beeld gevarieerder dan in het eerder geschetste geval van sociaal-economische verschillen. Niet-westerse allochtonen maken bijvoorbeeld evenveel gebruik van gezinsverzorging en wijkverpleging dan autochtone Nederlanders. Allochtonen gaan bovendien minder vaak naar de specialist en de tandarts. Het zorggebruik van allochtone groepen kan voor een belangrijk deel worden begrepen vanuit hun slechtere sociaal-economische positie en gezondheidssituatie (zie figuur 3.16, rode en groene staven). Etnische verschillen in de frequentie van huisartsbezoek kunnen voor het grootste deel worden verklaard door de lagere opleiding, beroepspositie en inkomen van niet-westerse allochtonen. In vergelijking met autochtone Nederlanders met gelijke sociaal-economische positie gaan niet-westerse allochtonen iets vaker naar de huisarts (25%). Maar als we rekening houden met hun relatief slechtere gezondheid is er geen verschil meer in huisartsbezoek. Hetzelfde geldt voor medicijngebruik. Wat vooral opvalt, is dat niet-westerse allochtonen minder vaak naar de specialist en naar het ziekenhuis gaan: circa 40% respectievelijk 30% minder dan autochtone Nederlanders met vergelijkbare ses en gezondheidstoestand. Nadere analyse wijst uit dat deze onderconsumptie van intramurale zorg zich concentreert onder de inwoners van Turkse en Marokkaanse afkomst, in tegenstelling tot inwoners uit Suriname of de Antillen en Aruba.se Figuur 3.15: Verschillen in het volume van zorggebruik naar land van herkomst, per vorm van zorggebruik (Bron: Kunst et al., 2006). ![]() Figuur 3.16. Verschillen in zorggebruik naar land van herkomst: de rol van SES-factoren (opleiding, beroep, inkomen) en van gezondheid (Bron: Kunst et al., 2006).. ![]() Etnische verschillen in zorggebruik niet eenduidig In de hierboven beschreven studie, die gebaseerd is op de POLS, gezondheid en arbeid, wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen specifieke etnische groepen. Hier presenteren we daarom gegevens over zelfgerapporteerd zorggebruik, waarmee we de vier grootste allochtone groepen in Nederland ook onderling kunnen vergelijken. Deze gegevens afkomstig uit de Tweede Nationale Studie, laten echter een iets ander beeld zien (zie tabel 3.7). Volgens deze gegevens gaan allochtonen vaker naar de huisarts en medisch specialist, ook als rekening gehouden wordt met hun gemiddeld genomen slechtere gezondheid. Daarentegen hebben ze minder vaak contact met een fysiotherapeut. Er zijn ook uitzonderingen. Zo bezoeken Marokkanen niet vaker een medisch specialist en hebben Surinamers niet minder vaak contact met een fysiotherapeut. Tabel 3.7. Zelfgerapporteerd zorggebruik in het afgelopen jaar onder de vier grootste allochtone groepen van 18 jaar en ouder ten opzichte van autochtonen in 2001-2002: odds-ratio gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, zorgverzekering, urbanisatiegraad en gezondheid. Bron: Tweede Nationale Studie (Uiters et al., 2006).
