Neerslagcorrectie

Rekening houden met neerslag is noodzakelijk voor een goede interpretatie.

In het LMM meten we de waterkwaliteit in de bovenste meter van het grondwater. Dit kent een bepaalde historie en deze laag bevat ook de beste informatie voor ons onderzoek. Voor een goede interpretatie moeten we echter wel rekening houden met de neerslaghoeveelheid. Alleen dan kunnen we beoordelen of de kwaliteitsverbetering van de bovenste meter grondwater is veroorzaakt door het Mestbeleid. Stevige en langdurige regen in 1993 leverde ons dat inzicht op!

Aanleiding: nitraatconcentraties halveren in de periode 1992-1995

Tijdens de start van het LMM in 1992 waren we ons nog niet zo bewust van het effect van meer grondwateraanvulling op de nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater. In 1992 en 1993 werden ongeveer dezelfde nitraatconcentraties op de bemonsterde bedrijven gemeten. In 1993 begon het echter in juli stevig te regenen en dit ging door tot ver in december. In de volgende twee jaren bleek dat de nitraatconcentraties in de bovenste meter van het grondwater ongeveer gehalveerd waren ten opzichte van 1992 en 1993. De stikstofoverschotten waren in de periode 1992-1995 echter niet veranderd, zodat de oorzaak van de daling ergens anders gezocht moest worden. Neerslag bleek de verklarende factor te zijn.

Minder nitraat door meer neerslag: hoe werkt dat dan?

In een jaar met een gemiddelde grondwateraanvulling zakt een waterlaag van 0,3 m uit naar het grondwater. Ongeveer een derde van het grondvolume onder de wortelzone bestaat uit grondporiën. Het water dat uitzakt, vult als grondwater alle poriën in de bodem. Daardoor verspreidt de waterlaag van 0,3 meter zich over een grondlaag van één meter diep. Gemiddeld bestaat daarom de bovenste meter van het grondwater uit de grondwateraanvulling van een jaar. Dit grondwater in de bovenste meter wordt in het LMM bemonsterd. De hoeveelheid neerslag kan echter met bijna een factor 2 tussen jaren variëren en daardoor zal ook de grondwateraanvulling wijzigen. Hierdoor kan het zijn dat na een jaar met 0,6 m grondwateraanvulling, deze zich in de bovenste twee meter bevindt. Het is dan voor te stellen dat in de bovenste meter de nitraatconcentratie nog maar de helft is. Omdat altijd de bovenste meter wordt bemonsterd kunnen we dan een daling van nitraat vinden terwijl deze niet is veroorzaakt door een minder stikstofoverschot, maar wel door meer grondwateraanvulling. Daarnaast kan door meer neerslag meer nitraat worden afgebroken (denitrificatie) waardoor óók minder nitraat wordt gevonden.

Weersgecorrigeerde nitraatconcentraties geven aan dat mestbeleid effectief is

Het effect van neerslag op de gemeten nitraatconcentraties kan statistisch worden vastgesteld. Vervolgens kunnen we voor elke gemeten nitraatconcentratie berekenen wat deze zou zijn geweest als de grondwateraanvulling niet was veranderd in de tijd. Dit noemen we de weersgecorrigeerde gemeten nitraatconcentraties. Deze weersgecorrigeerde nitraatconcentraties kunnen wèl worden gebruikt om te boordelen of het Mestbeleid effectief is geweest. In figuur 1 staan zowel de gemeten als de weersgecorrigeerde nitraatconcentraties. De gemeten nitraatconcentraties variëren meer in de tijd dan de gecorrigeerde nitraatconcentraties. De gecorrigeerde nitraatconcentraties nemen geleidelijk af met als uitzondering 1998 waar we een tijdelijke extra daling zien. Mogelijk wordt deze veroorzaakt door de varkenspest van 1997. Omdat zowel de stikstofoverschotten als de gecorrigeerde nitraatconcentraties zijn afgenomen concluderen we dat het Mestbeleid effect heeft gehad.

neerslagcorrectie

Figuur 1 Jaarlijkse gemiddelden van gemeten en weersgecorrigeerde nitraatconcentraties gedurende de periode 1992-2006

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu