|   print

Adverse events following immunisations under the National Vaccination Programme of The Netherlands Numbers V - Reports in 1998
[ Bijwerkingen van vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland. Nummer V Rapportage in 1998 ]
 
Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, PHaff TAJ

75 p in English   2001

RIVM Rapport 000001004
download pdf (11865Kb)  

Toon Nederlands

English Abstract
Adverse events following immunisation (AEFI) in the National Vaccination Programme of the Netherlands (RVP) have been monitored through an enhanced passive surveillance system by RIVM since 1962. From 1984 onwards evaluation is done in close collaboration with the National Health Council. Reports from Health Care workers are received mainly by telephone through the operating vaccine information and advisory service. Further data are obtained, if necessary, from parents, general practitioner, paediatrician etc. After supplementation and verification of data a (working) diagnosis is made and causality assessed. In this report on 1998 an overview of all received AEFI is presented with classification according to case definitions and causality. Reporting bias, background rates of specific events and possible pathophysiology of symptoms are discussed. On a total of approximately 2 million vaccinations 1100 AEFI were submitted. Of these 1.5% (16) was unclassifiable because of missing information. In 80% (877) of the classifiable events a possible causal relation with vaccination was established and in 18% (197) the events were judged to be coincidental. Compared to 1997 there was again a rise in the number of notifications. This increase is thought to be due, both to decreased underreporting, increased awareness and apprehension as possibly also to some increase in true side effects, mainly fever and crying.

 

RIVM - Bilthoven - the Netherlands - www.rivm.nl

Display English

Rapport in het kort
Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1984 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen komt binnen via de telefonische informatiedienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn uit de jeugdgezondheidszorg.Nadere informatie wordt zo nodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 1998 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken. Er zijn 1100 meldingen binnengekomen, op ongeveer twee miljoen vaccinaties. Hiervan waren er 16 (1,5%) niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 80% (877) van de meldingen werd een mogelijke causaal verband vastgesteld en bij 197 meldingen (18%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 1997 was er opnieuw een stijging in het aantal meldingen. Deze stijging kan deels worden veroorzaakt door verdere afname van onderrapportage, verhoogde aandacht en bezorgdheid. Mogelijk is er ook enige toename in frequentie van werkelijke bijwerkingen, vooral van beelden met koorts en huilen.

 

RIVM - Bilthoven - Nederland - www.rivm.nl
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM
( 2001-09-24 )