Schuingedrukte cijfers geven statistisch significante verschillen tussen de allochtone en autochtone groep weer. Opvattingen over hulp zoeken bepalen deels zorggebruik allochtonen Etnische verschillen in opvattingen over hulp zoeken voor gezondheidsproblemen kunnen een rol spelen bij de hierboven gerapporteerde verschillen in zorggebruik. Turken consulteren bijvoorbeeld bij klachten sneller de huisarts dan autochtonen. Een ander voorbeeld betreft de overtuiging van veel allochtone ouderen dat kinderen een zorgplicht hebben tegenover de ouders, waardoor zij zich niet oriënteren op de zorgmogelijkheden voor ouderen (Weide, 1998; Van Wersch & Van Poppel, 2003). Optreden zorgverleners bepaalt deels zorggebruik allochtonen Ook het optreden van zorgverleners speelt een rol bij verschillen in zorggebruik naar etniciteit. Allochtonen voelen zich in contacten met zorgverleners, vooral met de huisarts en in de geestelijke gezondheidszorg, vaker onbegrepen of niet serieus genomen dan autochtonen (Weide, 1998; Rietveld & Van Erp, 2003; Van Wersch & Van Poppel, 2003; Bruijnzeels, 2001; Van Wieringen et al., 2002; Avezaat & Smulders, 1996). Ook zorgverleners herkennen dit probleem en vinden daardoor de zorgverlening aan allochtonen vaak belastend (Van Wersch & Van Poppel, 2003; Avezaat & Smulders, 1996). Communicatieproblemen ontstaan door zowel taal- als cultuurverschillen en kunnen leiden tot minder adequate zorg en een nadelige invloed hebben op de therapietrouw (Van Wieringen et al., 2002). Betere en meer informatie over zorggebruik allochtonen nodig Er bestaan dus aanwijzingen dat de kwaliteit van de geboden zorg aan allochtonen te wensen overlaat. Dat er sprake is van knelpunten in de kwaliteit van de zorg komt weliswaar telkens naar voren, maar wat er dan precies misgaat en welke consequenties dit heeft is niet duidelijk. Er blijkt verder weinig informatie voorhanden over trends of veranderingen in het zorggebruik van allochtone groepen. En er is nauwelijks informatie over het zorggebruik van andere en nieuwe groepen allochtonen. De beschikbaarheid van gegevens over het zorggebruik van verschillende groepen allochtonen zou aanzienlijk verbeteren als in zorgregistraties ook etniciteit wordt opgenomen. Andere groepen mogelijk nog kwetsbaarder Mensen met een lage sociaal-economische status en allochtonen zijn weliswaar groepen die relatief kwetsbaar zijn, maar een groot deel van hen gaat relatief gezond door het leven en staat midden in de maatschappij. Er zijn ook groepen die zich verder in de marge van onze maatschappij bevinden en daardoor mogelijk nog kwetsbaarder zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor dak- en thuislozen en illegalen. Deze groepen hebben door hun omstandigheden meer kans op gezondheidsproblemen en zijn tegelijkertijd veel minder goed bereikbaar voor preventie en gezondheidszorg. Asielzoekers en vluchtelingen lopen nog eens extra risico, omdat ze bepaalde gezondheidsproblemen meenemen uit het land van herkomst. Tekstblok 3.13 geeft voor drie kwetsbare groepen informatie over de grootte van de groepen en hun belangrijkste gezondheidsproblemen. |
Tekstblok 3.13: Asielzoekers, vluchtelingen, illegalen en dak- en thuislozen.
Asielzoekers, vluchtelingen, ama’s Een asielzoeker verblijft in Nederland in afwachting van zijn asielaanvraag. Een vluchteling is iemand die ‘gegronde redenen’ heeft om in zijn land van herkomst te vrezen voor vervolging en als zodanig voor (on)bepaalde tijd hier kan verblijven. Door de aard van de definitie is het aantal vluchtelingen in ons land moeilijk vast te stellen, maar de UNHCR (de Vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties) stelde het eind 2004 vast op ruim 126.000. Het aantal asielzoekers daalt de laatste jaren sterk en dit geldt ook voor het aantal alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s). Een derde van de asielpopulatie is jonger dan twintig jaar, waarbij ook de kinderen zijn meegerekend die tot een gezin behoren. Naar schatting verblijven er 24.000 (ex-)ama’s in Nederland (Tuk, 2006). De bij Pharos (kenniscentrum vluchtelingen en gezondheid) verschenen metastudie over de gezondheidssituatie van asielzoekers en vluchtelingen (Bartels, 2003) constateert een sterk verhoogde sterfte. Deze wordt veroorzaakt door TBC, aids, meningitis en hepatitis; endemische ziekten dus uit het land van herkomst. De prevalentie van psychische stoornissen verschilt sterk per onderzoek en per stoornis. Een posttraumatische stressstoornis (PTSS) komt tienmaal zo vaak voor onder vluchtelingen als onder leeftijdgenoten in hetzelfde land (Fazel et al., 2005). In Nederland is bovendien aangetoond dat psychische stoornissen toenemen na een langdurig verblijf in de centrale opvang (Laban et al., 2004). Ook ama’s hebben vaker psychische problemen. Zo hebben ze meer internaliserende klachten en PTSS dan Nederlandse jongeren en vluchtelingenjongeren die met hun ouders in de opvang verblijven. Ongeveer 60% van de ama’s rapporteert een psychosociale hulpbehoefte, maar deze wordt meestal niet waargenomen door omringende volwassenen (Bean et al., 2005). Illegalen In ons land leven naar schatting 125.000 tot 225.000 illegalen (Leerkes et al., 2004). De groep is zeer divers; niet alleen uitgeprocedeerde asielzoekers behoren ertoe, maar ook toeristen met een verlopen visum. Sommigen wonen al jaren in Nederland en voorzien in hun eigen levensonderhoud. Anderen zijn dakloos en raken steeds meer gemarginaliseerd. Van ‘medisch asieltoerisme’ naar Nederland lijkt geen sprake te zijn, ondanks het feit dat er ook mensen komen uit gebieden waar hiv-infecties wijdverbreid zijn (LCMAV, 2004). Bij illegalen komen zowel de aandoeningen voor die ook bij andere allochtonen voorkomen, als gezondheidsproblemen die specifiek aan hun situatie gerelateerd zijn (Van den Muijsenbergh, 2004). Het gaat dan vooral om psychische klachten, zoals depressiviteit en stress, en (psycho)somatische klachten als hoge bloeddruk, maagklachten, hoofdpijn en rugklachten. Ook infectieziekten komen vaker voor; de GG&GD Amsterdam registreerde bijvoorbeeld zeven keer zoveel tuberculose onder illegalen als onder autochtonen (Erkens & Pot, 1999). | Als belemmeringen voor de zorg aan illegalen gelden leefomstandigheden, vrees voor opsporing en financiële problemen. Maar ook de complexe problematiek waaronder illegalen lijden en de relatieve onbekendheid van hulpverleners hiermee vormen een probleem (Van den Muijsenbergh, 2004). Doordat illegalen het bezoek aan een arts uitstellen, worden huisartsen vaak in een laat stadium geconfronteerd met (soms levensbedreigende) aandoeningen (Van Oort et al., 2001). Nog een ander probleem is de Koppelingswet uit 1998, die verhindert dat zij zich kunnen verzekeren tegen ziektekosten. Zorgverleners hebben hierdoor soms het idee dat zij illegalen niet zouden moeten helpen. Deze groep heeft echter recht op gezondheidszorg, alleen al om redenen van humanitaire aard, ter bescherming van de openbare gezondheidszorg en op grond van internationale verdragen.. Dak- en thuislozen Een derde kwetsbare groep zijn de dak- en thuislozen. Deze groep bestaat voor een klein deel uit illegalen, maar vooral uit andere allochtonen en autochtonen. Het Trimbos-instituut deed de afgelopen jaren onderzoek naar de gezondheidstoestand van daklozen in Utrecht (1998), Den Haag (2001), Alkmaar (2002) en Leiden (2005). In deze vier steden bleek 0,2-0,4% van de bewoners dak- of thuisloos. De fysieke en geestelijke toestand van deze mensen was slecht te noemen. Ruim 40% van hen had zowel psychische als lichamelijke problemen. Ook drugs- en alcoholgebruik kwamen veel voor: meer dan de helft van hen gebruikte meerdere soorten drugs. Over de laagdrempelige opvang van dak- en thuislozen in Nederland is cijfermatig vrijwel niets met zekerheid te zeggen. Alleen van de opvangvoorzieningen van het Leger des Heils zijn betrouwbare gegevens beschikbaar. In deze voorzieningen biedt het Leger naast een stoel (dagopvang) of een bed (nachtopvang) de meest elementaire hulp, om te voorkomen dat mensen die zwerven verder afglijden. De capaciteit van de dagopvang steeg tussen 1999 en 2003 van 626 naar 691 stoelen. In 2003 registreerde het Leger des Heils 4.482 aanmeldingen voor de dagopvang; een stijging van 45% ten opzichte van 1999. De capaciteit van de nachtopvang verdubbelde tussen 1999 en 2003 van 232 naar 464 bedden. Het aantal aanmeldingen (3.237 in 2003) bleef ongeveer gelijk. Mogelijk nam de verblijfsduur per persoon toe, maar dat is niet uit de cijfers te halen. Het merendeel (80%) van de gebruikers van de dag- of nachtopvang van het Leger des Heils bestaat uit ongehuwde mannen tussen 23 en 54 jaar oud. Hun opleidingsniveau is in verhouding vrij laag. Van de cliënten heeft ongeveer tweederde de Nederlandse nationaliteit, ongeveer 10% was Marrokaans of Surinaams. Turken zijn in deze opvang duidelijk ondervertegenwoordigd. | |








